Het vaderland van de Spaansche overlevering was inderdaad een
geschikte kweekplaats voor het ras, dat gedurende eeuwen iederen duim
van het Schiereiland moest betwisten aan een vijand, die oneindig
veel bedrevener was in de kunst van oorlogvoeren, al was hij dan
ook de mindere in doortastendheid, en al ontbrak hem de geest van
saamhoorigheid.
Te midden van de dorre woestenijen van het Noorden van Spanje,
die tegenwoordig bekend zijn als rijk aan mineralen, vindt men
onverwachts weelderige en vruchtbare valleien, ingebed tusschen een
steile, vulcanische bergketen, aan den voet waarvan dichte eiken-,
kastanje- en dennebosschen verrijzen. Deze dalen, door hunne ligging
beschut tegen de ijzig scherpe winden, die van de Pyreneeën jagen,
bieden betrekkelijk dezelfde levensomstandigheden als het zachtere
Zuiden van het land. Ofschoon door den onderlingen afstand het verkeer
tusschen de verschillende dalen gering was, waren deze toch voor de
Spaansche Christenen het toevluchtsoord, waarheen zij kwamen om nieuwe
krachten te verzamelen en hun geest te sterken voor den grooten strijd
tegen de Saracenen.
In dezen eeuwenlangen strijd werd Christelijk Spanje ongetwijfeld
gedragen door een diep gevoel van saamhoorigheid en het bezit van een
gemeenschappelijke taal, factoren, die het behoud zijn geweest van
menig volk, dat in een even wanhopigen toestand verkeerde; en misschien
is hun vaste wil, het verloren paradijs van het Zuiden te herwinnen,
wel het beste bewijs voor de waarheid van de theorie, dat vóór het
tijdperk der Saraceensche overheersching, de Castiliaansche taal
slechts een samenraapsel was uit de elementen van de Romeinsche lingua
rustica en het onbeschaafde Gothisch, en volgens sommige autoriteiten,
zonder bepaalde taalregels of een taaleigen. [2] Zeker is het, dat
de eindphase in de ontwikkeling van het Castiliaansch plaats vond na
den uitval der Arabieren, maar wij zouden te groote waarde hechten
aan het gebrekkige bewijs, dat wij bezitten, wanneer wij beweerden,
dat de gangbare Castiliaansche taal, onmiddellijk vóór die periode,
niets was dan een patois, zonder regels of methode.