Het teedere Fransche liefdeslied,
De zangen van 't schoone Brittanje,
Legenden van het zwaard en de speer,
Geboren in Allemanje,
Dit alles verbleekt bij de kleurige pracht
Der balladen van 't oude Spanje!
Wanneer een vreemdeling op zijne reizen rust zou zoeken in een tuin van
het oude Granada, onder een afdak van citroen- en moerbeibladeren,
en zijn oor zou openen voor de melodieën der wateren van de
Granaatappelstad, en zijn geest voor de betoovering van hare atmosfeer,
dan zou het hem gemakkelijk vallen te gelooven dat in de dagen, toen
hare kleuren minder teeder en hare verrukkelijke lucht misschien minder
verkwikkend was, de harpen harer zangers de weefgetouwen waren, waarop
de weefsels van de romance ontstonden. Bijna instinctief zal hij den
indruk krijgen, dat de Spanjaard, die dit paradijs herwonnen heeft,
na eeuwen van ballingschap, en die aangeraakt werd door de betooverde
echo's van de Moorsche muziek, die daar nog rondzweefden, werd
opgewekt tot hartstochtelijke lofzangen op die helden van zijn ras,
die zoo onafgebroken hadden gestreden en zooveel hadden opgeofferd,
om het te herwinnen. Maar wanneer hij de Sierra del Sol zou beklimmen
en door de betooverde vertrekken van het Alhambra zou dwalen, zooals
een kind door het land der droomen, dan zou hij in zijn hart zeggen,
dat de menschen, die deze kamers bouwden uit den regenboog, en deze
muren beschilderden van het palet van den zonsondergang, ook het
onzichtbare, doch daarom niet minder schitterende paleis van de
Spaansche Romance opbouwden.
Of als iemand, wandelende in de schaduwen van Cordova, peinst over
de Moskee Maqsure, welker deuren van Andalusisch staal toegang gaven
aan dichters en sterrewichelaars, of wanneer hij denkt aan het paleis
van Azzahra, gebouwd van rozerood en zeegroen marmer, geroofd uit
de Byzantijnsche kerken van Ifrikia, zal hij dan niet gelooven,
dat in deze stad van verwoeste pracht en vernielde betoovering de
passiebloem van de Romance in volle heerlijkheid opbloeide?
Maar wij kunnen de tonen der vergeten melodieën niet meer vinden,
noch kunnen wij samenvoegen het mozaïk van verbroken harmonieën in de
warme en klinkende stad der Saracenen, evenmin als in de »mijn van
zijde en zilver«, het oude Granada; noch te midden van de marmeren
overblijfselen van Cordova, waar het marktplein overstroomd was met de
geschilderde perkamenten van Moorschen zang en wetenschap. Wij moeten
ons afwenden van het bloeiende Zuiden, en de kale hoogten van Castilië
en Asturië beklimmen, waar het Christelijk Spanje gedurende 500 jaren
gevangen was op eene dorre en verschroeide vlakte en waar geboren
werd een diepe hartstocht van vaderlandsliefde en zelfopoffering,
die uiting vond in heerlijke krijgszangen, waarvan de echo's tusschen
de bergen weerklinken als spook-klaroenen op een vergeten slagveld.
Afzondering en toewijding aan een nationale zaak zijn machtiger
prikkels tot de ontwikkeling der romantiek, dan een atmosfeer van
Oostersche weelde. De borsten van deze strenge bergen brachten melk
voort, zoeter dan de wijn van Almohaden, en liederen ontstonden in
Burgos en Carrión, ontroerender, zij het dan ook minder fantastisch,
dan ooit ontsprongen aan de guitaren van Granada. Maar de nooit
eindigende strijd tusschen Arabier en Spanjaard bracht met zich
mede een voortdurende uitwisseling van den zinnelijken geest van het
Zuiden en de ruwere mannelijkheid van het Noorden, zoodat ten slotte
het Saraceensche goud het staal van het Spaansche lied versierde,
en de Spaansche ziel gevangen werd in de netten van de Oostersche
fantasie. In lateren tijd verzachtte eene openlijke bewondering voor
de kunst en beschaving van den Moslim den ouden haat, en de Moorsche
cavalier bootste de ridderlijkheid, zooal niet de dichtkunst na,
van den Castiliaanschen ridder. [1]