Zij was een eerwaardige, oude dame, die tal van deugden in 't

verborgen bezat; ze trad weinig op den voorgrond en dit zal je niet

verwonderen, als je haar naam hoort: zij heette fee Nederigheid. Op

prijsuitdeelingen, waar kleine kinderen met lauwerkransen op 't hoofd

trotsch en fier, als zegepralende generaals, vandaan komen, had zij

't niet erg begrepen.

Toch wilde zij er niets tegen zeggen, want, al is nederigheid een

schoone zaak, in den levensstrijd heeft men ook nog andere wapens

noodig en 't kan zijn nut hebben de kiem van ijver en eerzucht

in 't hart der kinderen te leggen, als men er menschen van wil

maken. Zij liet hen dus maar met hun lauweren gaan, wel wetend,

dat de nederigheid mettertijd vanzelf zou komen tot hen, die eens

waarlijk groot zouden zijn.

Wat den anderen betrof, vond zij 't wel wat hard hun dit kleine

beetje ijdelen roem te ontnemen, dat immers alles was, waarmee zij

't zouden moeten doen.

't Verdriet van haar lief petekind ging haar echter na aan 't hart

en daarom kwam zij den onverdragelijken wijsneus, die haar tranen

had doen vloeien, eens gauw bestraffen.

"Je weet dus niets, mijn kind?" zoo sprak zij 't kleine meisje

vriendelijk aan. "Laat ik je ook eens een vraag voorleggen: zou je

mij ook kunnen vertellen wat men moet doen om braaf te leven?"

"O, petemoei, dat is niet moeielijk! Men moet den goeden God

gehoorzamen en alle menschen liefhebben, zooals Hij."

"Dat is al iets. Maar ik heb zoo'n idee, dat dit toch niet voldoende

zal wezen om 't kameraadje van zoo'n geleerden bol te zijn."

"Ga eens mee, vriendje," vervolgde zij, zich tot den jongen

wendend. "Je bent te knap om bij kleine meisjes op visite te gaan;

't gezelschap van geleerden en letterkundigen zal je nu beter voegen."

Zij nam hem bij de hand.

Plotseling bevond hij zich in een der zalen van het observatorium,

waar iemand met een eerbiedwaardig voorkomen, aan een lange tafel,

voor een massa papieren vol cijfers, gezeten was.

Deze was voorzeker een groot geleerde.

Hij had aan aardmetingen gewerkt, een arbeid, die nog heel wat meerdere

en andere moeielijkheden met zich brengt, dan al de regels van drie

te zamen. Hij had het licht, dat 72000 mijl per seconde aflegt, in

zijn loop gevolgd en berekend hoeveel jaren 't noodig heeft om van de

sterren, die onze naaste buren zijn, tot ons te komen. Hij woog de

zon en de maan met de pen in de hand, als op een weegschaal en kon

door zijn berekeningen van te voren de baan, die de hemellichamen

door de ons omringende, oneindige ruimten af zullen leggen, bepalen.

Toen fee Nederigheid hem goedendag gewenscht had, glimlachte hij

vriendschappelijk en begroette haar als een oude bekende.

"Professor," zei ze, "hier breng ik u een geleerde, die gaarne een

wetenschappelijk gesprek met u wil voeren."

De professor kende geen grooter genoegen dan zijn kennis mee te deelen

aan hen, die dit wenschten. Hij stak den kleinen jongen zijn hand toe.

"Ik maak u mijn compliment," sprak hij, "een geleerde en dat op uw

leeftijd, dat is al heel mooi! Wilt ge mij een komeet helpen zoeken,

die wij reeds sinds een maand verwachten? Ik tracht juist op dit

oogenblik na te speuren, wat haar onderweg heeft kunnen ophouden. Wij

zullen onze nasporingen nu te zamen vervolgen."

Kometen zoeken! Dit was wel wat te kras voor onzen scholier, die

ternauwernood in de juiste termen zou hebben kunnen omschrijven wat

een komeet eigenlijk is.

Blozend wees hij 't voorstel af.

"Wel, dan zullen we eens een vraagstuk op 't gebied van gezichtkunde,

of op dat der klankwetenschap of dat der waterweegkunde behandelen,

naar uw keus."

't Kind wist zich van verlegenheid en schaamte niet meer te bergen. 't

Werd hem groen en geel voor de oogen.

"Ge kent de logarithmen tenminste?"

Half schreiend antwoordde onze knappe bol, dat hij die beesten niet

kende, maar wel een gewone breuk in een tiendeelige kon overbrengen.

De echte geleerde keek fee Nederigheid verwonderd aan en wilde

haar vragen wat voor soort van geleerde zij toch wel bij hem had

gebracht. Doch zij liet er hem niet den tijd toe.

"Professor," sprak ze, "een klein meisje van mijn kennis zegt, dat

men om braaf te leven den goeden God gehoorzamen en alle menschen

liefhebben moet zooals Hij. Gaat uw wetenschap de hare nu _ver_

te boven?"

"God beware mij er voor, dat ik mij daarop zou durven te beroemen. 't

Lieve kind heeft alles gezegd, wat er te zeggen valt."

"Laten we verder gaan," sprak de fee tot haar metgezel. "Je ziet wel,

dat 't hier niets voor je is."

Weldra traden zij een ruim huis binnen, dat door een groot

geschiedkundige werd bewoond. 't Was niets dan boeken, wat je

er zag. Van beneden tot boven waren op alle mogelijke plaatsen

langs de muren planken aangebracht, waar ze in lange rijen, als in

slagorde, gerangschikt stonden. Er waren boeken van zulke kolossale

afmetingen, dat een volwassen man er nog een heele vracht aan zou

hebben; ook waren er exemplaren bij, die zoo klein waren, dat hij ze

in zijn vestzakje zou kunnen steken. Je zag er staaltjes van al de

boekbanden, die de boekbinders, sedert er boeken ingebonden worden,

hebben uitgevonden: gele, roode, witte, zwarte, in alle kleuren waren

ze vertegenwoordigd. Je hadt er banden van perkament, van kalfsleer,

kunstig uitgesneden hout, bewerkt leer, waar figuren ingedrukt

zijn, banden met zilveren sloten, banden van met goud doorstikt

marokijn----kortom, een rijken overvloed.

Ook waren er zelfs oude boeken uit den tijd der Romeinen bij. Deze

zijn van een lang stuk boomschors gemaakt, dat echter een bijzondere

bewerking heeft ondergaan, zoodat het aan beide einden over twee

groote, houten rollen kan worden opgerold. Naarmate men met zijn

lectuur vordert, laat men de rollen in omgekeerde richting loopen.

Nu, zij, die in deze boeken hebben gelezen, kunnen er zich op beroemen

geleerden te zijn; dàt kan je maar gerust gelooven!

Zij gingen eerst naar een groote zaal, die aan de geschiedenis der

Egyptenaren, Pheniciërs, Babyloniërs en Perzen gewijd was.

Om de boeken te lezen, die hier te vinden waren, had de eigenaar

dezer bibliotheek Hebreeuwsch, Arabisch, Oud- en Nieuw-Perzisch

en nog een heeleboel meer talen, waarvan ik den naam vergeten ben,

moeten leeren. Hij kon ook de hieroglyphen ontcijferen, die men op

de Egyptische obelisken vindt, dat spreekt vanzelf, maar dit alles

was hem nog niet voldoende; hij kon er maar niet overheen komen,

dat hij geen Chineesch geleerd had,----verbeeldt je!

Dan volgde de zaal der Grieksche geschiedenis; natuurlijk kende de

geschiedkundige Grieksch.--Dan de zaal der Romeinsche geschiedenis;

ik behoef je niet te zeggen, dat hij Latijn kende, en niet enkel het

Latijn, dat men op 't gymnasium leert, maar ook het oude Latijn der

vroegste tijden.

Van hieruit zag men nog een heele reeks andere zalen, die alle

afzonderlijk aan de geschiedenis van een volk gewijd waren, en op de

andere verdiepingen waren er nog veel meer.

Zij gingen echter niet verder.

De geschiedkundige zat in de zaal der Romeinsche geschiedenis in een

dik, Duitsch boek verdiept, dat een ander misschien vervelend zou

vinden, maar hem zeer scheen te boeien, daar hij de tegenwoordigheid

zijner bezoekers niet gewaar werd, voordat zij vlak bij hem stonden.

Geheel en al in de war gebracht door 't gezicht van zooveel boeken,

had de kleine jongen de fee gesmeekt hem niet als geleerde voor

te stellen;----hij had immers hoogstens nog maar den inhoud van

schoolboekjes in zijn bolletje.

Toen de groote geschiedkundige 't hoofd opheffend fee Nederigheid

zag, schoof hij zijn boek weg en stak haar haastig beide handen toe,

alsof hij een oude vriendin begroette.

"Welkom, welkom," riep hij uit; "ik weet maar al te goed, hoezeer ik

u noodig heb!"

"Professor," sprak zij, "hier is een jongen, die nog wel geen geleerde

is, maar toch weet in welk jaar Rome gesticht is."

Hij glimlachte even.

"Ben je heel zeker van het jaartal, vriendje?"

"O ja, heel zeker. Gisteren heb ik die heele bladzijde nog opgezegd,

zonder een enkele fout te maken."

"Zoo, dan ben je knapper dan ik, want _ik_ voel er me niet volkomen

zeker van. Er zijn zelfs menschen, die er door hun studie toe gekomen

zijn te beweren, dat Romulus nooit heeft bestaan. Ik geloof echter,

dat _zij_ te ver gaan."

Daar 't gezichtje van het kind de grootste verbazing uitdrukte,

wees hij naar de boeken in 't rond, die zich als bergruggen tot aan

de zoldering der zaal verhieven. "Als je slechts het vierde deel

der dwalingen en leugens kende, die daarin staan, zou je je minder

over mijn woorden verwonderen, mijn jongen. Zij, die niets weten,

zijn de eenigen, die nergens aan twijfelen."

"Professor," sprak de fee toen, "ik ken een klein meisje en zij zegt,

dat men om braaf te leven den goeden God gehoorzamen en alle menschen

liefhebben moet zooals Hij.--Twijfelt gij ook _hieraan_?"

"De Hemel beware mij er voor! Er valt niet te twijfelen aan 't geen

dat lieve kind gezegd heeft."

Onze jeugdige geleerde begon zich o, zoo klein te voelen.

"Ik zie 't wel, vriendje," zei de fee met een schalksch glimlachje,

"dat je in 't gezelschap van professoren toch niet erg op je plaats

bent. Nu zal ik je bij de grootste auteur van den tegenwoordigen tijd

brengen; die zal je stellig minder vrees inboezemen. Je kunt je hart

dan eens aan een gesprek over taalregels ophalen."

De grootste auteur van dien tijd was een vrouw. Zij ontving fee

Nederigheid zoo hartelijk mogelijk in een salon, dat op alle andere

salons in de wereld geleek.

Onze kleine baas voelde zich aanmerkelijk verlicht in de

tegenwoordigheid van zoo'n eenvoudige dame, die geen enkel bijzonder

kenmerk had, of 't zouden haar groote, zwarte oogen moeten zijn,

waarin vonken schitterden. Zijn beide vorige nederlagen hadden hem

evenwel beschroomd gemaakt; hij durfde niet 't eerst te spreken.

"Mevrouw," zoo begon de fee, "hier is een kind, dat zijn taalregels

goed geleerd heeft en er wel eens met u over zou willen praten."

De dame, die de welwillendheid zelve tegenover kinderen was, begon

te lachen.

"Dat wordt dan een gesprek, waarin ik niet erg zal uitblinken,"

antwoordde zij. "Ik schrijf maar, zooals 't mij voor den geest komt en

houd mij niet precies aan de regels. Doch als je er plezier in hebt,

beste jongen, ga dan je gang maar. Waarover wou je praten?"

"Over 't verschil dat er bestaat tusschen een volstrekten en een

betrekkelijken hoofdzin."

Zij lachte nog meer.

"Toen ik klein was, hoorde je nooit van deze termen. Ik weet niet

eens goed wat zij willen zeggen en kan er trouwens ook best buiten."

De jongen wist niet meer hoe hij kijken moest. De fee, die zijn

verlegenheid wel zag, kwam tusschenbeide en sprak: "mevrouw, ik ken

een klein meisje, dat zegt: om braaf te leven, moet men den goeden

God gehoorzamen en alle menschen liefhebben zooals Hij.--Denkt u,

dat men hier ook buiten kan?"

"Er zijn ongelukkig genoeg veel menschen, die dit meenen, maar zij

worden er op de een of andere manier toch altijd voor gestraft. Als zij

hier was, zou ik dat lieve, kleine ding eens hartelijk omhelzen. Wat

zij gezegd heeft, is iets, waar wij 't geen van allen buiten kunnen

stellen."

"We hebben vooralsnog wel weinig succes," hernam de fee, terwijl

zij zich tot den verbijsterden taalkundige wendde, "maar wij willen

daarom den moed toch niet verliezen. We zullen 't heele rijtje van

je vakken volgen.

Laat eens zien----nu is dus de aardrijkskunde aan de beurt."

Dadelijk voelde hij zich als door een hevigen warrelwind opgeheven

en meegevoerd.

Toen hij weer tot zichzelf kwam, bevond hij zich in een groote, fraai

gebouwde zaal, waar overal kaarten aan den wand hingen. Ons vriendje

herkende wel in 't algemeen den omtrek en vorm der landen, maar vond

er geen der geographische verdeelingen, waaraan zijn oog gewend was,

op terug.

"Waar zijn wij?" vroeg hij aan de fee.

"In 't hartje van Afrika, kind, in het meest beschaafde land, dat

er op dit oogenblik op de aarde te vinden is. Deze zaal is een der

schoollokalen van dat land. Je ziet mij verbaasd aan! Ja, mijn jongen,

we hebben een heel tijdperk overgesprongen, tweeduizend jaren liggen

er tusschen nu en 't oogenblik, waarop je zooeven leefde."

Terwijl zij nog sprak, gingen de deuren open en traden de scholieren

binnen; de kleine jongens kwamen van dezen, de kleine meisjes van

genen kant 't lokaal in. Er waren blondjes en bruintjes, blozende

en bleeke, kleine en lange, bedaarde en drukke kinderen bij, precies

zooals tegenwoordig,--en allen hadden een blanke huid.

"Ik dacht, dat hier enkel maar zwartjes woonden," zei 't kind tegen

de fee.

"'t Is al heel, heel lang geleden sinds het blanke ras zich van de

heele aarde meester heeft gemaakt. Wat je in je aardrijkskundeboek

over de verschillende menschenrassen hebt gelezen, is dus nu van

geenerlei beteekenis meer."

De meester verscheen op zijn beurt.

't Was een lange, deftig gekleede mijnheer, die twee ridderordes op de

borst droeg; het ambt van onderwijzer was n.l. een der meest eervolle,

die men in dit land kende en mannen van de grootste verdienste en

beteekenis stroomden in menigte te zamen, als er een plaats vacant

was. Zij, die er voor in aanmerking wenschten te komen, hielden

dan beurt om beurt school en werden door de kinderen gekozen of

wel verworpen.--

De les begon. Onze kleine vent had er zich al op voorbereid er niets

van te zullen begrijpen en keek daarom heel verwonderd op, toen hij

den meester Fransch hoorde spreken. Weliswaar hielp hem dit nog niet

veel, daar al de aardrijkskundige namen veranderd waren en er groote

steden, beroemde rivieren en bloeiende gewesten werden opgenoemd,

waarvan hij nog nooit had hooren spreken.

De fee, die wel bemerkte hoe verbluft hij keek, nam nu 't woord.

"Meester," zei ze, "leert ge den kinderen de departementen van 't

Loire-gebied niet?"

De onderwijzer, die een man van groote verdienste was, boog voor fee

Nederigheid, want dat is de gewoonte van verdienstelijke mannen door

alle tijden heen.

"Loire, zegt u? Ik heb dien naam wel eens in een heel oud

aardrijkskundeboek vol dwaalbegrippen gelezen, waarin zich trouwens

ook al de onkunde van dien tijd verraadt, want er staat volstrekt

niets in over het groote land, dat wij bewonen, maar de departementen,

waarover u spreekt, bestaan al lang niet meer. 't Heele land is tijdens

de aardbeving van 't jaar 2500 in den schoot der aarde verzonken en

er zwemmen nu visschen over de hoofdsteden dier oude departementen."

De fee wendde zich hierop tot een klein meisje, dat de les zoo

aandachtig mogelijk volgde. "Mijn kind," sprak ze, "zou jij me wel

kunnen zeggen wat men doen moet om braaf te leven?"

"Men moet," zoo gaf het kind ten antwoord, "den goeden God gehoorzamen

en alle menschen liefhebben zooals Hij."

Ternauwernood had zij deze woorden gesproken, of onze geleerde vriend

bevond zich weer thuis, in gezelschap van de fee en zijn verstooten

buurtje, dat hem smeekend aankeek.--

"Vindt je nu niet, beste jongen, dat _haar_ kennis die van jou ver

te boven gaat?" vroeg de fee. "Je hebt nu zelf de waarde kunnen

peilen van wat _jij_ weet en deze menschen van groote beteekenis,

tegenover wie _jouw_ kennis in 't niet zonk, bogen zich eerbiedig

voor de _hare_. Niemand weet iets, dat hierboven gaat, niemand

twijfelt er aan, niemand kan 't er buiten stellen----en dit zal zoo

blijven--onwrikbaar vast--duizenden bij duizenden jaren nà ons."

"Zoo," sprak de kleine jongen wat gemelijk, "als dat alles toch niets

beteekent, behoef ik me dus op school ook niet zoo in te spannen."

"Hoor me zoo'n schelm eens aan," riep de fee lachend uit. "Ik wist

't wel, dat je die gevolgtrekking zoudt maken! Neen, mijn kind,

zoo moet je niet redeneeren. De professoren, wier wetenschap je

overweldigde en verschrikte, wisten niets meer dan jij nu, toen ze op

jouw leeftijd waren. Als zij toen ook niet zoo flink hadden gewerkt

als jij nu doet, zouden zij nooit zoover zijn gekomen. De eenige weg

tot geleerdheid is studie, volhardende studie.--En de dame, wie de

taalkundige termen, die jij hebt geleerd, onbekend waren, heeft in

haar schooltijd weer andere geleerd, die 't zelfde beteekenden! De

namen zijn veranderd, maar de zaken zelf niet. 't Zal nog te bezien

staan welke wijze van uitdrukking feitelijk de beste is.--Voorts is

't ook niet een reden om niets meer aan aardrijkskunde te doen,

dat de aarde, die je bewoont, na jouw tijd zal veranderen. Al je

vrienden veranderen, jijzelf ook----vindt je dit een beletsel om nu

als kameraden met elkaar om te gaan?----Neen, neen, ik heb je alleen

willen doen inzien, hoe dom en verkeerd 't van je was hoogmoedig

op je kleine beetje kennis te zijn en dit nog wel hooger te stellen

dan de kennis, die men niet in 't hoofd, maar in 't hart bewaart, de

eenige, waarbuiten men niet kan, de eenige zekere, de eenige noodige,

de eenige, die nooit verandert.--Geef mijn lief petekind nu een kus

en ga dan haar prentenboek bekijken; dat heb je wel verdiend."

De kleine jongen omhelsde het kleine meisje, dat hem beide armpjes om

den hals sloeg. Daarop ging hij de mooie platen bekijken en las ook de

verhalen, die hem nog allerlei soort van dingen leerden, waarvan hij

nooit gedroomd had, en later, toen zijn kindermeid weer in zijn bijzijn

herhaalde, dat hij een groot geleerde was, zei hij tot zichzelf, dat er

slechts één enkele wetenschap is, zoowel voor kleinen als voor grooten:

_Den goeden God gehoorzamen en alle menschen liefhebben zooals Hij.--_

V.

DE WAARHEIDSKETTING

Er was eens een klein meisje, dat jokte alsof het gedrukt stond.

Sommige kinderen jokken zonder blikken of blozen. Een leugentje,

desnoods een groote leugen, schijnt hun de meest gewone zaak van de

wereld toe en de meest gëoorloofde ook, als zij er maar door geholpen

worden; ontheffing van een lastigen plicht of straf, 't verkrijgen van

een pleziertje, streeling van hun eigenliefde,----dat zijn allemaal

dingen, waarvoor ze dadelijk zoo'n jokken bij de hand hebben.

Ons kleine meisje was daar ook heel sterk in. De waarheid bestond

eenvoudig niet voor haar; alle uitvluchten waren wettig, mits zij ze

ingang kon doen vinden. Langen tijd namen haar ouders alles voor goede

munt aan, wat zij hun verkoos te vertellen, doch toen hun oogen er

eindelijk voor gëopend werden, dat zij hun maar wat op de mouw speldde,

hadden zij niet meer 't geringste vertrouwen in haar. 't Is wel treurig

als ouders geen geloof meer aan de woorden van hun kinderen kunnen

hechten. Wat een verdriet moet dit voor hen zijn en wat een zorg ook

voor de toekomst! Want hoe gaat 't met leugenaars? Zij vervallen van

kwaad tot erger. Een klein, oogenschijnlijk onschuldig jokkentje is

misschien 't begin, maar wie zal zeggen tot welke grove ondeugden

't mettertijd voert? Hoe vreeselijk voor ouders zich dan voor hun

kinderen te moeten schamen!--Hoe ontzettend toch, als kinderen schande

over hun ouders brengen.----

Vruchteloos trachtten de vader en de moeder van deze kleine jokkebrok

haar van haar gebrek te genezen. Na allerlei--helaas zonder gevolg--te

hebben aangewend, besloten zij met haar naar den alom beroemden

toovenaar Merlin te gaan, wiens waarheidsliefde spreekwoordelijk was.

Van alle kanten werden er kleine leugenaars en leugenaarsters naar

hem toegebracht, om door hem van hun ondeugd afgeholpen te worden.

Toovenaar Merlin woonde in een glazen paleis, waarvan al de muren

doorschijnend waren. Nooit kwam 't hem in den zin een enkele zijner

daden te verbloemen of, 't zij door spreken, 't zij door zwijgen,

een titteltje van de waarheid af te wijken.

Je weet immers wel, dat je ook kunt jokken door te _zwijgen_, als je

zoudt hebben moeten spreken?

Hij kon leugenaars al op een mijl afstands ruiken; denkt eens aan--en

toen 't kleine meisje zijn paleis naderde, werd hij zoo onpasselijk,

dat hij azijn moest branden, om de lucht te zuiveren.

De moeder van onze kleine jokkebrok begon met een hevig kloppend

hart, blozend van schaamte, een vrij verward verhaal. Zij wilde hem

uitleggen door welke treurige kwaal haar dochtertje aangetast was,

doch geraakte zoo onder den indruk van de schande, die daarin lag,

dat zij haar gedachten haast niet onder woorden kon brengen.

Toovenaar Merlin viel haar echter al aanstonds in de rede.

"Ik weet er reeds alles van," sprak hij. "Een uur geleden rook ik

haar al; 'k heb het er door te kwaad gehad----dat is een eerste

leugenaarster!"

De ouders van 't kleine meisje bemerkten, dat de faam zijn kundigheden

niet overdreven had. 't Kind zelf wist zich van verlegenheid niet

te bergen en trachtte zich in de plooien van den rok harer moeder

te verschuilen. Deze wilde haar maar al te graag een schuilplaats

geven, verschrikt als zij was door de wending, die 't onderhoud nam,

en haar vader ging vóór haar staan om haar, zoo noodig, te kunnen

verdedigen, want het gelaat van den toovenaar scheen niets goeds te

voorspellen. Zij wilden allebei wel graag, dat hij hun kind van haar

gebrek afhielp, maar 't moest op een zachte manier gebeuren en kwaad

mocht hij haar niet doen.

"Stelt u gerust," zei Merlin, die hun angst zag, "ik gebruik geen

geweld voor dit soort gebreken. Staat mij slechts toe 't juffertje

een geschenk aan te bieden, dat haar wel naar den zin zal wezen."

Hij opende een kast en haalde er een prachtig halssnoer van

onvergelijkelijk schoon gezette amethisten uit, dat door een agrave

van diamanten van 't zuiverste water, welker schittering verblindend

was, gesloten werd.

Toovenaar Merlin deed het kleine meisje dit sieraad om den hals,

terwijl hij haar ouders met een welwillend gebaar hun afscheid gaf.

"Weest verder niet bezorgd," zei hij, "uw dochtertje neemt een zekeren

waarheidswachter mee."

Met een kleur van plezier wilde 't kind hen volgen, verrukt als ze

was er zoo goed afgekomen te zijn, doch Merlin riep haar terug.

"Over een jaar kom ik naar mijn ketting kijken," sprak hij en zag

haar aan met oogen, die geen gekheid verstonden. "Tot zoo lang moet

je hem onafgebroken dragen. Wee over je, als je 't waagt hem ook maar

voor een enkele minuut af te doen; 't ongeluk is dan niet te overzien."

"O, ik wil hem veel te graag altijd om houden; hij is zoo mooi!"

Je moet weten, dat dit halssnoer niets meer of minder dan de beroemde

waarheidsketting was--in oude boeken wordt hij meermalen genoemd--die

't vermogen heeft alle soorten leugens te ontmaskeren.

Toen onze leugenaarster thuis was gekomen, moest ze den volgenden dag

weer naar school en daar ze lang afwezig was geweest, kwamen al de

andere kleine meisjes schielijk op haar af en overstelpten haar met

vragen, zooals 't bij jullie op school in zoo'n geval zeker ook gaat.

Er was maar één roep over dien prachtigen ketting, dat kan je

begrijpen!

"Wat ben je mooi! Hoe kom je daaraan? Waar ben je toch zoo'n tijd

geweest?" weerklonk 't van alle kanten.

Jokkebrok paste er wel voor op haar kameraadjes te vertellen bij

wien ze geweest was. Als je in dien tijd zei, dat je een bezoek aan

toovenaar Merlin had gebracht, wist ieder dadelijk hoe laat het sloeg,

want zijn vermaardheid als geneesheer der leugenaars was wijd en

zijd verbreid.

"Ik ben lang ziek geweest," gaf ze daarom brutaalweg ten antwoord,

"en toen ik beter was, heb ik dezen mooien ketting gekregen."

Er ging één kreet uit alle monden tegelijk op.

De diamanten van de agrave, die zooeven nog zoo prachtig fonkelden

en schitterden, waren eensklaps glansloos geworden, en veranderden

nu in stukjes waardeloos glas.

"Jazeker, ik ben ziek geweest. Vinden jullie dit zoo vreemd, dat je

zoo'n misbaar maakt?"

Op deze herhaling van haar leugen veranderden de amethisten op hun

beurt in leelijke, geelachtige keisteentjes.

Een nieuwe kreet weerklonk er. Aller blikken waren op het halssnoer

gericht.

Nu keek zij er zelf ook naar en beefde van schrik.

"Ik ben bij toovenaar Merlin geweest," zei ze, in haar schulp gekropen,

want zij begreep hoe de vork in den steel zat en durfde haar leugen

dus niet langer vol te houden.

Nauwelijks had zij de waarheid bekend, of de ketting vertoonde zich

weer in zijn vorige pracht, maar 't gelach, dat rondom haar opsteeg,

prikkelde haar zoo, dat ze er behoefte aan voelde dien vernederenden

indruk zooveel mogelijk uit te wisschen en zich weer in haar eer

te herstellen.

Sprookjes van Jean Macé · 第 4 / 5 段