wel? Hij heeft ons vorstelijk ontvangen, dàt zeg ik je; hij had ons
zijn rijtuig reeds naar de naburige stad tegemoet gezonden om ons
af te halen en wàt een mooi rijtuig was 't, dat kan je maar gerust
gelooven! Zes witte paarden, en kussens van roze satijn met gouden
eikels er aan,--zonder nog van den koetsier--een bepoederden neger--en
de drie deftige lakeien, die achterop stonden, te spreken. Toen wij aan
zijn paleis kwamen, dat geheel van jaspis en porphyr opgetrokken is,
zagen wij, dat hij al in de vestibule op ons stond te wachten. Hij
liep ons tegemoet en geleidde ons naar de eetzaal, waar ons een
keur van gerechten werd voorgezet, waarvan ik je de namen maar niet
eens zal opnoemen, omdat je er stellig toch nooit van hebt hooren
spreken. Eerst was er----"
De lachbuien, die de kinderen, sedert 't begin van dit mooie verhaal,
al met moeite onderdrukt hadden, barstten op dit oogenblik met zoo
groote luidruchtigheid los, dat zij plotseling midden in haar zin bleef
steken. Onwillekeurig richtte zij den blik op den ongeluksketting en
beefde weer van schrik en ontsteltenis. Bij iedere bijzonderheid,
die zij verzonnen had, was hij, zonder dat zij 't bemerkt had, al
langer en langer geworden, zoodat hij nu reeds tot haar voeten kwam.
"Je maakt er een heeleboel bij!" riepen de kleine meisjes, gierend
van pret, uit.
"Nu ja, stil maar; we zijn te voet gekomen en er maar vijf minuten
gebleven."
Het halssnoer nam onmiddellijk weer zijn gewone afmeting aan.
"En de ketting, de ketting, hoe kom je daaraan?"
"Toovenaar Merlin heeft hem mij, zonder iets te zeggen, present gedaan;
waarschijn----"
Zij had geen tijd er meer bij te voegen. Het noodlottige halssnoer
kromp in, werd nauwer en nauwer, zoodat haar keel er door toegeknepen
werd en zij 't erg benauwd kreeg.
Zij haastte zich daarom, er, terwijl ze 't nog kon, deze woorden uit
te stooten: "hij heeft gezegd, dat ik een eerste leugenaarster ben."
Aanstonds bevrijd van den druk, die haar bijna had doen stikken,
vervolgde zij, schreiend van schaamte en verdriet: "Daarom heeft hij
mij dezen ketting gegeven; 't is een waarheidswachter, zei hij.--Ik
was er nog wel zoo blij mee! 't Is me wat moois!"
Haar kameraadjes hadden nu toch medelijden met haar. Lieve meisjes
als ze waren, verplaatsten zij zich in haar toestand, en vonden de
gedachte nooit meer een titteltje van de waarheid af te kunnen wijken,
toch wel iets benauwends hebben.
Kunnen jullie daar ook voor voelen, of sta je zoo vast in je schoenen,
dat je nooit, nooit een jokkentje gebruikt? "Je bent wel mal," zei
de slimste van het troepje.
"Als ik je was, hield ik den ketting niet om, hoor! Hij is wel mooi,
maar ook vreeselijk hinderlijk. Wie belet je hem af te doen en weg
te stoppen, dan heb je er geen last meer van."
't Arme jokkebrokje hield zich stil.
Dadelijk begon 't halssnoer te dansen, zóó te dansen, dat de amethisten
en diamanten tegen elkaar aansloegen en een leven van belang maakten.
"O, je verzwijgt stellig iets!" riepen de kinderen, die weer opnieuw
begonnen te lachen, 't Was ook zoo'n koddig gezicht, die dansende
ketting!
"Och, ik heb er nu eenmaal geen zin in hem af te doen."
Al woester en woester werd de dans der edelsteenen.
"Neen, neen, dat is de ware reden niet! Biecht 't eens eerlijk op!"
"Nu, vooruit dan maar; 't geeft toch niets of ik 't al probeer iets
voor jullie verborgen te houden. Hij heeft me streng verboden hem af
te doen. Als ik 't toch waag, zal er een groot ongeluk gebeuren."
Oogenblikkelijk hing de ketting weer zoo stil als te voren.
Je begrijpt nu wel, dat 't, met zoo'n metgezel, die veranderde,
als men de waarheid verdraaide, langer werd, als men er wat bij
maakte, inkromp, als men er wat afliet en begon te dansen, als men
wat verzweeg, een metgezel bovendien, van wien men zich niet kon
ontdoen, zelfs voor de ergste leugenaarster niet meer mogelijk was,
niet recht in den weg der waarheid te wandelen.
En toen zij er eenmaal maar goed van doordrongen was, dat elke leugen
nutteloos zou zijn en op 't oogenblik zelf reeds ontdekt zou worden,
kostte het haar niet al te veel moeite geheel met haar slechte gewoonte
te breken.
Wat was er 't gevolg van? Na eenigen tijd geregeld de waarheid te
hebben gesproken, omdat ze er toe gedwongen werd, ging zij weldra
de leugen ook om haarzelfs wil verfoeien. Zij bevond er zich zoo
goed bij, niet meer te jokken, haar geweten was zóó verlicht en haar
hart zóó rustig, dat zij ook uit zichzelf graag op dezen weg wilde
voortgaan. Het werk van den ketting was hiermee dus afgedaan.--
Toovenaar Merlin wist dit, anders zou hij geen toovenaar geweest zijn,
nietwaar? Hoewel 't jaar nog niet verstreken was, kwam hij 't halssnoer
dus halen, om 't voor een ander leugenachtig kind te gebruiken.----
Wat er van dezen merkwaardigen ketting der waarheid geworden is,
heeft niemand mij kunnen zeggen. Na den dood van den grooten Merlin
is hij verdwenen; men meent, dat de erfgenamen van den toovenaar,
bang voor de verwoestingen, die hij op aarde zou kunnen aanrichten,
hier de hand in gehad hebben, 't Is mogelijk! Voor vele menschen
en kinderen zou 't stellig een ramp zijn, als men hun dit halssnoer
eens ging om doen.--'t Praatje loopt, dat Afrika-reizigers, het om
den hals van een negerkoning, die niet kon liegen, gezien hebben,
maar zij hebben dit nooit kunnen bewijzen. Wat er van aan is? Ik weet
't niet--men is er nog altijd op uit den waarheidsketting te zoeken
en als ik een kleine jokkebrok was, zou ik geen gerust oogenblik meer
hebben, want, verbeeldt je, dat men hem eens weer terugvond!
INHOUD.
Blz.
I. De kleine Deugniet 5
II. Blondkopje 56
III. Bibi, Baba en Bobo 75
IV. De groote geleerde 94
V. De waarheidsketting 115
GEHEEL IN DEZELFDE UITVOERING VERSCHEEN IN:
"ONS SCHEMERUURTJE"
BIBLIOTHEEK VOOR HET KIND:
1. _Ida Heijermans_, VERTELLINGEN.
2. _Gebrs. Grimm_, SPROOKJES.
3. _H.C. Andersen_, SPROOKJES.
4. ONZE OUDE VERSJES.
5. _Ida Heijermans_, UIT TANTE'S JEUGD.
6. TIJL UILENSPIEGEL.
7. _Ida Heijermans_, ZOO MOOI ALS ZONNESCHIJN.
8. _Jean Macé_, SPROOKJES.
No. 1-4 à 60 cts. ing., 75 cts. geb.
No. 5-8 à 70 cts. ing., 85 cts. geb.