Toen zij aan 't bewuste punt waren gekomen, was Bobo al moe en

had dus wel graag willen omkeeren, terwijl Baba, die zich bedacht,

dat de boterhammen over een half uurtje thuis zouden klaar staan,

er ook niet veel zin in had nog verder te gaan.

Maar Bibi, die zich boven dit alles verheven voelde, lachte wat om

zulke bedenkingen. Zij sliepte de twee anderen uit en vierde haar

spotlust zoodanig bot, dat zij zich niet tegen haar durfden te

verzetten. Bobo schaamde zich over haar luiheid, Baba over haar

gulzigheid en zoo volgden ze allebei--hoewel schoorvoetend--'t

spotachtige, kleine nest.--

Hieruit zie je, hoe zwak je in je schoenen staat, als je gehoorzamen

wilt uit een andere beweegreden dan gehoorzaamheid, want als onze

beide kleine meisjes slechts aan 't verbod van vader en moeder hadden

gedacht, zouden zij in haar hartjes hebben gevoeld, dat zij 't bij

het rechte eind hadden en dus niet zoo bang voor spot zijn geweest.

Om kort te gaan, zij waren alle drie ongehoorzaam en liepen verder

't bosch in, dat doorsneden was door prachtige lanen; zóó lang waren

die, dat je er haast niet 't eind van kon zien.

Wat was 't er mooi en prettig! De meisjes plukten bloemen, rolden

met elkaar over 't mos en luisterden naar de vroolijk kwinkeleerende

vogeltjes. Van tijd tot tijd zagen ze een muisje zijn spitse snuitje

uit een holletje steken, maar 't gauw terugtrekken als ze er een

van allen te dicht bij kwamen; of wel een groote hagedis maakte de

kinderen aan 't schrikken door plotseling uit 't gras te schieten en

een goed heenkomen op den weg te zoeken, waar 't vroolijke troepje

haar dan achtervolgde. Alles ging goed en plezierig, zoolang zij in

de laan bleven, die zoo recht was als een liniaal en dus heelemaal

geen gevaar voor verdwalen opleverde. Maar na een poosje stonden ze

eensklaps voor een klein, dichtbegroeid paadje, dat zich kronkelend

in 't kreupelhout verloor; Bibi vond het zóó aanlokkelijk, dat zij

't vastbesloten insloeg.

"Hè neen, laten we daar niet heengaan, we zullen nog verdwalen,"

zei Bobo.

"We moeten naar huis, 't is al zoo laat," riep Baba. "Toe, laten we

nu maar omkeeren."

"Ik wil enkel tot aan die eerste kromming loopen," antwoordde

Bibi. "Gaan jullie mee! We moeten toch eens zien wat er dan volgt."

De andere twee hielden zich doof. Toen ging 't geslepen, kleine nest

op den grond liggen.

"O," riep ze, "wat een heerlijk plaatsje om uit te rusten en wat

staan hier overal 'n aardbeien!"

Toen zij dit hoorden, kwamen ze allebei aanloopen: Baba, de smulgraag,

om er aardbeien te eten, Bobo, de luiwammes, om er languit op den

grond te liggen. Maar 't "heerlijke" plaatsje was vol steenen en

dorre takken en van aardbeien was niets te bespeuren.

Bibi schaterde 't uit, toen zij de teleurgestelde gezichten van haar

vriendinnetjes zag. Ze nam Baba aan de hand. "We zullen verderop nog

wel aardbeien vinden," zei ze en trok haar uit alle macht mee. Bobo

moest toen wel volgen, maar 't ging voetje voor voetje, en ze was op

't punt van te gaan schreien.

Na de eerste kromming kwam een tweede, toen een derde.... Daarop

splitste het paadje zich in tweeën. Een reuzeneik, die zich ginds,

dicht aan den wegkant, in 't kreupelhout verhief, trok de aandacht

van juffertje Bibi. Zonder zich te bedenken liep ze er heen. Steeds

verder en verder troonde ze haar vriendinnetjes mee, iederen inval van

't oogenblik volgend, zoodat, toen er eindelijk sprake van was langs

denzelfden weg naar huis terug te keeren, niemand meer wist welken

kant uit te moeten gaan.

Groote ontsteltenis was er op de gezichtjes van Baba en Bobo te lezen,

maar Bibi hield zich groot. Zij stampvoette ongeduldig, kneep haar

dunne lippen op elkaar en keek met een geringschattenden blik naar

haar angstige kameraadjes, terwijl er een onvriendelijk licht in

haar zwarte oogen schitterde. "Loopen jullie mij maar na, bange,

kleine kippetjes," riep ze uit; "ik zal er wel voor zorgen, dat we

weer goed en wel thuiskomen."

Maar met flink-zijn alleen, ben je niet geholpen, als je anderen tot

gids wilt strekken; je moet ook den weg weten!

Na langen tijd geloopen te hebben, waren ze nog net even ver. Ze

hadden alle paadjes geprobeerd, waren dikwijls langs dezelfde punten

gekomen en hadden eigenlijk in een kringetje rondgedwaald.

Bobo liet zich op den grond vallen en verklaarde schreiend, dat

zij geen voet meer kon verzetten. De groote, blauwe oogen van 't

lieve blondje smeekten welsprekender dan haar mondje 't zou hebben

kunnen doen, om ontferming. Een steenen hart zou er zelfs door

zijn getroffen. Maar Bibi, dat vinnige, kleine ding, liet zich niet

verteederen. Ze schudde haar door elkaar, om haar levensgeesten weer

wat op te wekken en poogde haar overeind te trekken. De arme Bobo

stribbelde niet tegen, maar liet zich gedurig weer als een zoutzak

op den grond neerploffen.

"Jij bent een wandelaarster van 't jaar nul," zei Bibi. "We zullen

je hier nog alleen moeten laten liggen, als je niet flinker wilt zijn."

Maar Baba kwam haar vriendinnetje te hulp.

"Maak je niet ongerust, lieve Bobo," riep zij uit. "Ik laat je niet

aan je lot over, hoor! Rust eerst maar uit, dan zullen we samen naar

huis gaan."

Zij boog haar vriendelijk vollemaansgezichtje naar haar toe en omhelsde

haar, om haar als 't ware moed in te spreken.

"Als 'k hier enkel maar een klein stukje brood had," zei ze toen

zachtjes en zuchtte even, "dan zou 'k met alle genoegen zoo lang op

je wachten als je maar wilt."

Bobo keek medelijdend naar haar. Toen viel haar blik op een mooie,

roode aardbei, die een paar voetstappen verder groeide. 't Was de

eerste aardbei, die ze op de wandeling ontdekten. Zij vergat haar

moeheid, kwam dadelijk overeind en liep op de aardbei af, die ze toen

triomfantelijk aan de arme, hongerige Baba bracht.

"O, wat heerlijk!" zei deze, terwijl ze de vrucht in haar mond

stak. "Dank je wel, Bobo; wat ben je toch lief!"

Onderwijl had Bibi, in 't volle besef van haar meerderheid, parmantig

met groote stappen op en neer geloopen. Baba's opgetogenheid stemde

haar knorrig.

"Een mooie maaltijd voor iemand, die altijd honger heeft," riep ze

smalend uit. "Daar zal je niet ver mee komen!"

Ongelukkigerwijze was dit maar al te waar. Door Bibi's ongevoelige

woorden werd Baba onzacht tot de werkelijkheid teruggebracht en

bespeurde weldra, dat haar eetlust eerder toe- dan afgenomen was na

't gebruik van 't frissche, maar weinig voedzame hapje. Haar stemming

sloeg eensklaps om en zij smolt weg in tranen.

Bobo hield haar gezelschap en begon ook te snikken. Maar Bibi, dat

stoute, kleine ding, deed niets dan lachen.

De koningin der feeën, die juist door 't bosch kwam, hoorde dit. De

andere feeën hadden haar tot koningin verkozen, omdat zij de liefste

van haar allen was. Haar goedhartigheid was zoo groot, dat elk

verdriet, ook zelfs dat der booze menschen en ondeugende kinderen,

haar medelijden opwekte.

Zij vertoonde zich eensklaps aan ons drietal in de gedaante van een

vriendelijk, oud vrouwtje, dat een takkenbos droeg, en richtte 't

woord tot de beide schreiende, kleine meisjes.

"Wat scheelt er aan, kindertjes?" vroeg zij. "Is er soms iets, dat

ik voor jullie kan doen?"

"Och," zei Bobo, "die arme Baba heeft zoo'n trek!"

"Ja, maar dat is 't niet alleen," voegde Baba er aan toe; "die arme

Bobo is ook zoo moe. We zijn verdwaald en kunnen den weg naar huis

maar niet weer terugvinden."

De goede fee keek de kinderen oplettend aan en bemerkte toen wel waar

de schoen wrong.

"Stil maar," sprak ze; "ik zal jullie hulp zenden!" Meteen brak zij

twee takjes van haar sprokkelhout af en wierp die in de struiken.

Een groot, sneeuwwit schaap kwam blatend aanloopen en wreef zijn

kop tegen Baba's roode wangen aan. 't Was van een aardig eekhoorntje

vergezeld, dat zonder complimenten op Bobo's schouders sprong.

"En jij, klein ding?" zei de oude vrouw toen tegen Bibi; "heb jij

niets noodig?"

"Neen, moedertje," antwoordde juffertje Bibi uit de hoogte; "honger

heb ik niet en 'k ben ook niet moe. Ik heb die twee zeurpieten zelfs

hartelijk uitgelachen, omdat ze zoo flauw zijn."

"O, ben je van die kracht!" zei de fee, ontevreden over den toon,

dien 't meisje aansloeg. "Nu, voor een spotvogeltje, dat graag eens

lachen wil, heb ik ook nog wel iets."

Onmiddellijk na 't uitspreken van deze woorden was ze verdwenen en

zagen de kinderen een aapje, dat potsierlijke sprongen om Bibi heen

maakte en grijnzend allerlei malle gezichten tegen haar trok.

Bibi was er verrukt over, dat dit grappige diertje _haar_ toebedeeld

was. Zij nam 't in haar armen en overlaadde 't met liefkoozingen. Maar

't aapje scheen er niets op gesteld te zijn; 't liet een nijdig

gebrom hooren, dat Bibi echter deed schateren van het lachen. Alles

vond ze even komiek van 't diertje; ze zou 't hebben kunnen opeten,

van louter opgetogenheid.

Maar ondertusschen waren de verdwaalde kinderen toch nog geen stapje

dichter bij huis gekomen. Baba stak haar hand in de wollige vacht van

haar schaap en droomde met open oogen van een boterham, die zij voor

zich uit zag dansen, terwijl Bobo haar eekhoorntje in gedachten over

zijn snorbaardje streek.

Baba, die de meeste haast had, verbrak 't eerst het stilzwijgen. "Hoe

komen we nu thuis?" vroeg ze.

"Maak je niet bezorgd," sprak 't schaap; "ik weet den weg."

En het goede dier zette zich in beweging en liep op een sukkeldrafje

den juisten kant uit, gevolgd door zijn meesteresje, dat Bobo aan

den arm nam, met de vermaning maar goed op haar te leunen.

Bibi stak den draak met 't tweetal. 't Was wat moois, zei ze, om je

door een schaap te laten leiden! Zij wou daarom de tegenovergestelde

richting nemen, maar daar haar aapje uit haar armen ontsnapte, moest

zij 't wel naloopen. Het diertje bleef de anderen hardnekkig volgen en

zoo ging zij tegen wil en dank ook mee met den stoet.--Ze bleef echter

in de achterhoede en vermaakte er zich mee haar kameraadjes allerlei

mallepraat na te roepen; zij waren "averechtsche" herderinnetjes,

zei ze, want zij lieten zich door 't schaap den weg wijzen in plaats

van hetzelf te leiden----zóó dom waren ze, dat zij de dieren moesten

volgen.----Bibi was er onuitputtelijk in, allerlei geestigheden over

ditzelfde onderwerp te berde te brengen.--

Baba, de smulgraag, die geheel en al door haar verlangen naar een

boterham beheerscht werd, deed niets dan klagen en schreien. Ze had

toch zoo'n honger, verklaarde ze gedurig. Eindelijk wendde zij zich

rechtstreeks tot haar schaap. "Och," zei ze, "je weet hier zoo goed

den weg, kan jij me nu niet ergens wat aanwijzen, dat ik zou kunnen

opeten?"

Colas, zoo heette het schaap, antwoordde: "ik kan er je op wijzen,

lieve kind, niet zoo gulzig te zijn en je maag 't zwijgen op te

leggen als de maaltijd--zooals vandaag--vertraagd wordt. Wat zou ik

wel moeten beginnen als ik niet op m'n tijd honger wist te lijden,

ik, dien men langs den rand der wegen leidt om de grassprietjes af

te knabbelen, die er tusschen de steenen groeien!"

"Maar je hebt dan toch tenminste iets te eten," hernam Baba.

"Ja, maar nooit iets naar mijn zin. Doch ik klaag er niet over, omdat

het nu eenmaal zoo is. Doe zooals ik en maak het je tot een gewoonte je

moedig en flink naar alle omstandigheden te schikken. Als iets _moet_,

dan _kan_ het ook; onthoud dàt, meisjelief!--Je avondeten zal er je

des te lekkerder om smaken, nu je tusschen den middag geen boterham

hebt gehad."

Baba was nog wel niet overtuigd, maar zij durfde nu toch niet meer te

klagen in de tegenwoordigheid van zoo'n verstandig dier. Zij begon

daarom over andere dingen met haar schaap te praten en weldra waren

ze samen zoo genoegelijk aan 't babbelen, dat zij er de verleidelijke

boterham, die haar aldoor voor den geest gezweefd en zoo ongelukkig

gemaakt had, doordat ze niet te bereiken was geweest, geheel door

vergat.

Bobo was ook aan 't praten geraakt met haar diertje, haar eekhoorntje,

dat Cascaret heette, zooals hij haar aanstonds had verteld.--Zij

klaagde erg over pijn in de beenen en zei, dat zij groote blaren aan

de voeten had en stellig nog ziek van moeheid zou worden.

"Lief meesteresje," sprak Cascaret, terwijl hij zijn staart als een

vederbos boven zijn kopje uitspreidde, "ik geloof, dat je je moeheid

minder zoudt voelen, als je er niet zooveel aan dacht. Kijk eens, hoe

fijn ik gebouwd ben en wat voor teere pootjes ik gekregen heb; die zien

er nog anders uit dan jouw beenen. Toch spring ik behendig en vroolijk

van tak tot tak in de hoogste boomen, 't geen veel vermoeiender is dan

kalm over den beganen grond te wandelen. Laten we eens doen wie het

eerst bij dien beuk is; je zult zien, dat je moeheid dan over gaat."

"O neen, neen," zei Bobo op klagenden toon, "daar geloof ik niets van!"

"Kijk eens wat een mooie noten ginds groeien, en daar staat ook een

groote, wilde appelboom. Wat zou hij gauw geplunderd zijn, als hier

kleine jongens langskwamen!"

"O, dat is heerlijk!" riep Bobo blij uit. "Och Cascaret, wees eens lief

en haal wat appels en noten voor die arme Baba; ze heeft zoo'n honger!"

Cascaret was er dadelijk toe bereid. Met vlugge sprongetjes begaf

hij zich op weg en deed daarna nog zooveel reisjes naar den appelboom

en zooveel onderzoekingstochten in den noteboom, dat Baba eindelijk

verklaarde verzadigd te zijn.

Bobo genoot er zóó van haar te zien smullen, dat zij er bijna haar

heele moeheid door vergat en voortwandelde, zonder meer één klacht

te slaken.

Toen kreeg Baba op haar beurt een goeden inval.

"Colas," zei ze tegen haar schaap, "wil je mij een grooten dienst

doen?"

"Wel, laat 's hooren!"

"Je hebt zoo'n breeden rug; toe, laat mijn lieve Bobo daar wat op

zitten. Ze zal zoo heerlijk in je dichte, zachte wol kunnen rusten

en is zóó licht, dat je er niet moe van zult worden."

Het schaap was te goedhartig om haar dit te weigeren. Het liet zich op

zijn knieën neer, zoodat Bobo gemakkelijk op zijn rug kon komen. Zij

hield zich vast aan zijn vacht en zat daar als een koninginnetje. De

brave Colas draafde voort, alsof hij niets te dragen had.

Zoo hadden de goedhartige vriendinnetjes elkaar dus geholpen. Nu hadden

zij niets meer dat haar hinderde, want vrees voor verdwalen hoefden ze

ook niet te hebben, daar Colas immers den weg wel wist. Geen wonder,

dat ze den tocht in de vroolijkste stemming voortzetten.

Frisch en blij klonken haar stemmetjes, terwijl ze een aardig liedje

aanhieven, dat zóó begon: "Er was eens een herderinnetje."--

Bibi volgde steeds in de achterhoede. Haar aapje en zij zaten elkaar

voortdurend in letterlijken en figuurlijken zin in 't haar. Hoewel

't diertje haar soms gevoelig kneep en beet, moest Bibi er toch om

schaterlachen; 't had zulke koddige manieren en maakte zulke malle

grimassen.--

Eindelijk kreeg ze er echter genoeg van. 't Was dan ook wel een ietwat

twijfelachtig vermaak, vindt je niet? Zij legde er een stapje op en

haalde de vroolijke zangstertjes van lieverlede in.

De mooie, groote noten en gave appels, waarvan zij Baba en ook Bobo

had zien genieten, hadden haar in herinnering gebracht, dat ze in

lang niets genuttigd had. Hoe graag zou zij nu ook wat te knabbelen

willen hebben! Ten laatste besloot zij de hulp in te roepen van haar,

die ze daarnet zoo hardvochtig behandeld had.

"Och Bobo," zei ze, "zou je eekhoorntje voor mij ook niet wat kunnen

halen?"

Bobo, wier hartje niet den minsten wrok koesterde, fluisterde Cascaret

even een paar woorden in. Toen schoot 't gewillige diertje als een

pijl uit den boog den grooten noteboom in, die op de een of andere

manier hier in 't bosch verzeild was geraakt, en kwam dadelijk daarop

met een mooie noot terug. Handig ontdeed hij deze van den groenen

bolster, kraakte haar tusschen zijn lange voortanden en bood Bibi de

pit toen zoo bevallig mogelijk met zijn rechtervoorpootje aan.

Doch op 't oogenblik, dat deze de hand uitstak om haar aan te nemen,

gritste 't ondeugende aapje 't begeerlijke hapje voor haar oogen weg,

liep er gauw een eindje mee door en ging toen op zijn achterpootjes

zitten om de noot lekker op te knabbelen, terwijl hij schuin met

een uittartenden blik naar zijn meesteresje keek. Als 't maar niet

haarzelf gegolden had, zou Bibi zeker in lachen zijn uitgebarsten,

zoo potsierlijk liet 't diertje zijn oogjes rollen; maar nu was zij

er niet voor in de stemming.

Een tweede noot onderging 't zelfde lot en toen 't kleine meisje er

ten laatste in geslaagd was een derde te grijpen, rukte de aap haar

die uit de handen, voordat zij er nog een stukje van had geproefd.

Zij moest 't dus opgeven, 't Scheen, dat zij niet van Bobo's

goedhartigheid mocht profiteeren.

De flinke Bibi was nu toch wel wat in haar wiek geschoten. Daardoor

kwam 't zeker, dat zij nu ook op eens bemerkte moe te zijn. Ze vroeg

of ze ook eens op 't schaap zou mogen zitten.

Colas leende er zich gewillig toe. Hij liet zich nog eens weer

op zijn knieën neer en wachtte geduldig, totdat hij een andere

berijdster zou hebben gekregen. Maar zij hadden geen rekening met

't boosaardige aapje gehouden, dat nu eensklaps op 't vreedzame dier

toeschoot en het zoo hard aan de ooren trok, dat 't geweldige sprongen

ging maken. Juffertje Bibi viel zoo lang als ze was op den grond;

ze belandde in de dorens en kreeg zulke leelijke schrammen op gezicht

en handen, dat ze er volkomen genoeg van had en er niet om vroeg nog

eens weer op 't schaap te mogen zitten. Zij sleepte zich verdrietig

voort en was meer geneigd tot schreien dan tot spotten.

Gelukkig hadden ze nu het einde van 't bosch bereikt. Colas had een

dwarspad genomen en zoo zagen onze kleine meisjes op een oogenblik

dat zij het 't minst verwachtten, eensklaps, dat zij vlak bij huis

waren. Baba en Bobo zetten 't juichend op een loopen en Colas dartelde

met Cascaret om haar beidjes heen, om te toonen, dat zij in haar

blijdschap deelden.

't Aapje was aan den boschrand blijven zitten en keek Bibi onafgewend

na, die te moe en te verdrietig was om als de anderen te doen en

hinkend voortsukkelde. Toen zij 't diertje niet meer naast zich zag,

keerde zij zich om en wou 't roepen. Daar ontdekte ze 't aan den zoom

van 't bosch. 't Zat er doodkalm zijn kopje te krabben en rimpels in

zijn neusje te trekken, alsof het Bibi uitlachte.

Boos liep zij op 't aapje af.

"Je houdt me voor den mal;--je bent een ondeugend ding, dat nergens

anders toe deugt dan om kwaad te doen", riep ze driftig uit; "pas op,

ik zal je wel krijgen."

Bibi zou 't diertje hebben geslagen, als zij 't had kunnen pakken,

maar 't sprong op zij, werd grooter en grooter en veranderde in

een schoone, prachtig gekleede vrouw, die een gouden ring droeg,

't Was de feëenkoningin zelf. Zij had deze vermomming aangenomen om

't spotvogeltje eens aan den lijve te laten voelen en ondervinden

hoe leelijk haar gebrek was.

"En nu, juffertje", sprak de fee, "begrijp je, hoop ik, hoezeer men

in de schatting van anderen daalt, door hen te bespotten en uit te

lachen. Je vriendinnetjes hebben óók fouten, die zij moeten verbeteren,

maar zij zijn goedhartig en met goedheid is alles te herstellen. Je

ziet hoe _zij_ zich uit de moeilijkheden hebben weten te redden,

terwijl _jij_, die je zoozeer boven haar verheven voelde, omdat je

flinker en sterker bent, als een stumperd achteraan komt, hongerig

en te moe haast, om nog een voet te verzetten. Laat het aapje van

zooeven je in de gedachten komen, als je weer eens lust mocht krijgen

je meerderheid ten koste van anderen te toonen en denk er dan aan,

kind, dat men jou zal verfoeien zooals jij dit boosaardige diertje

nu hebt verfoeid, hoewel je er eerst om lachen moest."

't Kind was uit 't veld geslagen, maar nog niet overtuigd. Haar

hartje verzette zich uit alle macht tegen het gehoorde en werd hard

en onbuigzaam als een klomp ijs. Op dit oogenblik kon zij nog niets

anders zien dan de vernedering, die voor haar uit dit avontuur was

voortgekomen.--

"Zij hebben elk een mooi geschenk gekregen", riep ze schreiend uit,

"en ik heb niets."

"Neen, mijn kind," hernam de goede fee, "maar ik wil je iets geven dat

't hare duizendmaal te boven gaat".

Zij nam Bibi in haar armen en drukte haar aan haar hart, dat

overvloeide van goedheid. 't Kleine meisje voelde 't hare eensklaps

smelten als een ijsschots, die men op 't vuur legt.

Zoo kwam Bibi dus met een geheel veranderd hartje thuis. Moedig en

ferm als zij al was, gebruikte ze voortaan haar flinkheid om zwakken

bij te staan en te versterken, in plaats van zich, zooals vroeger,

op haar kracht te beroemen en den spot met de zwakheden van anderen te

drijven. En veel later, toen zij zelf kleine meisjes en jongens had,

zei zij meermalen tegen haar kinderen: "ieder heeft zijn eigenaardig

gebrek, maar vergeet 't niet, lieve kinderen, dat van den spotter is

misschien nog wel het ergste, daar 't immers van hardvochtigheid en

liefdeloosheid getuigt."--

CHAPTER IV

IV.

DE GROOTE GELEERDE.

Er was eens een jongetje, dat altijd nummer één op school was. Alle

prijzen waren voor hem: die voor taal, voor rekenen, voor geschiedenis,

voor aardrijkskunde----komt, noemen jullie nog maar eens een paar

vakken op!

Na de prijsuitdeeling toog hij dus met een heelen stapel boeken onder

den arm naar huis en had zooveel kransen veroverd, dat hij er heelemaal

onder bedolven was. De menschen bleven zelfs op straat staan, om naar

hem te kijken en den volgenden dag vertelde zijn kindermeid met ophef

aan ieder, die 't hooren wou op de markt, hoe knap haar jongeheer was;

ja, hij was al een groot geleerde, beweerde ze.

Dit een en ander maakte ons kereltje wel wat hoogmoedig; dat moet

gezegd worden! Zoo kwam hij er dus geleidelijk toe, een hoogen dunk

van zichzelf te krijgen.

Er woonde een klein meisje naast hem, dat dikwijls met hem speelde. Zij

kon niet zoo gemakkelijk leeren, maar had een heel lief karakter. Tegen

iedereen was ze zacht en aardig en nooit zou ze 's avonds, voordat

zij slapen ging, vergeten den goeden God met haar gansche hartje te

bidden haar braaf en vriendelijk te maken.

Onze groote geleerde begon weldra op dit eenvoudige vriendinnetje

neer te zien. Op zekeren dag bedacht hij bij zichzelf, dat zoo'n

klein, dom ding toch eigenlijk volstrekt geen gezelschap voor hem

was en 't niet kwaad zou zijn zich eens op de hoogte te stellen van

't geen zij eigenlijk wist. Dáárvan zou 't dan afhangen, of hij haar

ook voortaan nog met zijn vriendschap zou kunnen vereeren.

Toen 't kind hem op een keer kwam vragen met haar mee naar huis te

gaan, om 't mooie prentenboek te zien, dat zij van haar petemoei

gekregen had, deed hij erg koel en uit de hoogte. 't Kleine meisje

wist niet hoe zij 't had; zóó had zij haar kameraadje nog nooit gezien!

"Ik weet niet, of ik wel met je kan blijven omgaan," zei hij; "in

ieder geval zou ik eerst wel eens willen hooren, of je in staat bent

een gewone breuk in een tiendeelige over te brengen."

Zij begon te lachen. "O, daar heb ik nog niets van gehad. Ik begin

pas aan de deeling."

"'t Is niet om te lachen. Ik spreek in vollen ernst. Dan moet je mij

tenminste het verschil tusschen een volstrekten en een betrekkelijken

hoofdzin zeggen."

"Gisteren hebben we 't er op school nog over gehad, maar ik weet er

niets meer van."

"Zoo, 't is wat moois! Dan zal ik je ook wel niet behoeven te vragen

in welk jaar Rome gesticht is?"

"Wat een malle vraag; je weet toch wel, dat we daar nog lang niet

aan toe zijn."

"'t Wordt hoe langer hoe fraaier. 'k Zou er haast wat op durven te

verwedden, dat je me de Loire-departementen zelfs niet zult kunnen

opnoemen."

Zij hield zich stil. Haar aardrijkskundige kennis strekte zich nog

niet tot de omgeving van de Loire uit.

"Och, och," zei ze eindelijk tegen haar gestrengen examinator,

"wat heb jij vandaag toch! Laten we nu alsjeblieft maar uitscheiden;

we zijn immers niet op school! Ga maar mee, dan zal ik je mijn boek

laten kijken. Er staan verhalen in, die je wel mooi zult vinden."

"Klein ding," sprak hij op beschermenden toon, "om zulke verhaaltjes

geef ik niets; 'k vind er geen steek aan. Je begrijpt toch wel, dat

ik er veel te knap voor ben. Neen, we kunnen niet meer met elkaar

omgaan. Dat zou heel niet passen."

't Arme, kleine meisje kon geen ander antwoord vinden dan tranen,

want zij hield veel van haar geleerd buurtje en vond 't hard hem,

ter wille van de Loire-departementen en den volstrekten hoofdzin,

als vriendje te moeten verliezen. Zij kon er maar niet toe besluiten

zonder hem naar huis terug te keeren.

Terwijl zij hem nog met een smeekenden blik aan stond te kijken,

kwam haar petemoei eensklaps binnen.

Sprookjes van Jean Macé · 第 3 / 5 段