Tegen den morgen viel hij eindelijk, uitgeput van de doorstane

vermoeienis en aandoeningen, in een zwaren, onrustigen slaap en

droomde toen van een in lompen gehulde vrouw met grijze haren, die

door de politie opgebracht werd, en telkens nog 't hoofd omkeerde,

alsof zij iemand zocht.

Onderwijl was Deugniets vader, verslagen van smart door zijn

vruchteloos zoeken, thuisgekomen.

Op 't vernemen van de blijde tijding, dat 't kind terecht was, had

hij weliswaar een kreet van vreugde geslaakt, doch hoe spoedig had

de wanhoop, helaas, weer de overhand over zijn blijdschap gekregen,

toen hij moest hooren, dat zijn lieve vrouw er niet bij was. Hij

wierp zich, aan de hevigste droefheid ten prooi, gekleed op een

canapé en bleef daar, met 't hoofd in de handen verborgen, liggen,

totdat de dag aanbrak.

Toen het licht werd, vermande hij zich en ging naar boven, naar de

kamer van den kleinen jongen. Op 't gezicht van het slapende kind,

dat hij reeds voor altijd verloren had gewaand, begon de sterke man

te schreien en als een riet te beven. Hij kon zich niet meer inhouden

en knielde bij 't bed neer, terwijl hij den kleinen krullebol met

liefkoozingen overlaadde.

Deugniet schrikte er van wakker. Eerst keek hij een oogenblik angstig

naar het ontroerde, met tranen overstroomde gelaat, dat zich zoo

dicht bij 't zijne bevond, maar weldra herkende hij zijn vader

en sloeg de armen om zijn hals, met de woorden: "vader, o, vader,

moeder is beneden, zij staat aldoor buiten. Ga toch gauw mee! Zij zal

't zoo koud hebben!"

Zijn vader keek hem, ten hoogste verwonderd, aan.

"Ja," hernam het kind, "heusch waar, moeder is beneden. Niemand wou

't gisteravond gelooven dat zij 't was, maar u zult haar toch stellig

wel herkennen."

Hij kleedde zich schielijk aan en trok zijn vader toen mee. Buiten

voor de deur vonden zij werkelijk de arme vrouw, verkleumd en druipnat

terug. Haar gezicht helderde op, toen zij haar kleinen jongen zag. Zij

nam hem in haar armen en bewoog zich daarbij met zoo'n gemakkelijkheid,

alsof zij zich in haar salon, te midden van haar gasten, bevond.

"Wat beteekent dat?" vroeg Deugniets vader, zich tot den jongen

wendend. "Wie is dat vriendelijke, oude vrouwtje?"

"'t Is moeder," riep het kind uit, "mijn lieve, lieve moeder, die er

om mijnentwil zoo uitziet."

"Kan 't mogelijk wezen?" sprak hij nu tot de vrouw,--"zoudt gij

werkelijk het bekoorlijke wezen zijn, dat ik sedert gisteren zoo

diep betreur?"

Zij keek hem aan, zonder hem te herkennen. Toen omhelsde zij haar

kind weer en zei: "dit is mijn zoon; wat wilt ge van mij?"

"Maar dan--" zoo hernam Deugniets vader in de grootste verbazing,--"dan

ben ik uw man!"

"Gij?----ik weet het niet."

"Wat moet ik hiervan denken!" riep de ongelukkige man geheel verslagen

uit. "Het is wèl de stèm van mijn vrouw, maar ik herken haar niet en

zij herkent mij evenmin."

Daar kwam Marianne aan. Zij had haar mijnheer door het huis hooren

loopen en was nu ook vroeg opgestaan.

De stevige meid nam de arme vrouw bij den arm en schudde haar ruw heen

en weer. "Ben je daar nog?" zei ze; "pak je gauw weg, kinderdievegge

en waag 't niet ooit weer terug te komen."

Zij wilde haar de straat op sleepen, toen Deugniet zich, buiten

zichzelf van smart en angst, op haar wierp. Zijn hart zwol op in zijn

borst. Op dit oogenblik zou hij het tegen een bataljon soldaten hebben

kunnen opnemen.

"Neen," riep hij uit, "neen, moeder _mag_ niet weggestuurd worden. Ik

wil niets meer houden van wat zij voor mij verkregen heeft. _Ik_

moet vuil zijn, _ik_ moet buiten slapen,--dat heb _ik_ verdiend. Ik

wil naar de fee, om haar alles terug te brengen en zij moet 't weer

aan moeder geven!"

Nog had hij niet uitgesproken, toen Marianne door een groote hand bij

't middel gegrepen en met een sierlijken zwaai op de stoep neergezet

werd.--'t Was het werk van Grauwbaard, die plotseling in hun midden

verschenen was. Beleefd wendde hij zich nu tot het meisje met de

woorden: "een weinig plaats, alsjeblieft, voor mijn meesteres."

Op 't zelfde oogenblik rees fee Goed-Hart voor hen uit den grond

op. Zij legde haar hand op den schouder der moeder en sprak: "uw

proeftijd is geëindigd; zij, die u dit heeft aangedaan, komt alles

weer herstellen."

Toen kuste ze Deugniet op beide wangen en verdween met Grauwbaard,

een heerlijken geur achterlatend, die nog acht dagen lang duurde.

Nadat Deugniets vader eenigszins bekomen was van zijn verbazing over

deze onverwachte verschijning, richtte hij den blik op zijn vrouw

en--zag haar weer terug in haar vroegere schoonheid. Haar hoofd was

weer gekroond met mooie, zwarte vlechten, haar gelaatskleur was rein

en blank en het prachtige kleed van Oostersche zijde, dat hij haar

zelf voor den feestdag van gisteren gegeven had, golfde in sierlijke

plooien om haar ranke gestalte.

Zij zag hem aan.----Toen vielen zij elkaar, onuitsprekelijk gelukkig,

in de armen.--

Sedert dien werd de edele vrouw als een heilige door de heele

stad vereerd. Ieder ontblootte eerbiedig 't hoofd voor haar, doch

't was algemeen bekend, dat men in haar tegenwoordigheid niet over

haar opofferingen moest spreken; zij bracht 't dan dadelijk op een

ander onderwerp.

Wat Deugniet betreft, van dien dag af aan werd hij de liefste,

kleine jongen, dien je ooit hebt gezien. Hij gehoorzaamde zonder

tegenstribbelen en liet onmiddellijk zijn wenschen varen als hij wist,

dat hij er vader of moeder verdriet mee deed.

Nooit meer hoorde je er hem over klagen, dat het water te koud was, of

de kam hem pijn deed. Evenmin dacht hij er over voor soep te bedanken,

als er iets anders op de tafel stond, waarvan hij meer hield. Hoe vroeg

hij soms ook naar bed moest, hij paste er wel voor op niet tegen te

spartelen, daar hij veel te bang was, weer aan zijn woord gehouden

te zullen worden. Hij minachtte voortaan zijn boeken ook niet meer,

want hij kon nooit vergeten tot hoe hoogen prijs ze hem teruggegeven

waren en eindelijk zou hij 't als een misdaad hebben beschouwd, zijn

moeder nog slechts één enkel keertje terug te stooten, wanneer zij

haar armen naar hem uitstak.

Hij heette dan ook niet langer _Deugniet_; die leelijke naam had

voorgoed afgedaan. Iedereen noemde hem nu bij den naam, waarmee hij

gedoopt was, en zoo stond hij dus, in 't vervolg, allerwegen bekend

als: _de brave, kleine Jan_!

II.

BLONDKOPJE

Er was eens een lief kind, dat wel iedereen gelukkig zou willen

maken. Hij had groote, blauwe oogen en zulk mooi, blond haar, dat

men hem in 't heele land niet anders dan _Blondkopje_ noemde.

Dikwijls was hij er verdrietig over, dat hij nog niet groot en sterk

genoeg was, om nuttig te zijn en wanneer hij er naar verlangde een

man te worden, was 't alleen, om de macht te hebben veel goeds te

doen. Hij zou de wereld bewogen hebben, als hij 't gekund had.

Zulke kleine kinderen zijn er niet veel, dat is waar! Tòch ontmoet

men ze wel eens; als een bewijs hiervan kan ons Blondkopje gelden.

In die dagen leefde er een groot toovenaar, met wien de goede feeën

zeer bevriend waren. Zij schreven hem brieven uit alle oorden der

aarde. Deze briefwisseling ging al heel gemakkelijk in z'n werk. Je

moet weten, dat de feeën ieder in 't bezit waren van een tooverdoos

met een gaatje er in; zij schreven nu op een stukje papier, wat zij

den toovenaar te zeggen hadden, lieten het door 't gaatje in de doos

glijden en--hiermee was de zaak afgeloopen. Het stukje papier kwam

vanzelf op zijn bestemming aan; niemand had er verder iets voor te

doen. Je kunt denken, hoe geriefelijk dit voor de feeën was en hoe

gemakkelijk ook voor den toovenaar, om op de hoogte te blijven van

wat er in alle landen voorviel.

Hij vernam op deze manier ook wat Blondkopje hinderde en werd er zóó

door getroffen, dat hij zich beter voelde worden--dat wil zeggen:

_machtiger_, want hij behoorde tot de toovenaars, wier macht wies

met hun goedheid.

"O, o," zei hij, "daar hebben we nu een kind, dat machteloos meent te

zijn en mij toch al veel sterker heeft gemaakt dan ik was. Ik moest

hem maar eens een beetje te hulp komen."

Hij bracht zijn kijker, waarmee hij op tweehonderd mijl afstands kon

zien, in de juiste richting en begon met een blik in 't huis van den

kleinen jongen te slaan.

't Was maar een gewoon huis, dat zich door niets van de andere huizen

der lange straat onderscheidde en dus geheel in de massa opging. De

straat zelf verdween in de uitgestrektheid der groote stad, die toch

niet eens de belangrijkste van het land kon genoemd worden en het

land, aanmerkelijk groot als 't was, scheen op zijn beurt toch maar

een stipje op den aardbol te zijn. Je kunt je dus zoo eenigszins

voorstellen, wat voor een plaatsje ons arm, klein ventje daar op innam.

Hij zat op dit oogenblik geheel alleen in de kinderkamer voor een boek,

dat hem niet erg scheen te boeien. Je zag 't hem aan, dat zijn aandacht

telkens afdwaalde en hij zich veel liever bij zijn zusjes zou hebben

gevoegd, die bezig waren een groote schaal aardbeien van de steeltjes

te ontdoen. Moeder zou gelei maken: een gebeurtenis van belang voor

't heele gezin en niet 't minst voor de kinderen.

Om je de waarheid te zeggen, was Blondkopje wel wat lui. De toovenaar

bemerkte dit dadelijk aan de manier, waarop hij zijn boek heen

en weer draaide, zoodat 't meest ondersteboven vóór hem kwam te

liggen. Zijn gedachten waren klaarblijkelijk meer bij de gelei,

dan bij zijn les. Daarbij kwam nog, dat 't kind vlugge beentjes had,

die 't geen minuutje in rust konden uithouden. Op een keer hadden de

groote-menschen het er in zijn bijzijn over gehad, dat men vogeltjes

en kleine kinderen maar vrij moest laten rondspringen, daar dit een

wet van den goeden God is. Nu, dit was bij hem aan geen doovemans oor

gezegd. Hij paste het op de ruimst mogelijke wijze toe en zag er dan

ook hoegenaamd geen bezwaar in, ieder oogenblik even weg te wippen

van dat vervelende lessenboek, om een bezoek aan twee vroolijke

sijsjes te brengen, die even lustig door hun groote kooi sprongen,

als hij door de kamer.

Of wel, hij liet zijn boek in den steek, om eens naar zijn "tuin"

te gaan kijken, een pot vol aarde, waarin hij op een winter, met zijn

zusjes, sinaasappelpitten had geplant. 't Waren nu al heele "boomen"

geworden van drie duim lengte, die duizendmaal meer gekoesterd werden,

dan die der vorsten in hun orangerieën.

Dit alles zou echter niet veel tot den loop der wereld kunnen toe-

of afdoen.----

"Ik zal dat lieve ventje de meest belangrijke persoonlijkheid op aarde

maken," sprak de groote toovenaar. "Telkens als hij een overwinning

op zichzelf zal behalen, zullen alle menschen desgelijks doen."

Hij bracht zijn kijker nu weer in een andere richting en ging eens

zien, wat er in zeker koninklijk paleis voorviel. Daar was een groote

menigte staatslieden met pruiken op, vergaderd, om er plechtig en

breedvoerig over te beraadslagen, van welke kleur de japon zou zijn,

die de vorstin op den kroningsdag zou dragen.

Ons Blondkopje hield dus, van nu af aan, zonder het te weten, het

lot van 't gansche menschelijke geslacht in zijn handjes.

Hij leerde er zijn les echter niet beter om.

Toen hij bemerkte, dat zijn dierbare sinaasappel-"boomen" min of meer

droog stonden, gaf hij hun, druppelsgewijs, een glas water te drinken,

't Was een toer dit zonder morsen te doen en zoo heel vlug kon hij

't ook niet klaarspelen. Dit vond hij evenwel niet erg; zijn boek

liep immers niet weg?

Nog was hij met zijn tuin bezig, toen een lieve, kleine fee, die

't op zich had genomen een man van hem te maken, zonder kloppen de

kamer binnentrad.

"Wel jongeheer," zei ze, wat ontevreden, "leeren we zóó onze les?"

"O, maar ik kon mijn sinaasappelboomen toch niet laten verdrogen. Ze

hadden zoo'n ergen dorst.----Ik heb al een heel eind van mijn les

geleerd."

"Zeg dat dan eens op!"

Blondkopje probeerde 't, maar stond weldra met zijn mond vol tanden.

"Kind, je doet mij verdriet," sprak de kleine fee en ging heen,

terwijl ze een traan wegwischte.

Blondkopje keerde beschaamd naar zijn boek terug en begon nu met ernst

te leeren. Hij deed zijn best niet meer aan andere dingen te denken en

zijn beentjes in rust te houden. De sijsjes sprongen nog lustig heen

en weer, maar zij waren er ook niet voor geschapen om wat te leeren,

die arme, kleine diertjes!

Een kwartier later kende Blondkopje zijn les en prompt ook. Hij was

dolblij en liep de goede fee achterna om 'm voor haar op te zeggen.

Onderwijl had er een groote ommekeer op de heele aarde plaatsgehad. Al

de kleine straatjongens, die langs de wegen zwierven, hadden daar

hun knikkers en steenhoopen laten liggen, om, zoo hard ze konden,

schoolwaarts te loopen. Al de menschen, die in hun jeugd weinig

of niets hadden geleerd, waren met schaamte tot inzicht van hun

onwetendheid gekomen, zoodat de boekverkoopers, op 't onverwachtst

overvallen door een ongeduldige, weetgierige menigte, er mee verlegen

waren welke boeken ze te voorschijn zouden halen, om aan zoovele

verschillende aanvragen tegelijk te kunnen voldoen.

Zij, die niets wisten, voelden zich door een onweerstaanbaren leerlust

aangegrepen en zij, die iets wisten, door den drang tot meer studie. De

grootste sterrekundigen zag je b.v. haastig naar de boekwinkels loopen,

om er naar allerlei handboeken over aardrijkskunde te vragen.

Het was een algemeene omwenteling, en een gelukkige, in het rijk des

geestes en dit alles had Blondkopje alleen bewerkt door zijn les goed

te leeren.

Als persoonlijke belooning kreeg hij een flinken kus op iedere wang

en mocht, toen 't uurtje voor 't vesperbrood was gekomen, aan een

feestelijk onthaal deelnemen, dat uit een grooten stapel boterhammen

met de aardbeien, die aan de vruchtenpan waren ontsnapt, bestond. Een

dame, die veel belang in de kinderen van dit gezin stelde, had er hun,

tot opluistering, een heelen pot room bij gestuurd.

Er ging een gejuich op, toen zij deze traktatie zagen.

Niets geeft je meer trek, dan flink te hebben gewerkt.

Blondkopje, die niet precies een gulzigaard was, koos met zorg een

lekkere boterham uit--een met knappende korstjes, waarvan hij zooveel

hield. Hij was toch zoo blij, dat hij zijn les goed had gekend en

babbelde vroolijk, tusschen de hapjes door, terwijl hij zijn mooiste

aardbeien bedachtzaam op zij legde, om ze met den room voor het laatst

te bewaren.

Zijn jongste broertje, wiens eetlust geen grenzen kende, had reeds

alles op, toen hij ternauwernood halverwege met zijn portie was

gekomen. Het ventje keek eerst met een begeerigen blik naar de rest

van de lekkere boterham, de dikke aardbeien en het schoteltje room

en wou er toen volstrekt wat van hebben. Daar hij er vreeselijken

trek in had, zou er stellig een huil- en schreeuwbui op gevolgd zijn,

als de oudste geen medelijden met het hongerige kereltje had gekregen

en hem goedhartig had laten meedeelen.

't Zou Blondkopje anders niets geen moeite gekost hebben alles alleen

op te eten. Hij had 't zoo met zorg en overleg klaargemaakt en 't

smaakte hem zoo heerlijk.

De moeder der kinderen was onderwijl binnengekomen; zij verblijdde

zich over 't geen zij zag en glimlachte tegen haar jongen, die daardoor

ruimschoots voor zijn opoffering beloond was.--

Maar hij kreeg daarenboven nog een heel andere

belooning. Terzelfdertijd maakten de menschen, in alle landen van de

wereld, zich eensklaps ongerust over hen, die honger zouden kunnen

hebben. Iedereen liep naar zijn provisiekamer of kelder en begaf zich

dan, met levensmiddelen beladen, op weg, om overal naar hongerigen

en nooddruftigen te zoeken.

Je zag niets anders op straat dan groote brooden, schotels vleesch,

zakken aardappelen en manden fruit, die men naar de woningen van

behoeftige gezinnen wilde brengen. Wie er een ontdekt had, haastte

zich er den overvloed binnen te laten treden en werd door de anderen

om zijn vondst benijd.

De arme menschen konden hun oogen niet gelooven. Kinderen, die nog niet

wisten wat een koekje was, maakten nu kennis met dit merkwaardige

product van menschelijk vernuft en, wat nog nooit gebeurd was,

niemand ging dien dag zonder eten naar bed.

Wat een triomf voor Blondkopje! Maar hij wist er niets van.

Een groot vraagstuk nam hem op dit oogenblik geheel-en-al in

beslag. Blondkopje was een knap kereltje; dit had hij de kindermeid,

die hem verafgoodde en dolgraag met hem pronkte, tenminste vaak genoeg

hooren zeggen.

Na de feestelijke boterham zouden de kinderen, om de pret te volmaken,

naar een speeltuin gaan, die druk door de jeugd van deze stad bezocht

werd. Zoo gauw de bordjes dus leeg waren geweest, waren zij naar

boven geloopen om zich klaar te maken voor den tocht.

Ons Blondkopje bezat een zwart fluweelen pakje, waarin hij er, volgens

't oordeel van de kindermeid, uitzag om te stelen. Zij kreeg 't dan

ook bij elke gelegenheid uit de kast om het hem aan te trekken, hoewel

't feitelijk alleen voor bijzondere feestdagen bestemd was. De kleine

jongen liet er zich maar al te graag voor vinden, zoo'n ijdeltuit! Zijn

moeder knorde er over, maar het kwaad was geschied--zoo trotsch als

een pauw liep hij rond, als hij zijn mooie pakje aan had.

Vandaag haalde de kindermeid 't ook voor den dag, tot groot plezier

van Blondkopje.

Hij had er al één arm in, toen zijn groote zus binnenkwam.

"Blondkopje," zei ze, "dàt pakje moet je niet aandoen; je daagsche

blouse is goed genoeg om er mee in 't zand te spelen."

"Daar zit ik haast met mijn ellebogen door," pruttelde 't kind;

"'k zie er mee uit als straatjongen."

"Kom, wees nu eens lief! Je weet wel, dat moeder 't niet graag heeft."

Toen drong Blondkopje er niet verder op aan. Voor de vrees zijn

moeder verdriet te doen, moesten al de bedenkingen van hoogmoed en

ijdelheid zwichten. Hij trok dus zijn arm terug en deed gehoorzaam

zijn daagsche blouse aan, waarin hij zich straks kostelijk in den

speeltuin zou vermaken.

Nauwelijks had hij zijn zuster gehoorzaamd, of onmiddellijk vloog de

hoogmoed de wereld uit.

De aanzienlijkste, deftigste dames begonnen, zonder te weten waarom,

de eenvoudigste burgervrouwen te groeten. De heeren van het hof voelden

zich genoopt in 't voorbijgaan de boeren, die van de markt terugkwamen,

goedendag te zeggen. De menschen zochten in hun hoofd naar de redenen,

die zij tot nu toe hadden gehad om op elkaar neer te zien en elkaar

te verachten, en.. konden ze niet meer vinden. Je kunt er je geen

denkbeeld van maken hoe 'n algemeene verteedering er plaats had.--

Ook voelden de kleine jongens, die nummer één van de klas waren

geworden, zich bevrijd van de dwaze waanwijsheid, die hen zoo

belachelijk maakte.

Wat deed ons Blondkopje onderwijl?

Na dien prettigen middag was hij aan 't kibbelen geraakt met het

zusje, dat een jaar ouder was dan hijzelf. In zijn hart hield hij veel

van haar, maar weet je wat zoo vervelend was? Ze had een gebrekje,

waaraan zulke kleine juffertjes wel eens meer lijden... zij was een

echt spotvogeltje, dat niets liever deed dan plagen.

Sedert haar broertje een paar maal in haar bijzijn verkondigd had,

dat hij dokter wou worden, noemde ze hem niet anders meer en had hem

nu ook, gedurende de heele wandeling naar huis, met dit groote woord

vervolgd, dat zij uitsprak met haar mond zoo wijd opengesperd als

zij maar kon.

"Neen, ik heb er nu geen zin meer in dokter te worden," zei de arme

jongen eindelijk; "ik wil bisschop worden."

Maar dit maakte de zaak nog maar erger... "mijnheer de bisschop" was

immers nog een veel mooiere benaming! Zij maakte er dan ook zoo'n ruim

gebruik van als maar mogelijk was en liet 't "mijnheer de bisschop"

regenen op den kleinen jongen.

"Wanneer zal ik "mijnheer den bisschop" om zijn zegen kunnen

vragen?" vroeg zij ten laatste en maakte een heel diepe buiging

voor hem.

"Dien kan je dadelijk krijgen," riep Blondkopje, bij wien het nu de

spuigaten uitliep, haar driftig toe, terwijl hij een liniaal greep,

die juist binnen zijn bereik lag, en er allerlei dreigende bewegingen

voor de oogen van zijn plaaggeest mee ging maken.

Deze, die even rap met de hand als met de tong was, had weldra

een andere liniaal gepakt. Daar stonden ze nu tegenover elkaar. Als

kemphaantjes zetten zij zich in postuur en sloegen er ijverig op los,

waarbij zij echter zorg droegen niet de tegenpartij zelf, maar alleen

z'n wapen te raken.

Op zeker oogenblik liet Blondkopje de zijne evenwel door een onhandigen

slag op de vingers van zijn zusje neerkomen, wat haar een kreet van

pijn deed slaken.

Dadelijk was zijn drift bedaard. Hij gooide de leelijke liniaal,

die haar bezeerd had, ver van zich af, sloeg zijn armen om haar hals

en zei, met tranen in de oogen: "'t spijt me zoo erg, zus; ik zal

't niet meer doen en hoor eens, je mag me net zoo vaak "mijnheer de

bisschop" noemen als je maar wilt."--

Hun vader, die de beste vader van de wereld was, kwam op 't geluid

van den strijd aanloopen en meende al heel boos te moeten worden.--Hoe

groot was echter zijn blijdschap, toen hij, bij 't binnenkomen, deze

hartelijke omhelzing van broer en zus aanschouwde. Hij drukte het

tweetal aan zijn hart en prees zich gelukkig, zulke lieve kinderen

te hebben.--

Er werden toentertijde groote oorlogen op de aarde gevoerd. De

menschen overtroffen elkaar in 't uitdenken van de vreeselijkste

moordtuigen, die allerwegen dood en vernieling moesten brengen. Dezen

hadden de samenstelling van ijzeren torens uitgevonden, die zich nog

sneller verplaatsen konden dan een galoppeerend paard. Als je daar in

zat, was je volkomen tegen elken aanval beveiligd, terwijl je zelf

ongehinderd den vijand kon dooden. Genen hadden machines verzonnen,

waarmee je brokken steen, zoo groot als halve bergen, mijlen ver weg

kon slingeren om er de soldaten van de tegenpartij bij duizenden,

als vliegen, onder te verpletteren. Iedere nieuwe uitvinding werd met

groote uitbarstingen van geestdrift door de strijders begroet, 't Was

te voorzien, dat er weldra niemand anders meer in 't leven zou zijn,

dan de uitvinders van die moordtuigen,--totdat 't gezegende oogenblik

aanbrak, waarop Blondkopjes liniaal de vingers van zijn zusje trof.

Zoo gauw had het kind niet zijn wapen neergelegd, of deze hoog

oplaaiende oorlogswoede zakte als door tooverslag ineen. De menschen

ontdekten eensklaps, dat zij wel mal waren geweest, elkaar te dooden,

om te weten te komen wie gelijk had en besloten zich op 't oordeel

van hen, die den strijd gadesloegen, te beroepen. Zoo had er alom

een algemeene verbroedering plaats, van de generaals af, tot aan

de soldatenkinderen toe, die elkaar nu niet meer bij 't uitgaan der

scholen van leer gaven, zooals ze het vóór dezen hadden gedaan.

Ons Blondkopje ging dien avond met een tevreden hartje naar bed, na

wel duizend liefkoozingen van de gansche familie te hebben ontvangen,

en vroeg zich bij 't inslapen nòg af, wanneer hij toch wel zoo groot

en sterk als een man zou wezen.

Op 't zelfde uur gaf de aarde, nu van Onwetendheid, Ellende, Hoogmoed

en Oorlog bevrijd, zich aan de meest geestdriftige uitingen van

algemeenen jubel en blijdschap over en op al de bergen, van Noorwegen

tot in 't land der Patagoniërs, werden zulke groote vreugdevuren

ontstoken, dat men ze van de maan af zien kon.

De groote toovenaar is er niet meer, kinderen, om zooveel gewicht te

geven aan de overwinningen, die jullie op jezelf kunt behalen. Toch

is er nog iets van overgebleven: ook tegenwoordig nog--gelooft het

maar vrij--zijn de kinderen sterker dan de menschen om het goede te

doen. Terwijl je ouders soms verplicht zijn zich geheel op te offeren,

om te verhinderen, dat je ongelukkig wordt, kan jullie hen reeds met

de kleinste opofferingen volkomen gelukkig maken. Al wordt de wereld er

niet eensklaps door veranderd, zooals in Blondkopjes tijd, deze kleine

daden van zelfverloochening--weest daarvan maar overtuigd--zullen toch

nooit voor haar verloren zijn. Alle druppels water, die er vallen,

vinden elkaar in de zee terug.--

III.

BIBI, BABA EN BOBO.

Bibi was een kleine spotvogel,

Baba een kleine smulgraag,

En Bobo een kleine luiwammes.

Op zekeren dag gingen ze in een naburig bosch wandelen,

maar.... hielden zich niet aan de van huis meegekregen vermaning:

volstrekt niet verder te gaan dan tot een zeker punt. Zij waren op

den koop toe alle drie kleine, _ongehoorzame_ dingen, weet je!

Om de waarheid gestand te doen, moet ik er evenwel bij zeggen, dat

dìt toch grootendeels Bibi's schuld was.

Sprookjes van Jean Macé · 第 2 / 5 段