Daardoor werd hij ook verdrietig en schreide met haar mee, t

Produced by The Online Distributed Proofreading Team at

https://www.pgdp.net/

SPROOKJES

VAN

JEAN MACÉ.

VERTAALD DOOR HERMANNA.

GEÏLLUSTREERD DOOR JAN WIEGMAN.

I.

DE KLEINE DEUGNIET.

Er was eens een kleine jongen, die zoo stout was, dat ieder er schande

over sprak. Hij sloeg de kindermeid, gooide moedwillig glazen en borden

stuk, stak zijn tong tegen zijn vader uit en durfde zijn arme moeder,

die hem, ondanks al zijn gebreken, hartelijk liefhad, boos van zich

af te duwen, als zij hem, midden in een driftbui, in haar armen wilde

nemen, om hem tot bedaren te brengen.

Behalve zijn ouders, noemde niemand hem meer bij zijn eigenlijken

naam; men zei eenvoudig _Deugniet_ tegen hem, of wel _Verniel-al,_

maar dat was zoo'n mondvol om uit te spreken. Als de kleine jongen

maar een spikkeltje eergevoel had gehad, zou hij er zich stellig erg

over hebben geschaamd, want zóó heette de hond bij hem thuis ook,

een echte woesteling, die alles kapot maakte.

Deugniet schaamde zich echter nooit.

Je denkt nu misschien, dat hij ook een nare jongen was om te zien.

Integendeel, hij had wàt een aardig gezichtje en mooi, blond krulhaar,

waar zijn moeder niet weinig trotsch op was. Als hij in een goede bui

was--zoo'n bevlieging duurde helaas maar kort--kon hij er wezenlijk

uitzien om te stelen.

Je kunt begrijpen hoeveel verdriet zijn ouders er van hadden, dat

hun jongetje in werkelijkheid zoo heel anders was, dan je, op zijn

uiterlijk afgaande, zoudt meenen. Niet alleen al de buren, neen, de

geheele stad sprak er over, hoe 'n groot leed het voor zulke brave,

algemeen geächte menschen moest wezen, zoo'n verschrikkelijk stout

kind te hebben.

Iedereen wist er uit eigen ondervinding over mee te praten. De een

vertelde, dat Deugniet hem met een steen had gegooid, toen hij op

zekeren dag voor zijn deur een luchtje stond te scheppen,--de ander,

dat de bengel, na die hevige regenbui van laatst, met opzet in een

grooten plas had staan dansen, om de voorbijgangers met modder

te bespatten;--de melkvrouw zei tegen ieder, die 't hooren wou,

dat ze er voortaan wel voor zou oppassen, hem in de buurt van haar

blankgeschuurde emmers te laten komen--verbeeld je, onlangs had hij

er uit baldadigheid nog handenvol fijn zand ingegooid---en eindelijk

dreigde de politieagent, die zijn standplaats op den hoek der straat

had, zelfs, hem mee naar 't bureau te zullen nemen, als hij 't niet

wou laten, de kleine meisjes te knijpen, die, op weg naar school,

langs zijn huis moesten.

Om kort te gaan, er werd zooveel over zijn ondeugendheid gesproken, dat

het ook een oude fee ter oore kwam, die zich, na jarenlang omzwerven,

op een stil plekje, niet ver van deze stad, had teruggetrokken.

Fee Goed-Hart, zoo heette zij, was zóó goed, dat je je er eenvoudig

geen voorstelling van kunt maken, maar juist door haar buitengewone

goedheid, kon zij ook geen kwaad in haar omgeving dulden. Iets slechts

te _zien,_ maakte haar ziek en er zelfs maar over te _hooren praten,_

benam haar wel een weeklang den eetlust. In den loop der jaren had

zij, in haar hoedanigheid van fee, reeds heel wat groote en kleine

kwaaddoeners gestraft, en hoewel zij nu eigenlijk van haar arbeid

rustte, besloot zij zich toch, terwille van Deugniet, nog eens op te

maken, om hem een les te geven, die tot zijn verbetering zou kunnen

strekken. Zij liet zijn ouders dus weten, dat zij hen op dien en dien

dag zou komen bezoeken.

Fee Goed-Hart had een groote vermaardheid in 't gansche land. Ieder

rekende het zich tot een eer en vond 't een zeldzame onderscheiding,

haar in zijn huis te mogen ontvangen, want zij was niet kwistig met

haar bezoeken en leefde zoo stil en teruggetrokken, dat 't zelfs al

een bijzonderheid mocht heeten, als zij zich eens in de stad vertoonde.

Deugniets ouders waren dan ook zeer ingenomen met het vooruitzicht

fee Goed-Hart bij zich te zullen zien en spaarden moeite noch kosten,

om de hooggeeerde gast waardig te ontvangen.

Op den vroegen morgen van den gewichtigen dag ging de keukenmeid naar

de markt en deed daar een ruimen inslag van 't beste en 't fijnste, dat

er maar te koop was. Toen zij eindelijk weer thuis kwam, kon zij haar

groote boodschappenmand haast niet meer torsen, zoo'n massa was er in.

Nu kwam 't heele huishouden in rep en roer. Het mooiste servies,

het fijnste kristal, werd voor den dag gehaald. Ook de ouderwetsche,

zilveren schotels, die anders veilig in groote kasten opgeborgen waren,

zouden bij deze bijzondere gelegenheid dienst moeten doen.

Wat hadden allen 't druk! Het personeel was onvermoeid in de weer en

had de handen vol werk. Hier kwam er een met manden vol flesschen uit

den kelder; daar zag je een ander met uitgezochte vruchten beladen de

dessertkamer binnengaan. In de keuken was 't een heen-en-weer-gevlieg

en gedraaf, dat 't hoofd er je van om zou loopen--er was zooveel,

waaraan nog gedacht, waarvoor nog gezorgd moest worden. Maar niemand

klaagde over deze buitengewone drukte. Fee Goed-Hart was zóó bemind,

dat de menschen voor haar door 't vuur zouden zijn gegaan.

"Wat zullen we vandaag met den jongen beginnen?" vroeg Deugniets vader

aan zijn vrouw. "Je weet, hoe onhebbelijk hij zich altijd in gezelschap

gedraagt. 't Kind zal ons voor de heele stad te schande maken, als

hij zich, ook in 't bijzijn der fee, niet verkiest in te binden. Zoo

iets wordt dan natuurlijk overal bekend, met dàt gevolg, dat wij ons,

als ouders van dien bengel, nergens meer zullen kunnen vertoonen."

"Maak je niet bezorgd," sprak de goede moeder; "laat 't ventje maar

eens aan mij over. Om te beginnen zal ik er voor zorgen, dat hij er

keurig uitziet, 'k Zal zijn blonde krullen, die hem zoo goed staan,

met mijn gouden kam netjes in orde brengen, dan trek ik hem zijn mooie,

nieuwe pakje en zijn schoenen met gespen aan, en voorts zal ik hem zóó

op 't hart drukken toch vooral lief en gehoorzaam te zijn, dat je je

over zijn gedrag heel niet meer ongerust zult behoeven te maken. Je

zult zien, dat wij zelfs nog eer met hem zullen inleggen."

Deugniets lieve moeder geloofde zoo graag het goede van haar kind. Ook

gunde zij hem zoo echt, straks mee aan te zitten aan den kostelijken

disch. Wat haarzelf betrof, zonder 't bijzijn van haar kleinen jongen

zou deze feestdag voor haar al 't feestelijke verloren hebben.

Doch toen zij hem riep, omdat het tijd werd met 't opknappen te

beginnen, bleek 't, dat hij nergens te vinden was. De stoute jongen

had over fee Goed-Hart hooren spreken, en wist nu van angst niet waar

hij zich bergen zou. Waarom hij eigenlijk zoo bang voor haar was,

zou hij zelf niet hebben kunnen zeggen.

Het kwaad brengt zijn eigen straf met zich mee. Daarom hebben zij,

die verkeerd doen, altijd een grooten, door niets anders te verklaren

angst voor alles, wat goed is.

Toen Deugniet hoorde, dat hij geroepen werd, veranderde hij weer van

schuilplaats; zijn geweten liet hem geen rust, zie je!

Allen waren nu in de weer om hem te zoeken. De tijd drong. Verbeeld

je eens, dat de fee kwam, voordat zijn moeder nog met hem klaar was!

Eindelijk werd hij in het kamertje naast de keuken gevonden,

dat gebruikt werd om 't een en ander uit de hand te zetten. Maar

hoe? Dàt was het 'm juist! De stoute jongen zat met zijn vingers in

de vanille-vla, die er stond af te koelen!

De keukenmeid slaakte luide jammerkreten, toen ze haar vla terugzag,

die heerlijke vla, waaraan zij zooveel zorg had besteed. Totaal

bedorven was ze. Er kon geen sprake van zijn _die_ nog op de tafel

te zetten en tijd om nieuwe te maken was er ook niet---och, och,

wat een ramp!

Maar hoe ze ook klaagde en jammerde en tegen Deugniet uitvoer, er was

niets aan te doen, zij zou zich in 't onvermijdelijke moeten schikken

en vla zou vandaag van 't menu geschrapt moeten worden.

Nog was zij niet tot bedaren gekomen, toen er een ongewoon tumult

op straat ontstond. Men hoorde paardengetrappel, hoera-geroep. In

vliegenden galop kwam fee Goed-Hart aanrijden. Allen spoedden zich

naar de voordeur.

Deugniet werd voor 't oogenblik vergeten. Hij wist toen niets beters

te doen, dan zich weer zoo gauw mogelijk uit de voeten te maken en

holde naar den zolder, waar hij zich achter 't brandhout, dat hier

voor den winter opgestapeld lag, verstopte.

Zijn arme moeder vond 't vreeselijk naar, hem op een dag als dezen

niet bij zich te hebben, maar 't was nu niet de tijd hierbij stil

te staan. Moedig drong zij haar tranen terug en trad zoo opgewekt

mogelijk naar voren, om de goede fee, die juist uit haar koets stapte,

te verwelkomen.

Onder tallooze eerbetooningen werd zij naar de eetzaal geleid, waar

de overige gasten reeds aanwezig waren.

Weldra nam 't gezelschap aan de groote, feestelijk gedekte tafel

plaats.

Tegen 't einde van den maaltijd liet fee Goed-Hart haar blik door de

zaal gaan.

"Waar is uw kleine jongen?" vroeg zij aan Deugniets moeder, die deze

vraag al onder vreezen en beven verwacht had.

"Och mevrouw," gaf zij ten antwoord, "we hebben 't den heelen morgen

zoo volhandig gehad, dat er geen tijd is overgeschoten om hem netjes

aan te kleeden en in zijn huispakje durfde ik hem toch niet in uw

tegenwoordigheid te brengen."

"Gij verheelt de waarheid," sprak de fee op strengen toon, "en daar

hebt gij ongelijk aan. Men bewijst kinderen een slechten dienst door te

trachten hun fouten te verbloemen. Stuur iemand om hem hier te halen,

zooals hij is; ik wensch hem op staanden voet te zien."

De bedienden, die uitgezonden werden om Deugniet op te sporen, keerden

echter na eenigen tijd terug met de boodschap, dat hij nergens te

vinden was.

Deugniets vader haalde zijn schouders op, maar zijn moeder kon 't niet

helpen, dat zij er eigenlijk, in haar hart, blij om was. Deugniet

stond niets goeds te wachten--dat begreep zij maar al te best. Fee

Goed-Hart liet niet met zich spotten, als er stoutheid in 't spel was;

stellig zou zij een strenge berisping, ja, mogelijk wel een flinke

straf voor hem klaar hebben.

Maar de oude fee was niet van plan de zaak hiermee als afgedaan te

beschouwen. Zij had zich nu eenmaal de moeite getroost, terwille van

Deugniet, naar de stad te komen en wilde haar werk nu ook niet ten

halve doen. Eén wenk aan haar gunsteling, een dwerg, die gedurende

den maaltijd achter haar stoel had gestaan, was voldoende, om hem de

zaal uit te doen snellen.

Deze dwerg--Grauwbaard werd hij genoemd naar zijn langen, grijzen

baard--bezat reuzenkrachten. Hij had zich meer in de breedte, dan in

de lengte ontwikkeld en zijn geweldig lange, knoestige armen zagen

er uit, als in elkaar gestrengelde, oude wingerdranken.

't Eigenaardigste aan hem was echter, dat hij ondeugende, kleine

jongens kon ruiken. Zooals een jachthond het spoor van een haas volgt,

zoo kon hij, op den reuk afgaande, in een ommezien zoo'n stouten,

kleinen bengel opsporen.

Allereerst liep hij naar de keuken, vandaar ging hij naar boven,

de trap op naar de eerste verdieping, naar de tweede verdieping, nog

hooger en hooger, totdat hij op den zolder kwam en recht toe, recht

aan, op den houtstapel af schoot, waar je 't gescheurde broekje van

den vluchteling al tusschen de takkenbossen door zag schemeren. Zonder

een woord te zeggen, tilde hij hem met één hand aan zijn ceintuur op

en droeg hem zoo, met uitgestrekten arm naar de eetzaal, waar zijn

komst een hartelijk gelach veroorzaakte. Geen wonder! De arme Deugniet

zag er nu allesbehalve op zijn voordeeligst uit. Zijn verkreukelde

blouse was aan den eenen kant zwart van 't kolenhok, waar hij zich

vanochtend ook al verstopt had, en aan den anderen kant wit van 't

stukadoorsel der verschillende muren, waarmee hij in aanraking was

gekomen. In zijn verwarde krullen hingen takjes en droge blaadjes

van de takkenbossen, zonder nog te spreken van een groot spinneweb,

waar Grauwbaard hem doorheen had gesleept en dat nu aan flarden achter

hem aan wapperde. Zijn gezicht was vuurrood van boosheid en zat, van

't puntje van zijn neus tot onder aan zijn kin, vol vla. Hij wrong

zich in allerlei bochten en spartelde geducht, om los te komen,

maar tevergeefs; de dwerg hield hem stevig vast.

't Was een potsierlijk schouwspel!

Drie personen van 't gezelschap hadden echter hun ernst bewaard: in

de eerste plaats Deugniets vader, wiens gelaat groote ontevredenheid

uitdrukte, zijn moeder, wier oogen zich met tranen hadden gevuld,

en de oude fee, die den stouten jongen een dreigenden blik toewierp.

"Waar kom jij vandaan, jongeheer en waarom heb ik je niet eerder hier

gezien?" zoo sprak zij hem aan.

Deugniet antwoordde niet, maar vloog, zoo gauw de dwerg hem op den

grond zette, naar zijn moeder, om zijn gezicht, stampvoetend, in den

schoot van haar japon te verbergen.

"Dat kind doet graag zijn eigen zin," zei de fee. "Welaan, ik zal hem

bij mijn vertrek een gave schenken, waarmee hij wel zeer ingenomen

zal wezen:

_Ik ontsla hem voor immer, van wat hem zal mishagen._

Vaarwel, mevrouw," zoo vervolgde zij, zich tot Deugniets moeder

wendend, wier blanke hand onwillekeurig den ragebol van den kleinen

bengel streelde. "Vaarwel, mevrouw, ik beklaag u, dat ge zoo'n

kind hebt.--Ik zou u raden, hem nu allereerst maar eens een ferme

schoonmaakbeurt te geven; hij ziet er uit, om met geen tang aan

te raken."

Vol majesteit verhief zij zich van haar zetel en begaf zich weer naar

haar koets, gevolgd door den trouwen Grauwbaard, die den sleep van

haar gewaad droeg.

Haar gastheer en gastvrouw bleven als verslagen in de feestzaal achter

en ook den overigen aanwezigen, die nu geen lust meer tot lachen

hadden, was het onbehagelijk te moede. Zij dropen zoo stil mogelijk,

één voor één, af en verlieten het huis, van welks vernedering zij

getuige waren geweest. 't Was te voorzien, dat zij niet zouden nalaten

straks aan de heele stad verslag van 't gebeurde te geven.

Nu, het kon ook waarlijk geen kleinigheid heeten, dat fee Goed-Hart,

wier bezoek ieder zich tot zoo'n hooge eer rekende, ontevreden van

hier vertrokken was, niettegenstaande men alles in 't werk gesteld had,

om haar een schitterende ontvangst te bereiden!

Deugniets vader zette zijn hoed op en liep wrevelig de deur uit,

met de woorden: "die bengel heeft ons voor allen tot schande gemaakt."

Zijn moeder schreide zonder iets te zeggen en streelde nog altijd

werktuigelijk de verwarde krullen van den kleinen rustverstoorder,

terwijl ze over de eigenaardige gave nadacht, die de fee hem tot

afscheid geschonken had.

Eindelijk stond zij op en nam Deugniet bij de hand.

"Kom, mijn kind," sprak ze, "we zullen doen wat de fee heeft gezegd."

Zij nam hem mee naar de slaapkamer en maakte aanstalten zijn gezicht

en zijn handen eens heerlijk met een groote, in helder, frisch water

gedoopte spons te wasschen.

Deugniet, die nog onder den invloed verkeerde van wat er zooeven

was voorgevallen, liet haar eerst zonder tegenstribbelen begaan,

maar zoo gauw voelde hij 't koude water niet in neus en ooren komen,

of hij werd weerspannig en ontsnapte onder luid geschreeuw naar

't andere eind van de kamer.

"Neen, neen," riep hij uit alle macht; "het water is veel te koud en

te nat. Ik wil niet natgemaakt worden!"

Zijn moeder had hem echter gauw weer opgevangen en ging, ondanks zijn

stampvoeten en gillen, weer met de groote spons over zijn gezicht.

De noodlottige gave der fee trad evenwel reeds in werking. Het water

gehoorzaamde aan Deugniets bevel; ten einde het natmaken van zijn

gezicht te vermijden, golfde het ter rechter- en ter linkerzijde de

waschkom uit en wist de spons zoo goed te ontwijken, dat zij er geen

druppeltje van in zich kon opnemen en telkens weer kurkdroog uit de

kom te voorschijn kwam.

Er was niets aan te doen. De kamer dreef van 't water, maar het

halfgewasschen gezicht van den kleinen jongen had er geen spatje van

mee gekregen, sedert hij zich zoo onvoorzichtig had uitgelaten.

Deugniets arme moeder sloeg haar doornatte japon uit en wierp zich,

den strijd met 't onwillige water moede, mistroostig op een stoel.

"Kom," zoo sprak zij na een poosje tot zichzelf, "laat ik hem tenminste

maar kammen, dan zal hij er toch niet meer zoo slordig uitzien."

Zij nam 't kind op haar schoot en begon zijn krullen met haar mooien,

gouden kam te bewerken. Weldra stiet deze echter op een der droge

takjes, waar zich eenige fijne haartjes om verwikkeld hadden. Hoe

voorzichtig de goede moeder ze ook uit de war probeerde te halen,

Deugniet schreeuwde huizenhoog en wilde zich niet geduldig laten

helpen.

"O, o, u doet me pijn!" riep hij uit; "ik wil niet meer gekamd worden!"

Dadelijk bogen de tanden van den kam zich naar achteren en weigerden

verder door de blonde krullen te gaan.

Deugniets moeder schrikte geducht. Gauw haalde ze een anderen kam,

maar deze deed helaas 't zelfde.

Het dienstpersoneel kwam op haar wanhoopskreten aanloopen; ieder van

hen bracht zijn eigen kapgerei mee, maar tevergeefs, geen enkele kam

werd bereid gevonden Deugniets krullen uit de war te halen. Eindelijk

kwam de roskam van 't paard er zelfs bij te pas. Helaas, nauwelijks

had ook deze 't blonde haar aangeraakt, of hij legde zijn ijzeren

tanden plat en ging over Deugniets hoofd, zonder een enkel haartje

van zijn plaats te brengen.

Deugniet zette groote oogen op en begon berouw te krijgen over

zijn ondoordachte woorden. Om je de waarheid te zeggen, was de

kleine bengel nogal ijdel en vond 't een allesbehalve plezierig

vooruitzicht, voortaan ongewasschen en ongekamd te moeten blijven

rondloopen. Hij begon dus uit alle macht te schreien, 't gewone

redmiddel van ondeugende, kleine jongens, die niet meer weten wat

zij zullen zeggen of doen.

"Moeder moet me wasschen en kammen," riep hij snikkend uit, maar

nu was het daarvoor te laat. Wèl had de fee hem ontslagen van alles

wat hij vervelend vond, maar dit sloot niet in, dat nu ook al zijn

wenschen ingewilligd zouden worden.

Om hem te troosten, wou zijn moeder hem zijn mooie, nieuwe pakje en

zijn schoenen met gespen aantrekken. Er was echter op dit oogenblik

geen land met hem te bezeilen. Buiten zichzelf van drift en boosheid,

gooide hij 't een, zoowel als 't ander, zoover mogelijk van zich af.

"Ik wil mijn mooie, nieuwe pakje niet hebben," riep hij uit, "en

'k wil ook mijn schoenen met gespen niet aandoen. Ik wil een spons,

waar 't water uitdruipt en een kam, die door mijn haar gaat."--

Maar daar er geen spons te vinden was, die nat wou worden, noch een

kam, die door zijn krullen wou gaan, begon hij, na een tijdje misbaar

te hebben gemaakt, toch terug te krabbelen en vroeg uit zichzelf om

zijn mooie pakje en zijn schoenen met gespen.

Weer wat nieuws! Het pakje en de schoenen hadden zijn woorden gehoord

en weigerden nu op hun beurt te komen, waar men niet op hen gesteld

was geweest. Het pakje vloog gewoon weg, toen hij 't wou grijpen;

hoe verder Deugniet de armen uitstrekte, des te hooger ging het en

eindelijk bleef het aan de zoldering hangen, vanwaar 't spotachtig

op hem scheen neer te zien. De schoenen deden al even mal op hun

manier. De eene werd plotseling zoo klein, dat zelfs een kat er zijn

pootje niet in zou hebben kunnen krijgen en de andere werd zoo groot,

dat Deugniet er wel twee voeten tegelijk in kon steken.

Zijn moeder stuurde eerst het personeel weg, dat verbluft over 't

geen hier vandaag te zien was, als vastgeworteld in de kamer was

blijven staan; zij vond het al te naar voor haar kleinen jongen zoo

aangegaapt te worden in zijn vernedering.

Toen zij alleen waren, trok zij hem aan haar borst.

"Wat zal er nog van ons moeten worden, kind," zoo riep zij uit,

"als je je niet vast wilt voornemen, in 't vervolg dadelijk en zonder

tegen te stribbelen te gehoorzamen! Dit heeft de goede fee je willen

leeren, door de rampzalige gave, die zij je bij haar vertrek heeft

geschonken. Mijn jongen, luister goed en onthoud het voor je leven:

_als men kinderen iets gelast, dient het tot hun bestwil; geen grooter

ongeluk zou hun kunnen overkomen, dan zelf de vrije beschikking over

't al of niet gehoorzamen te verkrijgen._

De fee heeft jou die vrije beschikking geschonken en nu bemerk je reeds

wat er de treurige gevolgen van zijn. Waak toch in 's Hemels naam over

jezelf, als je mij niet van verdriet wilt laten sterven, want ik voel,

dat 't mij onmogelijk zal zijn je ongelukkig te zien. En toch zal je

dit weldra worden, kind, ongelukkig, diep rampzalig, als je er mee

voortgaat jouw wil tegen dien van vader of moeder in te laten gaan."

Deugniet was zoo dom niet, of hij begreep heel goed hoe waar deze

woorden waren. Ook hield hij veel van zijn moeder--welk kind, hoe

ondeugend ook, zou _dit_ kunnen laten?--Haar diepe smart en teedere

liefde deden zijn steenen hartje eindelijk smelten. Hij sloeg zijn

armen om haar hals, drukte zijn vuil snoetje tegen haar reine, blanke

wangen en veegde zoo de twee groote tranen weg, die stil naar beneden

gleden. Zij alleen hadden de macht de betoovering te verbreken, die

in werking was getreden, na zijn verklaring, niet meer nat gemaakt

te willen worden.--

Zoo waren moeder en zoon dus weer verzoend. Samen gingen ze nu naar

de huiskamer, waar op een aardig tafeltje van gepolijst notenhout de

boeken en schriften van den kleinen jongen gereed lagen.

"Wees nu eens ijverig," sprak zijn moeder, terwijl zij hem op

't voorhoofd kuste, "en leer als een lieve jongen het lesje, dat

je vanavond voor vader moet opzeggen. Wanneer de goede fee hoort,

dat je je best hebt gedaan, wordt zij misschien zachter jegens je

gestemd en zal ze er mogelijk toe te bewegen zijn, die noodlottige

gave weer terug te nemen."

Als Deugniet het voor 't kiezen had gehad, zou hij den tuin in zijn

gevlogen. Nu hij echter pas, slag op slag, zulke harde lessen had

gehad, durfde hij niet tegen te spartelen en ging dus gehoorzaam aan

de tafel zitten. Met moed begon hij te leeren, maar ongelukkigerwijze

stiet hij al in den vierden regel op zoo'n moeielijk, lang woord,

dat de oude tegenzin plotseling weer de overhand kreeg. Dat lastige

woord bracht alles in de war. 't Was als een groote steen midden op

je pad, die je den doorgang verspert. Na vruchteloos getracht te

hebben er overheen te komen, gooide de ongeduldige, kleine jongen

't boek spijtig op den grond.

"Ik heb een hekel aan leeren; 'k wil van geen enkel boek meer iets

weten," riep hij driftig uit.

"Wat is dàt nu?" vroeg zijn moeder en zag hem aan met een blik,

die hem aanstonds tot zichzelf bracht. "Is dàt wat je mij zooeven

beloofd hebt?"

"Neen moeder," antwoordde hij beschaamd; "och, wees maar niet

boos!" Meteen raapte hij het boek op en wou weer aan zijn lesje

beginnen, maar, stel je voor, met geen mogelijkheid kon hij het open

krijgen. Zijn hevig ontstelde moeder spande eveneens al haar krachten

in----tevergeefs.

Nu riep zij den koetsier en den huisknecht, beiden sterke mannen; ze

hielden 't boek ieder aan een kant van den band vast en trokken er uit

alle macht aan. Verloren moeite! Het wist van wikken noch verwegen. De

smid kwam er zelfs met beitel en hamer en de schrijnwerker met zijn

verschillende werktuigen aan te pas. Zij braken er hun gereedschappen

op stuk, maar 't boek bleef dicht.

"Ik zal een ander nemen," zei Deugniet en stak zijn hand naar een

vertelselboek uit, dat hij heel mooi vond. Dit zat echter zoo stevig

aan de tafel vastgekleefd, dat er geen denken aan was het los te

krijgen. Een derde verdween, wanneer de kleine jongen 't wou grijpen

en verscheen zoo brutaal mogelijk weer, zoo gauw hij zijn hand had

teruggetrokken. Om kort te gaan, Deugniet had van geen enkel boek

meer iets willen weten,--nu wilden de boeken ook niets meer van

Deugniet weten.

"Och, ongelukkig kind, wat heb je gedaan!" riep zijn moeder onder

tranen uit. "Nu bestaan er voortaan geen boeken voor je. Hoe zal je

dan nog iets kunnen leeren? Je zult je levenlang dom moeten blijven!"

Haar tranen vloeiden zoo rijkelijk op het weerspannige boek, den

bewerker van al dit onheil, neer, dat 't geheel werd doorweekt en zich

zelfs onder den invloed van dezen veelvermogenden regen al begon te

openen. Maar nog bijtijds herinnerde het zich, wat 't aan zijn eer

verschuldigd was, schudde de tranen van zich af en sloot zich weer

met een knappend, droog geluid.

Deugniet vond 't wel jammer, dat 't boek, waar die mooie verhalen in

stonden, voortaan voor hem gesloten zou blijven--de andere boeken

konden hem minder schelen; hij was nog niet verstandig genoeg om

er 't nut van in te zien--maar weet je wat hem 't ergst van alles

hinderde?--Dat zijn moeder zoo bedroefd was!

Daardoor werd hij ook verdrietig en schreide met haar mee, terwijl

hij haar beloofde nooit meer ongehoorzaam te zullen zijn.

Ondertusschen was zijn vader thuisgekomen, 't Werd tijd voor 't

avondeten. Van 's middags af had hij met groote stappen buiten de

stad gewandeld, ieder bekend gezicht vermijdend, omdat hij niet over

't bezoek der fee, waarvan men natuurlijk reeds overal op de hoogte

zou zijn, aangesproken wou worden.

Hij was moe van de lange wandeling en ontstemd door de herinnering

aan het tooneel van dien middag. Geen wonder, dat hij den kwâjongen,

die dit op zijn geweten had, niet al te vriendelijk gezind was. Maar

toen hij hem zóó aan tafel zag verschijnen, ontredderd, slordig en

vuil als hij was met zijn gescheurde kleeren, verwarde krullen en

nog grootendeels met vla besmeerd gezicht, steeg zijn toorn ten top.

"Wat beteekent dat?" zoo wendde hij zich op barschen toon tot zijn

vrouw. "Zijn wij nog niet genoeg aan de kaak gesteld? Moeten we

nog dieper vernederd worden, dat je het klaarblijkelijk aan vreemde

menschen wilt overlaten dien kleinen schelm te komen wasschen?"

Deugniets moeder hoorde dit onverdiende verwijt geduldig aan. Zij

durfde hem niet te vertellen, hoe de vork in den steel zat, bevreesd

als zij was, dat zijn toorn zich dan op 't kind zou ontladen. Hoe graag

wilde zij zelf onrecht lijden, wanneer zij er den kleinen jongen maar

straf door zou kunnen besparen!

En hieraan had zij nog eens weer ongelijk, want nu kwam 't kind,

dat haar onrechtvaardig bejegend zag, in opstand tegen zijn goeden

vader, wiens ontevredenheid immers onder deze omstandigheden zoo

vanzelfsprekend was. Hoe toch kon hij zuiver oordeelen, zoo lang

hem de ware toedracht der zaak niet opgehelderd was?--Had Deugniet

maar bedacht, dat zijn eigen stoutheid de oorzaak van alles was en

hij zijn liefde voor zijn moeder niet beter zou kunnen bewijzen, dan

door eerlijk op te biechten, hoe alles zich had toegedragen! Nu deze

opstandige geest echter eenmaal, met een schijn van recht, in hem was

gevaren, verzette hij zich uit alle macht tegen zijn vader, zoodat hij,

brutaal-kortaf, 't bord soep afwees, dat deze voor hem had opgeschept.

"Neen," riep Deugniet, "'k wil geen soep."

Je moet weten, dat hij juist niet veel van deze soep hield; des te

gemakkelijker kon hij er dus voor bedanken.

Nauwelijks had hij echter weer dat noodlottige "'k wil niet" gezegd,

of de soep vloog van 't bord en viel met zoo'n plons in de terrine

terug, dat ieder vol spatten kwam.

't Vest van Deugniets vader werd 't ergst bespat. Deze dacht, dat

de jongen hem de soep in 't gezicht had willen gooien--van zoo'n

stout kind kon men immers alles verwachten--en stond driftig op,

om hem een flinke kastijding te geven.

Zijn vrouw hield hem echter nog bijtijds tegen.

"Straf hem niet!" riep zij uit. "'t Arme ventje kan het niet

helpen. Hij is er toch al ongelukkig genoeg aan toe. Nu zal hij ook

nooit meer soep kunnen eten!"

Door dit voorval kwam de geheele waarheid aan 't licht; zij kon nu

niet langer voor Deugniets vader verborgen blijven.

Je kunt begrijpen, dat dit hem niet kalmer stemde.

"'t Is wat moois," zei hij, "wat moeten we nu met dien bengel

beginnen? Ik wil zoo'n vuilpoes niet langer onder mijn oogen hebben,

dat is zeker. De aschman moet hem maar meenemen, of, als die niet

van hem gediend is, kan hij als scheepsjongen gaan varen. Aan boord

weten ze met zulke schelmen wel raad. Morgen zal ik er dadelijk werk

van maken. Nu moet hij naar bed; als hij slaapt, kan hij tenminste

geen streken uithalen."

Deugniets moeder nam den jongen al bij de hand, om hem, uit vrees

voor een nieuwe ramp, zelf naar boven te brengen, maar dáár wou haar

man niets van hooren.

"Volstrekt niet," zei hij, "dat zou maar verwennen wezen. Op zoo'n

manier zou hij zich nog gaan verbeelden een arm, beklagenswaardig

slachtoffer te zijn. Jij blijft hier; Marianne moet hem naar bed

brengen."

Marianne was een stevige boerendeerne met een gezond, blozend

uiterlijk. Zij had al heel wat trappen en schoppen van Deugniet gehad,

maar wist hem toch nog altijd de baas te blijven. Ook nu pakte zij

hem met haar sterke armen eenvoudig op en droeg hem weg, alsof hij

een veertje was.

Zoo gauw Deugniets moeder met haar man alleen was, deed zij al wat

in haar vermogen stond om hem, ten opzichte van zijn plannen met

den kleinen jongen, te vermurwen. Eindelijk slaagde zij er in hem

er af te brengen. 't Kind behoefde dan voorloopig nog niet naar 't

schip. Maar--'t was de laatste keer, dat hij genade voor recht liet

gelden, zoo sprak Deugniets vader met nadruk. Wanneer er weer iets

met den bengel voorviel, zou hij onverbiddelijk zijn.

Onderwijl verliep de tijd. Een half uur was voorbij gegaan, sedert

Marianne den jongen had meegenomen--een uur zelfs was 't nu reeds

geleden, en nòg kwam zij niet terug!

De arme moeder kon 't van ongerustheid niet langer uithouden. Zij liep

naar boven, naar de kamer van den kleinen jongen. Ik geef je te raden,

wat voor schouwspel zij daar zag!

De dikke Marianne had zich aan 't ledikant vastgeklemd en probeerde

nu tevergeefs het tegen te houden, terwijl het haar, onder 't maken

van allerlei bokkesprongen, door de heele kamer meetrok.

Natuurlijk had Deugniet dit weer op zijn geweten!

Hij was zoo boos geweest, omdat hij zonder avondeten naar boven

was gezonden--'s middags had hij ook al niets gehad, zooals je je

zult herinneren--dat hij eerst ook niet naar bed had willen gaan,

en----nu hield het bed hem aan zijn woord.

Al wou hij nù ook nog zoo graag gaan slapen, hij kwam er niet in,

hoor, geen denken aan! Zoo gauw hij maar naar het ledikant toeliep,

begon het te steigeren als een vurig paard. De matrassen golfden

op en neer als de baren van een onstuimige zee en de dekens dansten

dwarrelend door elkaar, waarbij ze den kleinen, ongehoorzamen bengel

telkens lustig om de ooren sloegen.

Er was klaarblijkelijk niets aan te doen--hij zou den nacht op een

stoel moeten doorbrengen.

Deze opeenhooping van ongelukken werd Deugniet te veel. Als hagel

waren de tegenspoeden sedert vanochtend op hem neergekomen.

Hij verviel in een van zijn hevige driftbuien en rolde, woest om zich

heen slaande, over den grond.

Zijn moeder, die erg veel medelijden met hem had, stak haar armen naar

hem uit. "Kom hier, kind," sprak ze met haar zachte, vriendelijke stem,

"dan zal ik je dicht tegen mij aandrukken en in mijn japon wikkelen,

om je vannacht warm te houden."

Maar Deugniet wilde niet naar haar luisteren. Hij was buiten zichzelf

van drift en stiet zeker wel meer dan twintigmaal de beschermende

armen terug, die naar hem werden uitgestrekt.

Eindelijk kwam hij wat tot bedaren. Doodmoe van al zijn schreien en

misbaar-maken, voelde hij nù groote behoefte aan rust. Zijn moeder

hield nog altijd haar armen open en zag hem met een weemoedigen

glimlach aan. Wat was er natuurlijker, dan dat Deugniet nu, in zijn

kalmere stemming, niet langer aan haar stille uitnoodiging weerstand

bood. Hij maakte reeds aanstalten om naar haar toe te vliegen, maar

werd door een onzichtbare hand teruggehouden, zoodat het hem onmogelijk

was ook maar één stap in de richting van zijn moeder te doen.

Dit was de genadeslag! Zijn laatste ongehoorzaamheid beroofde hem

voor altijd van 't voorrecht zijn moeder te omhelzen.

Moeder en kind brachten den nacht op zes voet afstands van elkaar door,

en waren onmachtig dichter tot elkaar te naderen.

Hoe droevig keken zij elkaar aan!

Deugniet deed zich de bitterste verwijten en was zóó terneergeslagen,

als hij nooit eerder na een ondeugende bui was geweest. Geen wonder;

de toestand was nu ook veel en veel ernstiger: voor altijd uit moeders

armen buitengesloten te zijn, is dat niet het vreeselijkste, wat een

kind overkomen kan?

Maar wie zal de wanhoop van zijn moeder beschrijven?

Zij schreide niet en sprak geen woord--ze kon enkel het uit haar

armen verbannen kind met een verwilderden, ontzetten blik aanstaren,

vreezend, dat haar verstand deze groote smart niet zou kunnen

verwerken.

II.

Toen de morgen eindelijk was aangebroken, stond zij op en zei met

vermoeide, treurige stem: "kom kind, wij zullen fee Goed-Hart gaan

opzoeken; ik zal je voorspraak bij haar zijn."

Onwillekeurig stak zij den arm uit, om hem bij de hand te nemen,

doch deze werd door iets onzichtbaars teruggeduwd; zoo verliet zij

dus het huis, op eenigen afstand gevolgd door den kleinen jongen,

die niet meer het recht had naast zijn moeder te loopen.

Fee Goed-Hart woonde op een mijl afstands van de stad in een groot,

door een prachtig park omgeven kasteel. Ieder had vrijen toegang tot

haar. Slechts een gewone, op manshoogte afgeschoren heg scheidde het

park van den weg en het hek was enkel met een klink gesloten. Moeder

en zoon ondervonden dus niet de minste verhindering op hun tocht naar

't kasteel.

Weldra stonden zij aan den voet van het bordes, waar Grauwbaard een

luchtje schepte. Het was vroeg in den ochtend. De oude fee was nog

niet bij de hand. Zij hield er van 's morgens haar gemak te nemen,

een zwakje, dat de goede dame zich te eerder veroorloofde, daar

niemand er immers schade door had.

Zoo gauw vernam zij echter niet, dat er iemand was om haar te spreken,

of zij stond schielijk op en was in een oogwenk klaar, om de smeekbede

der bedroefde moeder aan te hooren.

"Och mevrouw," sprak deze, haast zonder zich den tijd te gunnen haar

te begroeten, "och mevrouw, red ons, erbarm u over ons en neem de

vreeselijke gave toch terug, die ge mijn kind gisteren geschonken

hebt."

"Ik zie 't al," zei de fee, met een zijdelingschen blik op Deugniets

ontredderd voorkomen, "hier hebben we een kleinen jongen, die zich niet

heeft willen laten opknappen. Nu, hij heeft zijn straf al beet. Des

te erger voor hem. Wat ik gezegd heb, blijft gezegd."

"Och," hernam Deugniets moeder, "och mevrouw, is er dan geen enkel

middel om hem van dezen ban te ontheffen?"

"Er is er wel een, maar dat is hard. Iemand zal zich voor hem moeten

opofferen, door gewillig en uit eigen beweging, de straf, voor wat

hij misdreven heeft, op zich te nemen."

"O, is 't anders niet? Dàt is een kleinigheid. Ik ben er dadelijk toe

bereid, mevrouw. Wat moet er met mij gebeuren, opdat hij gewasschen zal

kunnen worden en weer een lief, schoon gezichtje zal kunnen krijgen?"

"Om zijn gezichtje weer schoon en lief te maken, heb ik uw mooie

gelaatskleur noodig."

"Neem mijn gelaatskleur, mevrouw, neem haar gerust! Wat zal ik met

schoonheid doen, als mijn dierbaar kind altijd vuil en onooglijk zal

moeten blijven!"

Nog had zij niet uitgesproken, toen Grauwbaard naar voren kwam. In

de eene hand hield hij een schaal van bergkristal en in de andere

een Levantijnsche spons, die zoo zacht was als het fijnste batist.

Met één handbeweging had de fee Deugniet gereinigd. Glimlachend

keek hij nu in den spiegel, dien Grauwbaard hem voorhield. Hij vond

't zoo prettig er weer frisch en blozend uit te zien.

Doch de lach bestierf hem op de lippen, toen hij zijn moeder wilde

aanzien, om haar op zijn beurt toe te lachen.

Haar schoone koonen waren eensklaps verwelkt en haar eertijds zoo

blanke, zachte huid was nu taankleurig en gerimpeld, als die van een

stokoude vrouw.

Zijzelf scheen er echter geen verdriet van te hebben; integendeel,

haar oogen straalden van blijdschap, terwijl zij naar haar kleinen

jongen keek, die er nu weer zoo frisch en aardig uitzag.

"Wat hebt ge van 't mijne noodig," zoo vervolgde zij, "opdat zijn

mooie krullen gekamd en netjes in orde gebracht zullen kunnen worden?"

"Om zijn krullebol netjes in orde te kunnen brengen, heb ik uw zware

haartressen noodig."

"Neem ze mevrouw, o, neem ze gerust. Wat zal ik met een mooi kapsel

doen, als mijn lief kind altijd met wanordelijk haar zal moeten

blijven rondloopen."

Nu kwam Grauwbaard met een diamanten kam aanzetten, waarmee de fee

Deugniets krullen in een oogwenk uit de war had gehaald, 't Kind liet

zich helpen, zonder zijn moeder te durven aanzien. Toen hij evenwel

klaar was en zich vermande de oogen naar haar op te heffen, kromp

zijn hartje ineen. Haar mooie, gitzwarte vlechten waren verdwenen en

een paar grijze pieken, die haar wanordelijk om 't hoofd fladderden,

hadden hun plaats ingenomen. Maar zij bemerkte 't niet eens.

"Wat kan ik u geven, opdat hij weer mooie kleeren zal kunnen

dragen?" vroeg zij.

"Om hem mooie kleeren te kunnen geven, heb ik de uwe noodig."

"O mevrouw, neem ze, neem ze gerust! Wat behoef ik nog fraaie kleeren

te hebben, als mijn dierbaar kind er altijd slordig zal moeten

blijven uitzien!"

Oogenblikkelijk bracht Grauwbaard de fee een met goud geborduurd,

miniatuur heerenrokje van fijn laken, een wit zijden broekje,

een fluweelen, met zilver afgezette muts en schoenen, die rijk met

edelgesteenten waren versierd. In twee tellen hadden die prachtige

kleeren Deugniets verkreukeld en gescheurd huispakje vervangen. Nog

nooit was de kleine jongen zoo mooi geweest.

Hij kon een kreet van blijdschap niet weerhouden. Helaas veranderde

deze heel spoedig in een kreet van smart, toen hij bemerkte, dat zijn

moeder in lompen gehuld was, als een bedelares.

Zij had evenwel voor niets anders oog, dan voor 't rijke kostuum van

haar zoon en lachte hem toe, waarbij haar witte tanden, 't eenige

overblijfsel van haar vroegere schoonheid, als parels blonken.

"Wat vraagt ge van mij," zoo sprak zij nu tot de fee, "opdat hij

voortaan weer soep zal kunnen eten? De dokter heeft verklaard, dat

zijn gezondheid er van afhangt."

"Opdat hij soep zal kunnen eten, heb ik uw tanden noodig."

"Neem mijn tanden, ik sta ze graag af, mevrouw. Wat zal ik nog met

tanden doen, als mijn dierbaar kind niet het voedsel zal kunnen

gebruiken, dat goed voor hem is!"

Zij had nog niet uitgesproken, toen Grauwbaard reeds met een blad

van koralijn kwam aandragen, waar een sierlijke schaal van Japansch

porselein op stond. Deze schaal, waarin de meest smakelijke soep

geurde, die ooit onder den neus van een kleinen jongen gedampt heeft,

bood hij Deugniet aan.

't Kind, dat in vier-en-twintig uur niets gegeten had, liet zich den

lepel niet tweemaal in de hand geven. Zijn verrukking was echter van

korten duur. Bij elken lepelvol, dien hij nam, hoorde men een tand

op den grond vallen. Niettegenstaande zijn ergen honger zou hij wel

dadelijk met eten hebben willen ophouden, maar hiervan wilde zijn

moeder, die er van genoot, dat haar kleine jongen, na alles wat hij

had doorgemaakt, zulk verkwikkend voedsel kreeg, volstrekt niets weten.

Wat haarzelf betrof, zij hield 't dapper vol tot aan haar laatsten

tand.

"En hiermee is 't toch, hoop ik, uit?" vroeg de fee. "Meer hebt ge

toch zeker niet te vragen?"

"Niet meer?----O, mevrouw----!"

"Maar ongelukkige vrouw, welke opofferingen wilt ge u dan nog meer

voor dat ondeugende kind getroosten?"

"Het zijn geen opofferingen. Het maakt mij innig gelukkig hem

aan 't treurige lot, waarin hij zich verwikkeld had, te kunnen

ontrukken. Laat eens zien----Wat zult ge van mij moeten hebben,

opdat hij in 't vervolg weer in een bed zal kunnen slapen?"

"Opdat hij in een bed zal kunnen slapen, moet gij afstand doen van

het uwe."

"O, mevrouw, neem mijn bed toch! Waartoe zal ik een bed hebben,

als mijn dierbaar kind zijn nachten op den harden grond zal moeten

doorbrengen?"

"Is er nog iets, dat ge mij wilt vragen?"

"Ja mevrouw. Wat moet ik doen, opdat zijn boeken niet langer voor

hem gesloten zullen blijven en hij er uit zal kunnen leeren?"

"Opdat zijn boeken niet langer voor hem gesloten zullen blijven,

moet gijzelf alles geven wat gij weet."

"Ontneem mij gerust 't geen ik weet, mevrouw! Wat toch zal ik er mee

doen, als mijn dierbaar kind dom zal moeten blijven?"

"Laat dit nu tenminste uw laatste verzoek zijn geweest!"

"O, mevrouw, sta mij in 's Hemels naam nog één vraag toe! Dezen keer is

't een bede voor mijzelf.-- Wat wilt gij van mij hebben, opdat ik weer

't geluk zal mogen smaken, hem in mijn armen te drukken?"

"Opdat gij 't geluk zult mogen smaken hem in uw armen te drukken,

moet gij afstand doen van al uw andere geluk."

"Neem al 't andere, dat mij gelukkig maakt, mevrouw! Welk geluk kan er

nog voor mij bestaan, als ik mijn lief kind niet zal kunnen omhelzen?"

Op een wenk van de fee wierp de kleine jongen zich nu, bevend, in de

armen zijner moeder. Hij huiverde, ondanks zichzelf, toen hij met haar

schamel kleed en geel, rimpelig vel in aanraking kwam en had moeite

niet terug te deinzen voor de kussen van haar tandeloozen mond. Maar

zóóvele bewijzen van liefde waren niet verloren geweest. Juist dit

alles wat zijn afkeer opwekte, vervulde hem terzelfder tijd met

onuitsprekelijke dankbaarheid en groote bewondering voor de goede

moeder, die zich zóó voor hem had opgeofferd. En toch besefte hij er

nog niet eens ten volle den omvang van.--

Wat haarzelf betrof, zij gaf zich geheel over aan 't haar

teruggeschonken geluk den kleinen jongen in haar armen te hebben en

drukte hem onstuimig aan haar hart, terwijl zij niet moede werd het

uit te roepen, hoe goed hij er nu weer uitzag.

Zoo geheel ging zij op in wat hij herwonnen had, dat ze er volkomen

door vergat, wat zij er allemaal voor had moeten verliezen.

Eindelijk namen zij afscheid. De gelukkige moeder wist maar niet hoe

zij de fee, die ze haar weldoenster noemde, genoeg zou kunnen bedanken.

Grauwbaard, die niet voor niet in dienst bij fee Goed-Hart was,

schreide van ontroering.

De fee zelf was ook zeer getroffen. Zij kon zich niet langer inhouden

en liep naar haar toe, op 't oogenblik dat zij de laatste trede van

't bordes afdaalde, om haar op 't voorhoofd te kussen.

"Schep moed, edele vrouw, en reken op mij,"--zoo sprak zij.

Moed?--De verheugde moeder achtte zich te gelukkig om dien nog

noodig te hebben. Met lichten tred liep zij voort. Eindelijk kon

zij haar schat immers weer welverzadigd, gereinigd, ja, zelfs als

een prinsje gekleed, bij de hand houden----naar hartelust kon zij

hem liefkoozen----wat bekommerde zij zich dan over 't overige? Met

innige blijdschap dacht zij er aan, dat hij vanavond weer in zijn

lekker bedje zou kunnen slapen en genoot al bij voorbaat, wanneer zij

zich voorstelde, hoe knap en beroemd hij mettertijd zou worden. Zij

zag 't mooie boek, dat hij schrijven zou, als 't ware al voor zich

en verlustigde zich in allerlei droomen, waarin hij, als beroemde

schrijver of geleerde, de hoofdrol speelde.----De eerste firma van

't land had zijn boek op extra zwaar papier gedrukt--'t sprak vanzelf,

dat zijn naam met groote letters op den band prijkte.--Zóó lag 't bij

alle boekhandelaren voor de ramen en trok ieders aandacht. De koning

liet hem zelfs bij zich ontbieden, om hem er mee geluk te wenschen en

de heeren van de Academie der Letterkunde beijverden zich hun kaartjes

bij den beroemden schrijver af te geven, als bewijs, hoezeer zij 't

op prijs zouden stellen, hem als lid in hun kring op te nemen.----Zóó

droomde de arme moeder, die, helaas, zelf niets meer wist.

Dit werd zij gewaar, zoo gauw zij buiten 't park der fee waren

gekomen. Zij was den weg vergeten, ja, herinnerde zich zelfs niet meer

welken kant de stad uit lag----nog sterker, zij had de herinnering

aan haar huis totaal verloren.

Deugniet besefte nu, beter dan zooeven, hoe groot 't offer was, dat

haar liefde hem had gebracht. Tevergeefs trachtte hij haar tot geleider

te strekken. Hij wist zelf den weg niet. Toen zij hierheen kwamen,

had hij er, als naar gewoonte, volstrekt geen acht op geslagen. Als

een onnadenkend, zorgeloos kind, dat gewend is in alles op anderen

te steunen, was hij meegeloopen.----

Zoo dwaalden zij nu den heelen dag buiten rond, zonder kans te zien

de stad weer te bereiken.

Hoe meer de zon daalde, des te angstiger werd de kleine jongen; zijn

moeder voelde echter niets anders dan geluk over de bevrijding van

haar kind uit al zijn ellende.

Tegen den avond werden zij eindelijk, nog ronddolend, door de bedienden

van het huis aangetroffen, die door Deugniets doodelijk ongerusten

vader waren uitgezonden, om zijn op zoo raadselachtige wijze verdwenen

vrouw en kind te zoeken.

Eerst herkenden zij hen echter niet, zóó waren ze allebei

veranderd. Misschien zouden ze 't tweetal niet eens hebben opgemerkt,

als Deugniet, die naar alle kanten uitkeek, den koetsier niet in

't oog gekregen en hem bij zijn naam geroepen had. Op zijn zeggen

wie hij was, betoonde de man zich heel verheugd hem terug te zien,

maar vroeg tevens, op een toon van verbazing, wie dan toch wel de

oude bedelares was, die hem zoo ver van huis had meegetroond.

"Wel, 't is moeder!" riep hij uit.

De koetsier en ook de andere bedienden begonnen ongeloovig te lachen,

maar de politie-agent, die de leiding van de expeditie had, gaf het

kind een ernstige berisping over zijn ongepaste aardigheid. Hoe kon hij

zulken zottepraat uitslaan, sprak de man; was 't al niet erg genoeg,

dat hij zoo maar met een wildvreemde vrouw van 't minste allooi was

weggeloopen? Moest hij haar nu ook nog voor zijn moeder uitgeven? Hoe

kon hij zóó den naam der brave, edele vrouw, die werkelijk zijn moeder

was, door het slijk sleuren.--

--Ieders toorn en verontwaardiging keerde zich nu tot de vreemde

bedelares, die den kleinen jongen zeker had willen ontvoeren. Er

was zelfs sprake van haar als kinderdievegge naar de gevangenis te

zullen brengen.

Zij wist niets tot haar verdediging te zeggen, daar zij immers alles,

wat haarzelf betrof, vergeten was. Ze vergenoegde zich er mee, 't kind

in haar armen te drukken onder herhaalde betuigingen, dat hij haar

zoon was, haar dierbaar kind, dat zij aan zijn ongeluk ontrukt had en

dat door niets ter wereld meer van haar zou kunnen worden gescheiden.

't Was een geluk, dat men haar ten slotte voor iemand met gekrenkte

geestvermogens begon te houden. Dit stemde allen zachter jegens haar

en zoo werd 't nu ook oogluikend toegelaten, dat zij Deugniet, die

naar zijn vader terug werd gebracht, bleef vergezellen.

Het was bijna nacht, toen zij in de stad kwamen.

Marianne stond in de deur.

"Zoo, ben je daar weer," riep zij uit, toen ze den kleinen jongen

gewaar werd. "Waar heb je toch gezeten, Deugniet? Je vader is

zóó ongerust. Juist is hij weer weggereden om de omstreken van den

grooten vijver af te zoeken; 't is al het derde paard, dat hij sedert

vanochtend berijdt. Als 't niet om je lieve moeder was geweest, van

wie we allen zooveel houden, zou ik hem misschien wel geraden hebben

nu maar rustig thuis te blijven en den Hemel te danken, dat hij van

je af was.----Maar vertel me eerst eens gauw, waar je je moeder toch

wel gelaten hebt!"

"Moeder is hier," riep Deugniet, geheel van streek, uit, ontsteld

als hij was over den keer, dien de zaken nu schenen te nemen. "Hier

is zij; ik ben aldoor bij haar gebleven."

"Foei, kind, houd dadelijk op met die flauwe grappen! Schaam je je

niet, je moeder, op een oogenblik als dit, nu we allen buiten onszelf

van ongerustheid over haar zijn, nog zoo te bespotten?----Ga maar

gauw naar bed. Je zult wel aan rust toe zijn."

Toen Deugniets goede moeder over zijn bed hoorde spreken, herinnerde

zij zich weer, wat zij met de fee overeengekomen was, en maakte

een eind aan de woordenwisseling, door tot haar zoon te zeggen:

"ja, ga naar bed, mijn jongen; je weet, dat de fee je dat nu heeft

toegestaan. Je zult zoo moe wezen! Slaap zacht. Ik zal hier op je

blijven wachten."

Hij wilde er wat tegen inbrengen, maar waarschuwend hief zij den

vinger op en sprak met haar mooie, klankvol en welluidend gebleven

stem niets anders dan dit ééne woord: "gehoorzaam!"

Bij 't vernemen van dit ernstige: "gehoorzaam!" doken tal van

schrikwekkende herinneringen voor hem op. Gedwee boog hij 't hoofd

en ging met Marianne mee, die hem wel wat hardhandiger aanpakte,

dan noodig was.

Toen Deugniet behagelijk warm in zijn lekker bedje lag, moest

hij voortdurend aan zijn moeder denken, die buiten op hem wachtte

en die om zijnentwil zóó droevig veranderd was, dat niemand haar

herkende. Hoe vreeselijk boette zijn lieve moeder toch voor alles,

wat hij misdreven had. Met een beklemd hart lag hij te luisteren

naar het gekletter van den regen en het gehuil van den storm, die

vannacht met buitengewone heftigheid opstak. In het rammelen der

ramen, het gieren van den wind en het klepperen van luiken en deuren,

meende hij tallooze, verwijtende stemmen te hooren, die hem toeriepen,

dat hij een slechte zoon voor zoo'n lieve moeder was.

Sprookjes van Jean Macé · 第 1 / 5 段