Niemand lette op hem, ieder meende, een gast van het hotel voor zich te

hebben.

Mr. Sullivan hield zich niet lang in zijn kamers op, maar verliet ze

spoedig weer om een wandeling langs het strand te maken.

Raffles zag, hoe hij den portier de sleutels van zijn kamers gaf, welke

deze op de hiervoor bestemde plaats hing.

Een half uur later werd de dagportier door den nachtportier afgelost.

Hierop had Raffles gewacht.

Nauwelijks was de eerste heengegaan, of Raffles naderde met

onverschillig uiterlijk den nachtbeambte en sprak:

„106 en 107!”

Zonder aarzelen overhandigde de portier het gevraagde en Raffles begaf

zich naar de kamers van mr. Sullivan.

Slechts eenige oogenblikken hield hij zich daar op.

Op het nachttafeltje vond hij den sleutelbos in een leeren taschje.

Haastig zocht hij den sleutel van de strong-room.

Door den eigenaardigen vorm, welken deze had, herkende hij hem dadelijk

en na hem van den ring te hebben gehaakt, stak hij hem bij zich.

Al het andere liet Raffles onaangeroerd.

Slechts eenige minuten duurde zijn oponthoud.

Weer begaf hij zich naar den nachtportier, gaf dezen de sleutels terug

en verliet het hotel.

Op korten afstand van het gebouw passeerde hij mr. Sullivan.

Raffles herademde, toen hij bedacht, dat het weinig had gescheeld, of

hij was door den diamantkoning op heeterdaad betrapt.

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN ZELDZAME DIEFSTAL.

Aan het station wachtte Charly Brand op hem en beiden stegen in den

trein, die even over zevenen naar Londen terugkeerde.

De secretaris vermoedde niet, met welk doel de reis naar Brighton was

ondernomen geworden.

Hij had den indruk gekregen, alsof Raffles den laatsten tijd in

volslagen zenuwachtigheid handelde.

Hoe verbaasd was hij echter, toen zijn vriend bij aankomst in

Londen—het was tegen elf uur ’s avonds—niet direct naar huis reed, maar

een restaurant ging bezoeken.

Stilzwijgend gebruikte Raffles hier met Charly Brand een laat souper,

betaalde en liep naast zijn secretaris door de nachtelijke straten.

Na een wandeling van een uur, het was één uur na middernacht, bleef hij

voor het huis van mr. Sullivan staan.

„Wat wil je hier?” fluisterde Charly Brand, toen Raffles een raam van

de benedenverdieping openmaakte en Charly Brand beduidde, hem te

volgen.

„In dit huis bevindt zich de strong-room,” was het eenige antwoord, dat

hij kreeg.

„Je hebt echter geen hand werktuigen bij je.”

„Zeer zeker,” lachte Raffles, „ik heb alles bij me, wat ik noodig heb.

Doch spreek niet meer, wat ik je verzoeken mag. Volg me en bewaar het

stilzwijgen.”

Voorzichtig, ieder geruisch zorgvuldig vermijdend, sloop het tweetal

over de trappen naar de werkkamer van mr. Sullivan.

Zeer gemakkelijk opende Raffles de deur, die toegang gaf tot het

vertrek; hij begaf zich naar den muur tegenover de boekenkast, drukte

op het geheime knopje dat zich naast de massieve kast bevond, en

onmiddellijk draaide de muur, door het electrisch contact, dat nu werd

gemaakt, open.

De lange gang lag voor hen en ze ademden de ijskoude lucht in, die hier

hing. Zij volgden de gang, die langzaam naar beneden liep, en na eenige

minuten bevonden Raffles en Charly Brand zich in het geheimzinnig

onderaardsch verblijf.

Raffles drukte op den hevel, die aan een der muren was aangebracht, het

water vloeide uit het bassin en de schatkamer vertoonde zich aan hunne

blikken.

Nu kwam echter het moeilijkste.

De groote onbekende moest, om veilig verder te kunnen werken, de

geleidingen doorsnijden, die de strong-room als een spinnewiel omgaven,

en die, zoodra het slot geopend zou worden, door electrische bellen de

politie zouden waarschuwen.

Zooals het meermalen gaat bij het uitvoeren van groote werken: bij de

constructie van dezen veiligheidsmaatregel was de technische kennis der

makers niet geheel toereikend geweest.

Het was onmogelijk geweest om de draden door de granietplaten en

gepantserde muren onzichtbaar aan te leggen.

Spoedig had Raffles de geleidingen ontdekt en met een scherp mes sneed

hij de draden door.

Nu was elk gevaar voor hem uit den weg geruimd.

Hij lachte hartelijk, toen hij het slot opende, dat op zijn eigen

voorstel op den naam Raffles was gesteld.

Charly Brand was sprakeloos van verbazing, toen hij dit alles zag

gebeuren.

Het geheele geval kwam hem voor als een droom of als een episode uit

een der sprookjes van „Duizend en één nacht”.

Raffles kwam hem niet meer voor als een mensch, maar als een machtig

toovenaar, begaafd met geheimzinnige krachten.

Een kreet van bewondering ontsnapte aan Charly’s lippen.

Voor hem lag in het licht van verscheiden electrische lampen, de

beroemde schatkamer van den diamantkoning.

In duizenden kleuren fonkelden en schitterden de kostbaarste steenen

der wereld in hun glazen vitrines. Het was een oogverblindend

schouwspel.

Raffles echter verwaardigde deze kostbaarheden nauwelijks met een blik.

Hij opende een grooten zak, die op een bank stond, en waarin zich ruwe,

ongeslepen kleine diamanten bevonden.

Nadat hij een breeden gordel te voorschijn had gehaald, die eene massa

kleine zakjes bevatte en dien hij zorgvuldig onder zijn kleeren

verborgen had gehouden, begon hij al die zakjes met ruwe diamanten te

vullen.

„Wonderlijk”, mompelde Charly, „de heele pracht laat hem onverschillig,

en alleen van de ongeslepen steenen steekt hij handenvol in den zak.”

(Zie het titelblad.)

Nadat hij den gordel met de kleine leelijke steenen had gevuld, sloot

hij den zak weer en verliet, tot de allergrootste verbazing van Charly

Brand, het vertrek.

„Is dat alles, wat je de moeite waard vindt om mee te nemen,” vroeg de

secretaris vol verbazing aan zijn vriend.

Raffles lachte hartelijk.

„Ja, mijn beste Charly, de geslepen steenen hebben niet de minste

waarde voor mij. Als gij er een mee wilt nemen, ga je gang, er zijn er

genoeg.”

Charly Brand kon geen weerstand bieden aan de verleiding.

Hij koos een kostbaren edelsteen uit, stak hem in zijn borstzak en

volgde Raffles, die hem reeds vol ongeduld bij den uitgang wachtte.

Hier overhandigde zijn vriend hem den tamelijk zwaren gordel met de

ruwe diamanten en sprak:

„Ga nu weer naar boven, ik zal de strong-room sluiten.”

Na eenige minuten was de granietmuur weer naar boven gekomen en vulde

het water het bassin.

Geruischloos voortloopend, verlieten de vrienden het huis langs

denzelfden weg, dien ze waren gekomen.

Charly Brand ademde verlicht op, toen zij eindelijk in een huurrijtuig

zaten en naar huis terugkeerden.

De handelwijze van Raffles kwam hem totaal onbegrijpelijk voor.

„Ik begrijp niet, waarvoor jij je de moeite hebt gegeven om in de

strong-room van den diamanthandelaar binnen te dringen, terwijl je je

tevreden stelt met dat waardelooze goedje.”

„Ik heb je al meer dan eens gezegd,” antwoordde Raffles lachend, „dat

het heel goed is, dat je niet alles begrijpt. Wanneer je altijd zou

weten, welk voornemen ik had, dan zou je ongetwijfeld zoo zenuwachtig

zijn, dat je mij niet tot steun was en ik je voor niets zou kunnen

gebruiken.

„Stel gerust vertrouwen in mij en verlaat je op mij.”

Nog denzelfden nacht reed Raffles naar Brighton terug en kwam daar

tegen den morgen aan, juist op het oogenblik dat mr. Sullivan was

opgestaan.

John Raffles had zich weer vermomd achter het masker van Lord

Melbourne.

Hij wachtte in de gang voor de kamer van Mr. Sullivan, daar de kellner

hem had meegedeeld, dat Mr. Sullivan juist bezig was, een bad te nemen.

„Dat is geen bezwaar,” sprak Raffles, „ik ben een goede kennis van

mijnheer, laat mij gerust naar binnengaan.”

De kellner durfde den voornamen vreemdeling niet tegen te spreken en

opende de deur, die toegang gaf tot Mr. Sullivans vertrek.

Koelbloedig stapte Raffles uit het salon, waarin de kellner hem had

gebracht, in het aangrenzende slaapvertrek, vanwaar een kleine deur

toegang verleende tot de daarnaast gelegen badkamer.

Raffles vernam duidelijk het proesten en plassen van den badenden Mr.

Sullivan. Deze kon niet hooren, hoe Raffles den van hem weggenomen

sleutel weer in de leeren tasch borg.

Nadat dit werkje was verricht ging de groote onbekende kalm naar het

salon terug en wachtte tot Mr. Sullivan zou verschijnen.

De diamantkoning stond versteld, toen hij den vermeenden Lord Melbourne

in zijn salon aantrof.

„Ik ben hedenmorgen vroeg in Brighton aangekomen,” zeide Raffles, „en

zou zeer graag eenige dagen in uw gezelschap willen doorbrengen.

„Maar daarjuist ontvang ik een telegram, waardoor ik naar Londen word

teruggeroepen. In elk geval zou ik er prijs op stellen, met u te mogen

ontbijten.”

Mr. Sullivan was zeer verheugd over de voorkomendheid, die zijn

voorname kennis hem toonde en in de meest opgeruimde stemming begaven

beiden zich naar het ontbijtvertrek.

Zij brachten nog eenigen tijd in aangenaam onderhoud met elkaar door en

toen de tijd van vertrek voor Lord Melbourne was aangebroken, bood de

koopman hem zijn persoonlijk geleide aan naar het station.

Tegen het midden van den dag bevond de Groote Onbekende zich weer in

zijn studeervertrek.— —De diamantkoning had niet opgemerkt, dat hij

gedurende één nacht niet in het bezit was geweest van den sleutel, die

toegang gaf tot zijn strong-room.—

„Morgen reizen wij naar Afrika terug,” sprak Raffles tot zijn vriend en

secretaris.

„Wat zeg je?” riep Charly Brand en trok een gezicht, alsof hij

plotseling voor een gapenden afgrond kwam te staan.

„Wij reizen naar Afrika terug,” herhaalde Lord Lister op drogen toon.

„Ik heb daar zeer veel te doen.

„Daar ik vermoeid ben, kun jij eenige werkzaamheden voor mij verrichten

en je tegelijkertijd op de hoogte stellen, wanneer er in den loop van

den dag van morgen een stoomboot vertrekt, die wij voor onzen overtocht

zouden kunnen gebruiken. Ik laat het aan jou over, om het noodige te

verzorgen en ga intusschen wat rust nemen.”

Charly Brand waagde het niet om tegen te spreken en nadat Raffles hem

een papier had gegeven, waarop alle dingen stonden aangeteekend, die

hij naar Afrika wenschte mee te nemen, verliet Charly Brand de kamer en

Raffles strekte zijn vermoeide ledematen uit, die gedurende de laatste

twee etmalen geen oogenblik rust hadden gekend.

VIJFDE HOOFDSTUK.

CHARLY BRAND GEVANGEN GENOMEN.

Charly Brand kwam terug met de mededeeling, dat eerst over drie dagen

een stoomschip uit Engeland naar Afrika vertrok.

Zij moesten dus wachten.

De groote onbekende benutte den tijd, die nog overbleef voor het

vertrek om groote inkoopen te doen van levensmiddelen en andere zaken,

die hij in Kilambayo niet kon krijgen.

„Wil je werkelijk voor langen tijd in Afrika blijven?” vroeg Charly

Brand.

„Het kan zijn,” antwoordde John Raffles, „ik kan nu nog niet zeggen,

hoe lang mijn zaken mijn oponthoud daar zullen vorderen.”

Gedurende dit gesprek bevonden Raffles en zijn vriend zich op een

wandeling en liepen tegen twee uur in den namiddag door de

Fultonstreet.

Charly Brand wou juist de opmerking maken, dat het zeer onvoorzichtig

van hem was, zich overdag zoo openlijk in Londen te vertoonen, toen

Raffles plotseling in een portiek sprong van een groot warenhuis, waar

zij juist langs liepen, zonder zich den tijd te gunnen, zijn vriend een

verklaring te geven van zijn handelwijze.

Charly Brand zou deze verklaring zeer spoedig vernemen.

Twee oudachtige heeren, die Raffles blijkbaar reeds had gezien, voordat

zij hem hadden ontdekt, traden op hem toe.

Het waren de inspecteur van politie Baxter en detective Marholm van

Scotland Yard.

„Goddam!” riep de inspecteur van politie Baxter uit, toen hij opeens

Charly Brand voor zich zag staan. „Wanneer ik mij niet heel sterk

vergis, dan staat hier voor ons de bondgenoot van onzen langgezochten

Raffles!”

„Zonder twijfel!” sprak detective Marholm, „hij is het. Maar helaas hij

alleen!”

Charly Brand overlegde bij zichzelf, of de detectives hem nog den tijd

zouden laten, in een cab te springen en weg te rijden, toen inspecteur

Baxter reeds naar hem toesnelde, hem een revolver op de borst zette en

uitriep:

„Gij zijt onze gevangene!”

De secretaris was zoodanig geschrokken, dat hij geen poging deed om te

ontvluchten, noch trachtte weerstand te bieden. Hij zag trouwens wel

in, dat dit vruchteloos zou zijn.

Zonder eenige moeite leidde de inspecteur van politie Baxter hem naar

een cab en wilde hem samen met: detective Marholm naar Scotland Yard

brengen.

John Raffles had van uit het Warenhuis gezien, hoe alles zich had

toegedragen.

Nauwelijks waren inspecteur Baxter en detective Marholm met Charly

Brand weggereden, toen hij in een tweede cab volgde.

Hij moest zich overtuigen, waar de detectives zijn vriend naar toe

brachten.

Hoe verbaasd was hij echter, toen het rijtuig voor het politiebureau in

de Fultonstreet stilhield en politie-inspecteur Baxter met behulp van

detective Marholm den geboeiden Charly Brand naar binnen bracht.

De kapitein had onderweg bedacht, dat voor een rit naar Scotland Yard

te veel tijd noodig zou zijn, daar hij het voornemen had, in deze

omgeving onderzoek te doen naar het verblijf van den grooten onbekende,

want het sprak bijna vanzelf, dat ook Raffles zich in de buurt moest

bevinden, waar zij Charly Brand hadden ontmoet.

Hij droeg daarom den gevangene over aan den daar aanwezigen

commissaris, overtuigde zich op zijn horloge, dat het ongeveer drie uur

was en sprak:

„Gij kunt den gevangene om zes uur met den gevangenwagen naar het

hoofdbureau van politie brengen.”

Toen Baxter en detective Marholm weer in de Fultonstreet waren

teruggekomen, was Raffles reeds lang in zijn cab verdwenen.

Beide detectives begonnen nu, terwijl ieder een kant van de straat voor

zijn rekening nam, de voorbijgangers scherp op te nemen, daar zij

hoopten, hier den grooten onbekende te zullen ontdekken.

Zij waren bijna een uur lang op deze manier bezig en begonnen al voor

de vijfde maal de Fultonstreet af te loopen, toen detective Marholm in

de nabijheid van het politiebureau zag, dat kapitein Baxter door een

Ierschen matroos werd staande gehouden.

„Bij den heiligen Sint Patrick!” riep de zeerob, „jij ouwe dikbuik zult

al je tanden verliezen!”

Op hetzelfde oogenblik kreeg de inspecteur van politie een stomp in

zijn gelaat, die hem ruggelings op den grond deed tuimelen.

Direct was detective Marholm toegesneld om zijn chef te helpen.

Tegelijkertijd had hij zich echter te verdedigen tegen de vuistslagen

van den matroos, want niettegenstaande nu dronkenschap bleek de

aanvaller een behendig bokser te zijn.

Alle handigheid van detective Marholm en de hulp van verscheiden

voorbijgangers en politie-agenten waren noodig om den zeerob te

overmannen en naar het bureau te brengen.

Als een razende tierend en vloekend liet de matroos zich naar het

lokaal der beambten van politie brengen.

„Bij den heiligen Sint Patrick!” schreeuwde hij, „raakt mij niet aan,

of ik sla jelui, vervloekte Engelschen, al je ribben stuk!

„Goddam! Is er dan geen zoon uit Ierland in de buurt, die een landsman

te hulp kan komen?”

„Zwijg nu maar stil!” bulderde detective Marholm, „en slaap eerst je

roes maar uit. Het zal je wel veertien dagen arrest kosten!”

Detective Marholm vertelde den commissaris waarom zij den matroos

gearresteerd hadden en ging weer terug naar den inspecteur van politie,

die in een restaurant op hem wachtte.

Op de wacht waren verscheiden politie-agenten van Iersche

nationaliteit.

Ook de commissaris zelf was een Ier en toen detective Marholm het

politiebureau had verlaten, sprak hij den matroos vriendelijk toe en

gaf hem, in weerwil van de groote dronkenschap, waarin zich de zeerob

bevond, nog een flesch brandewijn.

Met welbehagen begon de man te drinken.

Plotseling viel de flesch uit zijn handen, zijn hoofd viel zwaar neer

op zijn borst en hij sliep in.

De beambten van politie legden hem op de bank in de wachtkamer, maar

sloten hem niet verder op.

Tegen zes uur beproefden zij hem wakker te maken, daar de

transportwagen voor de deur stilhield, die hem en de overige gevangenen

naar het hoofdbureau van politie zou brengen, maar het gelukte niet,

hem te doen ontwaken.

Twee politie-agenten moesten hem naar beneden dragen en in een hoek van

den wagen neerleggen.

Ook hierdoor ontwaakte de arrestant niet uit zijn roes.

Hierop werden de andere gevangenen gebracht en ten slotte ook Charly

Brand, die onder bijzondere voorzichtigheidsmaatregelen in een kleine

cel van den wagen apart werd opgesloten.

Toen op die manier alles in orde was gemaakt, nam een der agenten van

politie in den wagen plaats, sloot de deur van binnen af en het

voertuig zette zich in beweging.

De gevangenwagen was nog slechts op korten afstand van het bureau van

politie verwijderd toen de beschonken matroos zijn oogen opende.

Onmiddellijk sprong hij als een kat naar den agent toe en sloeg dezen,

nog voor dat de man een wapen kon trekken, met een geweldigen vuistslag

neer.

In het volgend oogenblik had de matroos den bewustelooze zijn sleutels

afgenomen en opende hij de deur naar de cel van Charly Brand.

Dit alles speelde zich zoo bliksemsnel af, dat de gevangenen, die het

geheele voorval met open mond aanstaarden, nauwelijks konden begrijpen,

wat er gebeurde.

Ze zagen alleen, hoe de matroos de deur van den gevangenwagen opende en

met den geboeiden, maar bevrijden gevangene naar buiten sprong en in de

donkere straat verdween.

Dit voorbeeld werkte aanstekelijk.

De een na den ander sloeg denzelfden weg in en de laatste was zoo

beleefd, om de deur in het slot te gooien.

Toen eindelijk de gevangenwagen het binnenplein van Scotland Yard

opreed en een groot aantal detectives uit het gebouw te voorschijn

kwamen, waren deze zeer verbaasd, dat de wagen niet geopend werd.

Men opende met geweld de deur van den buitenkant.

Op den bodem van het voertuig lag nog steeds de bewustelooze

politie-agent en voor de rest was geen enkele gevangene te ontdekken.

Inspecteur Baxter wachtte intusschen tevergeefs in zijn bureau.

Alles wat hij tot dusverre aan de gevangenneming van Charly Brand te

danken had, was een gezwollen blauwe neus.

Hij schuimbekte van woede, toen detective Marholm hem schaterend van

lachen het bericht bracht omtrent den ledigen celwagen.

„Daar begrijp ik niets van”, schreeuwde hij, „hoe is dat nu weer

mogelijk?”

„Heel eenvoudig,” antwoordde detective Marholm, „de beschonken matroos,

aan wien gij uw dikken neus te danken hebt, was niemand anders dan onze

wederzijdsche vriend John Raffles.

„Wij hebben hem gevangen genomen, zonder te weten, met wien wij de eer

hadden.”

„Vervloekt, dat zal mij eene les zijn!” schreeuwde de inspecteur, van

politie.

„In hoeverre?” vroeg detective Marholm lachend, „denkt ge misschien,

dat voortaan iedereen, die zoo vrij is met u te gaan boksen of u omver

te loopen John Raffles is?

„Ik ben bang, dat gij dan nog wel eens een enkel keertje een gek figuur

zult slaan.”

Inspecteur van politie Baxter keek woedend voor zich, nam weer aan zijn

schrijftafel plaats en bestudeerde met eene gewichtige houding zijne

akten en papieren.

In stille zuchtte hij echter: „Dat ik dien man niet herkend heb!”

Detective Marholm verliet het bureau van zijn chef en amuseerde zich in

zijn eentje om Raffles, die den inspecteur als souvenir een opgezetten

neus had bezorgd.

ZESDE HOOFDSTUK.

EENE VERGEEFSCHE LANDING.

Kort voordat Raffles van Southampton naar Afrika vertrok, verscheen

nogmaals in de couranten dezelfde advertentie van de Koloniale

vereeniging te Brussel, eene advertentie, die eene geheele pagina in

beslag nam.

Met ongeveer dezelfde woorden, zooals het prospectus had bevat, dat

Raffles indertijd had gelezen, werden in de advertentie de groote

voordeelen en bijzondere aantrekkelijkheden der Afrikaansche Kolonie

afgeschilderd.

De groote onbekende begaf zich naar het telegraafkantoor in de Oxford

street, waar hij het volgende telegram verzond:

Directeur der Koloniale Vereeniging Van Meyendorp, Brussel. Wensch

driehonderd morgen land te koopen. Kan ik die krijgen? Smitson,

London, Oxfordstreet.

John Raffles betaalde het antwoord meteen, en, nadat hij een uur had

gewacht, kreeg hij op het telegraafkantoor een bevestigend antwoord uit

Brussel.

„Dat had ik wel gedacht,” sprak hij tot zijn vriend, „zoodra die

schurken in Brussel er van overtuigd zijn, dat van de vertrokken

kolonisten niemand meer in leven is, verkoopen zij het land opnieuw.

„Ik verheug er mij bijzonder op, met deze heeren prachtige zaken te

doen.

„Zij vermoeden niet, dat ik nog in het land der levenden ben.”

Na eene reis van drie weken landden Raffles en zijn getrouwe voor de

tweede maal in Kilambayo.

Dat was eene vreugde voor de arme achtergebleven kolonisten, die reeds

alle hoop hadden opgegeven uit hun ellendigen toestand verlost te

zullen worden.

De Engelsche stoomboot, die de vrienden had gebracht, nam, behalve

eenige jonge, sterke kolonisten, die door Raffles als arbeiders waren

aangenomen, alle anderen mee naar Kaapstad.

De groote onbekende kwam met den kapitein van het koopvaardijschip

overeen, dat deze op zijne terugreis, ongeveer acht dagen later, weer

in Kilambayo zou landen.

Nadat het schip was afgevaren, toog Raffles aan den arbeid.

Het eerste wat hij deed, was een door hem meegebrachte, goed ingerichte

tent en eene schuur voor de waren die hij had medegenomen, te laten

opzetten.

Hij had zes kolonisten aangewezen om dat werk uit te voeren.

Twee paarden had hij uit Engeland meegebracht.

Intusschen was de vijfde dag zijner aanwezigheid in de kolonie

aangebroken, toen Raffles op een avond tot Charly Brand sprak:

„Ik zal vannacht een onderzoekingstocht door het mij toebehoorende land

ondernemen.”

Zijn secretaris keek hem verbaasd aan.

„Wil je hyena’s schieten of eenige uitgehongerde jakhalzen?”

„Dat nu juist niet!” lachte Raffles. „Ik wil menschen vangen en jij

moet me helpen.”

Charly Brand begreep niets van dit antwoord. Het was hem bovendien een

duistere zaak, wat Raffles gedurende de laatste weken in het schild

voerde.

De maan scheen helder op hun rit en een stijve bries woei verfrisschend

uit den oceaan.

Zwijgend reed Charly Brand naast Raffles over de mijlenverre woestenij.

John Raffles had aan zijn zadel een leeren zak bevestigd.

Toen ze ongeveer twee Engelsche mijlen van Kilambayo waren verwijderd,

begon Raffles een melodie uit een bekende operette te fluiten en gaf

zijn paard de sporen.

Af en toe greep de groote onbekende in de leeren zak en Charly Brand,

die zijn vroolijk fluiten aanhoorde en hem iedere paar seconden een

eigenaardige handbeweging zag uitvoeren schudde bedenkelijk het hoofd

en begon zijn vriend nu voor werkelijk krankzinnig te beschouwen.

Nadat Raffles volle drie uur op deze zeldzame manier was bezig geweest,

riep hij tot Charly Brand:

„Nu zullen wij naar huis terugkeeren!”

„Zou je mij niet eens willen uitleggen”, sprak deze, toen hij met zijn

paard dicht naast Lord Lister reed, „wat je zonderlinge manier van doen

eigenlijk beteekent?”

Raffles antwoordde glimlachend:

„Ik heb mijn velden verzorgd en als een goede landbouwer mijn

zaadkorrels uitgestrooid.”

„Ik begrijp er niets van”, zuchtte Charly Brand. „Jij wordt

langzamerhand voor mij een raadsel.”

De dag begon reeds aan te breken toen zij in de kolonie terug keerden.

Raffles verdeelde nu zijn tijd zoodanig, dat hij overdag sliep en des

nachts zijn geheimzinnige ritten herhaalde.

Charly Brand pijnigde zijn hersens, maar begreep niets van het doen en

laten van zijn vriend.

Zoo onverklaarbaar had Raffles, volgens zijn overtuiging, nog nooit

gehandeld, hoewel het toch reeds herhaaldelijk was voorgekomen, dat

Charly geruimen tijd noodig had gehad om de bedoelingen van zijn vriend

te begrijpen.

„Sir, een stoomboot nadert de haven!”

Met deze mededeeling wekte op zekeren dag de man, die de wacht hield,

den grooten onbekende uit zijn rustigen slaap.

John Raffles verliet zijn rustplaats en keek eenigen tijd aandachtig

door zijn verrekijker.

Weldra had hij onderscheiden, dat de stoomboot, die inderdaad de

havenplaats naderde, een schip van de Koloniale Vereeniging was, daar

het de vlag der vereeniging voerde.

„Hallo jongens!” riep Lister, „we krijgen gezelschap. Kom, wij zullen

ons op alles voorbereid houden, Wie weet, wat deze boot ons brengt!”

Lord Lister No. 0030: De Directeur der Koloniale Vereeniging · 第 2 / 4 段