gevuld, openen, wapende zijn mannen en sprak tot hen:
„Ik hoop, dat gij mij in alles, wat ik nu van u zal verlangen, zult
gehoorzamen. Men zal wellicht beproeven om mij hier van mijn eigen
grond, dien ik heb gekocht, te verdrijven. Gij allen weet evengoed als
ik, dat de Koloniale Vereeniging geen land meer hier aan de kust bezit
en dat ik van u en van de weer vertrokken kolonisten het land heb
gekocht.”
„Zeker, dat is waar,” antwoordden de arbeiders en uit hun oogen sprak
oprechte verontwaardiging, toen zij zich herinnerden, op welke
schandelijke wijze zij door de koloniale vereeniging bedrogen waren.
John Raffles liet aan een vlaggestok naast zijn tent de Engelsche vlag
ophijschen.
Twee uur later was de stoomboot aangekomen en een honderdtal
kolonisten, onder begeleiding van zes beambten, maakte zich gereed om
den bodem van Kilambayo te betreden.
Hoe verbaasd waren allen, toen zij, die in het eerste roeibootje aan
land werden gebracht, werden begroet door Raffles, aan het hoofd zijner
gewapende manschappen, die hun toeriep:
„Wat wenscht gij? Zonder mijn voorkennis zet niemand hier een voet aan
wal.”
„Wie zijt gij?” klonk het terug.
„De eigenaar van dit land. Ik zal elke poging om deze kust te betreden
met de wapens in de hand verhinderen.”
John Raffles zag, hoe de beambten de hoofden bij elkaar staken en
geheimzinnig samen fluisterden en na eenige minuten gaven zij bevel om
het bootje naar het schip te laten terugkeeren.
Bijna een half uur verliep.
Toen vertrokken vier booten tegelijkertijd van het stoomschip, waarin
Raffles gewapende matrozen zag zitten.
„Het komt er nu op aan, mannen,” riep hij zijn kameraden toe, „zij
willen ons met geweld verdrijven. Laten wij ons verdekt opstellen.
Zoodra ik het eerste schot heb gelost, moet ook gij mikken op de
zijkanten der booten.”
Hij ging met zijn manschappen achter rotsblokken liggen, die zich op
het strand bevonden, zoodat het voor de matrozen in de booten een
onmogelijkheid was om hen te treffen.
Zoodra het Raffles voorkwam, dat de eerste boot dicht genoeg bij was
gekomen, nam hij zijn geweer op, waaruit hij ontploffingsmateriaal kon
schieten, mikte kalm en bedaard op den zijkant van het naderende
bootje, onder de waterlinie, en vuurde.
Duidelijk kon Raffles volgen, hoe de kogel in de boot drong.
Het duurde slechts eenige seconden, of reeds moesten de matrozen in het
bootje hun best doen om het binnendringende water uit te scheppen.
Een tweede schot van Raffles volgde, en nu moesten de matrozen in
allerijl trachten hun leven te redden.
Hun kameraden kwamen hun ter hulp en konden nog juist, met inspanning
van al hun krachten, de matrozen uit het snel zinkende bootje redden.
Haastig roeiden zij naar het stoomschip terug.
Zij gaven hun pogingen op, om met geweld aan land te komen.
Een luid „hoera!” van Raffles en zijn mannen weerklonk over het water,
toen de matrozen aan boord terugklauterden.
Omdat het water hier zeer ondiep was, moest de stoomboot op een afstand
van een halve Engelsche mijl van de kust verwijderd blijven.
Bijna een uur verliep, voordat opnieuw een boot werd uitgezonden,
waarin Raffles, behalve twee matrozen, den kapitein van het schip en
een beambte der koloniale vereeniging ontdekte, welke een witte vlag
hadden geheschen.
„Zij komen nu om met ons te onderhandelen,” sprak Charly Brand.
Raffles liet de boot landen en ging, omringd door zijn lieden, de
aankomenden tegemoet.
„Met welk recht”, zoo begon de kapitein, „ontvangt gij ons op
vijandelijke wijze?”
De groote onbekende keek hem met trotsche blikken aan.
„Oplichters en bedriegers ontvangt men niet op fatsoenlijke manier.”
„In hoeverre hebben wij ons dat aan te trekken?” vroeg de kapitein.
„Wel,” antwoordde Raffles, „dat is heel eenvoudig, zou ik denken. Gij
hebt daar aan boord een groot aantal kolonisten, die van de koloniale
vereeniging land hebben gekocht.”
„En ik zou denken, dat dit iets is, waar gij niets mee te maken hebt.
Het verkoopen van grondgebied is immers het doel der vereeniging?”
„Gij vergist u, kapitein, want de koloniale vereeniging heeft hier geen
land in eigendom.
„Zooals ik u met mijn officieele stukken kan bewijzen, ben ik eigenaar
van al het land en ik verbied ieder, die niet mijn particuliere
toestemming heeft, hier een voet aan wal te zetten.”
De kapitein wendde zich tot den beambte der vereeniging, die met een
verlegen lachje naar het gesprek had staan luisteren:
„Wat hebt gij hierop te antwoorden?” vroeg de kapitein.
„Die heer vergist zich.”
„Ik zal u bewijzen, dat dit niet het geval is!” riep Raffles uit. „Ik
kan mij onmogelijk vergissen, want ik ben in het bezit van de gezegelde
en onderteekende koopcontracten, betrekking hebbende op dezen grond.
„Maar uw vereeniging bestaat uit bedriegers en oplichters.
„Zij verkoopen deze kolonie zoo dikwijls als zij kunnen.
„Tot dusverre ben ik de eerste kolonist, die noch door honger of dorst
is omgekomen, noch door de negers werd omgebracht.
„Maar nu keert gij naar huis terug. Vertel uw directeur, dat hij, die
een kuil graaft voor anderen, er dikwijls zelf invalt. Zeg hem, dat ik
meer dan tevreden ben over den goedkoopen aankoop van deze kolonie,
want— —” Raffles zweeg even en haalde met glimlachend gelaat een klein
katoenen zakje te voorschijn, „ik zal u iets meegeven voor uw
directeur.”
Hij opende het zakje en nam er eenige kleine, bruine steentjes uit, die
als ongezuiverde suikerkorrels in de zon glinsterden.
Eén daarvan gaf Raffles aan den kapitein en vroeg:
„Weet gij, wat dat is?”
„Neen,” antwoordde de ander in gespannen aandacht.
Hartelijk lachend vervolgde de groote onbekende:
„Die zaadjes groeien op mijn landerijen. Zoover als gij kunt kijken in
zuidelijke richting, is de grond als bezaaid met deze steentjes. Men
behoeft er niet eens naar te graven, zij liggen dadelijk aan de
oppervlakte.”
De kapitein bekeek het steentje in zijn hand en wist niet, wat hij er
mee moest beginnen. De beambte der vereeniging echter, die lang in
Zuid-Afrika had gewoond, keek ernaar met schitterende oogen, waarin
hebzucht te lezen stond.
Raffles zag dit alles en amuseerde zich kostelijk.
Daarop nam hij een tweede steentje, zoo groot als een erwt, uit zijn
linnen zakje en, terwijl hij het aan den beambte gaf, sprak hij:
„Ik schenk u ook een dergelijk souvenir, bewaar het goed. Als gij het
aan uw directeur laat zien, zing dan eens voor hem:
„Behüt’ dich Gott, es wär’ zu schön gewesen,
„Behüt’ dich Gott, hast mein nicht sollen sein!” [1]
„Wat beteekenen die steentjes nu eigenlijk? Ik begrijp er nog niet veel
van, om u de waarheid te zeggen!” sprak de kapitein tot den beambte.
„Een diamant!” fluisterde deze, en een koude rilling van
zenuwachtigheid liep langs zijn rug.
„Jawel, het zijn diamanten,” herhaalde de groote onbekende, „en ik hoop
binnen eenige weken zooveel gevonden te hebben, dat wij inderdaad dat
zijn, wat gij in uw blufferig prospectus hebt betiteld met het woord:
millionnairs.”
In groote opgewondenheid keerden de beambten met den kapitein aan boord
van de stoomboot terug.
Charly Brand echter stond tegenover Raffles in diens tent en wist niet,
wat het onbedaarlijke lachen van zijn vriend beteekende. Het duurde
meerdere minuten voordat Lord Lister zijn lachbui in zooverre meester
was, dat hij zijn zilveren sigarenkoker te voorschijn kon halen en,
zich behaaglijk neervlijende, de blauwe, geurige rookwolkjes om zich
kon blazen.
Op het stoomschip werd intusschen door de aanwezige beambten der
maatschappij een beraadslaging gehouden. Nadat zij het groote nieuws
hadden vernomen, hadden zij met algemeene stemmen besloten dadelijk
naar België terug te keeren, teneinde met den directeur der Koloniale
Vereeniging de zaak te bespreken.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE BESPREKING.
De directeur der Koloniale Vereeniging, de heer Van Meyendorp, bevond
zich in een toestand van zenuwachtige opgewondenheid over de berichten,
die de kapitein en de teruggekeerde beambten hem uit Afrika hadden
gebracht.
Onmiddellijk riep hij een algemeene vergadering zijner bestuursleden
bijeen, om te overleggen, wat in zake deze buitengewone gebeurtenis
moest geschieden.
O, hij kon zichzelf wel met de vuist tegen het voorhoofd slaan, als hij
over den loop van het gebeurde nadacht!
Hij voelde den bodem onder zijn voeten wankelen, als hij overwoog, dat
hij den grond, die millioenen waard bleek te zijn, voor zoo weinig geld
had verkocht.
Steeds weer opnieuw onderzocht hij de twee diamanten, die de beambte en
de kapitein hem hadden overgebracht.
Hij liet een der voornaamste diamanthandelaren uit Brussel bij zich
komen.
Henri Villard heette de man.
Zorgvuldig en behoedzaam opende de directeur der Koloniale Vereeniging
het cartonnen doosje, waar de beide onooglijke, bruine steentjes in
lagen en gaf ze den deskundige in handen.
Met gespannen aandacht keek hij naar het gelaat van den kenner, terwijl
deze de steenen onderzocht met een loupe.
Het duurde eenige minuten, voordat deze antwoordde:
„Heer directeur, deze beide steenen blijken mij na nauwkeurig
onderzoek, zonder eenigen twijfel, diamanten van zuiver gehalte!”
Dikke zweetdroppels verschenen op het voorhoofd van den directeur en
met zijn zijden zakdoek veegde hij eerst eenige keeren over zijn
vuurrood gelaat, voordat hij kon vragen:
„Vergist gij u niet?”
„Vergissing is ten eenenmale onmogelijk. Ik ben zeer gaarne bereid om
de steenen te koopen,” luidde het antwoord.
Weer haalde de directeur zijn zakdoek te voorschijn, verkoelde hiermee
zijn verhitte wangen en sprak met heesche stem:
„Dus werkelijk diamanten!”
Hij keek bij deze woorden den diamanthandelaar aan, alsof hij door een
groot onheil was getroffen en deze verbaasde zich uitermate over de
vreemde houding van den directeur.
„Mag ik vragen, heer Van Meyendorp, vanwaar deze diamanten komen?”
„Zeker,” antwoordde de ander, „zij zijn gevonden in onze Afrikaansche
kolonie.”
In het volgende oogenblik had hij reeds berouw over deze mededeeling;
het was een groote onvoorzichtigheid van hem geweest.
Niemand, behalve de vereeniging zelf, moest iets van deze vondst weten.
De oogen van den diamanthandelaar schitterden, hij reikte den directeur
de hand en sprak op opgewonden toon:
„Sta mij toe, dat ik u van harte geluk wensch met deze waardevolle
gebeurtenis. Dat zal een opschudding te weeg brengen in de
diamantwereld!”
„Zwijg! Zwijg!” riep de directeur der Koloniale Vereeniging uit,
terwijl hij een smeekende handbeweging maakte. „Niemand mag nog iets
van de zaak weten! Eerst moet het feit werkelijk zijn vastgesteld en
moeten wij er ons persoonlijk van hebben overtuigd, van hoe groote
waarde het gevondene is, dat aan een onzer beambten in de kolonie is te
beurt gevallen.”
„Dat zal niet lang een geheim kunnen blijven”, antwoordde de juwelier,
„waar deze steenen gevonden zijn, daar zijn er veel meer!”
„Meent gij dat inderdaad?”
„Ongetwijfeld! Ik wil u gaarne een raad geven, die voor u van groot
belang zal zijn, mits gij mij in de winst wilt laten deelen.”
„Later, later!”
„Dan zou het wel eens te laat kunnen zijn, mijnheer Van Meyendorp!”
„Spreek dan!”
„Geef mij het monopolie van den aankoop der steenen van uw vereeniging,
dan wil ik met u de helft van de winst bij verkoop deelen.”
De directeur der Koloniale Vereeniging glimlachte, het was het sluwe
lachje van een vos.
De diamanthandelaar begreep de bedoeling ervan en sprak:
„Gij denkt misschien, dat ik mijzelf wil bevoordeelen, ten koste van u.
Neen, dat is in ’t geheel niet het geval. Gij zoudt van geen enkelen
diamanthandelaar een hoogeren marktprijs per karaat krijgen, dan wat ik
u betaal en niemand zou de steenen voor u slijpen.”
„Waarom niet?”
Nu gleed over het gelaat van den handelaar in juweelen de sluwe lach
van een vos.
„Hebt gij wel eens gehoord van den Engelschen diamantkoning Sullivan en
diens diamant-trust?”
„Neen.”
„Nu dan. Die trust koopt of liever bezit het volledige materiaal aan
ruwe steenen. De trust bepaalt de prijzen en beheerscht de markt.
„Zoodra die diamant-trust iets zal vernemen omtrent de nieuw-ontdekte
velden, zal hij met alle middelen, welke hem ten dienste staan,
beproeven, de steenen, of beter gezegd de mijnen, in zijn bezit te
krijgen, opdat geen concurrent den prijs zal kunnen vaststellen.”
„Ik begrijp u”, antwoordde de directeur der Koloniale Vereeniging, „gij
wilt met mij te zamen concurreeren tegen den trust.”
„Juist, mijnheer.”
„Goed, wij zullen dat samen in orde maken. Nu moet gij mij echter
verontschuldigen. Ik hoor, dat in de bestuurskamer de heeren reeds op
mij wachten.
„Wij spreken elkaar morgen wel nader.”
Hij nam afscheid van den diamanthandelaar en begaf zich naar het
aangrenzende vertrek.
De zaal was schitterend verlicht, hoewel het nog dag was.
Alle ramen waren goed gesloten en met zware gordijnen behangen.
Het maakte den indruk, alsof het daglicht geen getuige mocht zijn van
de geheime besprekingen, welke gehouden werden door de leden van de
Koloniale Vereeniging, die daar hadden plaats genomen aan de met groen
laken bekleede tafel.
Met de ernstige deftigheid, die hij had overgehouden uit den tijd, toen
hij nog zendeling was, kwam de directeur der Koloniale Vereeniging de
zaal binnen en begroette de verzamelde, in vollen getale verschenen
medeleden met een zalvend lachje.
Daarop nam hij plaats op den presidentszetel aan het hoofd van de
tafel.
Een bediende in rijke livrei plaatste een zwaren, zilveren,
drie-armigen kandelaar met brandende kaarsen voor den president en
legde een groote portefeuille van bruin leer voor hem op het groene
laken.
„Zorg ervoor”, sprak de directeur der vereeniging tot den bediende,
„dat niemand, wie het ook mocht zijn, in de nabijheid komt van de
gesloten deur van onze vergaderzaal!”
De bediende maakte een diepe, eerbiedige buiging en ging heen.
De heeren, die den raad van toezicht vormden, de aandeelhouders en de
onderdirecteuren der Koloniale Vereeniging, die allen hier aanwezig
waren, wachtten vol aandacht op de dingen, die komen zouden.
Te oordeelen naar het bevel, dat de voorzitter daar juist aan den
bediende had gegeven, moest er zeker iets buitengewoons te behandelen
zijn.
Nu liet de voorzitter een zilveren bel weerklinken.
Een algemeene, spannende stilte ontstond.
Ieder was vol groote belangstelling.
De directeur der vereeniging stond met bijzondere plechtigheid uit zijn
zetel op, maakte een buiging voor de aanwezigen en sprak:
„Hooggeachte heeren, leden van den raad van toezicht, heeren
aandeelhouders. Ik heb u voor een buitengewone vergadering bijeen
moeten roepen.
„Het verheugt mij en ik ben er u dankbaar voor, dat gij allen in zoo
grooten getale zijt verschenen.
„Als een herder, die zijn trouwe kudde om zich heen heeft verzameld,
zoo sta ik hier voor u en als een trouwe herder zal ik u den hemelschen
zegen mededeelen, die mij is geopenbaard.”
Hij nam het voor hem staande kleine kartonnen doosje en hield dat
eenige oogenblikken in de hoogte.
Met een zoetsappigen glimlach, de oogen opgeslagen naar den hemel,
vervolgde hij:
„De hemel moge geven, dat de inhoud van deze kleine papieren doos ons
tot vorsten der aarde maakt!”
De aanwezigen wisten niet, of de directeur der Koloniale Vereeniging op
dat oogenblik krankzinnig of dronken was.
Hier en daar fluisterde men elkaar zijn opmerkingen daaromtrent in het
oor.
Wat kon dat doosje bevatten?
Een bestraffende blik van den directeur trof hen, die zoo oneerbiedig
waren om te durven fluisteren.
En de directeur vervolgde op denzelfden lijmerigen, zoetsappigen toon:
„Ik verzoek den geachten aanwezigen, door geen enkele profane uitlating
dit gewichtige, onvergetelijke oogenblik te willen ontheiligen.
Waarlijk, deze vergadering zal met gulden letters gegrift kunnen worden
in de geschiedenis onzer schoone vereeniging.
„En het vaderland zal met ons onschatbare voordeelen van dit uur
genieten.
„Het vaderland zal onze namen vereeuwigen en wij allen zullen voortaan
mannen van beteekenis zijn voor den bloei van het ons zoo dierbare
vaderland!
„Hooge eereteekenen en ridderorden zullen onze borst versieren, de
wereld zal zich vol eerbied voor onze macht buigen.
„Staat allen op, mijne heeren, en luistert staande naar dat, wat ik u
nu mede te deelen heb.”
Als één man stonden alle aanwezigen op.
Niemand van hen waagde het, een opmerking te maken.
De nieuwsgierigheid had haar toppunt bereikt.
Al die heeren met hun vette, weldoorvoede gezichten, met glimmende kale
schedels of gepommadeerde haren, zware, gouden horlogekettingen en
breede ringen met fonkelende steenen, allen wachtten nu bijna
bewegenloos en in groote spanning op de openbaring, die zij van den
directeur zouden vernemen.
Met plechtig handgebaar nam deze het deksel van het cartonnen doosje
af.
Alle halzen werden zoo ver mogelijk uitgerekt.
Met de punten zijner vingers haalde de directeur een bruin, glinsterend
steentje eruit te voorschijn en hield dat dicht bij de brandende
kaarsen.
Niemand begreep, wat dit moest beteekenen.
Een geheimzinnige glimlach trok over het gelaat van den directeur en op
een toon, alsof hij een gebed uitsprak, vervolgde hij:
„Gij, mijn lieve vrienden, buigt uwe hoofden neer in het stof en heft
uw handen dankend op naar den hemel.
„Heft allen tezamen een lofzang aan, want de hemel heeft een groote
weldaad aan ons bewezen.
„De hemel heeft ons meer dan mild gezegend!
„Ziet, mijn lieve vrienden, deze kostbaarheid is in onze kolonie
gevonden. Een deskundige heeft mij reeds bevestigd, dus ik deel het u
hierbij mede als een onomstootelijke waarheid: Het is een diamant!”
De directeur der Koloniale Vereeniging zweeg.
Niets werd in het vertrek vernomen dan de zware, hijgende ademhaling
der aandeelhouders.
Het duizelde hun en met hun geestesoog zagen zij fabelachtige schatten
voor zich.
Het onooglijke bruine steentje veranderde in een schitterenden diamant,
ter grootte van een kanonskogel.
De groene tafel werd een reusachtige gouden staaf en hun vingers
woelden in de onmetelijke schatten, die hen allen tot meer dan
millionnairs zouden maken. Bergen gouds werden voor hun oogen
opgestapeld. Zelfs de wonderbare sprookjes uit de Duizend-en-een Nacht
verloren hun beteekenis, vergeleken bij hun toekomstbeelden.
Plotseling gaf één der heeren aan zijn bijna bovenmenschelijke
opwinding lucht door het uiten van een onverstaanbaren kreet.
Dit was het teeken tot een algemeen vreugdegeschreeuw.
De ter vergadering samengekomenen liepen en sprongen, met hun handen en
armen gesticuleerend, als waanzinnigen door elkaar heen.
„Diamanten! Diamanten!” riepen zij elkaar toe.
Als razenden schreeuwden, dansten en lachten zij.
Zij waren aangegrepen door een waren dorst naar goud.
Zelfs de directeur, die zooeven vol zalvende plechtigheid en ernst voor
hen had gestaan, had zijn waardige houding vergeten.
Hij was op een stoel geklommen, zwaaide onophoudelijk met zijn bel en
schreeuwde:
„Lang leve onze vereeniging. Hoera! Hoera voor de diamanten! De
diamanten!”
Daarop tilden twee leden van de commissie van toezicht hem van den
stoel en droegen hem zoo lang in galop door de zaal, totdat zij alle
drie uitgeput en naar adem hijgend op den grond neervielen.
Bijna een kwartier duurde het, eer de diamantkoorts uit de verhitte
hersenen week en de rust in zooverre weer intrad, dat de directeur der
vereeniging weer aan het woord kon komen.
Ieder bekeek nu aandachtig de beide steentjes; als een bende
waanzinnigen verdrongen zij zich om den directeur.
De voorzitter der vergadering moest de kleine, bruine, op
kiezelsteentjes gelijkende bewijsstukken beschermen tegen de begeerig
ernaar uitgestrekte handen.
Het kostte den directeur ontzettend veel moeite om weer stilte te
krijgen en toen hem dit eindelijk was gelukt, vervolgde hij zijn rede:
„Geliefde vrienden! Gij ziet, dat ik u niet te veel heb beloofd.”
„Neen! neen!” viel men hem in de rede.
„En laat ons er nu eens over nadenken, op welke wijze wij het geluk,
dat zich aan ons voordoet, kunnen vasthouden. Het land, waarop deze
steenen zijn gevonden, is verkocht!”
Een drukkende stilte volgde op deze mededeeling.
Daarop stond consul Thibaud, de eerste onderdirecteur, van zijn stoel
op en sprak:
„Wij hebben den grond der kolonie reeds veertien maal verkocht.
Telkenmale zijn de kolonisten gestorven en luidens de overeenkomst
verviel de grond dan weer aan onze vereeniging.
„Zijn de kolonisten, die wij dezen keer naar Afrika hebben gezonden,
nog in leven?”
De directeur der vereeniging vouwde de handen over zijn buik, zette een
bedroefd gezicht, alsof hij plotseling kiespijn had gekregen en
antwoordde:
„Helaas, ja!”
„Allen?”
„Allen! En zelfs nog eenige kolonisten van onze voorlaatste expeditie!”
Een luid „vervloekt!” en andere zegewenschen weerklonken uit de monden
van deze achtenswaardige heeren.
„Maar hoe is dat mogelijk?” vroeg de eerste onderdirecteur weer,
„hebben onze agenten zoo slecht hun plicht gedaan en het kolonievee
niet verder de binnenlanden ingedreven?”
„Helaas, neen!”
„Zijn deze kerels nog in onzen dienst?” vroeg een der aandeelhouders.
„Dadelijk naar de hel jagen!” schreeuwde een ander.
„Zij zijn dood,” antwoordde de directeur der vereeniging. „Gij
herinnert u wel, welk vreeselijk ongeluk kapitein Möller een maand
geleden in de Noordzee overkwam, toen hij op de terugweg was uit
Afrika?
„Zij zijn dood en ons kostbaar schip ligt op den bodem van den Oceaan.
Een groote schadepost voor ons!”
„Nu ja,” mompelde een der aandeelhouders, „het schip was immers zeer
hoog verzekerd, wij hebben daar goede zaakjes mee gemaakt.
„Maar wat kunnen wij doen, welke middelen kunnen wij in het werk
stellen om onzen grond weer in handen te krijgen?”
„Een negeropstand organiseeren!” riep de consul uit. „De zwarte
bandieten kunnen dan de blanke honden doodslaan!”
„Ja, uitstekend! Een magnifique idée!” schreeuwden de aandeelhouders.
„Dat zal geen gemakkelijk werk zijn, mijn vrienden,” bracht de
president in het midden. „Ik heb verontrustende tijdingen vernomen van
onzen teruggekeerden agent en ook van kapitein Stolkenborg.
„Een Engelschman, een zekere Webster uit Londen—ik herinner mij hem nog
zeer goed; hij was persoonlijk bij mij, toen hij land bij ons
kocht—heeft van de andere kolonisten het land gekocht en is nu alleen
heer en bezitter van onze kolonie!”
„Naar den duivel met hem! Vervloekte Engelschman!” schreeuwden en
raasden de aandeelhouders, terwijl zij hun vuisten schudden tegen den
afwezigen grondeigenaar. Moordlust was in hun oogen te lezen.
„Onze agenten hebben reeds beproefd, met gewapende matrozen in
Kilambayo te landen. Maar de Engelschman belette hun aan land te komen
en verbood hun, nu of ooit een voet op zijn bodem te zetten.”
„Wat!” schreeuwde een der heeren, „heeft men ooit van een dergelijke
schandelijke brutaliteit gehoord? Is die kerel, die Engelschman, dan
krankzinnig? Wat wil de schurk in onze kolonie?”
„Drommels!” riep een andere, „ik reis zelf desnoods naar Afrika en
schiet den spitsboef, die ons den toegang tot onzen eigen grond
verbiedt, neer!”
„Het is op het oogenblik ons eigendom niet!” sprak een onvoorzichtige
aandeelhouder, met welke woorden hij zich een storm van
verontwaardiging op den hals haalde.
Maar met al hun ruzie maken en vloeken kwamen zij niet veel verder.
Zij trokken als geketende slaven tevergeefs aan hun boeien.
Zij moesten wel inzien, dat zij inderdaad niet meer de eigenaren waren
van de kolonie en dat mr. Webster uit London door eerlijken aankoop
zijn rechten kon laten gelden.
Zij sloegen nu tot een ander uiterste over en stelden zich aan als
wanhopigen.
Maar hoe dan ook, er moest een uitweg gevonden worden.
De Engelschman mocht niet de eigenaar blijven van het kostbare stuk
land.
Door geweld of door list—dat kwam er niet op aan—maar hij moest tot
elken prijs verjaagd worden.
Eindelijk luidde de directeur der koloniale vereeniging zijn
voorzittersbel om zich stilte te verzekeren.
„Mijn lieve vrienden,” zoo begon hij weer, „ik heb er al ernstig over
nagedacht en ik hoop, deze zaak tot ons aller tevredenheid in het reine
te brengen.