Bijna twee uur lang zat hij stil en peinzend aan het strand

LORD LISTER

GENAAMD RAFFLES

DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 30 DE DIRECTEUR DER KOLONIALE VEREENIGING.

DE DIRECTEUR DER KOLONIALE VEREENIGING.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE DIRECTEUR DER KOLONIALE VEREENIGING.

John Raffles hield een prospectus in de handen en sloeg met de vuist op

het blad van zijn schrijftafel.

Charly Brand, die rookend bij den haard zat, sprong verschrikt op.

„Wat is er gebeurd?” vroeg hij.

„Daar is weer een ongehoorde boevenstreek uitgehaald”, stoof Lord

Lister op, zenuwachtig in de kamer op en neer loopende.

„Ik begrijp je niet”, sprak de secretaris, terwijl hij zijn vriend met

de oogen volgde.

„Lees dit prospectus. Het is een ellendige schurkenstreek. De directeur

van een Belgische maatschappij schildert met de verleidelijkste kleuren

de een of andere woestenij, die de Vereeniging in Afrika bezit.

„Alles groeit daar, zonder dat het geld of moeite kost, men behoeft

slechts vijftig pond te betalen om millionnair te worden. Niemand

behoeft te werken, dat doen de zwartjes. Een vervloekte schurkentroep!

„En er zullen weer honderden onnoozele arme drommels gevonden worden,

die in Afrika millionnair denken te worden.”

Charly Brand had nu ook gelezen.

Ook op zijn gelaat vertoonde zich een uitdrukking van ergernis en

mismoedigheid. Hij legde het blad papier voor Raffles neer en vroeg:

„Geloof je werkelijk, dat er menschen gevonden zullen worden, die 50

pond sterling aan die kerels in Brussel zullen betalen voor een stuk

land, dat zij niet kennen?”

„Och kom”, antwoordde Raffles, „vertel den menschen vandaag, dat zij

voor een dollar in veertien dagen door een speculatie op de Beurs

twintig dollar zullen verdienen, adverteer dat met vette letters en de

post zal je wagenvrachten postwissels van een dollar in huis bezorgen.

„Je kunt in ’t geheel niet gelooven, hoeveel domme menschen er bestaan,

die vlug en zonder moeite rijk willen worden, als zij er maar niet voor

behoeven te werken.

„De hemel is echter in dit opzicht rechtvaardig en laat deze lieden als

straf voor hun vermetelheid, om zonder te werken geld te willen

verdienen, de paar guldens verliezen, die zij misschien met veel moeite

bijeengespaard hebben.

„Geef mij alsjeblieft eens de kaart van Afrika uit mijn boekenkast.”

Charly Brand haalde het gewenschte te voorschijn en legde de opgevouwen

kaart voor zijn vriend op de schrijftafel neer.

Raffles spreidde de kaart uit en bestudeerde ze eenige minuten vol

attentie.

Daarop nam hij een blauw potlood en maakte een streep om een stuk land

aan de Westkust van Afrika, hetzelfde, dat was aangeduid op het

prospectus van de Koloniale Vereeniging en dat zich uitstrekte tot

dicht bij de grenzen van de Duitsche koloniën.

„Elke Afrikaan weet, dat deze landstreken tot de onvruchtbaarste

gedeelten der wereld behooren”, sprak Raffles. „Rotsachtige, harde

bodem, afgewisseld door woestenijen of zoogenaamd „Veld”, dat zijn

uitgestrektheden onvruchtbaar, dor land, waarop niets anders groeit dan

een soort gras, dat hard en stekelig is.

„Muildieren en kameelen kunnen het ternauwernood eten.

„Water is er in ’t geheel niet. Het moet ver uit het binnenland naar de

kuststreek worden overgebracht.

„Ik voel er veel voor, om met deze oplichters in onderhandeling te

treden. Ik zal den directeur der Koloniale Vereeniging in Brussel een

bezoek gaan brengen.”

Hij nam een blad papier en schreef het volgende telegram:

„Directeur der Koloniale Vereeniging Van Meyendorp, Brussel.

Bericht, wanneer ik u in Brussel kan spreken.

A. WEBSTER.

London, Fultonstreet 14.”

„Bezorg dit telegram, beste Charly.”

De secretaris nam het blad papier op en maakte zich gereed om naar het

telegraafkantoor te gaan.

„Wat doe je vanavond?” vroeg hij zijn vriend, toen hij reeds in de

deuropening stond.

Raffles dacht eenige oogenblikken na, daarop nam hij een courant op en

keek de lijst der openbare vermakelijkheden door.

Aandachtig bestudeerde hij de verschillende aankondigingen en sprak:

„Ik zal een bezoek gaan brengen aan de Royal Club en ga nu gauw het

telegram bezorgen.

„Misschien komt het antwoord nog voordat wij uitgaan.”

Twee uur later kwam het antwoord werkelijk. Het luidde:

„Mr. Webster, Londen.

Reis dadelijk hierheen, breng koopsom mee, daar zeer sterke

navraag.”

„All right!” sprak de Groote Onbekende lachend, „wij zullen nog

hedenavond met de boot van elf uur naar Calais varen, zoodat wij morgen

in den voormiddag in Brussel zijn.” — —

De Koloniale Vereeniging te Brussel bezat een groot, uit zandsteen

opgetrokken gebouw, bij welks hoofdingang twee vergulde olifanten in

natuurlijke grootte de wacht hielden als een paar reuzenbewakers.

Het was tegen den middag van den volgenden dag, toen John Raffles en

Charly Brand, in eenvoudige kleeren gestoken, het gebouw binnentraden.

Beiden zagen er uit als lieden uit den kleinen burgerstand.

Zij moesten bijna een uur wachten, voordat een rijk gegaloneerd

bediende hen door een reeks kantoorlokalen naar den directeur der

Vereeniging bracht.

John Raffles nam den man met een snellen, scherpen blik op, toen hij

het kostbaar ingerichte vertrek binnentrad.

Hij zag voor zich een klein, gezet persoon met slappe, maar brutale

gelaatstrekken, wiens dikke lippen zinnelijkheid verrieden. De groote

haviksneus daarentegen getuigde van wilskracht en een eigenaardige trek

om den mond duidde sluwheid aan.

Door een gouden bril keek de president naar de binnentredenden met

halfgesloten oogen.

Een welwillend glimlachje speelde om zijn mond. Met een beschermende

handbeweging begroette hij de beide heeren, wees op twee stoelen naast

zijn schrijftafel en sprak:

„Treedt nader mijn lieve vrienden en neemt plaats.”

John Raffles lachte in stilte om den zalvenden toon, welken de

directeur aansloeg.

„Gij komt waarschijnlijk,” vervolgde hij, „inzake onze nieuwe kolonie

en gij wenscht zeker mee te doen aan de uitbreiding der cultuur aldaar.

Een hoogstaand en grootsch werk, mijn beste vrienden, dat gij

voorstaat.

„Er is niets schooners, dan de zegen der cultuur onder de onbeschaafde

zwarten te verbreiden.

„Dit werk der menschlievendheid, dat gij steunt, loont zichzelf op

prachtige wijze. Elk pond sterling, dat gij besteedt voor dit

doeleinde, vermenigvuldigt zich en brengt u honderden procenten winst

op.

„De hemel zegent zijn zendelingen!”

„Amen,” sprak John Raffles tot zichzelf en luid voegde hij er bij:

„Sta mij toe, dat ook ik een paar woorden spreek.”

„Gaarne, mijn vriend.”

„Fijne vriendschap,” dacht Charly Brand, „als de vent eens wist, met

wien hij te doen heeft. Ik ben nieuwsgierig, hoe die twee het samen

zullen klaarspelen.”

„Zoudt gij mij uw verdere voorwaarden willen meedeelen?” klonk het

opnieuw uit Lord Lister’s mond.

„Die zijn heel eenvoudig,” antwoordde de directeur. „Wij verkoopen u

een morgen land in onze kolonie, de plek kunt gij zelf uitkiezen, voor

vijftig pond sterling. Het is een belachelijk lage prijs voor dezen

maagdelijken bodem.

„Hoeveel morgen land wenscht gij, mijn waarde vriend?”

„Voorloopig tien morgen.”

„Hebt gij het geld bij u, dan kunt gij in mijn bureaux dadelijk het

verkoopcontract laten opmaken.”

„Ik kan u dadelijk betalen.”

„De zegen van den Allerhoogste leidt uw schreden. Ik houd veel van

menschen zooals gij zijt, die een kort besluit nemen en zoodoende het

geluk, dat zich voordoet, vasthouden. De hemel zegene u!”

„En jou moge hij bijstaan!” dacht Charly Brand in stilte.

„Welke zijn de verbindingsmiddelen naar deze kolonie, ik bedoel: hoe en

langs welken weg kan ik er komen?” vroeg John Raffles.

„Zeer eenvoudig,” antwoordde de directeur der koloniale vereeniging.

„Elke veertien dagen zenden wij vanuit Amsterdam met onzen agent op

onze eigen stoombooten de kolonisten naar Afrika en wel op onze eigen

kosten.

„Alle mogelijke werktuigen, die gij voor den landbouw noodig hebt, ook

het vee, dat gij wenscht aan te schaffen, kunt gij bij ons agentschap

in Kilambayo, zoo heet onze havenplaats aan de Afrikaansche kust, voor

billijke prijzen koopen.”

„Zeer goed,” antwoordde Raffles, „want ik heb mijn hoofd al gebroken

met de vraag, op welke wijze ik voor mijn boerderij het benoodigde

materiaal naar Afrika zou kunnen overbrengen.”

„Wij zorgen op alle mogelijke manieren voor onze kolonisten en gij

krijgt alles van ons: vrije overtocht, vrije kost en het land bijna

voor niets. Ik zorg als een vader voor onze kolonisten. Niets ontbreekt

hun.”

„Behalve alles!” dacht Charly Brand.

„Ik verzoek u,” sprak Raffles nu, „mij een bewijs te willen geven, dat

ik recht heb op tien morgen land en dan ben ik bereid om u vijfhonderd

pond sterling te betalen.”

De directeur drukte op den ivoren knop van een electrische bel. Een

zijner beambten kwam binnen en bleef met een buiging bij de deur staan.

„Mijn allerbeste secretaris”, sprak de directeur der vereeniging op

vaderlijken toon, „hier zijn twee jonge, hoopvolle, dappere en door den

zegen des hemels begunstigde nieuwe vrienden van onze kolonie.

„Deze eene heer wenscht tien morgen land te koopen. Maak als ’t u

belieft, het stuk van den verkoop in orde en bezorg het overige.”

Hierop vervolgde hij, zich tot John Raffles wendende:

„Ziet gij, mijn waarde vriend, twintig jaar geleden begon ik mijn

loopbaan als arm zendeling in Afrika.

„In dit wonderland schenkt de hemel zijn allerbesten zegen aan de

armsten zijner kinderen. Gij ziet, tot welke invloedrijke en machtige

betrekking ik mij heb opgewerkt.

„Ga ook daarheen en breng het even ver als ik.”

Hij stak Raffles zijn met ringen beladen, vleezige hand toe en zag er

uit, alsof hij, evenals de paus, een handkus verwachtte.

Daarop verlieten de nieuwbakken kolonisten de werkkamer van den

directeur der koloniale vereeniging.

Toen de groote onbekende een uur later in zijn hotel aankwam, belde hij

haastig den kellner en riep dezen toe:

„Whisky en sodawater! Zoo snel als je kunt!”

Nadat de zwartgerokte het gewenschte gebracht had, goot John Raffles,

geheel tegen zijn gewoonte in, een glas van den scherpen drank naar

binnen, waarna hij Charly Brand de flesch voor hetzelfde doel

toeschoof.

„Oef!” zuchtte hij, „deze man is de eerste in mijn leven die op mijn

zenuwen heeft gewerkt. Zooveel hemelsche zegen kan er eenvoudig niet

bestaan, als waarmee deze kerel om zich heen gooit. Ik zeg je, Charly,

die man moet de gemeenste schurk zijn die erop de wereld rondloopt.

„Ik ben alleen maar nieuwsgierig, welke dingen wij in Kilambayo zullen

beleven.”

„Het zal ons aan niets ontbreken,” lachte de secretaris, terwijl hij de

stem van den directeur der koloniale vereeniging nabootste.

„De hemel zal ons zijn allerbesten zegen schenken en ——”

„Breekijzers en verstand,” viel Raffles hem in de rede, „zullen ons

naar Afrika vergezellen.

„Geef mij nog een whisky!”

TWEEDE HOOFDSTUK.

IN KILAMBAYO.

Veertien dagen later traden Raffles en Charly Brand in Amsterdam bij

den agent der Belgische koloniale vereeniging binnen, gereed om naar

Afrika af te reizen.

Zij werden naar een houten loods geleid, die in den tuin van het gebouw

stond.

Hierin bevonden zich reeds verscheiden gezinnen en alleen reizende

kolonisten, in het geheel ongeveer veertig personen, die allen den

hemelschen zegen deelachtig moesten worden. Zij wachtten reeds twee

dagen op het vertrek van de stoomboot.

De agent had hen hier in deze loods, waar het verbazend vuil was, onder

dak gebracht.

Op onzindelijke bundels stroo, opeengeperst als een kist Kieler sprot,

zelfs zonder de geslachten afzonderlijk te houden, huisden de

kolonisten hier.

De agent vertelde, dat de boot eerst den volgenden dag zou vertrekken

en bood ook Raffles hier onderdak aan.

„Wij zijn steeds ijverig bezig om voor het welzijn onzer kolonisten te

zorgen,” sprak de agent. „Gij behoeft voor het verblijf in deze loods

slechts een gulden te betalen, terwijl men in het minste hotel nog het

dubbele van dat bedrag eischt.”

„Ik dank u zeer voor uw bemoeiingen, waar het mijn persoon betreft,”

antwoordde de groote onbekende.

„Ik ben gewend om mij tegenover iedereen erkentelijk te betuigen, die

mij van goeden raad dient en daarom ben ik zoo vrij om u voor de

brutaliteit waarmee gij mij een varkensstal voor een gulden als

verblijfplaats aanbiedt, den hemelschen zegen voor u in te roepen.”

Voordat de agent wist, wat er met hem gebeurde, had Raffles hem een

oorvijg gegeven en zonder zich verder te bekommeren over het verbaasde

gelaat van den ander, verliet hij het bureau.

Den volgenden dag om twee uur lag de stoomboot voor het vertrek gereed.

„Een zielverkooper,” fluisterde de Lord tot zijn vriend, toen zij het

oude vaartuig bestegen.

„Men zou bang zijn, aan boord van dit wrak het kanaal over te steken,

hoeveel te erger is dus een reis naar Afrika. Maar ter wille van het

goede doel zullen wij het kalmpjes wagen en ons aan deze halfvergane

planken toevertrouwen.”

De agent had uit woede over de oorvijg den kapitein en de bemanning

tegen Raffles in het harnas gejaagd.

Het ellendigste verblijf op het schip, een waar rattenhol, werd hun

beiden als zoogenaamde hut aangewezen.

Lord Lister keek met een spottend glimlachje in het hok rond en

amuseerde zich om Charly Brand die mompelde:

„Zeg, ik wil nog liever elken dag in Londen ruzie hebben en vechten met

inspecteur Baxter en door hem worden nagezeten, dan in deze armzalige

menschenval naar Afrika te varen.”

„Er zal je niets anders overblijven dan de vaart mee te maken, want de

boot is al op weg,” lachte zijn vriend, terwijl zij zich samen naar het

dek begaven.

De kust was reeds uit het gezicht verdwenen en de boot bevond zich in

volle zee. Nauwelijks was het tweetal eenige oogenblikken boven of de

etensbel luidde.

In een laag, onzindelijk vertrek zaten de kolonisten aan houten tafels,

waarop kommen stonden en beproefden een slecht riekend, vloeibaar

gerecht, dat hun door de matrozen werd gebracht, naar binnen te werken.

Toen een matroos Raffles een dergelijke kom aanbood, sprak deze:

„Hoor eens, boy, hier is vijf shilling, die je kunt verdienen, als je

mij het genoegen doet, in mijn plaats deze portie soep op te eten.”

„De matroos wist niet, wat hij zou antwoorden. De vijf shilling had hij

o, zoo graag gehad, maar de inhoud van de blikken kom....!”

„Neen, mijnheer,” antwoordde hij na eenige minuten, terwijl hij zich

achter het oor krabde, „voor vijf shilling kunt gij dat niet verlangen.

Aan dat eten bederf ik voor twee dagen mijn maag.”

„Mooi,” sprak Raffles, „ik houd van een eerlijk antwoord. Hier heb je

de vijf shilling en ga nu heen om den kapitein het bocht, dat hierin

is, over zijn hoofd leeg te gieten.”

„Mijnheer,” fluisterde de matroos, angstig rondkijkende, „laat de baas

u maar niet hooren, hij zou u aan een ketting leggen!”

Raffles lachte en ging naar de kajuit, waar de manschappen hun

middagmaal genoten.

„Hier ruikt het fatsoenlijker,” sprak hij tot Charly Brand, die

hongerig de lucht van het een of andere gebraad opsnoof.

„Gebraden varkensvleesch!” riep Raffles lachend uit. „Kom, nu gaan wij

ook eens kijken, wat de heeren officieren eten.”

Hij ging met zijn vriend verder naar de kleinere eetzaal, waar aan de

kapiteinstafel eenige van de beambten der Maatschappij zaten, die door

den hofmeester werden bediend.

De kapitein en de officieren keken vol verbazing naar Raffles en Charly

Brand, die zonder te vragen aan de tafel plaats namen.

„Eten!” beval Raffles kortaf.

„Voor den duivel!” brulde de kapitein, „je vreten staat beneden, maak

dat ge wegkomt!”

John Raffles stond op, ging naar den spreker toe, keek hem met

doordringende blikken aan en sprak:

„Gij vergist u, heer kapitein! Want uw matrozen zelf zijn niet in

staat, om, zelfs voor vijf shilling, dat „vreten” naar binnen te

werken. Zij wagen er hun maag niet aan.

„Ik verlang van u, dat gij mij en mijn reisgezellen spijzen zult laten

voorzetten, die geschikt zijn om gegeten te worden door menschen en

niet door honden!

„Mocht gij dat niet willen doen dan hebt gij de gevolgen af te

wachten.”

De kapitein keek den vermetelen spreker met groote oogen aan.

Iets dergelijks was hem nog niet overkomen.

„Vervloekt!” brulde hij, „wat valt u in, om mij hier aan boord van mijn

schip de wetten te willen voorschrijven? Hier ben ik heer en meester en

ik beveel, wat gegeten wordt.”

„Gij vergist u,” antwoordde Raffles, „gij kunt uw matrozen en

officieren bevelen geven, maar niet ons, passagiers.

„Gij hebt gehoord, welke eischen ik stel en ik verwacht uw antwoord

binnen een uur.

„Willigt gij mijn verzoek niet in, dan zal ik uw gedrag aan den eersten

Engelschen consul rapporteeren.”

De bedreiging met den Engelschen consul maakte indruk.

Tot dusverre waren als kolonisten slechts Polen, Russen of Duitschers

vervoerd, Engelschen waren nog niet naar de kolonie verhuisd.

John Raffles en Charly Brand waren de eerste onderdanen van het

Britsche Rijk, die de kapitein naar het andere werelddeel moest

overbrengen en hij begreep, dat deze twee hem in moeilijkheden zouden

kunnen brengen.

„Het is goed”, mompelde hij, „ik zal opdracht geven aan den hofmeester,

dat voor u en uw vriend andere spijzen worden opgediend.”

„Neen,” antwoordde Raffles, „niet alleen voor mij en mijn vriend, maar

ook voor mijn reisgenooten. Denk daaraan!

„Verder neem ik aan, dat gij van de maatschappij niet meer dan een vast

bedrag ontvangt voor het voedsel der landverhuizers, zoodat gij niet in

staat zijt, daarvan mij en mijn lotgenooten een betere tafel te geven

en daarom ben ik bereid, honderd pond sterling bij u te deponeeren. Ik

geloof wel, dat dit bedrag voldoende is om alle onkosten te

bestrijden.”

Dit aanbod van Raffles snoerde den kapitein volkomen den mond.

Geld was ook in dit geval de sleutel, die alle deuren opent.

„Is het eten dan werkelijk zoo slecht?” vroeg de kapitein nu op zeer

beleefden toon.

„Overtuig er u zelf van.”

De kapitein liet door een der matrozen een schaal met het door Raffles

afgekeurde eten brengen. Toen dit voor hem op tafel stond, sprak

Raffles:

„Ik wed om twee flesch champagne, dat gij mij niet kunt vertellen,

waaruit die soep bestaat.

„Het kunnen evengoed afgekookte zeilen zijn of houtspaanders of

schoenzolen. Blijkbaar bevinden zich de gezamenlijke overblijfselen van

de haringen, die de bemanning misschien gisteren heeft gegeten, als

heerlijke aanvulling in de soep.

„Misschien zijn gekookte haringkoppen een bijzondere lekkernij in

België?”

De kapitein riep een matroos toe:

„Breng den kok bij mij!”

Toen deze verscheen, nam de kapitein de schaal soep op, goot den inhoud

over het hoofd van den kok en schreeuwde:

„Vervloekte hond, je schijnt het geld, dat men je geeft om

levensmiddelen in te koopen, voor jezelf te gebruiken. Ga dadelijk naar

de keuken terug en maak voor de passagiers gebraden varkensvleesch,

aardappelen en pruimen gereed. En wee, als ik nog een enkele klacht

hoor!”

De kok, die volmaakt onschuldig was, durfde geen antwoord geven en ging

heen.

John Raffles echter legde glimlachend tien banknoten van tien pond voor

den kapitein neer, welke deze met een grijnslach in zijn broekzak liet

verdwijnen.

Vanaf dat oogenblik was alles in de beste orde.

De medereizigers van den grooten onbekende vermoedden niet, dat de

persoon, die een wijziging had gebracht in de keukenvoorschriften—en

wel tot algemeene tevredenheid—niemand anders was dan John Raffles.

De welwillendheid van den kapitein ging nog verder.

Hij had een dekhut voor Raffles en Charly Brand laten inrichten en

beiden waren tevreden. Zij voelden zich zeer behaaglijk, behalve het

bewustzijn, zich aan boord van een zoogenaamden „zielenverkooper” te

bevinden, die als een volgezogen spons elk oogenblik met man en muis op

den bodem der zee kon verdwijnen.

Maar het geluk diende hun, want het was gedurende de geheele reis goed

weer. Na drie weken naderde de stoomboot in het vroege morgenuur de

plaats van bestemming.

Gewapend met een verrekijker stond John Raffles op het dek en

bestudeerde de kust, die als een door de zon verbrande, boomlooze gele

streep in onafzienbare uitgestrektheid voor hem lag.

„Ik geef je honderd pond sterling,” sprak de groote onbekende tot

Charly Brand, „als je mij daar ginds ergens een groen plekje kunt

aanwijzen, waar, zooals de directeur van de koloniale vereeniging in

zijn prospectus beweert, tienmaal per jaar wordt geoogst.”

Voordat zij aan land gingen, kwam de kapitein, met wien Raffles

gedurende de reis nader bevriend was geworden en die in zijn hart een

wel is waar ruwe, maar toch goedhartige zeeman was, naar hem toe en

klopte hem op den schouder.

„Wilt gij werkelijk aan land gaan, mr. Webster?”

„Ja zeker, kapitein, waarom niet? Ik ben blij, dat ik het oude wrak kan

verlaten.”

„Daar hebt gij gelijk in”, antwoordde de kapitein. „De oude kast is

voor mij ook geen al te prettig verblijf!

„Maar als gij vierentwintig uur aan land zijt, aan deze kust, die door

God en de menschen is verlaten, dan zult gij hartelijk blij zijn, als

gij uw voeten weer aan boord kunt zetten van dezen teringachtigen romp,

om Afrika weer den rug toe te draaien.”

„Ik wil het toch probeeren”, antwoordde Raffles, „de bodem kan toch

niet overal in een dergelijken toestand zijn als hier aan de kust.”

De kapitein lachte even.

„Het is de tiende reis, die ik nu maak en telkenmale bracht ik een

vijftigtal kolonisten naar deze havenplaats.

„Geen enkelen heb ik tot dusverre teruggezien. De duivel mag weten, wat

er van hen geworden is.”

„Wij zullen elkaar terugzien!” antwoordde Raffles.

„Ik wensch u het beste, sir. En luister naar een goeden raad: volg niet

de beambten der maatschappij, die met ons mee zijn gekomen. Dat zijn

letterlijk doodgravers!”

Des middags betraden de Groote Onbekende en zijn vriend den

Afrikaanschen bodem.

De havenplaats Kilambayo bestond uit eenige barakken met zinken

golfbedekking en een dozijn vuile, verwaarloosde negerhutten.

John Raffles richtte zijn schreden naar een der eerste, waarop de

particuliere vlag van de koloniale vereeniging was geheschen en boven

welks deur het opschrift prijkte:

„Hotel de Directeur der Koloniale Vereeniging”.

Daaronder bevond zich een klein schild, dat nog vermeldde:

„Deftig verblijf voor alle reizigers”.

Het meubilair van dit „deftige verblijf” was gemaakt van tonnen en

ledige kisten en een dikke, oude negerin, de eigenares van het hotel,

begroette Raffles op vertrouwelijke wijze, terwijl zij hem dadelijk een

groot glas brandewijn als welkomstdronk aanbood.

De groote onbekende bedankte evenwel met beleefde woorden voor den

drank en vroeg, of hij een kamer kon krijgen voor zich zelf en zijn

vriend.

Een dergelijke vraag scheen de eigenares van het hotel nog nooit te

hebben gehoord.

Toen Raffles zijn woorden herhaalde, antwoordde zij met een vriendelijk

glimlachje:

„O, mijnheer, wij slapen allen bij elkaar.”

„Heel netjes,” lachte Raffles, die pleizier begon te krijgen in het

geval. „Wijs mij dan maar eens waar men kan slapen.”

„Heel eenvoudig”, grijnslachte de oude negerin, „ik heb hangmatten,

worden deze opgehangen aan haken en mijnheer slapen als God in

Frankrijk.”

Deze verklaring stelde Raffles volkomen tevreden.

„Kosten vijf gulden per dag,” voegde de negerin er nog aan toe.

Nu moesten Raffles en Charly Brand hartelijk lachen.

Voor dezen zelfden prijs hadden zij steeds in een Londensch hotel een

kamer, naar de eischen des tijds ingericht, met badkamer gehad.

Vanuit het „hotel” begaf Raffles zich naar den agent der Maatschappij.

Maar deze was door de beide beambten van de Vereeniging die met de

stoomboot waren meegekomen, omtrent de twee Engelschen ingelicht en

Raffles vond hem dus niet.

Alleen een kleurling, de zoon van een blanke en van een negerin, die in

dienst was van de vereeniging, vroeg Raffles, wat deze wenschte.

„Ik wilde landbouwwerktuigen en vee koopen. Men vertelde mij in

Brussel, dat ik dit hier allemaal zou kunnen krijgen.”

De kleurling staarde Raffles aan, alsof deze krankzinnig was.

Hij had in zijn geheele leven nog nimmer van landbouwwerktuigen of vee

hooren spreken, dat hier te koop zou zijn.

Hieruit bleek dus al dadelijk, dat de directeur der maatschappij met

den zegen des hemels in zijn mond schandelijk had gelogen.

Raffles dacht na, wat hem nu te doen stond.

Bijna twee uur lang zat hij stil en peinzend aan het strand naar de

branding te kijken.

Op eenigen afstand van hem waren kolonisten druk bezig, van kisten en

dekens een zeer primitief nachtverblijf in elkaar te zetten.

De vrouwen en kinderen, die mee waren gekomen naar het vreemde

werelddeel, jammerden en klaagden en zelfs de mannen zagen in, dat zij

in een wanhopigen toestand verkeerden.

De agenten hadden getracht, hen gerust te stellen en verteld, dat zij

den volgenden dag verder het land in gebracht zouden worden.

In een land, vanwaar nog geen enkele kolonist, zooals de kapitein had

gezegd, was teruggekomen!

Tegen den avond gelukte het Raffles eindelijk, den agent der

Vereeniging, een ouden, doorloopend beschonken Portugees, te spreken te

krijgen.

Met veel moeite kon hij zich tegenover den stomdronken kerel

verstaanbaar maken en een paard van hem koopen.

Den volgenden dag begaf Raffles zich in het kamp der kolonisten, riep

de ongelukkigen bijeen en sprak tot hen:

„Ik hoop, dat gij allen hebt begrepen, te zijn overgeleverd aan het

noodlot. Een wisse ondergang wacht ons, want de Maatschappij heeft ons

op schandelijke wijze bedrogen.

„Pas op twee dagreizen afstands van hier bevindt zich land, dat voor

bebouwing geschikt is, doch dat noch aan ons, noch aan eenigen

Europeaan toebehoort.

„Mocht gij u daarheen begeven, dan zouden wilde volkeren u vermoorden.

„Luistert dus naar mijn voorstel.

„Ik koop het land, dat gij meendet te bezitten, van u en neem eenige

mannen als arbeiders met mij mede. Deze moeten mij gedurende een paar

dagen op een onderzoekingstocht vergezellen en later breng ik u allen

naar Europa terug.”

De ongelukkigen wisten niet, op welke wijze zij uiting zouden geven aan

hun vreugde.

Charly Brand echter meende dezen keer werkelijk, dat zijn vriend

krankzinnig was.

„Maar wat wil je hier in deze door God verlaten streek uitvoeren? Je

hebt immers zelf van den kapitein gehoord en van de oude negerin in het

hotel, dat, zoover de kolonie zich uitstrekt, niets te vinden is als

steenen en zand.”

Lord Lister lachte en antwoordde niet.

Den volgenden morgen begaf hij zich in Zuidelijke richting op weg met

een kleine karavaan van kolonisten en vergezeld door gehuwde negers,

die water en eetwaren droegen.

Twee dagen lang bleef hij, tot groote verbazing der beambten van de

kolonie, met zijn kleine karavaan weg uit Kilambayo.

Hetgeen hij vond, was precies zooals hij het zich had gedacht.

Een brandend heete steenbodem en woest land, dat was de vruchtbare

grond, die door den directeur der Koloniale Vereeniging zoozeer was

opgehemeld.

Men moest ver naar het binnenland om, geheel afgesloten en zonder een

enkele verbinding met de kust, land te vinden, dat voor den akkerbouw

geschikt was.

Dit grondgebied behoorde echter niet aan de kolonie.

Wilde negerstammen waren de eigenaren ervan en door hun bijlen en

zwaarden waren de kolonisten, die tot dusverre steeds door de beambten

der Vereeniging daarheen waren gebracht, vermoord.

De gewetenlooze schurken deelden dan de eigendommen en bezittingen der

arme slachtoffers met de opperhoofden der negers, aan wie zij de

Europeanen hadden overgeleverd.

Raffles vond op zijn onderzoekingstocht de beenderen van de vermoorden

in het zand liggen.

Drie dagen later maakte het stoomschip zich gereed voor de terugreis

naar Europa, nadat eerst eenige goederen, ivoor en gummi, waren

ingeladen en de noodige kolenvoorraad was opgedaan.

Kort voor de afreis kwam Raffles aan boord en sprak:

„Kapitein, ik neem passage voor mij en mijn vriend tot aan de eerste

Spaansche havenplaats.”

De kapitein was oprecht verheugd.

„Ik ben blij, dat gij verstandig zijt geworden. Waarlijk, het zou mij

ook hebben verbaasd, als gij zoo dom waart geweest om in deze

zandwoestijn te blijven.”

De kolonisten, die genoeg geld hadden, nu zij hun land aan Raffles

hadden verkocht, wilden eveneens met de stoomboot terugreizen.

Maar de kapitein, die niet genoeg proviand aan boord had, moest hun

verzoek weigeren en Raffles beloofde hun, een Engelsch stoomschip te

zullen zenden.

Raffles was van de geheele strook land langs de kust tot aan de grens

van Duitsch-Zuid-West-Afrika, door aankoop van de landverhuizers,

eigenaar geworden en had overal kleine bordjes laten plaatsen met zijn

naam.

Hij merkte zeer goed de hoonende gezichten van de beambten, toen zij

zagen, dat hij bezit nam van het land. Zij amuseerden zich nog meer,

toen Raffles hun vertelde, dat hij in Spanje vee en landbouwwerktuigen

wilde gaan koopen.

„Waarschijnlijk”, zoo spotten zij, „wil die gekke Engelschman zijn vee

met steenen voeden en het droge zand gaan ploegen.

„De man heeft het „spleen”, het is hem door de warmte in de hersens

geslagen—”

Veertien dagen later landde Raffles in Spanje en nam afscheid van den

kapitein.

Hij vermoedde niet, dat hij noch hem, noch een enkele plank van het

schip zou terugzien.

Een storm op de Noordzee deed een week later de stoomboot der kolonie

met man en muis vergaan.

Raffles dacht er echter niet aan, om in Spanje vee en

landbouwbenoodigdheden te koopen. Met de eerst-vertrekkende Engelsche

passagiersboot voer hij naar Southampton en een week later kwam hij

weer in Engeland terug.

Charly Brand dacht, dat hiermede de reis naar Afrika was afgedaan.

Maar hoe verbaasd was hij, toen zijn vriend, nauwelijks aan land

zijnde, tot hem sprak:

„Over een week hoop ik naar Kilambayo terug te keeren.”

„Dan alsjeblieft zonder mij”, antwoordde Charly Brand,

„Dat laat ik aan jezelf over”, lachte Raffles, „maar ik geloof, dat je

door niet mee te gaan, een groot genoegen zoudt missen.”

„Mooi genoegen!” dacht Charly Brand.

DERDE HOOFDSTUK.

DE „STRONG-ROOM”.

Het was de volgende morgen; de beide vrienden zaten aan de ontbijttafel

de couranten te lezen.

„Dat treft uitstekend”, sprak Raffles, „ik lees daar juist, dat

hedenavond Mr. Sullivan, de bekende eigenaar van de Afrikaansche

diamantvelden, een groote partij geeft. Ik ben van plan, eens kennis

met hem te gaan maken.”

„Diamanten?” vroeg Charly Brand.

„Goed geraden”, antwoordde Raffles, „ja, ik heb edelgesteenten noodig

en hoop, die bij Mr. Sullivan te krijgen.”

„Koopen?”

„Heb je wel eens hooren spreken over de gepantserde schatkamer van den

diamantenkoning? Van de zoogenaamde strong-room?”

„Jawel, ik heb er weliswaar nooit over hooren spreken, doch las er

onlangs een uitvoerig artikel over in een of ander tijdschrift. Die

schatkamer moet steviger en solider gebouwd zijn dan een pantsertoren

op onze oorlogsschepen.”

„Ik wil mij daarvan eens gaan overtuigen en de strong-room van Mr.

Sullivan met een bezoek vereeren.”

„Jij wilt onmogelijke dingen gaan ondernemen.”

„Onmogelijkheden bestaan er niet in de wereld, behalve een doode weer

levend te maken.”

„Ik las in het tijdschrift”, sprak Charly Brand, „dat deze zoogenaamde

strong-room van Mr. Sullivan een meesterstuk van moderne techniek moet

zijn. Deze brandkast schijnt eenig in zijn soort.”

„Des te meer lust heb ik om mijn plan te gaan uitvoeren.”

„In het tijdschrift las ik ook, dat er verschillende proeven zijn

genomen om de soliditeit der gepantserde wanden van het vertrek te

probeeren.

„Verschillende ingenieurs zijn bij de zaak betrokken geweest, doch geen

hunner is het gelukt, ondanks alle moderne hulpmiddelen die zij hebben

aangewend, om na twee dagen van inspanning meer dan een onmogelijk

klein gedeelte van de pantserplaten los te werken.”

„Je vergeet, mijn lieve Charly, dat ik geen ingenieur ben, maar

Raffles. Ik hoop het met de strong-room in twee uur klaar gespeeld te

hebben.”

„Alle mogelijke moderne ontploffingsmiddelen hebben zelfs geen

uitwerking gehad op de harde pantserplaten.

„Wat ben jij dan van plan te doen?”

Raffles lachte vroolijk.

Hij ging vlak bij Charly staan, keek hem scherp in de oogen en sprak:

„Weet je, oude jongen, wat een veel grooter kracht bezit dan

nitro-glycerine, menoliet, dynamiet of andere ontploffingsmiddelen?”

Charly Brand dacht eenige oogenblikken na, doch schudde daarna

ontkennend het hoofd en antwoordde:

„Ik zou werkelijk geen enkel middel weten, wat nog krachtiger werkt.”

„Maar ik”, lachte Raffles, terwijl hij zijn hand op Charly’s schouder

legde.

„En dat is?”

Raffles tikte even zijn slanke, goedverzorgde hand tegen zijn voorhoofd

en antwoordde;

„Hier, in de hersens schuilt die kracht: het menschelijk vernuft!”

De secretaris keek zijn vriend verrast aan.

„Je hebt gelijk”, sprak hij, „je hersens hebben inderdaad reeds werken

uitgevoerd, waarbij de sterkste pantserplaten en de zwaarste sloten als

sneeuw voor de zon verdwenen.”

„En die kracht zal mij helpen om de strong-room van den diamantkoning

te openen.”

Mr. Sullivan stond in Londen bekend als een der rijkste en

aanzienlijkste ingezetenen.

De feesten en partijen, die hij de Engelsche gezelschapswereld aanbood,

vormden het glanspunt van het seizoen.

Hij had zijn rijkdommen te danken aan zijn diamantmijnen in

Zuid-Afrika, waarin een jaar geleden de grootste diamant der wereld, de

zoogenaamde Cullinan, was gevonden.

John Raffles had zich toegang weten te verschaffen in het gezelschap

onder den naam van een zekeren Lord Melbourne.

Hij had zich op meesterlijke wijze vermomd als een zestigjarig heer en

hij wist door zijn zeker en beschaafd optreden zoowel de bedienden als

de gasten van Mr. Sullivan te doen gelooven, dat hij een intiem vriend

van den huize was.

Hij bevond zich reeds een uur lang te midden der gasten, toen hij zich

aan Mr. Sullivan voorstelde.

„Ik was zoo vrij”, sprak Raffles „hedenavond uw salons te bezoeken;

hoewel ik geen uitnoodiging bezat, omdat ik op deze ongegeneerde wijze

kennis met u kon maken.

„Ik ben eerst gisteren uit Indië teruggekeerd.”

Mr. Sullivan keek eerst met eenigen argwaan naar den hem onbekenden

gast, maar omdat de naam en titel, welke Raffles had aangenomen, tot de

beste van de Londensche wereld behoorden, verdween die argwaan spoedig

en hij antwoordde op hoffelijken toon:

„Ik hoop, dat het u bij mij zal bevallen en ik verzoek u vriendelijk,

mij in de gelegenheid te willen stellen, mijn opwachting bij u te mogen

komen maken. Dit zal voor mij een groote eer en genoegen zijn.”

De beide heeren reikten elkaar de hand en Raffles kon zich nu vrij en

ongestoord door de met vorstelijke pracht ingerichte zalen bewegen.

Tevergeefs trachtte hij uit te vinden, waar zich de strong-room bevond.

Het gelukte Raffles, om tot de werkkamer van den diamanthandelaar door

te dringen, doch het was hem niet mogelijk, het geheim van de

gepantserde schatkamer te ontdekken.

Waar kon zich de strong-room bevinden.

Het bezoek van Raffles bij den diamanthandelaar had geen resultaat.

Dit was de eerste keer in zijn leven, dat de Groote Onbekende zijn doel

niet bereikte.

Een jaar geleden was in verschillende couranten en tijdschriften de

strong-room van den diamanthandelaar beschreven.

Armoursche pantserplaten van tien duim dikte vormden de wanden van het

vertrek. Een netwerk van electrische draden omgaf het geheel en alles,

wat menschelijk vernuft slechts had kunnen uitdenken, was ter

beveiliging aangewend voor deze schatkamer, die juweelen van ongekende

waarde bevatte.

„Ik moet te weten komen, waar zich de strong-room bevindt, het moge

kosten wat het wil”, zei Raffles den volgenden morgen tot zijn vriend

en secretaris Charly.

Deze haalde zijn schouders op.

„Ik denk, dat je jezelf een onuitvoerbare taak hebt gesteld.”

„Er bestaat niets, dat onuitvoerbaar is, laat mij kalm nadenken wat ik

kan doen.”

„Ik begrijp niet met welke bedoeling je de bewaarplaats der diamanten

wilt ontdekken.”

Raffles lachte vroolijk.

„Ik begrijp je in ’t geheel niet in den laatsten tijd. Sinds twee dagen

zijn wij uit Afrika terug zonder iets anders bereikt te hebben, dan dat

jij meerdere morgen woesten grond hebt gekocht, wat ik voor totaal

nutteloos houd.

„Nu houd je je er mee bezig om te ontdekken waar zich de strong-room

van den diamantkoning bevindt, die, naar algemeen bekend is, hechter

moet zijn dan de Tower.

„Ik geloof, dat alle moeite, die je je geeft, doelloos is. Je kunt op

veel gemakkelijker manier in het bezit komen van diamanten.”

„Dat begrijp je niet, mijn jongen. De diamanten, die ik wil hebben,

zijn alleen te vinden bij Mr. Sullivan. Geen enkele handelaar zou ze

mij kunnen leveren”, klonk het met doodelijke kalmte uit den mond van

Raffles.

„Je spreekt in raadselen!”

„In het geheel niet. Je zult de oplossing gauw genoeg vernemen.”

„Het is mogelijk. Maar ik dacht, dat het voor jou, de ongehoorde moeite

die het kost om in de strong-room te komen, in aanmerking genomen, veel

gemakkelijker zou zijn om in de Engelsche Bank binnen te dringen.”

„De Engelsche Bank kan mij niet verschaffen wat ik noodig heb. Ik heb

diamanten noodig. En wel een bijzonder soort diamanten.”

Raffles stak een sigaret aan en ging uit.

Een uur later overhandigde de bediende van den diamantkoning dezen een

kaartje met den naam:

Lord Robert Melbourne.

en eenige minuten later trad Raffles als Lord Melbourne de werkkamer

van den diamanthandelaar binnen.

Nadat de beide heeren elkaar hadden begroet en de gebruikelijke

beleefdheidswoorden hadden gewisseld, sprak Raffles:

„Ik ben van plan om van u uit de eerste hand eenige diamanten te

koopen.”

„Het spijt mij”, antwoordde Mr. Sullivan, „ik verkoop zelfs aan den

Koning niet uit de eerste hand. Dat is een onomstootelijke voorwaarde,

die ik met de Engelsche juweelenhandelaars ben overeengekomen.”

John Raffles keek met een blik vol teleurstelling den heer Sullivan

aan.

„Dat is jammer”, sprak hij, „ik meende bij u iets buitengewoon fraais

te zullen krijgen. Met dit speciale doel zocht ik persoonlijk kennis

met u te maken.”

„Het spijt mij”, herhaalde de diamanthandelaar nogmaals, „ik moet als

koopman trouw blijven aan mijn principes.”

Raffles wilde opstaan, om na een beleefde buiging den diamantkoning te

verlaten, toen juist de oudste bediende binnentrad en zijn chef iets

meedeelde.

„Het is goed”, antwoordde de diamanthandelaar, „ik zal u de steenen

dadelijk geven. Wacht maar een oogenblik.”

„Ik houd veel van diamanten, vooral van steenen van buitengewone

grootte”, sprak Raffles, „maar gij staat het zeker niet toe, dat ik uw

schatten eens zou mogen bewonderen?”

De Groote Onbekende zag duidelijk, hoe de diamanthandelaar eenige

oogenblikken nadacht en een blik wisselde met zijn bediende.

„Om u de waarheid te zeggen, Uw Lordschap”, sprak Sullivan op beleefden

toon, „is het in strijd met mijn principes om iemand mijn diamanten te

laten zien, maar daar ik u tot mijn spijt reeds een verzoek heb moeten

weigeren, wil ik mij gaarne revancheeren en u bij groote uitzondering

toestaan, mij in mijn strong-room te vergezellen.”

„Gij doet mij een onuitsprekelijk genoegen”, antwoordde Raffles met

heimelijken triomf.

„Er zijn slechts weinig menschen in de wereld, die ik een dergelijk

verzoek inwillig.

„De laatste persoon, die mij in de strong-room vergezelde, was de

Koning zelf.”

„Des te meer stel ik de groote eer op prijs. Ik heb eenige maanden

geleden een beschrijving gelezen van de fabelachtige rijkdommen uwer

schatkamer en ook las ik omtrent de veiligheidsmaatregelen, die gij

hebt getroffen.”

„Gij zijt goed onderricht. Geen mensch kan, behalve in mijn

tegenwoordigheid, de schatkamer binnenkomen. Zelfs niet al was hij in

het bezit van mijn sleutel, want ik zelf alleen ken het geheime woord,

waarop ik het slot heb gesteld.”

„Pardon heeren”, waagde de nog steeds wachtende bediende het op te

merken, „onze klant wacht en hij verzocht mij, hem zoo spoedig mogelijk

het gevraagde te willen geven.”

„Ja zeker, dadelijk!” antwoordde de diamanthandelaar, terwijl hij uit

zijn stoel opstond.

Mr. Sullivan ging nu naar den muur tegenover de schrijftafel en drukte

op een geheim knopje, dat naast een zware boekenkast was aangebracht.

Een onzichtbare machinerie werd door electrisch contact in werking

gesteld en de muur draaide open.

Raffles kon een blik werpen in een lange gang die zich achter de

boekenkast bevond. Electrische gloeilampjes wierpen hun licht van de

zoldering neer.

Mr. Sullivan verzocht Raffles nu, hem te willen volgen.

De lucht in de gang was ijskoud.

De groote onbekende bemerkte bij het voortgaan, dat de gang als een

slakkenhuis langzaam naar beneden liep.

Eindelijk bleef de diamanthandelaar voor een deur staan, die met staal

was beslagen en sloot deze open.

Beide heeren traden een groot vertrek binnen, in welks midden zich een

waterbassin van vierkanten vorm en tien meter middellijn bevond.

Rondom het bassin liep een steenen gang van twee meters breedte.

Het was ook hier ijskoud.

„Wij bevinden ons nu vijftien meter lager dan mijn huis,” verklaarde

mr. Sullivan. „Nu moeten wij eerst eenige minuten wachten, voordat het

water is weggeloopen.”

De diamanthandelaar ging naar een, voor elken oningewijde onzichtbaren

hefboom, die op heel vernuftige wijze in den muur was aangebracht en

draaide dezen naar rechts.

In het waterbassin moest hierdoor het ventiel van een afvoerbuis zijn

geopend, want Raffles zag, hoe de waterspiegel onmiddellijk begon te

dalen en hoe de inhoud van het bassin met elke seconde minder werd.

Tegelijkertijd werd een onderaardsch gebruisch vernomen.

„Het water vloeit regelrecht in de Theems uit,” sprak mr. Sullivan,

„ziet gij, nu duikt mijn strong-room in de diepte op.”

In het midden van het bassin verhief zich in de diepte een uit

granietsteenen opgetrokken bouwwerk.

Het was omgeven door een netwerk van zwarte draden, zoodat het er

uitzag, alsof er een vischnet over was uitgespreid.

Aan de eene zijde van het bassin voerde een kleine steenen trap naar

beneden en mr. Sullivan ging Raffles voor naar den nu geheel

drooggeloopen bodem.

Tevergeefs zocht Raffles met de oogen naar een deur of anderen ingang.

Weer zag hij, hoe mr. Sullivan op zij van het bassin een hevel

neerdrukte.

Voor Raffles verbaasde blikken zonk een der granietwanden van het

bouwwerk geruischloos in de diepte en twee groote stalen deuren toonden

aan, waar zich de ingang naar de schatkamer van den diamantenkoning

bevond.

„Ik heb heden,” sprak mr. Sullivan, terwijl hij bezig was met het

platte slot, waaraan een alphabet was aangebracht, „het hoofdslot op

den naam Victoria gesteld. Ik moet dus de letters V-i-c-t-o-r-i-a

neerdrukken, voordat ik met mijn sleutels de deur kan openen.

„Terwijl ik nu het slot open, weerklinken in mijn kantoren, waar mijn

beambten zich bevinden en ook op de naastbijgelegen politieposten

alarmsignalen. Wij moeten dus telkenmale, voordat ik mijn schatkamer

binnenga, al die aangeslotenen telephonisch op de hoogte stellen.”

„Kolossaal!” riep Raffles uit, „ik denk, dat, waar het uw strong-room

betreft, zelfs de geniale Raffles tevergeefs zijn kunsten zou

beproeven!”

„Zeer zeker,” lachte mr. Sullivan, „ik zou elke weddenschap met hem

durven aangaan, dat het hem niet zou gelukken, hier binnen te komen.”

Op dit oogenblik ging de deur open.

Electrische lampen verlichtten het inwendige van de schatkamer en

werden door de blauwglanzende stalen wanden weerkaatst

In glazen kasten, welke op tafels stonden, lagen de kostbare, zeldzame

steenen, om wier bezit reeds zoo oneindig veel misdaden werden

gepleegd.

Hier lagen juweelen, zooals een koningin ze zich niet schooner kon

denken, steenen van wonderbaarlijken glans en schitterende kleuren.

Het was een onschatbare rijkdom.

Mr. Sullivan opende een der glazen kasten en nam er een aantal steenen

uit, welke aan den klant, die in het bureau wachtte, moesten worden ter

hand gesteld.

„Wat zijn dit voor merkwaardige steenen?” vroeg Raffles, terwijl hij op

eenige zakken wees, waarin bruingrijze of bijna zwarte steenen lagen,

zoo groot als erwten of boonen.

„Dat zijn diamanten!” antwoordde mr. Sullivan, „steenen, welke nog niet

geslepen zijn. De allerkleinste steenen bewaar ik bijna als waardelooze

dingen in deze zakken.”

Hij wees naar twee, in een hoek staande, boordevolle zakken.

„Bijzonder interessant,” sprak Raffles, „maar veel interessanter dan

alle steenen vind ik de op meesterlijke wijze ingerichte en zoo goed

beveiligde schatkamer. Dat is eenvoudig een wonder van menschelijk

vernuft. Is dat uw eigen vinding?”

Raffles wist, dat het werkelijk het origineele idee van den

juweelenhandelaar was. Hij had dit in de courant gelezen.

Evenals alle menschen had ook mr. Sullivan zijn zwakke zijde en wel

zijn trots op de strong-room.

Hij glimlachte met eenige zelfingenomenheid, toen hij antwoordde:

„Jawel, uw Lordschap, het is geheel mijn eigen vinding!”

Samen verlieten zij nu het verblijf en toen de diamanthandelaar het

slot op bepaalde letters wilde stellen, sprak de pseudo-Lord:

„Sta mij toe, dat ik eens kijk en laat mij, als het u belieft, eens

zien, hoe gij het slot stelt. Hoe zoudt gij het vinden om den naam

Raffles eens te gebruiken?”

De diamanthandelaar glimlachte om dit grappige voorstel en voldeed met

groote welwillendheid aan het verzoek van Lord Melbourne.

Daarop ging mr. Sullivan weer naar den hevel, die zich aan een der

wanden van het bassin bevond.

Bijna geluidloos kwam de zware, massieve granieten muur uit de diepte

te voorschijn om de met stalen, platen gepantserde deur tegen het water

te beschermen. Daarop gingen beide heeren langs de kleine steenen trap

naar boven.

De diamantkoning drukte op den kleinen hefboom en onmiddellijk drong

met kracht het water het bassin binnen om het tot den rand te vullen.

Bijna een half uur was met dit alles voorbijgegaan, toen zij de

studeer- en werkkamer van mr. Sullivan weer binnenkwamen.

„Het is intusschen laat geworden,” sprak deze tot Raffles, terwijl hij

een blik wierp op zijn horloge, „ik ben van plan, met den trein van

drie uur naar Brighton te reizen.”

„Zoo?” antwoordde Raffles, schijnbaar zeer onverschillig. „Ik ben

dikwijls in Brighton en logeer er meestal in Hotel Continental.”

„Ik ook,” antwoordde mr. Sullivan, „het is het beste en geriefelijkst

ingerichte hotel daar. Ik blijf twee dagen weg, om eens andere en

zuiverder lucht in te ademen dan de Londensche. Daarna hoop ik de eer

te hebben, u weer eens bij mij te zien.”

Zij gaven elkaar een hand tot afscheid en Raffles ging naar huis.

Hij moest nu in de eerste plaats in het bezit trachten te komen van den

sleutel der strong-room, om zoodoende in de schatkamer te kunnen

binnendringen.

Twee dagen had hij hiervoor, want slechts gedurende dat tijdsverloop

kende hij het geheime woord van het letterslot.

Maar tevergeefs pijnigde hij zijn hersens, hoe hij dit ten uitvoer zou

brengen.

Mr. Sullivan was een uiterst voorzichtig man.

Het zou niet gemakkelijk zijn, hem den sleutel onderweg afhandig te

maken op de manier van een zakkenroller.

Hij moest er iets anders op vinden.

Nog een keer een bezoek te brengen aan mr. Sullivan, zou opvallend zijn

en argwaan wekken.

En bovendien vertrok de diamantkoning binnen een uur naar Brighton.

Raffles, die te voet naar huis terugkeerde, sloeg zich bij deze

gedachte met de vlakke hand tegen het voorhoofd, terwijl hij tot

zichzelf sprak:

„Juist, dat is het! Brighton!”

Haastig nam hij een rijtuig, om den verderen weg sneller af te leggen.

Hij gunde zich, daar aangekomen, nauwelijks den tijd om met Charly

Brand het allernoodigste te bespreken.

Binnen een kwartier had hij het uiterlijk aangenomen van een voornaam,

jong koopman, terwijl Charly Brand zich als diens bediende had

verkleed.

Zij haalden nog juist den luxetrein naar Brighton, dien men van het

eene eind naar het andere kon doorwandelen, omdat zij slechts één

klasse bevatte.

In een der afdeelingen ontdekte Raffles den door hem gezochten

diamantkoning.

Om zich te overtuigen, of deze hem herkende, ging hij lang tegenover

hem zitten.

Met onverschillige blikken keek mr. Sullivan hem aan.

Niets duidde aan, dat de voorname koopman eenigen achterdocht

koesterde.

Eenige uren later betrad de diamantkoning de vestibule van Hotel

Continental te Brighton en kreeg van den portier de sleutels van kamers

106 en 107.

Het was even voor zes uur.

Dadelijk na hem was Raffles binnengekomen en had in een der zetels, die

in de vestibule stonden, plaats genomen, waar hij zich in lectuur

verdiepte.

Lord Lister No. 0030: De Directeur der Koloniale Vereeniging · 第 1 / 4 段