HOOFDSTUK XXXVI

Potvisschen en walvisschen.

In den nacht van 13 op 14 Maart richtte de Nautilus zich weer naar

het zuiden. Ik dacht dat het vaartuig op de hoogte van kaap Hoorn

den steven naar het westen zou wenden, om weer koers te zetten

naar de Stille Zuidzee en aldus de onderzeesche reis om de aarde te

eindigen; doch dit gebeurde niet en het schip vervolgde den tocht

naar zuidelijker streken. Waar wilde de kapitein toch heen? Naar de

Zuidpool? Dat was onzinnig; ik begon wezenlijk te gelooven, dat de

roekeloosheid van Nemo de vrees van Ned Land rechtvaardigde.

Sinds eenigen tijd sprak de Amerikaan niet meer over zijn

ontvluchtingsplannen. Hij was minder opmerkzaam geworden; ik zag

wel hoezeer hem die langdurige gevangenschap kwelde, en ik begreep

hoeveel toorn hij opkropte. Als hij den kapitein ontmoette, blonk

een dof vuur in zijn oogen en ik vreesde altijd nog dat zijn woeste

natuur hem tot het een of ander uiterste zou drijven.

Dien dag, 14 Maart, kwamen Koenraad en hij in mijn kamer; ik vroeg

hen naar de oorzaak van hunne komst.

"Wij wilden u een eenvoudige vraag doen, mijnheer," antwoordde de

Amerikaan.

"Spreek op, Ned."

"Hoeveel man denkt gij dat er aan boord van den Nautilus zijn?"

"Dat kan ik u niet zeggen, mijn vriend."

"Het komt mij voor," hernam Ned Land, "dat er voor dit vaartuig geen

talrijke equipage noodig is."

"Inderdaad," antwoordde ik, een tiental mannen moeten, dunkt me,

voldoende zijn."

"Welnu," zei Ned, "waarom zouden er meer zijn?"

"Waarom?" vroeg ik.

Ik keek Ned Land strak aan, omdat zijn doel gemakkelijk te raden was.

"Omdat," zei ik, "als mijn voorgevoel mij niet bedriegt, en ik het

leven van kapitein Nemo goed begrepen heb, de Nautilus niet alleen een

vaartuig, maar ook een schuilplaats zijn moet voor allen, die even als

de kapitein elke betrekking met het bewoonde land hebben afgebroken."

"Misschien," zei Koenraad; "maar de Nautilus kan enkel een bepaald

aantal menschen bevatten, en zou mijnheer ons niet eens kunnen zeggen,

wat het grootste aantal zijn kan."

"Hoe dat, Koen?"

"Door berekening. Mijnheer kent den inhoud van den Nautilus en dus ook

de hoeveelheid daarin vervatte lucht; als mijnheer nu ook weet hoeveel

lucht elk mensch voor de ademhaling noodig heeft en dit vergelijkt

met de noodzakelijkheid waarin de Nautilus verkeert om elke vier en

twintig uur eens boven te komen...."

Koenraad eindigde zijn zin niet, maar ik begreep waar hij heen wilde.

"Ik begrijp u," zei ik, "maar hoewel die berekening gemakkelijk te

maken is, kan zij toch slechts een zeer onzekere uitkomst opleveren."

"Het doet er niet toe," drong Ned Land aan.

"Hoor dan eens," hernam ik: "elk mensch heeft ieder uur zooveel

zuurstof noodig als er in honderd liter zuivere lucht vervat is; dus

in vier en twintig uur de zuurstof van 2400 liter lucht. Nu moet men

berekenen hoeveel de Nautilus van deze hoeveelheid lucht bevatten kan."

"Juist," zei Koenraad.

"De inhoud van den Nautilus is 1500 ton, en een ton bevat duizend

liter; dus bevat de Nautilus 1500,000 liter lucht, dat door 2400

gedeeld...."

Ik berekende het snel op een stukje papier.

".... geeft 625; dat is dus te zeggen, dat de lucht die de Nautilus

bevat, juist genoeg zou zijn voor 625 menschen gedurende vier en

twintig uur."

"625!" herhaalde Ned.

"Doch gij kunt gerust aannemen," voegde ik er bij, "dat passagiers

en equipage bij elkander nog geen tiende deel van dit getal uitmaken."

"Dat is nog te veel voor drie menschen," mompelde Koenraad.

"Ik moet je dus alleen geduld aanraden, vriend Ned."

"En nog meer dan geduld," voegde Koen er bij, "onderwerping."

Koenraad had het juiste woord gekozen.

"Bovendien," hernam hij, "kan kapitein Nemo toch niet altijd naar

het Zuiden gaan! Hij moet toch ééns ophouden, al was het maar voor de

ijsbank, en dan moet hij toch naar meer bezochte zeeën terugkeeren! Dan

is het tijd genoeg om de plannen van Ned Land weer op te vatten."

De Amerikaan schudde het hoofd, streek met de hand over het voorhoofd,

sprak geen woord meer en ging heen.

"Mijnheer vergunt mij zeker wel om een opmerking te maken," zei

Koenraad toen; "die arme Ned denkt aan alles wat hij niet krijgen

kan; zijn geheele vroegere leven komt hem weer voor den geest;

hij treurt om alles wat wij missen; zijn vroegere herinneringen

kwellen hem, zijn gemoed is vol; men moet hem begrijpen. Wat kan

hij hier uitrichten? Niets: hij is geen geleerde zooals mijnheer,

en kan niet zooals wij liefhebberij hebben in al het wonderschoone,

dat de zee oplevert. Hij zou er alles voor wagen om eens in zijn land

in een kroeg te kunnen zitten!"

Het is zeker dat de eentonigheid van het scheepsleven voor

den Amerikaan, die aan een vrij en werkzaam leven gewoon was,

onverdraaglijk zijn moest; voorvallen, die hem belang konden

inboezemen, vielen zelden voor; echter herinnerde hem juist dien dag

iets aan zijn schoone dagen als harpoenier.

Toen wij tegen elf uur des morgens boven dreven, kwam de Nautilus

tusschen een troep walvisschen, een ontmoeting, die mij niet

verwonderde, omdat ik wist dat deze dieren, door felle jachten tot

het uiterste gedreven, naar ver in het noorden of zuiden gelegen

zeeën gevlucht zijn.

De walvisch heeft altijd een groote rol gespeeld op het gebied

der scheepvaart, en ontzaglijk grooten invloed uitgeoefend op de

aardrijkskundige ontdekkingen. Die visch heeft eerst de Basken, later

Asturiërs, Engelschen en Hollanders aangelokt, hen tegen alle gevaren

der zee gehard gemaakt en hen van het eene uiterste der aarde naar het

andere gevoerd. De walvisschen leven het liefst in de Noordelijke en

Zuidelijke IJszeeën. Oude legenden zeggen zelfs, dat deze dieren de

visschers tot op 28 kilometer van de Noordpool hebben gevoerd! Als

het feit onwaar is, zal het toch eens waar worden, en vermoedelijk

zullen de walvischvaarders bij het vervolgen van die dieren in de

poolzeeën eenmaal de tot nog toe onbekende punten der aarde bereiken.

Wij zaten op het plat, de zee was kalm, want de Octobermaand schonk

ons op deze hemelbreedte nog eenige schoone herfstdagen. De Amerikaan

bespeurde aan den gezichteinder een walvisch en hij kon zich daarin

niet bedriegen. Als men goed toekeek, zag men den zwarten rug

beurtelings verschijnen en verdwijnen op ongeveer vijf kilometer van

den Nautilus.

"O!" riep Ned Land, "was ik maar eens aan boord van een

walvischvaarder! Zulk een ontmoeting zou mij genoegen doen! Het is

een groot beest; ziet eens met welk een kracht het de waterstralen

opspuit! Duizend duivels, waarom zit ik ook op deze ijzeren kast

vastgeketend!"

"Hoe Ned," zei ik, "heb-je de vroegere vischliefhebberij nog niet

afgezworen?"

"Kan een walvischvaarder zijn oud ambacht ooit vergeten,

mijnheer? Krijgt men wel ooit genoeg van het genot van zulk een jacht?"

"Heb-je in deze streken nog nooit gevischt, Ned?"

"Nooit, mijnheer; alleen in de Noordelijke IJszee, zoowel in de

Behring- als Davisstraten."

"Dan is de zuidelijke walvisch je onbekend; je hebt alleen jacht

gemaakt op de Noordelijke walvisschen, die zich niet wagen in de

zeeën tusschen de keerkringen."

"Wat zegt gij daar mijnheer?" vroeg de Amerikaan ongeloovig.

"Ik zeg wat waar is."

"Komaan! Ik zelf heb in '65, dus nu derdehalf jaar geleden, bij

Groenland een walvisch gevangen, met een harpoen in zijn lichaam die

een walvischvaarder aan de Behringstraat er in had gegooid. Nu vraag

ik eens hoe het mogelijk is dat een walvisch, die aan de westkust

van Amerika gewond wordt, zich aan de oostkust laat dooden, als hij

niet om kaap Hoorn of om de kaap de Goede Hoop, en over den evenaar

is heen gezwommen?"

"Ik denk er over zooals vriend Ned," zei Koenraad, "en ik ben

nieuwsgierig wat mijnheer zal antwoorden."

"Mijnheer zal u antwoorden," hervatte ik, "dat de walvisschen

volgens hun soorten in bepaalde zeeën te huis behooren, die zij

niet verlaten. En indien een van deze dieren uit de Behring- en

de Davisstraat gekomen is, dan is dit heel eenvoudig, omdat er een

doorvaart van de eene zee naar de andere bestaat, hetzij langs de

noordkust van Amerika, hetzij langs die van Azië."

"Moet ik u gelooven?" vroeg Ned, terwijl hij een oogje knipte.

"Gij moet mijnheer gelooven," antwoordde Koenraad.

"Dan besluit ik hieruit," hernam de harpoenier, "dat ik de walvisschen

van deze zee niet ken, omdat ik hier nog niet geweest ben."

"Zooals ik u zei, Ned."

"Een reden te meer om er kennis mede te maken," antwoordde Koenraad.

"Kijk eens, kijk eens!" riep de Amerikaan met bewogen stem, "hij

nadert, hij komt naar ons toe, hij daagt mij uit! Hij weet wel,

dat ik onmachtig tegenover hem ben!"

Ned stampte op den grond en kneep zijn vuist samen alsof hij een

harpoen drilde.

"Zijn die dieren ook zoo groot als in de noordelijke poolzeeën?" vroeg

hij.

"Bijna, Ned."

"Want ik heb groote walvisschen gezien, mijnheer, beesten van ruim

dertig meter lang. Zelfs heb ik wel hooren zeggen, dat de walvisschen

bij de Aleutische eilanden soms vijftig meter lang waren."

"Dat komt mij overdreven voor," antwoordde ik. "Bij de Aleuten is

een soort van walvisschen met rugvinnen, die even als de potvisschen

kleiner zijn dan de gewone walvisch."

"O!" riep de Amerikaan, die de oogen niet van de zee afwendde,

"hij komt in ons vaarwater!"

Daarna hervatte hij het gesprek aldus: "Gij noemt den potvisch een

klein dier; men verhaalt toch van reusachtige potvisschen; het zijn

slimme beesten; sommige, zegt men, bedekken zich met zeeplanten

en wier; men denkt dan dat het eilanden zijn; men landt er op, men

vestigt er zich, legt vuur aan...."

"En men bouwt er huizen op!" zei Koenraad lachende.

"Jawel, grappenmaker," antwoordde Ned Land, "en dan op een mooien

dag duikt het beest, en sleept al wat er op is mee naar beneden."

"Precies als in de reisavonturen van Simbad den zeevaarder," hernam ik

lachend. "Kom, Ned, het schijnt dat je van wonderverhalen houdt! Wat

moeten dat wel voor potvisschen zijn! Ik hoop toch dat je die verhalen

niet gelooft!"

"Mijnheer de professor," zei Ned Land ernstig, "men moet van de

walvisschen alles gelooven.--Wat een gang heeft deze! Wat schiet hij

vooruit! Men zegt dat die dieren in veertien dagen om de aarde kunnen."

"Ik ontken het niet."

"Maar wat gij zeker niet weet, mijnheer Aronnax, is, dat de walvisschen

bij de schepping der wereld veel sneller zwommen."

"Zoo Ned en waarom?"

"Omdat zij even als de andere visschen den staart toen dwars hadden

staan, dat is te zeggen dat hun staart vertikaal stond, en het water

links en rechts weg sloeg. Maar toen de Schepper zag dat zij te snel

zwommen, draaide hij hun den staart om, en sedert dien tijd slaan

zij van boven naar beneden in het water, tot groot nadeel voor hun

snelheid."

"Goed, Ned," zei ik, en dezelfde woorden als de Amerikaan gebruikende,

vroeg ik, "moet ik je gelooven?"

"Niet al te veel," antwoordde Ned, "niet meer ten minste dan toen ik

u zei, dat er walvisschen van honderd meter lang en honderdduizend

kilo zwaar zijn."

"Dat is werkelijk nog al veel," zei ik, "maar men moet toch erkennen

dat sommige walvisschen verbazend groot worden, als men hoort, dat

zulk een beest soms tot honderdtwintig ton traan geeft."

"Dat heb ik met eigen oogen gezien," zei de Amerikaan.

"Ik geloof het graag, Ned, zoo goed als ik geloof dat sommige

walvisschen even groot zijn als honderd olifanten. Ga nu eens na

welk een stoot het geven moet, als zulk een massa zoo snel mogelijk

vooruitschiet."

"Is het waar," vroeg Koenraad, "dat zij schepen kunnen doen zinken?"

"Schepen geloof ik niet," antwoordde ik. "Men verhaalt echter dat in

1820 in deze zuidelijke Poolzee een walvisch zich op de Essex wierp,

en het schip met een snelheid van vier meter in de seconde achteruit

deed stuiven. De golven drongen het achterschip binnen, en deden de

Essex bijna oogenblikkelijk zinken?"

Ned zag mij aan met een schalksch gelaat.

"Wat mij aangaat," zei hij, "ik heb ook eens een slag van een

walvischstaart gehad, maar.... in mijn sloep, dat spreekt. Mijn makkers

en ik werden zes meter in de hoogte gesmeten, maar bij dien walvisch

van mijnheer was de mijne nog maar een kleintje."

"Leven die beesten lang?" vroeg Koenraad.

"Duizend jaar," antwoordde Ned zonder aarzelen.

"En hoe weet jij dat, Ned?"

"Omdat men het zegt."

"En waarom zegt men dat?"

"Omdat men het weet."

"Neen, Ned, men weet het niet, maar men veronderstelt het slechts

en ziehier hoe men de gevolgtrekking maakt. Toen vier honderd jaar

geleden de visschers voor het eerst jacht maakten op walvisschen,

waren die beesten grooter dan nu. Men veronderstelt dus vrij logisch,

dat de mindere grootte der tegenwoordige walvisschen daaraan is

toe te schrijven, dat zij den tijd niet hebben om zich volkomen te

ontwikkelen. Dat is de oorzaak waarom Buffon gezegd heeft, dat deze

dieren duizend jaar konden en moesten leven. Begrepen?"

Ned Land luisterde niet naar mij; de walvisch kwam steeds nader;

Ned verslond het dier met de oogen.

"O," riep hij uit, "het is niet éen walvisch, het zijn er tien,

twintig, een heele troep! En niets kunnen doen, aan handen en voeten

gebonden te zijn!"

"Maar vriend Ned, waarom vraag je den kapitein geen vergunning om er

jacht op te maken?"

Koenraad had zijn volzin nog niet geëindigd, toen Ned Land al door

het luik naar beneden sprong, om den kapitein te zoeken. Eenige

oogenblikken daarna verschenen beiden op het plat. Kapitein Nemo

beschouwde den troep walvisschen, die op een kilometer afstand van

den Nautilus dartelden.

"Het zijn zuidelijke walvisschen," zei hij, "de geheele fortuin van

een vloot walvischvaarders zwemt vóór ons."

"Nou dan, mijnheer," vroeg de Amerikaan, "mag ik er eens jacht op

maken, al was het alleen maar om mijn ambacht van harpoenier niet

te vergeten?"

"Waarvoor zou dat dienen?" antwoordde de kapitein, "alléen jagen om

te vernielen; wij hebben geen walvischtraan noodig."

"En in de Roode Zee," hernam Ned, "hebt u ons verlof gegeven om een

dugong te verdelgen."

"Toen had ik behoefte aan versch vleesch voor mijn manschappen, maar

hier zou het alléen zijn om het genot te hebben van te moorden; ik weet

wel dat dit een voorrecht van den mensch is, maar ik houd niet van dat

moorddadig vermaak. Uws gelijken begaan een laakbare daad, meester

Land, met den zuidelijken evenals den noordelijken walvisch, zulke

goede en weerlooze dieren, te vernietigen. Zoo hebben zij de geheele

Baffinsbaai reeds ontvolkt, en zullen een geheele soort van nuttige

dieren uitroeien. Laat ons dus die arme walvisschen met vrede laten;

zij hebben reeds genoeg met hunne natuurlijke vijanden, de pot- zwaard-

en zaagvisschen te doen, zonder dat gij er u mee hoeft te bemoeien."

Men kan zich voorstellen welk gezicht de Amerikaan bij deze zedeles

trok. Het was den moriaan gewasschen, om zulk een reden aan een

visscher te willen opgeven. Ned Land keek den kapitein eens aan, en

begreep zeker niet wat hij zeggen wilde. De kapitein had echter gelijk;

de woeste en onnadenkende vervolgingszucht der walvischvaarders zal

eens den laatsten walvisch uit den Oceaan doen verdwijnen.

Ned Land floot de Yankee-doodle, stak de handen in de zakken en keerde

ons den rug toe. Kapitein Nemo bleef evenwel den troep walvisschen

bekijken, en zei, terwijl hij zich tot mij richtte:

"Ik had gelijk met te zeggen, dat zonder eens den mensch mee te tellen,

de walvisschen genoeg natuurlijke vijanden hebben; deze zullen hier

heel spoedig met een sterke tegenpartij te doen hebben. Ziet gij

daar op acht kilometer onder den wind, mijnheer Aronnax, die zwarte

beweegbare punten?"

"Jawel, kapitein," antwoordde ik.

"Dat zijn potvisschen, vreeselijke dieren, die ik soms bij troepen

van twee en drie honderd ontmoet heb. Men heeft gelijk die monsters

te vernielen, omdat zij wreed en kwaadaardig zijn."

De Amerikaan keerde zich bij deze woorden driftig om.

"Welnu, kapitein," zei ik, "dan is het nog tijd, in het belang der

walvisschen,"

"Het is onnoodig zich bloot te stellen, mijnheer de professor: de

Nautilus is voldoende in staat om die potvisschen te verdelgen. Hij

is met een stalen spoor gewapend, die, naar ik mij verbeeld, wel

tegen den harpoen van meester Land kan opwegen."

De Amerikaan ontzag zich niet de schouders op te halen. Deze beesten

met spoorslagen aanvallen! wie had dat ooit gehoord?

"Wacht maar, mijnheer Aronnax," zei de kapitein, "wij zullen u op

een jachtpartij onthalen, die u nog niet kent; geen medelijden met

die woeste visschen; het zijn enkel bek en tanden!"

Bek en tanden! Men kon den grootkoppigen, soms vijf en twintig meter

langen potvisch geen beteren naam geven. De verbazend groote kop van

dit monster vormt ongeveer een derde deel van zijn lichaam. Flinker

gewapend dan de walvisch, wiens bovenkaak alleen met baarden voorzien

is, heeft hij vijf en twintig groote tanden, twintig centimeter lang,

kegelvormig, en elk twee kilo wegend. In het bovendeel van den kop,

tusschen de kraakbeenderen, bevinden zich drie of vier honderd kilo

van de kostbaarste blanke traan. De potvisch is een wanstaltig dier,

eerder zoogdier dan een visch; hij is slecht gebouwd, en vooral aan

den linkerkant geheel misvormd, terwijl hij alleen met het rechteroog

kan zien.

De monsterachtige troep bleef steeds naderen; zij hadden de

walvisschen gezien en maakten zich gereed die aan te vallen. Men

kon vooruit berekenen, dat de potvisschen het zouden winnen; niet

alleen omdat zij beter gevormd zijn om hun weerlooze tegenstanders te

overmeesteren, maar ook omdat zij langer onder water kunnen blijven

zonder aan de oppervlakte te komen ademhalen. Het was meer dan tijd

om de walvisschen te hulp te komen. De Nautilus dook een weinig onder

water. Koenraad, Ned en ik gingen aan de ramen van den salon zitten. De

kapitein begaf zich naar den stuurstoel om met zijn vaartuig als met

een verdelgingstoestel te manoeuvreeren. Weldra voelde ik de schroef

vlugger draaien en onze snelheid vermeerderen.

De strijd tusschen walvisschen en potvisschen was reeds begonnen toen

de Nautilus er bij kwam. Het vaartuig sneed den troep potvisschen af:

deze waren eerst niet zeer verwonderd over de verschijning van een

nieuw monster dat zich in den strijd mengde, doch moesten zich weldra

voor zijn slagen vrijwaren.

Welk een strijd! Ned Land zelf was in verrukking en klapte in de

handen. De Nautilus was slechts één reusachtige harpoen, door de hand

van den kapitein gedrild. Het schip vloog tegen die vleezige massa's

aan, doorboorde ze geheel en al, zoodat er na dien stoot slechts twee

afzichtelijke helften van het dier overbleven. Het had geen gevoel van

de vreeselijke slagen, welke de potvisschen er met den staart tegen

gaven, evenmin van de stooten, die het uitdeelde. Als een potvisch

gedood was, wierp de Nautilus zich op een ander, ten einde zijn prooi

niet te missen, vloog, gehoorzaam aan het roer, voor- en achteruit,

dook als de visch naar de diepte zwom, kwam er weer mee boven als

de potvisch naar de oppervlakte vluchtte, trof hem in 't midden of

schuins, sneed het beest in tweeën of scheurde het van elkander,

sloeg de monsters in allerlei richtingen en allerhande houdingen met

zijn geweldige spoor.

Welk een slachting! wat een geweld aan de oppervlakte van den Oceaan;

wat lieten de ontstelde dieren een scherp geblaas en een bijzonder

gebrul hooren! In 't midden van deze gewoonlijk zoo kalme zee,

zweepten zij met den staart het water in hooge golven op.

Deze Homerische slachting, waaraan de potvisschen niet konden ontkomen,

duurde ongeveer een uur; meermalen beproefden een tien- of twaalftal

met vereende krachten den Nautilus onder hun gewicht te verpletteren;

wij konden door het glas hun vreeselijken muil, hunne groote tanden,

hun woest oog zien; Ned Land was zich zelven niet meer meester,

dreigde ze en schold ze uit. Men voelde dat zij zich aan ons vaartuig

vastklampten, evenals honden, die een stuk wild in het kreupelhout

vastpakken. Maar de Nautilus bracht de schroef slechts wat sneller in

beweging, sleepte hen mee of voerde ze naar het oppervlak der zee,

zonder zich om hun verbazend gewicht of om hun krachtige aanvallen

te bekreunen. Eindelijk was de menigte potvisschen wat opgedund, en

werd de zee wederom kalm; ik voelde dat wij weer boven kwamen. Het

luik werd geopend, en wij snelden naar het plat.

De zee was met verminkte krengen bedekt. Een geweldige uitbarsting

zou de vleeschklompen niet beter gedood, vaneengescheurd en vernield

hebben. Wij dreven te midden van reusachtige lichamen die blauwachtig

op den rug, wit aan den buik en met groote builen of uitwassen bedekt

waren. Eenige potvisschen zagen wij, zoover het oog reikte, angstig

vluchten; de golven waren verscheiden kilometer in den omtrek rood

geverfd, de Nautilus dreef te midden eener zee van bloed.

Kapitein Nemo kwam bij ons.

"Welnu, wat zegt gij er van, Ned?" vroeg hij.

"Het is een verschrikkelijk schouwspel," zei de Amerikaan, wiens

geestdrift vrij wat bekoeld was. "Maar ik ben geen slager, ik ben

slechts jager, en dit is een slachting."

"Het is een verdelging van schadelijke dieren," antwoordde de kapitein,

"en de Nautilus is geen slachtersmes."

"Ik houd meer van mijn harpoen," hervatte Ned.

"Elk zijn meug!" antwoordde kapitein Nemo, terwijl hij Ned Land strak

aankeek. Ik vreesde dat deze zich soms tot eenige drift liet vervoeren,

wat noodlottige gevolgen had kunnen hebben; maar zijn toorn werd

afgeleid door het gezicht van een walvisch, waar de Nautilus op dat

oogenblik tegen aandreef. Het dier had aan den beet der potvisschen

niet kunnen ontsnappen. Ik herkende den Zuidelijken walvisch,

aan den afgeplatten, geheel zwarten kop. Hij is van den noordkaper

of noordelijken walvisch onderscheiden door de aaneenhechting der

zeven halswervels en doordat hij twee ribben meer heeft dan zijn

noordelijke natuurgenoot. De ongelukkige walvisch lag op zijde; de

potvisschen hadden hem verscheiden wonden in den buik toegebracht;

hij was dood. Een jong, dat door de moeder niet was kunnen beschermd

worden tegen den moorddadigen aanval, hing nog aan zijn gescheurde

vinnen. Door den open bek liep het zeewater, en maakte tusschen de

baarden binnenstroomend, een geluid als de branding der zee.

Kapitein Nemo liet den Nautilus naast het dier sturen; twee man der

equipage gingen op den visch staan, en ik zag niet zonder verbazing

dat zij uit de tepels van het dier al de melk haalden, welke er in

was, dat is te zeggen zoo wat twee of drie tonnen vol. De kapitein

bood mij een kop van die lauwe melk aan; ik kon eenigen afkeer van

dien vreemden drank niet ontveinzen. Hij verzekerde mij dat de melk

voortreffelijk, en er geen onderscheid met koemelk in te proeven

was. Ik proefde dus en moest hem gelijk geven. Het was dus voor ons

een nuttige aanwinst, want die melk maakte in den vorm van boter en

kaas een aangename afwisseling met onze gewone spijzen.

Van dien dag af merkte ik, niet zonder ongerustheid, dat de verhouding

van Ned Land tegenover den kapitein hoe langer hoe slechter werd, en ik

nam mij voor de handelingen van den Amerikaan van nabij gade te slaan.

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 15 / 27 题