De ijsbank.
De Nautilus had zijn vaart naar het Zuiden ongestoord weer
voortgezet; het schip volgde den vijftigsten meridiaan met verbazende
snelheid. Wilde de kapitein de pool dan bereiken? Ik dacht het niet,
want tot nog toe hadden alle plannen om tot dit punt van den aardbol
te geraken, schipbreuk geleden. Bovendien was het jaargetijde reeds
vrij ver gevorderd, daar 13 Maart in het Zuiden met 13 September in
het Noorden overeenkomt.
Den 14den Maart zag ik op 55° breedte drijvende ijsschotsen; het
waren brokken van zes of acht meter lengte, die daar ronddreven als
klippen waartegen de golven braken. De Nautilus bleef boven drijven;
Ned Land die vroeger reeds in de Noordelijke IJszee gevischt had,
kende die ijsbergen, maar Koen en ik bewonderden ze voor de eerste
maal. Aan den zuidelijken gezichteinder strekte zich een schitterend
witte streep uit. Engelsche walvischvaarders hebben er den naam van
"ijsschittering" aan gegeven. Hoe dik de wolken ook zijn mogen,
zij kunnen deze heldere streep niet verduisteren; zij kondigt een
ijsbank aan. Inderdaad, weldra verschenen grootere stukken, welker
helderheid afwisselde naar gelang van de nevels, waarin wij gehuld
waren. Sommige van die gevaarten hadden groenachtige aderen, alsof
zwavelzuur koper er zulke golvende lijnen op getrokken had; andere
zagen er uit als verbazend groote amathysten, waar de lichtstralen
doorheen vielen, wederom andere kaatsten het daglicht tegen de
duizende kristalvlakjes terug; nog andere waren hagelwit als kalksteen,
en zouden als ze van marmer waren geweest, bouwstof genoeg voor een
geheele stad hebben opgeleverd. Hoe verder wij naar het Zuiden gingen,
hoe meer de drijvende eilanden in grootte en getal toenamen. Duizenden
vogels hadden er hun nesten op gebouwd; zij verdoofden ons door hun
geschreeuw. Sommige zagen den Nautilus voor een dooden walvisch aan,
streken er op neer en pikten op de ijzeren platen.
Bij deze vaart tusschen de ijsbergen was kapitein Nemo dikwijls
op het plat. Hij beschouwde deze eenzame stilte met de grootste
oplettendheid; ik zag zijn kalm gelaat zich soms verlevendigen. Zeide
hij mogelijk bij zich zelven dat hij in die poolzeeën, waar niemand kon
doordringen, zich te huis gevoelde, en hij alleen de ondoordringbare
ruimte beheerschte? Misschien wel, doch hij sprak niet, hij stond
onbeweeglijk, en scheen nu en dan slechts tot zich zelven te komen als
hij zijn schip moest besturen. Hij richtte zijn Nautilus met volmaakte
bekwaamheid, en vermeed behendig den schok met de ijsgevaarten, van
welke sommige verscheiden kilometer lang en zeventig of tachtig meter
hoog waren. Soms scheen het alsof de gezichteinder geheel gesloten
was: op 60° Z.B. was bijna alle ruimte om te varen verdwenen; maar de
kapitein zocht nauwkeurig, en vond weldra weer een kleine opening,
waardoor hij stoutmoedig heengleed, echter wetende, dat zij zich
onmiddellijk achter hem zou sluiten.
Zoo gleed de Nautilus, door een bekwame hand bestuurd, tusschen al
die ijsbergen, die eindelooze ijsvelden, die drijvende ijsschotsen,
die langere of kortere ijsbrokken door. De temperatuur was vrij laag;
de thermometer wees in de lucht twee of drie graden onder nul. Doch
wij waren warm gekleed met bont, waarvoor zeekalven en ijsberen de
huiden hadden geleverd. Het inwendige van den Nautilus werd door
de electrische toestellen regelmatig verwarmd, en tartte dus de
vinnigste koude. Bovendien zou het voldoende geweest zijn, eenige
meters onder water te duiken, om er een dragelijke temperatuur te
vinden. Twee maanden eerder zouden wij op deze hoogte aanhoudend
dag hebben gehad, maar nu werd het gedurende drie of vier uur reeds
nacht en later zouden deze poolstreken gedurende zes maanden in een
nachtelijk duister gehuld zijn.
Den 15den Maart kwamen wij op de hoogte der Nieuw-Shetlandsche en
der Orkney-eilanden. De kapitein deelde mij mede dat deze streken
vroeger door een ontzaglijke menigte zeekalven werden bewoond, maar dat
Engelsche en Amerikaansche walvischvaarders in hun verdelgingswoede
de jongen en de wijfjes doodden, en stilte des doods hadden verwekt,
waar vroeger leven en beweging was.
Den 16den Maart, tegen acht uur 's morgens, voer de Nautilus op
den vijfentwintigsten meridiaan over den zuiderpoolcirkel; het ijs
omringde ons van alle kanten en sloot den gezichteinder. Evenwel
stuurde kapitein Nemo van spleet tot spleet en voer immer verder.
"Maar waar gaat hij toch heen?" vroeg ik.
"Recht door zee!" antwoordde Koenraad. "Als hij niet verder kan,
zal hij wel ophouden."
"Daar zou ik nog geen eed op durven doen," antwoordde ik.
Doch om ronduit te spreken, moet ik bekennen, dat deze avontuurlijke
tocht mij niet onaangenaam was. Ik kan niet zeggen hoe mij de
schoonheden van deze nieuwe streken in verrukking brachten. De
ijsbergen namen prachtige gedaanten aan. Hier vormden zij een
Oostersche stad met ontelbare koepels en moskeeën, daar vormden
zij als het ware een in puin gestort oord, dat door een aardbeving
verwoest was. De gezichten veranderden elk oogenblik, hetzij door
den schuinen stand der zonnestralen, hetzij door grauwen nevel of
sneeuwstormen. Dan hoorden wij van alle kanten vreeselijke knallen,
ineenstorting of val van groote ijsbergen, waardoor het landschap
elk oogenblik van gedaante veranderde.
Als de Nautilus soms onder water voer, wanneer zulke kolossen in
elkander stortten, dan plantte zich het gedruisch onder water met een
vreeselijke kracht voort; en de val van die gevaarten bracht dan de zee
tot zelfs op groote diepte in heftige beweging. De Nautilus slingerde
dan als een schip, dat aan de woede der elementen is blootgesteld.
Dikwijls zag ik geen enkelen uitgang en dacht dat wij bepaald waren
ingesloten; maar kapitein Nemo werd door een soort van instinct geleid,
en ontdekte bij de minste sporen zelf steeds nieuwe openingen, waar
hij met zijn Nautilus doorheen kon komen. Hij bedroog zich nimmer
op het gezicht van het minste spoor van het blauwgekleurde zeewater
tusschen de ijsvlakten. Ik twijfelde er dus niet aan, of hij had zijn
Nautilus reeds meer in deze zuidelijke poolzeeën gebracht.
Den 16den Maart echter sloot de ijsmassa ons geheel en al den weg
af; het was de ijsbank nog wel niet, doch groote ijsvelden, door de
koude aan elkander bevestigd. Deze hinderpaal kon kapitein Nemo niet
ophouden, hij dreef zijn vaartuig met vreeselijke kracht tegen de
ijsvlakte in. De Nautilus drong als een wig in deze brosse massa,
en spleet haar met geweldig gekraak van elkander; het was de oude
stormram, door een onbeperkte kracht in beweging gebracht. De stukken
ijs werden hoog in de lucht geslingerd en vielen als hagelsteenen weer
op ons neer, alleen door zijn voortstuwende kracht boorde ons vaartuig
zich een weg. Soms vloog de Nautilus in zijn onstuimige vaart op het
ijs, en verbrijzelde dit dan onder zijn zwaarte, dan weer schoot hij
er onder, doch deed de oppervlakte, door er slechts wat tegenaan te
stampen, vaneen barsten. Gedurende al die dagen overvielen ons hevige
sneeuwvlagen; soms mistte het zoo sterk, dat men van het eene einde
van het plat niet naar het andere kon zien; de wind draaide plotseling
door alle streken van het kompas. De sneeuw vroor zoo hard aan elkaar,
dat wij die met het houweel vaneen moesten slaan. Bij een temperatuur
van vijf graden onder nul werd de geheele buitenzijde van den Nautilus
met ijs bedekt. Op een schip zou men geen enkele manoeuvre hebben
kunnen uitvoeren, omdat het geheele want vastgevroren zou geweest zijn;
een vaartuig zonder zeilen, door electriciteit in beweging gebracht,
zoodat het geen steenkolen noodig had, kon ongestraft zich op zulk
een breedte wagen.
Onder deze omstandigheden bleef de barometerstand gewoonlijk zeer laag;
hij daalde zelfs tot 735 m.M. De aanwijzing van het kompas leverde geen
enkelen waarborg meer op. De naalden wezen tegengestelde richtingen
aan, toen wij de magnetische Zuidpool naderden, welke niet met de
Zuidpool der aarde samenvalt. Volgens Hansten ligt zij op omstreeks
70° Z.B. en 130° W.L., doch volgens de waarnemingen van Duperrez op
70° 30' Z.B. en 135° W.L. Wij moesten tal van waarnemingen doen met
verschillende kompassen, die in de onderscheidene deelen van het
vaartuig waren neergezet, en daaruit een gemiddelde zoeken. Doch
dikwijls bepaalde men den afgelegden weg slechts op de gis, hoewel
die maatregel al bijzonder weinig voldoende was, te midden van die
bochtige doorvaarten, welker richting ieder oogenblik veranderde.
Eindelijk lag de Nautilus den 18den Maart, na tal van nuttelooze
pogingen om verder te komen, geheel ingesloten. Het waren geen
ijsvelden of ijsklompen meer, doch het was een eindelooze en
onbewegelijke hinderpaal, welke uit aan elkander vastgevroren bergen
bestond.
"De ijsbank!" zei de Amerikaan.
Ik begreep dat dit voor Ned Land evenals voor alle zeevaarders, die
ons voor waren gegaan, een onoverkomelijke hinderpaal was. Toen de
zon tegen den namiddag een oogenblik verscheen, nam kapitein Nemo
vrij nauwkeurig onze hoogte; wij waren op 51° 30' lengte en 67° 30'
breedte. Het was in deze zuidelijke poolzeeën een vrij ver gevorderd
punt; van een zee was er evenwel niets te zien. Vóór den Nautilus
strekte zich een groote vlakte uit, bezaaid met grillig gevormde
ijsblokken, in de zonderlinge wanorde, die het bevroren vlak eener
rivier kenmerkt, eenigen tijd voordat zij aan het kruien gaat, maar
hier in veel geduchter afmetingen, zooals zich laat begrijpen.
Hier en daar staken scherpe punten tot op twee honderd voet hoogte
uit; verder zag ik een rij scherpe en hoekige grijs getinte klippen,
waarop enkele zonnestralen als in een spiegel door den mist heen
terugkaatsten. En in die eenzame natuur heerschte een doodsche
stilte, ter nauwernood soms afgebroken door het geklapwiek van een
stormvogel. Alles was bevroren, zelfs het geluid.
De Nautilus moest dus op zijn avontuurlijken tocht in het midden van
deze ijsvelden blijven steken.
"Als uw kapitein nog verder gaat, mijnheer,".... zei mij dien dag
Ned Land.
"Welnu?"
"Dan is hij een baas."
"Waarom, Ned."
"Omdat niemand over de ijsbank kan heenkomen. Uw kapitein is bij de
hand, maar hij is voor den duivel niet sterker dan de natuur, en waar
deze een grens heeft gesteld, moet men, of men wil of niet, ophouden."
"Je hebt gelijk, Ned, en toch zou ik wel eens willen weten, wat er
achter die ijsbank zit! Er is niets dat mij boozer kan maken dan
een muur."
"Mijnheer heeft gelijk," zei Koenraad; "muren zijn maar uitgevonden
om geleerden te hinderen; er moesten nergens muren zijn."
"Goed," antwoordde de Amerikaan. "Achter de ijsbank weet men wel wat
er te vinden is."
"Wat dan?" vroeg ik.
"IJs en nog eens ijs!"
"Gij zijt daar zeker van, Ned," antwoordde ik, "doch ik niet; daarom
juist zou ik het wel eens willen onderzoeken."
"Welnu, mijnheer," hervatte de Amerikaan, "laat dat denkbeeld
varen. Gij ligt hier voor die ijsbank, laat u dat genoeg zijn, want
gij noch uw kapitein Nemo, noch zijn Nautilus kunnen verder. En of
hij wil of niet, hij zal naar het noorden, dat is naar het land der
fatsoenlijke menschen, moeten terugkeeren."
Ik erken dat Ned Land gelijk had, en zoolang er geen schepen gebouwd
worden, om over die ijsvelden te varen, zullen wij wel altijd voor
die ijsbank blijven steken.
Niettegenstaande zijn pogingen en krachtige middelen, die hij inspande
om het ijs te doen barsten, was de Nautilus tot onbeweeglijkheid
gedoemd. Als iemand niet verder kan, is hij gewoonlijk van de zaak af
door terug te keeren; maar hier was het even onmogelijk om terug te
keeren als om vooruit te komen, want alle doorgangen waren achter ons
gesloten, en als ons vaartuig nog eenigen tijd stil bleef liggen, zou
het wel geheel in en onder het ijs besloten zijn. Dit gebeurde zelfs
tegen twee uur 's middags, en het ijs vormde zich tegen de wanden
van den Nautilus met verbazende snelheid. Ik moet erkennen, dat het
gedrag van kapitein Nemo op zijn minst genomen onvoorzichtig was.
Ik stond op dit oogenblik op het plat; de kapitein beschouwde onzen
toestand gedurende eenige minuten, en zei toen:
"Welnu, mijnheer, wat denkt gij er van?"
"Ik denk dat wij vast zitten, kapitein."
"Vast, hoe meent gij dat?"
"Ik meen dat wij noch voor noch achteruit, noch ergens heen kunnen;
dit noemt men geloof ik 'vast zitten,' ten minster onder beschaafde
natiën."
"Gij denkt dus, mijnheer Aronnax, dat de Nautilus niet meer los
kan komen?"
"Moeilijk, kapitein, want het jaargetijde is reeds te vergevorderd
om te verwachten, dat het ijs nog zal losgaan?"
"O, mijnheer de professor," antwoordde kapitein Nemo op spottenden
toon, "gij verandert nooit! Gij ziet slechts hinderpalen en
moeilijkheden! Ik verzeker u daarentegen, dat de Nautilus niet alleen
los zal komen, maar ook nog vrij wat verder gaan."
"Nog verder naar het Zuiden?" vroeg ik, terwijl ik den kapitein
aankeek.
"Ja, mijnheer, wij gaan naar de Zuidpool!"
"Naar de Pool!" riep ik uit, terwijl ik een teeken van ongeloof niet
kon onderdrukken.
"Ja," antwoordde de kapitein koeltjes, "naar de Zuidpool, naar dat
onbekende punt, waar alle meridianen samenvallen. Gij weet, dat ik
met den Nautilus doe wat ik wil."
Ja, ik wist het. Ik wist dat die man stoutmoedig tot roekeloosheid
toe was. Maar om de hinderpalen te overwinnen, die het bereiken van de
Zuidpool beletten, die vrij wat ongenaakbaarder is dan de Noordpool,
tot welke koene reizigers nog niet eens hebben kunnen doordringen,
scheen mij een onzinnige onderneming, welke alleen in het brein van
een krankzinnige kon opkomen! Ik vroeg den kapitein of hij die pool
reeds ontdekt had, waar geen sterveling nog ooit den voet zette.
"Neen, mijnheer," antwoordde hij, "maar wij zullen die samen
ontdekken. Waar anderen schipbreuk hebben geleden, zal ik slagen. Ik
heb den Nautilus nog nimmer zoover in de Zuidelijke IJszee gewaagd,
doch ik herhaal het u, wij zullen nog verder gaan."
"Ik wil u gelooven, kapitein," hernam ik op eenigszins spottenden
toon. "Ik geloof u! Komaan, voorwaarts! Er bestaan voor ons geen
hinderpalen! Laten wij deze ijsbank doorbreken! Laten wij haar in de
lucht doen springen, en als zij dan nog weerstand biedt, moeten wij
den Nautilus vleugels aandoen, om er overheen te vliegen."
"Er overheen, mijnheer?" antwoordde kapitein Nemo bedaard, "neen,
niet er overheen, maar er onder door!"
"Er onder door!" riep ik uit.
Plotseling trof mij een denkbeeld, dat mij het geheele plan van den
kapitein openbaarde. Ik had hem begrepen. De wonderbare hoedanigheden
van den Nautilus zouden hem in deze bovenmenschelijke onderneming
wel te hulp komen!
"Ik zie dat wij elkander beginnen te begrijpen, mijnheer de professor,"
zei de kapitein glimlachend; "gij doorziet reeds de mogelijkheid,
ik zou zeggen het welslagen dezer onderneming. Wat voor een gewoon
vaartuig onmogelijk is, wordt voor den Nautilus gemakkelijk. Indien
er aan de Pool eenig vasteland is, zullen wij daarvoor blijven steken;
is er daarentegen open zee; dan gaan wij naar de Pool zelf!"
"Als het oppervlak der zee," zei ik, medegesleept door de redeneering
van den kapitein, "door het ijs onbevaarbaar is, dan is de diepte toch
vrij, omdat de wetten der natuur daar het water door zijn grootere
dichtheid een warmtegraad boven het vriespunt hebben gegeven. En
indien ik mij niet bedrieg, dan staat het ijs van deze bank, dat
onder water is, tot dat wat er boven uitsteekt als vier tot één?"
"Bijna, mijnheer. Als deze ijsbergen éen meter boven water uitsteken,
dan zijn zij drie meter ingedompeld; omdat nu deze ijsbergen niet
hooger zijn dan honderd meter, zijn zij maar drie honderd meter diep
onder water. En wat is drie honderd meter voor den Nautilus!"
"Niets, kapitein."
"Wij kunnen zelfs op veel grooter diepte die gelijkmatige temperatuur
van het zeewater opzoeken, en daar tarten wij ongestraft de dertig
of veertig graad koude van de oppervlakte."
"Juist, kapitein, zeer juist!" antwoordde ik, in vuur gerakend.
"De eenige moeilijkheid," hernam kapitein Nemo, "zal zijn om
verscheiden dagen onder water te blijven, zonder onze lucht te kunnen
ververschen."
"Anders niet?" vroeg ik. "De Nautilus heeft groote vergaarbakken,
wij zullen die vullen, en deze kunnen ons al de zuurstof, die wij
noodig hebben, verschaffen."
"Goed gevonden, mijnheer Aronnax," antwoordde de kapitein glimlachende;
"doch omdat ik niet wil, dat ge mij van roekeloosheid beschuldigt,
moet ik u al mijn zwarigheden tegenwerpen."
"Hebt gij die nog?"
"Eén enkele; het is mogelijk, dat, als er aan de Zuidpool een zee
is, deze geheel bevroren is, en wij derhalve niet aan de oppervlakte
kunnen komen!"
"Goed, kapitein, maar vergeet gij, dat de Nautilus met een geducht
spoor is gewapend, en kunnen wij daarmee niet schuin tegen de ijsmassa
rammelen, om deze door den schok open te boren?"
"Komaan, mijnheer de professor, gij zijt van daag vindingrijk!"
"Bovendien, kapitein," zei ik, mij opwindend, "waarom zou er niet even
goed aan de Zuid- als aan de Noordpool een open zee zijn? In geen van
beide halfronden valt de Pool der aarde samen met die der strengste
koude, en men moet, totdat het tegendeel bewezen is, veronderstellen,
dat er op die beide punten òf een vasteland, òf een open zee bestaat."
"Ik geloof het ook, mijnheer Aronnax," antwoordde kapitein Nemo. "Ik
zal u alleen nog doen opmerken, dat gij, na zoovele zwarigheden tegen
mijn plan gemaakt te hebben, mij nu met bewijsgronden ten voordeele
daarvan overstelpt."
Kapitein Nemo sprak de waarheid; ik was zoover gekomen dat ik nog
stoutmoediger werd dan hij! Ik sleepte hem mee naar de Pool! Ik
liep hem reeds vooruit, en dat nog wel zeer verre!.... Maar neen,
onnoozele dwaas! Kapitein Nemo kende beter dan ik het voor en tegen
in deze zaak, en hij schepte er vermaak in, om mij door hersenschimmen
in vervoering te zien.
Hij verloor echter geen oogenblik; op een gegeven teeken verscheen
de eerste stuurman; de twee mannen spraken eenige oogenblikken met
elkander in hun onbegrijpelijke taal, en hetzij de stuurman reeds
vooruit gewaarschuwd was, hetzij hij het plan voor uitvoerbaar hield,
hij liet geen de minste verwondering blijken.
Doch hoe onverschillig hij ook geweest mocht zijn, hij was het toch
niet zoozeer als Koenraad, toen ik den braven jongen ons voornemen
meedeelde, om tot aan de Zuidpool door te dringen.
Een "zooals mijnheer goedvindt," was zijn antwoord op deze mededeeling,
en daarmee kon ik mij tevreden stellen. Wat Ned Land aangaat, deze
trok den schouder zoo hoog op als ooit iemand gedaan had.
"Ziet gij, mijnheer," zei hij, "ik heb medelijden met u en uw
kapitein Nemo!"
"Maar wij gaan naar de Pool, Ned."
"Wel mogelijk, maar dan komt gij niet terug."
En Ned Land ging naar zijn hut "om geen ongeluk te begaan," zooals
hij zei.
Ondertusschen werden er reeds toebereidselen voor deze koene
onderneming gemaakt. De krachtige pompen van den Nautilus persten
de lucht in de vergaarbakken. Tegen vier uur deelde kapitein Nemo
mij mee dat het luik van het plat zou gesloten worden. Ik wierp een
laatsten blik op de dikke ijsbank, waar wij onder door zouden gaan;
het was helder weer; de lucht was zuiver, de koude vinnig, 12° onder
nul; maar omdat de wind was gaan liggen, scheen mij deze temperatuur
niet onverdragelijk.
Een tiental mannen beklommen de zijwanden van den Nautilus en hakten
het ijs rondom het vaartuig weg, zoodat zij het weldra los hadden;
het was spoedig gedaan, omdat het pas gevormde ijs nog dun was. Toen
gingen wij allen naar binnen, de gewone vergaarbakken werden gevuld
met het water, dat onder de kiel nog niet bevroren was.
Ik had met Koenraad in den salon plaats genomen. Door het open raam
beschouwden wij de diepten van de Zuidelijke IJszee. De thermometer
rees weer, en de naald van den manometer begon af te wijken.
Op omstreeks drie honderd meter diepte, dreven wij, zooals kapitein
Nemo voorspeld had, onder het gegolfde ondervlak der ijsbank. Maar
de Nautilus zonk nog dieper; wij bereikten een laagte van acht
honderd meter. De temperatuur van het water, die aan het oppervlak
12° was, bedroeg nu niet meer dan 10°; wij hadden dus reeds 2°
gewonnen. Het spreekt van zelf, dat de temperatuur in den Nautilus door
verwarmingstoestellen vrij wat hooger liep. Het vaartuig gehoorzaamde
aan alle bewegingen met de grootste nauwkeurigheid.
"Wij zullen er wel onder door komen, als mijnheer het goedvindt,"
zei Koenraad.
"Ik reken er op!" antwoordde ik, op den toon der grootste overtuiging.
Onder de open zee had de Nautilus regelrecht koers naar de Zuidpool
gezet, zonder van den twee en vijftigsten lengtegraad af te wijken. Van
67° 30' tot 90° bleven er ons nog 20° 30' te doorloopen; dat is nog
ongeveer 2500 kilometer. De Nautilus had een gemiddelde snelheid van 60
kilometer in het uur, dus ongeveer van een sneltrein. Indien wij deze
snelheid behielden, waren veertig uur voldoende om de Pool te bereiken.
Gedurende een gedeelte van den nacht bleven Koen en ik, door het
ongewone van onzen toestand teruggehouden, vóór het raam van den
salon zitten. De zee werd door onze electrische lantaarn verlicht,
maar zij was geheel verlaten; de visschen hielden zich in deze altijd
bevroren zeeën niet op, zij gebruikten die alleen om er uit de IJszee
naar de open poolzee door te zwemmen; wij liepen verbazend snel;
ik voelde dit aan het trillen van het lange ijzeren vaartuig.
Tegen twee uur in den morgen ging ik eenige uren rust nemen. Koenraad
deed hetzelfde. Toen ik door de gangen ging, ontmoette ik den kapitein
niet; ik veronderstelde dat hij aan het roer stond.
Den volgenden dag, 19 Maart, ging ik om vijf uur 's morgens reeds
weder in den salon zitten. De electrische log wees aan dat de snelheid
van den Nautilus wat gematigd was; het vaartuig rees, maar zeer
voorzichtig; de vergaarbakken werden langzaam ledig gepompt.
Mijn hart klopte hevig; zouden wij boven komen en aan de Pool de vrije
lucht inademen? Neen, een schok verkondigde mij, dat de Nautilus onder
tegen de ijsbank gestooten had, en dat deze, blijkens het doffe geluid
van den slag nog zeer dik was. Wij lagen nog op 330 meter diepte,
zoodat er een dikte van 440 meter ijs boven ons hoofd lag. De ijsbank
was dus hier hooger dan in het begin; dit was weinig geruststellend.
Gedurende dien dag herhaalde de Nautilus deze proef meermalen, doch
stiet telkens tegen den ijsbodem boven ons. Op sommige oogenblikken
vonden wij die op 900 meter diepte, zoodat de bank 1200 meter hoog
of dik was; dit was dus driemaal dikker dan op de plaats waar wij
naar beneden waren gegaan.
Ik teekende die verschillende diepten nauwkeurig op, en ik kreeg
op die wijze als het ware een profiel van dezen onderzeeschen
bergketen. 's Avonds was er nog geen enkele verandering in onzen
toestand gekomen, altijd nog ijs op vier of vijfhonderd meter beneden;
de dikte verminderde dus wel wat, doch hoe groot was die nog tusschen
het oppervlak van de zee en ons!
Het was toen acht uur; sedert vier uren reeds had de lucht volgens de
dagelijksche gewoonte ververscht moeten worden; ik had er echter niet
veel last van, hoewel kapitein Nemo toch zijn toevlucht nog niet tot
zijn luchtvergaarbakken had genomen. Gedurende dien nacht was mijn
slaap onrustig. Hoop en vrees hielden mij beurtelings gekluisterd;
ik stond verscheiden malen op, en voelde aanhoudend, dat de Nautilus
de dikte van het ijs onderzocht. Tegen drie uur 's morgens zag ik
dat het ondervlak der ijsbank op vijftig meter diepte lag; de bank
ging dus langzamerhand in een ijsveld over, de berg werd derhalve
weer vlak. Ik hield mijn oogen op den manometer gevestigd; wij rezen
voortdurend in schuine richting langs het ijsvlak, dat in het licht
der electrische lantaarn schitterde. De ijsbank nam van boven en van
onderen telkens af; zij werd van kilometer tot kilometer dunner.
Eindelijk om zes uur 's morgens, op dien gedenkwaardigen 20sten Maart,
opende zich de deur van den salon, en kapitein Nemo verscheen.
"Open zee!" zei hij.