De Krooszee.
De richting van den Nautilus was niet veranderd. Wij moesten voor
het oogenblik dus alle hoop laten varen om naar eenige Europeesche
zee terug te keeren. Kapitein Nemo bleef den koers naar het Zuiden
richten. Waar voerde hij ons heen? Ik kon het mij niet voorstellen.
Dien dag doorkliefde de Nautilus een zonderling gedeelte van den
Atlantischen Oceaan; iedereen kent het bestaan van den warmen
stroom, die onder den naam van Golfstroom bekend is. Nadat hij de
golf van Mexico onder langs kaap Sable verlaten heeft, richt hij
zich rechtstreeks naar Spitsbergen; doch op ongeveer 44° N.B., even
nadat hij de golf van Mexico heeft verlaten, verdeelt hij zich in
twee takken; de voornaamste richt zich naar de kusten van IJsland
en Noorwegen, terwijl de andere op de hoogte der Azorische eilanden
zuidwaarts stroomt, en daarna tegen de Afrikaansche kust stuitende,
een ovaal beschrijft en naar de Antillen terugkeert.
Deze tweede tak van den warmen stroom gaat dus met zijn golven om een
koud, bijna stilstaand en onbeweeglijk gedeelte van den Oceaan, dat
men de Krooszee noemt. Het is een meer in het midden van den Oceaan,
om hetwelk het water van den grooten stroom in niet minder dan drie
jaar heenloopt.
De Krooszee bedekt, om zoo te zeggen, het land dat door den Oceaan is
verzwolgen. Sommige schrijvers hebben zelfs beweerd, dat het zeegras,
hetwelk in deze zee in groote menigte ronddrijft, van de weiden van
dit vroegere vasteland afkomstig is. Waarschijnlijk echter is dit
zeegras en wier afkomstig van de kusten van Europa en Amerika, en
wordt door den Golfstroom tot op deze hoogte medegesleept. Dit was
een van de redenen, die Columbus deden gelooven aan het bestaan van
een nieuwe wereld. Toen de schepen van dezen koenen zeevaarder in de
Krooszee kwamen, hadden zij werk om door dit gras heen te komen, omdat
het tot groote ontsteltenis van de equipage hunne vaart tegenhield;
zij besteedden zelfs drie weken er over om er doorheen te worstelen.
Zoo was de streek, door den Nautilus op dit oogenblik bezocht: het
was een wezenlijke weide, zulk een dicht tapijt van gras, zeekroos
en wier, dat een schip er niet zonder moeite kon doorvaren. Kapitein
Nemo wilde zich met zijn schroefboot dan ook niet in deze massa gras
wagen, en bleef op eenige meters diepte onder de golven.
De Krooszee wordt ook wel Sargasso-zee genoemd, naar het Spaansche
woord "Sargazzo" dat zeewier beteekent, omdat deze uitgestrekte
bank door deze plant gevormd wordt. Ziehier waarom deze planten
volgens den geleerden Maury, den schrijver van de Natuurkundige
aardrijksbeschrijving zich vereenigen in dit kalme gedeelte van den
Atlantischen Oceaan.
"Men kan," zegt hij, "dat verschijnsel verklaren door een proef,
die elkeen kent. Als men in een bak met water eenige stukjes, kurk
of andere voorwerpen laat drijven, en men aan het water een draaiende
beweging geeft, dan zal men die verspreide stukjes zich in het midden
zien bijeen voegen, dat is daar waar het water het minst in beweging
is. Bij het verschijnsel, waarover wij spreken, is de Atlantische
Oceaan de bak, de Golfstroom is het draaiend gedeelte en de Krooszee
het middelpunt, waar de drijvende voorwerpen zich vereenigen."
Ik deel Maury's gevoelen en heb het verschijnsel op de plaats zelf,
waar schepen slechts zeer zelden komen, kunnen onderzoeken. Boven
ons dreven voorwerpen van allerhande soort, opgehoopt tusschen het
bruinachtig gras, boomstammen, die van de Andes en het Rotsgebergte
waren afgescheurd en door de Amazonen-rivier of de Mississippi werden
voortgestuwd; tallooze overblijfselen van wrakken, zoo met schelpen
en planten begroeid, dat zij niet boven konden drijven. En de tijd zal
ook eens dat andere gevoelen van Maury waar maken, dat deze eeuwenlang
opgehoopte voorwerpen eenmaal versteenen en door de werking van het
water een onuitputtelijke kolenmijn zullen vormen; een kostbare
voorraad dus, dien de Voorzienigheid nu reeds verzamelt voor het
oogenblik, dat de menschen de mijnen op het vasteland hebben uitgeput.
Den geheelen 22sten Februari brachten wij in die Krooszee door, waar
de visschen, die zooveel van zeeplanten houden en de schaaldieren
overvloedig voedsel vinden. Den volgenden dag had de Oceaan wederom
zijn gewone voorkomen. Van dit oogenblik af bleef de Nautilus gedurende
negentien dagen van 23 Februari tot 12 Maart in het midden van den
Atlantischen Oceaan, en voerde ons mee met een doorloopende snelheid
van zestien kilometer in het uur. De kapitein wilde waarschijnlijk het
geheele programma zijner onderzeesche reis afloopen, en ik twijfelde
er niet aan, of hij zou, na om kaap Hoorn te zijn gestevend, naar
de Stille Zuidzee terugkeeren. Ned Land had dus wel gelijk met bang
te zijn. In deze uitgestrekte zee zonder eilanden behoefde men het
niet te beproeven om van boord te gaan; wij hadden dus geen middel om
ons tegen den wil van kapitein Nemo te verzetten. Het eenige wat wij
doen konden, was ons te onderwerpen; maar wat men van geweld of list
niet meer te wachten had, dacht ik dat door overreding kon verkregen
worden. Als de reis was afgeloopen, zou dan de kapitein er niet in
toestemmen ons de vrijheid terug te geven, onder eede van zijn bestaan
nimmer te verraden? Wij zouden dien eed zeker hebben gehouden, maar
ik moest die teedere zaak met den kapitein zelf behandelen. Zou ik hem
echter die vrijheid wel kunnen vragen? Had hij bij het begin der reis
niet op stelligen toon verklaard, dat het geheim van zijn leven onze
levenslange gevangenschap aan boord van de Nautilus eischte? Moest
mijn stilzwijgen gedurende vier maanden hem niet doen gelooven,
dat ik mij zonder morren in dien toestand schikte? Als ik die zaak
weder aanroerde, zou het dan geen achterdocht bij hem opwekken, die
onze plannen kon benadeelen, als zich daartoe later eenige gunstige
omstandigheid voordeed! Ik overdacht en overwoog al die redenen, en
ik onderwiep ze aan Koenraads oordeel, die niet minder verlegen stond
dan ik. Kortom, hoewel ik niet gemakkelijk uit het veld was te slaan,
begreep ik toch dat de kans om mijn vrienden en bloedverwanten ook
terug te zien, van dag tot dag verminderde, vooral nu kapitein Nemo
als een rechte waaghals stuurde naar het zuidelijk gedeelte van den
Atlantischen Oceaan.
Gedurende de bovengemelde negentien dagen, had er op onze reis niets
bijzonders plaats. Ik zag den kapitein maar zelden; hij zat te werken;
dikwijls vond ik in de bibliotheek boeken, die hij geopend had laten
liggen, en vooral werken over natuurlijke geschiedenis. Mijn werk over
de diepten der zee, was door hem doorbladerd en met kantteekeningen
overladen, die mijn stellingen dikwijls weerspraken. Doch de kapitein
stelde zich slechts tevreden met aldus mijn werk te verbeteren, zonder
met mij te twisten. Soms hoorde ik de droefgeestige tonen van zijn
orgel, dat hij met veel gevoel bespeelde, maar altijd des nachts,
te midden van de grootste duisternis, als de Nautilus op de groote
verlaten vlakte van den Oceaan als ingeslapen scheen te zijn.
Gedurende dit gedeelte der reis voeren wij soms dagen lang aan de
oppervlakte der zee; zij was als verlaten; wij zagen slechts nu
en dan een zeilschip, dat voor Indië bevracht, koers zette naar de
Kaap de Goede Hoop. Eens werden wij vervolgd door de sloepen van een
walvischvaarder, die ons zonder twijfel aanzag voor een reusachtigen
walvisch van groote waarde. Maar kapitein Nemo wilde die wakkere
zeelieden hun tijd en moeite niet laten verliezen en eindigde de
jacht met onder water te duiken. Dit voorval scheen Ned Land bijzonder
belang in te boezemen. Ik geloof niet dat ik mij bedrieg, als ik zeg,
dat de Amerikaan er spijt over gevoelde, dat onze metalen huid niet
door een der harpoenen van die visschers doodelijk werd getroffen.
De visschen, die ik met Koenraad gedurende dit gedeelte onzer
reis opmerkte, verschilden weinig van die wij reeds vroeger gezien
hadden. De voornaamste waren eenige exemplaren van de vreeselijke
afdeeling kraakbeenachtige dieren, die niet minder dan twee en dertig
soorten bevat: gestreepte haaien van vijf meter lang en met platten
kop, breeder dan het lichaam, en een ronden staart; op den rug hebben
zij overlangs zeven breede evenwijdige zwarte strepen, en dan grijze
haaien met slechts een rugvin. Er kwamen ook groote zeehonden voorbij,
en dat wel van de meest verslindende soort; men behoeft alle verhalen
van visschers niet te gelooven, doch ziehier eenige staaltjes van
hetgeen zij vertellen: in het lichaam van een van die dieren heeft
men den kop van een buffel en een geheel kalf gevonden, in een ander
twee konijnen, en een matroos met kleeren en al, in een ander een
soldaat met den sabel in de hand, en in nog een ander een ruiter
met zijn paard! Men behoeft aan dat alles geen geloof te hechten,
doch zeker is het, dat geen van die dieren zich in de netten van den
Nautilus lieten vangen ik dus hunne vraatzucht niet kon nagaan.
Dagen lang hielden troepen bevallige en dartelende dolfijnen ons
gezelschap. Zij zwommen met troepjes van vijf of zes, en joegen de
andere visschen na, evenals een troep wolven in het veld; overigens
zijn zij niet minder vraatzuchtig dan de zeehonden, als ik ten minste
geloof moet slaan aan het verhaal van een hoogleeraar te Kopenhagen,
die verzekert dertien walrussen en vijftien robben in de maag van
een dolfijn gevonden te hebben.
Ik zag ook zeldzame exemplaren van de klasse der stekelvinnigen
en der zaagvisschen. Sommige schrijvers, trouwens meer dichters
dan natuurkenners, beweren dat deze visschen liefelijk zingen en
een vereeniging van hun stemmen een muziek voortbrengt, waarbij de
menschelijke stem niet kan halen. Ik ontken het niet, maar die dieren
gaven ons tot ons groot leedwezen geen enkele serenade. Eindelijk
zagen wij nog een groote menigte vliegende visschen; niets was
aardiger dan te zien hoe de dolfijnen ze met groote juistheid
wisten na te jagen. Hoe hoog zij zich ook uit zee konden verheffen,
welken boog zij ook beschreven, tot zelfs over den Nautilus heen,
de ongelukkige visschen vonden den bek van den dolfijn altijd geopend
om ze op te vangen.
Tot op 13 Maart ging onze tocht op dezelfde wijze voort. Dien dag
werd de Nautilus gebezigd om proeven van peiling te doen, welke mij
het grootste belang inboezemden. Sedert ons vertrek uit de Stille
Zuidzee hadden wij ongeveer 52,000 kilometer afgelegd; wij waren nu
op 45° 37' Z.B. 37° 53' W.L. Het was omstreeks dezelfde plaats, waar
kapitein Denham van de Herald op 14.000 meter geen grond vond. Daar
had luitenant Parker van het Amerikaansche fregat Congres op 15,140
meter den bodem niet kunnen peilen. Kapitein Nemo besloot om den
Nautilus naar de grootste diepte te doen dalen, om die verschillende
peilingen eens na te gaan. Ik maakte mij gereed den uitslag van dit
onderzoek op te teekenen. De zaalwanden openden zich, en het vaartuig
begon zich in beweging te stellen, ten einde die verbazende diepte
te kunnen bereiken. Men kan nagaan dat er geen sprake kon zijn van
door middel van het vullen der vergaderbakken naar den afgrond te
zinken. Misschien zou dat water de specifieke zwaarte van den Nautilus
toch niet genoeg hebben kunnen vermeerderen. Bovendien zou men om weer
te stijgen, het water moeten uitpompen, en dan zouden zeer zeker de
pompen niet krachtig genoeg geweest zijn, om den druk van buiten te
overwinnen. De kapitein besloot dus om de zwaarden of vleugels van
zijn Nautilus in een hoek van 45° te plaatsen en aldus schuins naar
beneden te varen. De schroef kreeg bovendien de grootste snelheid
van beweging en draaide met onbeschrijfelijke kracht door het water.
Op deze wijze, met de grootste kracht voortgestuwd, trilde de Nautilus
als een snaar en daalde regelmatig naar de diepte. De kapitein en
ik volgden in den salon de naald van den manometer, die zich vrij
snel verplaatste. Weldra waren wij dieper dan dat gedeelte der zee,
waar de meeste visschen hun verblijf houden. Terwijl sommigen van
die dieren slechts aan de oppervlakte van het water kunnen leven,
zijn er daarentegen anderen, hoewel minder talrijk, die zich in
grootere diepte ophouden; er waren er zelfs op 1200 meter diepte,
onder een druk van honderd twintig atmosferen. Ik vroeg den kapitein
of hij ooit visschen op nog grooter laagte gevonden had.
"Visschen?" antwoordde hij, "zelden; maar wat vermoedt of weet men
bij den tegenwoordigen staat der wetenschap?"
"Het volgende, kapitein. Men weet, dat als men naar de diepten van
den Oceaan afdaalt, het plantenleven eerder ophoudt dan het dierlijk
leven. Men weet, dat, waar men nog levende wezens vindt, er geen
enkele plant meer groeit. Men weet dat de oesters twee duizend
meter diep onder water leven, en dat Mac Clintock, de held van de
poolzeeën, een levende zeester van een diepte van 2500 meter naar
boven heeft gehaald. Men weet, dat de equipage van de Bull-Dog van de
koninklijke Engelsche marine, een zeester op meer dan vier kilometer
diepte gevischt heeft; maar misschien zult gij zeggen, kapitein,
dat men niets weet."
"Neen, mijnheer," antwoordde de kapitein, "zoo onbeleefd zal ik niet
zijn. Ik zal u echter vragen, hoe gij het verklaart, dat die dieren
op zulk een diepte kunnen leven?"
"Ik verklaar dit uit twee oorzaken," antwoordde ik; "vooreerst omdat
de vertikale stroomen, ontstaan door het verschil in zoutgehalte
en door de dichtheid van het water, een beweging veroorzaken, die
genoegzaam is om het leven van zeesterren te onderhouden."
"Juist," zei de kapitein.
"Ten anderen omdat, als de zuurstof een levensbehoefte is, men weet dat
de in zeewater opgeloste hoeveelheid zuurstof in de diepte toeneemt in
plaats van te verminderen, en dat de grootere waterdruk in de diepte
de samenpersing daarvan in de hand werkt."
"Zoo, weet men dat?" antwoordde de kapitein een weinig
verwonderd. "Welnu, mijnheer de professor, dan weet men het goed, want
het is de waarheid. Ik voeg er nog bij, dat de zwemblaas der visschen
meer stikstof dan zuurstof bevat, wanneer zij aan de oppervlakte
van het water gevangen worden, doch daarentegen meer zuurstof dan
stikstof, als men ze uit grootere diepte ophaalt, wat een bewijs is
voor uw stelling. Maar laten wij ons onderzoek voortzetten."
Ik keek weer op den manometer; deze wees een diepte van zes kilometer
aan; wij waren sedert een uur aan het dalen. De Nautilus daalde
altijd door; het ontvolkte water was bijzonder doorschijnend, en
onbeschrijfelijk helder. Een uur later waren wij dertien kilometer
diep, en nog bemerkten wij niets van den bodem der zee! Toen wij
echter veertien kilometer gedaald waren, begon ik zwarte bergtoppen
te zien, die naar boven staken; maar dat konden wel toppen van bergen
zijn zoo hoog als de Himalaya of de Mont-Blanc, misschien nog hooger,
en dan bleef de diepte van deze afgronden onberekenbaar.
De Nautilus zonk nog lager, niettegenstaande de vreeselijke drukking
die hij onderging. Ik voelde de stalen platen in de voegen trillen;
de steunbouten bogen zich, de geheele romp kraakte; de glazen van
den salon schenen onder dien druk naar binnen te buigen; en het
krachtige vaartuig zou zeker bezweken zijn, als het geen weerstand
had kunnen bieden als een massief blok, zooals de kapitein mij eenmaal
verzekerd had.
Terwijl wij rakelings langs de rotsen voeren, zag ik nog eenige
schelpen en sommige exemplaren van zeesterren. Maar weldra verdwenen
ook deze laatste vertegenwoordigers van het dierlijk leven, en op
grooter diepte dan twaalf kilometer overschreed de Nautilus de grenzen
van het onderzeesche leven, even als een luchtballon, die zich in de
lucht hooger dan de voor het leven geschikte dampkring verheft. Wij
hadden een diepte van zestien kilometer bereikt; de Nautilus onderging
een druk van 1600 atmosferen, dat is te zeggen van 1600 kilogram op
elken vierkanten centimeter van zijn oppervlakte.
"Welk een toestand!" riep ik uit. "Deze laagten te bezoeken waar
de mensch nog nooit is doorgedrongen!" Zie eens, kapitein, zie die
prachtige rotsen, die onbewoonde grotten, die verborgen schuilhoeken
der aarde, waar het leven onmogelijk is! Hoe jammer, dat wij van deze
onbekende oorden niets anders mee kunnen nemen dan de herinnering!"
"Zou het u aangenaam zijn," vroeg de kapitein, "er iets meer van mee
te nemen dan alleen de herinnering?"
"Wat wilt gij daarmee zeggen?"
"Ik wil zeggen, dat niets gemakkelijker is dan een photogram van deze
onderzeesche streken mee te nemen."
Ik had nauwelijks den tijd om mijn verbazing over dit nieuwe voorstel
te toonen, toen men op een wenk van den kapitein een photografisch
toestel in de zaal bracht. Door de wijd geopende ramen was de
door het electrisch licht beschenen watermassa uiterst helder en
doorschijnend. Er was geen schaduw, geen afwijking of trilling
in ons kunstlicht zichtbaar; de zon zou voor zulk een proef niet
gunstiger kunnen geweest zijn. De Nautilus werd door de schroef
en de helling zijner uitstekende vlakken in toom gehouden en lag
onbeweeglijk stil. Het toestel werd op de onderzeesche rotsen gericht
en in weinige seconden hadden wij een buitengewoon zuiver negatief
beeld. Wij maakten later afdrukken waarvan ik hierbij de afbeelding
in gravure geef. Men ziet daarop die oorspronkelijke rotsen, die
het daglicht nooit heeft beschenen; die benedenste granietklompen,
welke de krachtigste grondslagen der aarde vormen; die diepe grotten,
in de steenmassa uitgehold; die onvergelijkelijk zuivere omtrekken,
zich zoo zwart afteekenend alsof een schilder uit de Vlaamsche school
ze gepenseeld heeft. Verder op, een horizon van bergen; een schoone,
golvende lijn, die den achtergrond van een landschap uitmaakt. Ik kan
geen beschrijving geven van die gladde, zwarte, glanzige rotsen zonder
mosplanten, zonder een enkele vlek, vreemd van vorm en onwrikbaar
vast staande op dien zandbodem, schitterend onder de stralen van het
electrisch licht. Toen de kapitein gedaan had, zei hij:
"Wij gaan weer naar boven, mijnheer de professor: wij mogen niet
te lang in dezen toestand blijven, en den Nautilus niet al te zeer
blootstellen aan zulk een drukking."
"Goed, laat ons dan weer naar boven gaan, antwoordde ik.
"Sta dan vast op uw beenen."
Voordat ik begreep waarom de kapitein mij dien raad gaf, lag ik
reeds op den grond. Toen men op een teeken van Nemo de schroef en
de buitenvlakken een andere richting had gegeven, vloog de Nautilus
als een ballon in het luchtruim met bliksemsnelheid naar boven. Met
hoorbare trilling boorde hij door de watermassa; wij konden niets
zien. In vier minuten doorkliefde hij de zestien kilometer, die ons
van het vlak der zee scheidden, en sprong toen als een vliegende
visch boven het water uit, waarin het vaartuig weer nederplofte,
terwijl de golven aan alle kanten ontzaglijk hoog opstoven.