HOOFDSTUK XXXIV

Onderzeesche kolenmijnen.

Den volgenden dag, 20 Februari, stond ik zeer laat op. De

vermoeienissen van den nacht hadden mij tot elf uur doen slapen. Ik

kleedde mij haastig, want ik wilde weten, welke richting de Nautilus

had. De instrumenten wezen aan, dat wij altijd met een twintig

kilometervaart op honderd meter diepte naar het Zuiden snelden.

Koenraad trad binnen; ik vertelde hem onzen nachtelijken tocht,

en daar de wanden geopend waren, kon hij nog een gedeelte zien van

dit verdronken land. De Nautilus voer namelijk tien meter boven de

vlakte van Atlantis; zij bewoog zich als een ballon, die door den wind

boven weilanden wordt voortgestuwd; maar beter zou het zijn te zeggen,

dat wij in den salon zaten als in den waggon van een sneltrein. Het

eerste, wat onder onze oogen voorbijsnelde, waren de phantastisch

gevormde rotsen; de doode boomen, wier onbeweeglijke vormen ons onder

water toegrijnsden; verder de met een tapijt van zeeanemonen bedekte

steenklompen en vreemd gevormde blokken lava, die bewezen met welk

een woede de vulkanische uitbarstingen hadden plaats gehad.

Terwijl deze zonderlinge streken onder ons electrisch licht zichtbaar

waren, verhaalde ik aan Koenraad de geschiedenis van de Atlanten; ik

sprak hem over de oorlogen van die heldhaftige volken, en behandelde

het vraagstuk omtrent het bestaan van Atlantis als iemand die geen

twijfel meer koestert. Maar Koenraad was afgetrokken, en hoorde mij

ternauwernood aan; spoedig echter begreep ik zijn onverschilligheid

voor deze geschiedkundige vraagstukken.

Een talloos visschenheir toch trok zijn oogen, en als er visschen

voorbij ons zwommen, dan behoorde Koenraad, in zijn lust tot ordenen

en rangschikken als verzonken, niet meer tot deze wereld. In dat geval

moest ik hem gewoonlijk maar volgen, en met hem onze ichthyologische

studiën voortzetten.

Over het algemeen verschilden die visschen van den Atlantischen

Oceaan weinig van die wij reeds gezien hadden. Het waren roggen van

reusachtige gedaante, vijf meter lang, en zoo sterk, dat zij boven

water konden uitspringen; haaien van verschillende soort, onder

anderen een van vijf meter lang met driehoekige, scherpe tanden;

steuren, zeepalingen en andere visschen.

Terwijl wij die verschillende soorten van dieren zaten te bekijken,

liet ik niet na de groote vlakte van Atlantis te beschouwen. Soms

noodzaakten grillige verhevenheden van den grond den Nautilus om zijn

snelheid te minderen, en dan gleed hij met de behendigheid van een

visch tusschen de dicht bij elkander liggende heuvels door. Indien

hij door dit doolhof niet kon heenkomen, verhief de Nautilus zich

als een luchtballon, en wanneer hij over dien hinderpaal heen was,

hervatte hij zijn snelle vaart op eenige meters boven den bodem. Het

was een bewonderenswaardige en aangename vaart, die aan een luchtreis

deed denken, met dit onderscheid evenwel, dat de Nautilus volkomen

aan het roer gehoorzaamde.

Tegen vier uur des namiddags veranderde de grond een weinig; tot nog

toe was hij met een dikke laag slijk en met tot erts geworden takken

bedekt; nu werd de bodem rotsachtiger en scheen bezaaid met tufsteen,

eenige brokken lava en zwavelachtige bestanddeelen. Ik dacht, dat de

bergstreek dus weldra op de groote vlakten zou volgen, en door zekere

wendingen van den Nautilus zag ik ook inderdaad, dat de zuidelijke

gezichteinder door een hoogen muur begrensd was, die elken uitgang

scheen af te snijden. De top van dien berg stak zeker boven de zee

uit. Het moest een vast land zijn, of ten minste een eiland, hetzij

een der Canarische, hetzij een der Kaap-Verdische. Daar men, misschien

om bijzondere redenen, de zonshoogte niet genomen had, wist ik niet

juist waar wij ons bevonden. In allen gevalle scheen het mij toe,

dat die bergmuur de grens van Atlantis vormde, van welk land wij

evenwel nog slechts een klein gedeelte bezocht hadden.

De nacht brak mijn waarnemingen niet af. Ik was alleen gebleven,

want Koenraad was naar zijn hut gegaan. De Nautilus verminderde

zijn snelheid, en manoeuvreerde door de zee boven den wonderlijk

gevormden bodem; nu eens streek hij langs de heuvels, alsof hij

er zich op had willen neerleggen, dan steeg hij plotseling weer

naar de oppervlakte. Ik zag tusschenbeiden eenige heldere sterren,

en juist vijf of zes van die sterren uit den Dierenriem, die in het

sterrenbeeld van Orion zichtbaar zijn.

Ik zou zeker nog lang voor het raam de schoonheden van de zee

en den hemel zijn blijven bewonderen, als de wanden niet werden

dichtgeschoven. Op dit oogenblik was de Nautilus tot aan den

loodrechten rotswand genaderd; hoe hij manoeuvreerde kon ik niet

raden. Ik ging naar mijn kamer; het vaartuig lag stil; ik sliep in,

met het vaste voornemen om na weinige uren weer op te staan; doch

het was den volgenden morgen acht uur toen ik in den salon kwam. De

manometer deed mij zien, dat de Nautilus op de oppervlakte der zee

dreef; bovendien hoorde ik op het plat loopen; doch ik voelde door

de deining der golven geen slingeren.

Ik ging naar het luik; het was open, maar in plaats van het helder

daglicht, zoo als ik verwachtte, omringde mij dikke duisternis. Waar

waren wij? Had ik mij bedrogen? Was het nog nacht? Neen, geen enkele

ster schitterde, en de nacht is niet zoo volslagen donker. Ik wist

niet wat er van te denken, toen ik iemand hoorde zeggen:

"Zijt gij het, mijnheer de professor?"

"O, kapitein," antwoordde ik "waar zijn wij?"

"Onder den grond, mijnheer."

"Onder den grond!" riep ik uit, "en de Nautilus drijft nog?"

"Hij drijft altijd."

"Maar dat begrijp ik niet."

"Wacht maar eenige oogenblikken; onze lantaarn wordt aangestoken

en als gij er op gesteld zijt helder voor u uit te zien, zult gij

tevreden zijn."

Ik betrad het plat en wachtte; de duisternis was zoo volkomen dat

ik den kapitein zelfs niet zag; naar boven kijkend, meende ik recht

boven mijn hoofd een zekeren lichtenden schijn te zien, een soort van

schemering, door een rond gat binnenvallend. Op dat oogenblik werd

de lantaarn ontstoken; het helder licht deed het zwakke schijnsel

geheel verdwijnen.

Ik sloot een oogenblik mijn oogen, door het electrisch licht als

verblind, en zag om mij heen. De Nautilus lag stil aan een oever,

die als een kaai gevormd was. De zee waarop het vaartuig op dat

oogenblik dreef, was een meer, door een muur als 't ware ingesloten;

het had een middellijn van ongeveer twee kilometer. Het peil, zoo als

de manometer aanwees, stond gelijk met dat van de zee buiten dien muur,

zoodat er noodzakelijk gemeenschap tusschen het meer en de zee moest

bestaan. De hooge rotswanden, waartusschen wij lagen ingesloten,

welfden zich boven ons, en vormden als het ware een omgekeerden

trechter van vijf of zes honderd meter hoogte. Bovenin was een

opening, waardoor ik de schemering gezien had, die waarschijnlijk

aan het daglicht moest worden toegeschreven.

Voordat ik den inwendigen vorm van deze verbazend groote grot

nauwkeuriger onderzocht, voor ik mij zelven afvroeg of dat het werk

der natuur of van menschenhanden was, trad ik op den kapitein toe en

vroeg hem waar wij waren.

"Wij zijn midden in een uitgedoofden vulkaan," antwoordde de kapitein,

"waar de zee is binnengestroomd tengevolge van een scheur in den

grond, daarin door een aardbeving ontstaan. Terwijl gij in bed laagt,

mijnheer de professor, is de Nautilus in dit meer gekomen door een

natuurlijken waterweg, die op tien meter onder het oppervlak van den

Oceaan bestaat. Hier heeft mijn vaartuig een zekere gemakkelijke,

geheimzinnige haven, tegen alle winden beveiligd. Waar zult gij ergens

op eenige kust van uw vasteland of van uw eilanden een reede vinden,

die tegen deze veilige ligplaats opwegen of tegen de woede der orkanen

beschermen kan?"

"Inderdaad, kapitein, hier zijt gij veilig; wie zou u in het hart

van een vulkaan kunnen achterhalen? Maar heb ik aan den top geen

opening ontdekt?"

"Ja, de krater, die vroeger lavavlammen en rook uitwierp en waar nu

de frissche lucht, die wij inademen, binnenstroomt."

"Maar welke is die vulkaan?" vroeg ik.

"Hij behoort tot een van de talrijke eilandjes, die in deze zee als

gezaaid zijn. Hij is voor de schepen een klip, maar voor ons een

groote grot. Het toeval heeft mij die doen ontdekken, en daarin heeft

het mij goed gediend."

"Maar zou men door dien krater niet naar beneden kunnen afdalen?"

"Evenmin als ik er uit zou kunnen klimmen; tot op een hoogte van

honderd voet kan men den inwendigen wand bestijgen, maar hooger op

hangt de rots zoo veel over, dat zij niet bestegen kan worden."

"Ik zie, kapitein, dat de natuur u overal en altijd dient. Gij zijt

op dit meer in veiligheid en niemand als gij kunt het bezoeken. Maar

waarvoor hebt gij die schuilplaats noodig? De Nautilus behoeft toch

geen haven?"

"Neen, mijnheer, maar hij heeft electriciteit noodig om zich te

bewegen, elementen om deze voort te brengen, sodium om de elementen

te voeden, kool om sodium te krijgen en mijnen om steenkolen uit te

halen. En nu is het juist hier, dat de zee geheele bosschen bedekt,

die in voorwereldlijke tijdperken zijn bedolven geraakt; nu zijn zij

geheel verkoold en voor mij een onuitputtelijke bron."

"Zijn uw mannen dan hier mijnwerkers, kapitein?"

"Juist. Die mijnen strekken zich evenals die van New-Castle onder de

golven uit. Hier gaan zij met scaphanders aan met spade en houweel

in de hand, de steenkolen loshakken, die ik zelfs niet uit de mijnen

van het vaste land behoef te halen. Als ik nu aan het stoken ben, om

sodium te verkrijgen, dan geeft de rook, die uit den krater opstijgt,

dezen nog den schijn, alsof de berg in werking was."

"En zal ik ze aan 't werk zien?"

"Ditmaal niet, want ik heb haast om onze onderzeesche reis om de

aarde te vervolgen. Ik zal mij derhalve tevreden stellen om wat mee

te nemen van den vooraad sodium, dien ik hier bewaar. Ik heb slechts

éen dag noodig om een genoegzame hoeveelheid aan boord te nemen en dan

zullen wij onze reis vervolgen. Wanneer gij dus deze grot doorwandelen

en eens om het meer heenloopen wilt, maak dan gebruik van dezen dag,

mijnheer Aronnax."

Ik dankte den kapitein, en ging mijn beide makkers opzoeken, die hun

hut nog niet hadden verlaten. Ik noodigde hen uit mij te volgen,

zonder te zeggen waar wij ons bevonden. Zij kwamen op het plat;

Koenraad, die zich over niets verwonderde, beschouwde het als iets

zeer natuurlijks, dat hij wakker werd onder een berg, nadat hij onder

water naar bed was gegaan. Maar Ned Land dacht er slechts aan eens

te onderzoeken of deze grot geen uitgang had.

Na het ontbijt, omstreeks tien uur, gingen wij naar den oever.

"Nu zijn wij weer aan land," zei Koenraad.

"Dit noem ik geen land," antwoordde de Amerikaan; "bovendien zijn

wij er niet op, maar er onder."

Tusschen den rotswand en het water was een zandig strand, dat op zijn

grootste breedte vijfhonderd voet breed was; over dit strand kon men

gemakkelijk om het meer heen wandelen. Maar het benedeneinde der hooge

rotswanden vormde een ongelijk terrein, waarop in schilderachtige

opeenstapeling blokken vulkanische steenen en verbazende stukken

puimsteen lagen. Al deze ruw door elkander geworpen steenblokken,

waren door het onderaardsche vuur met een laag glazuur bedekt, die in

het electrisch licht schitterde. Het met steenglas vermengde oeverzand

stoof onder onze treden als een wolk kleine sterren op.

De grond verhief zich langzamerhand naarmate wij ons van den oever

verwijderden, en wij waren weldra door een lange en bochtige helling

gekomen, waar wij langzamerhand hooger konden klimmen; maar wij

moesten voorzichtig voortgaan tusschen die losliggende steenblokken,

en onze voet gleed daarbij nu en dan uit op de stukken veldspaat en

kwarts. De vulkanische natuur van deze ontzettend groote grot werd

ons hoe langer hoe meer bevestigd; ik deed het mijn makkers opmerken.

"Kunt gij u voorstellen," vroeg ik hun, "hoe deze trechter er uit

moest zien, toen hij gevuld was met kokende lava en die gloeiende

vloeibare massa zich tot aan de opening van den berg verhief, evenals

het kokend metaal binnen de wanden van een hoogoven?"

"Dat kan ik mij best voorstellen, mijnheer!" antwoordde Koenraad. "Maar

kan mijnheer mij ook zeggen, waar deze groote hoogoven het werk

gestaakt heeft, en hij nu met het water van een kalm meer gevuld is?"

"Vermoedelijk. Koenraad, omdat eenige aardbeving onder het oppervlak

van den Oceaan de opening heeft gemaakt, waardoor de Nautilus hier

binnen is gekomen. Toen is het water der zee waarschijnlijk naar

binnen gestort; er is een vreeselijke strijd tusschen de beide

elementen gevoerd, die ten voordeele van Neptunus is geëindigd. Er

zijn evenwel reeds eeuwen overheen gegaan, en de overstroomde vulkaan

is een vreedzame grot geworden."

"Zeer goed," antwoordde Ned Land, "ik geloof u; maar in ons belang

betreur ik het dat die opening, waarvan mijnheer spreekt, niet boven

het vlak der zee ligt."

"Maar, vriend Ned," zei Koenraad, "als die opening niet onder water

was, dan had de Nautilus hier niet binnen kunnen komen."

"En ik voeg er nog bij, Land, dat het water dan ook den vulkaan niet

binnengestroomd, en deze nog een vuurspuwende berg wezen zou. Je

spijt is dus overbodig."

Wij begonnen te klimmen; de helling werd hoe langer zoo steiler, en

de paden hoe langer zoo nauwer; soms waren er diepe spleten in den

grond, waarover wij moesten heenspringen; dan moesten wij weer om ver

uitstekende en overhangende rotsblokken heen; wij kropen soms op de

knieën of op den buik voort. Maar met hulp van Koenraaads behendigheid

en Neds kracht kwamen wij alle hinderpalen te boven.

Op een hoogte van ongeveer dertig meter, veranderde de aard van den

grond, zonder dat deze daarom nog begaanbaarder werd; wij stuitten

op zwarte basaltblokken; soms lagen zij met zwavel bedekt over een

vlakte neergeworpen, dan weder vormden zij regelmatige prisma's, die

als kolommen overeind stonden, om het groote gewelf te ondersteunen,

en een prachtig schouwspel opleverden van de bouwkunst der natuur. Op

andere plaatsen liepen tusschen deze basaltblokken lange stroomen

van gestolten lava, waarin strepen jodenlijm of groote massa's zwavel

zichtbaar waren. Het daglicht, dat door den krater naar binnen viel,

verlichtte deze vulkanische overblijfselen, die voor eeuwig in dien

uitgedoofden berg begraven lagen, met een onzeker schijnsel.

Weldra moesten wij op een hoogte van omstreeks 250 voet door

onoverkomelijke hinderpalen ons klimmen staken. De bergwand begon

over ons heen te hangen, en in plaats van te stijgen, moesten wij

onze wandeling om het meer voortzetten. Op de hoogte, waarop wij ons

bevonden, begon het plantenrijk met het mineraalrijk in aanraking te

komen. Uit de rotsspleten kwamen hier en daar heesters en op enkele

plaatsen zelfs boomen te voorschijn. Ik herkende eenige planten en

bloemen, zooals heliotropen en chrysanthemums; zelfs ontdekte ik

tusschen de lavastroomen in kleine, doch weinig riekende viooltjes,

hoewel ik beken dat ik dit weinigje geur gretig opsnoof. De geur is

de ziel der bloemen, en de bloemen der zee, hoe prachtig ook, hebben

geen ziel!

Wij waren aan den voet van een boschje vrij zware drakenboomen

genaderd, die door de kracht hunner sterke wortels de rots gebroken

hadden, toen Ned Land uitriep: "O mijnheer, een bijennest!"

"Een bijennest," antwoordde ik, terwijl ik den schouder ongeloovig

optrok.

"Ja zeker!" riep de Amerikaan, "de bijen gonzen er om heen."

Ik naderde en moest mij gewonnen geven. In een gat van een drakenboom,

waren eenige duizenden van de vernuftige insecten, die op de Canarische

eilanden zooveel voorkomen, en wier honig dáár zoo gezocht is.

De Amerikaan wilde natuurlijk een voorraad honig medenemen, en ik

was zoo onbarmhartig niet om er mij tegen te verzetten; hij stak met

behulp van zijn vuurslag, wat droge bladeren met zwavel vermengd aan,

om de bijen te doen stikken; weldra hield het gegons op, en het nest

leverde verscheidene ponden geurigen honig. Ned Land stak deze in

zijn voorraadzak.

"Als ik den honig met het deeg van den broodboom vermeng," zei hij,

"dan kan ik u een kostelijken koek aanbieden."

"Best," zei ik, "maar laat ons nu voortgaan."

Op enkele bochten van ons pad vertoonde zich het meer in zijn geheele

uitgestrektheid; het werd door de lantaarn van den Nautilus verlicht,

en wij zagen er geen enkel golfje of rimpeltje op. De Nautilus lag

onbeweeglijk; op het plat liepen menschen heen en weer, als zwarte

schimmen in de zee van het electrisch licht. Op dat oogenblik draaiden

wij om een uitstekend rotspunt heen en zagen toen, dat de bijen niet de

eenige dieren waren, die den vulkaan bewoonden. Roofvogels vlogen hier

en daar in de duisternis rond, of vluchtten weg van hun nesten. Het

waren sperwers en havikken; ook liepen er hier en daar, zoo snel zij

konden, schoone en vette trapganzen. Men kan zich de begeerlijkheid

van den Amerikaan voorstellen, toen hij dit smakelijk wild zag, en

welk een spijt hij gevoelde zijn geweer niet bij zich te hebben. Hij

beproefde ze met steenen te raken, en na verscheidene vruchtelooze

pogingen slaagde hij er eindelijk in, een van die prachtige trapganzen

te treffen. Als ik zeg, dat hij twintigmaal zijn leven waagde om het

dier te grijpen, jok ik niet, maar hij vervolgde het beest zoo lang

totdat hij het in zijn zak had.

Wij moesten wederom naar beneden, want wij konden onmogelijk

verder. Boven ons geleek de gapende krater op de opening van een

put. Wij konden den hemel vrij duidelijk zien, en ik zag de wolken

oostwaarts drijven. Een half uur na de laatste heldendaad van

Ned Land, waren wij weer aan den oever. Hier groeide niets meer

dan wat zeevenkel, een klein plantje, dat goed is om gekonfijt te

worden. Koenraad plukte er eenige bosjes van. Verder vonden wij een

menigte schelpdieren.

Hier was een prachtige grot; mijn makkers en ik kregen lust ons op

het fijne zand uit te strekken. Het vuur had de wanden met schitterend

glazuur bedekt. Ned Land betastte ze, als wilde hij onderzoeken hoe dik

zij wel waren; ik kon een glimlach niet onderdrukken. Ons gesprek viel

toen weer op zijn eeuwigdurende plannen om te ontvluchten, en zonder

zijn hoop al te zeer te voeden, kon ik toch deze veronderstelling

maken: dat namelijk kapitein Nemo slechts naar het Zuiden gevaren

was om zijn voorraad sodium te vernieuwen; ik hoopte dus dat hij

nu weer naar de kusten van Europa of Amerika zou varen, waardoor de

Amerikaan dus in de gelegenheid zou zijn, zijn mislukte poging met

beteren uitslag te hervatten.

Wij lagen ongeveer een uur in de schoone grot uitgestrekt, toen

ons gesprek, dat in den beginne vrij levendig geweest was, begon te

verflauwen; zekere slaperigheid overviel ons, en daar ik geen enkele

reden zag om dit tegen te gaan, dommelde ik zachtjes in; ik droomde,

en wie is meester om zijn droomen te kiezen, ik droomde dat mijn

geheele bestaan zich in dat van een weekdier oploste; het scheen mij

alsof de grot mijn schelp was. Plotseling werd ik door het schreeuwen

van Koenraad gewekt.

"Op, op!" riep de brave jongen.

"Wat is er?" vroeg ik, half opstaande.

"Het water komt op."

Ik sprong overeind, en zag dat het zeewater als een stortvloed de

grot binnendrong; omdat wij in wezenlijkheid geen weekdieren waren,

moesten wij trachten ons te redden. Binnen weinige oogenblikken waren

wij boven in de grot in veiligheid. "Wat gebeurt er toch?" vroeg

Koenraad; "is er een nieuw wonder voorgevallen?"

"Wel neen, vrienden," antwoordde ik, "het is eenvoudig de vloed die

ons heeft overvallen. De zee buiten den berg rijst, en de wetten

van het evenwicht leeren dat het meer binnen den berg dan ook rijzen

moet. Wij zijn er met een half nat pak afgekomen, en zullen ons op

den Nautilus gaan verkleeden."

Drie kwartier daarna hadden wij onzen tocht om het meer geëindigd,

en waren wij weer aan boord. De mannen der equipage brachten op dat

oogenblik de laatste vracht sodium binnen boord, zoodat de Nautilus

aanstonds had kunnen vertrekken; doch de kapitein gaf daartoe

geen bevel. Wilde hij daartoe den nacht afwachten en heimelijk

door de onderzeesche opening varen? Misschien. Hoe het ook zij,

den volgenden morgen had de Nautilus zijn haven verlaten, en voer,

ver van elk vast land, op eenige meters voort onder de golven van

den Atlantischen Oceaan.

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 13 / 27 题