HOOFDSTUK XXXIII

Een verdwenen land.

Den volgenden dag, 19 Februari, zag ik den Amerikaan in mijn kamer

komen; ik verwachtte hem; hij zag er zeer teleurgesteld uit.

"Welnu, mijnheer?" zei hij.

"Welnu, Ned, het lot is ons gisteren niet gunstig geweest."

"Die vervloekte kapitein hield ook juist stil op het oogenblik dat

wij zijn schuit zouden ontvluchten."

"Ja, Ned, hij moest bij zijn bankier zijn."

"Zijn bankier!"

"Of liever zijn bank; ik versta daardoor dezen Oceaan, waar schatten

beter in veiligheid zijn dan in de schatkist van den Staat."

Toen vertelde ik Ned wat er den vorigen dag gebeurd was, met de

stille hoop van hem van het denkbeeld af te brengen om te vluchten,

maar mijn verhaal had geen ander gevolg, dan dat Ned Land zijn spijt

uitdrukte voor eigen rekening ook niet eens een wandeling in de baai

van Vigo te kunnen doen.

"Komaan," zei hij, "alle hoop is nog niet verloren. Het is maar een

misstoot met den harpoen! Een andermaal zullen wij slagen, en van

avond zal ik als het moet...."

"Welke is de richting van den Nautilus?" vroeg ik.

"Ik weet het niet," antwoordde Ned.

"Welnu, om twaalf uur zullen wij het te weten komen, als de zonshoogte

wordt genomen."

De Amerikaan ging naar Koenraad terug. Toen ik aangekleed was,

trad ik den salon binnen; het kompas stond niet zeer uitlokkend;

de richting was zuid-zuidwest; wij verwijderden ons dus van Europa.

Ik wachtte met zeker ongeduld dat onze richting op de kaart zou worden

aangeteekend. Tegen half twaalf, liepen de vergaarbakken ledig, en

het vaartuig kwam weer aan de oppervlakte. Ik ging naar het plat:

Ned Land was er reeds vóor mij.

Wij hadden geen land meer in het gezicht, niets dan de oneindige

zee. Eenige zeilen aan den gezichteinder, zeker van schepen die tot

kaap San-Roque varen om een gunstigen wind te zoeken, die hen om de

Kaap de Goede Hoop voert. De hemel was bewolkt; een storm was ophanden.

Ned beproefde in zijn woede om met het oog door den benevelden

gezichteinder te boren; hij hoopte nog dat zich achter dien nevel het

zoo begeerde land uitstrekte. Om twaalf uur scheen de zon maar een

oogenblik; de stuurman maakte daarvan gebruik om de hoogte te nemen;

daar echter de zee te onstuimig werd, gingen wij naar beneden en het

luik werd gesloten.

Toen ik een uur later op de kaart zag, bemerkte ik dat de Nautilus

er op 16° 17' N.B. en 33° 22' W.L. stond aangeteekend, dus op bijna

zeshonderd kilometer van de naaste kust. Het was nu onmogelijk aan de

vlucht te denken, en ik waag het dus niet de woede van den Amerikaan te

beschrijven, toen ik hem de hoogte mededeelde, waar wij ons bevonden.

Wat mij aangaat, ik troostte mij spoedig; ik voelde mij als bevrijd

van een last, die mij drukte, en ik kon met betrekkelijke kalmte

mijn gewone werk weer opvatten. Des avonds, te elf uur, ontving ik

onverwacht een bezoek van kapitein Nemo. Hij vroeg mij zeer beleefd of

ik moede was van het waken gedurende den vorigen nacht. Ik antwoordde

ontkennend.

"Dan zal ik u een merkwaardigen tocht voorstellen, mijnheer Aronnax."

"Welken kapitein?"

"Gij hebt de diepte der zee alleen bij dag en zonlicht bezocht. Zoudt

gij ze niet eens bij een duisteren nacht willen zien?"

"Heel graag."

"Ik zeg u, dat die wandeling zeer vermoeiend zal zijn. Gij moet lang

loopen en een berg beklimmen, en de wegen zijn niet zoo bijzonder

goed onderhouden," voegde hij er glimlachend bij.

"Wat gij mij daar zegt, kapitein, verdubbelt mijn nieuwsgierigheid. Ik

ben gereed u te volgen."

"Kom dan mee, mijnheer de professor, om onze scaphanders te gaan

aandoen."

In de kleedkamer gekomen, zag ik dat noch mijn makkers, noch iemand van

de bemanning ons op dien tocht zouden volgen. De kapitein had mij zelfs

niet voorgesteld Ned of Koen mee te nemen. Binnen weinige oogenblikken

hadden wij onze toestellen aan. Men plaatste de luchtschouders op

onzen rug, doch de electrische lampen werden ons niet gegeven; ik

merkte dit den kapitein op. "Zij zullen ons geen nut doen," zei hij.

Ik meende niet goed te hebben verstaan, doch kon mijn opmerking niet

herhalen, omdat het hoofd van den kapitein reeds in den helm was

verdwenen. Ik zette mijn metalen hoofddeksel op, en voelde dat men

mij een met ijzer beslagen stok in de hand gaf; eenige minuten later

stonden wij, na de gewone verschijnselen, op den bodem van den Oceaan,

ter diepte van driehonderd meter.

Middernacht naderde. Het water was zeer donker, doch de kapitein wees

mij in de verte een roodachtig punt, een soort van breede schemering,

op ongeveer twee kilometer van den Nautilus zichtbaar. Ik had niet

kunnen zeggen wat dit voor vuur was, waardoor het gevoed werd, en hoe

en waarom het in de watermassa kon opflikkeren. In alle gevalle gaf het

ons licht, wel zwak, doch ik gewendde mij weldra aan die bijzondere

schemering, en ik begreep in deze omstandigheid de nutteloosheid

der toestellen van Ruhmkorff. De kapitein en ik liepen, dicht naast

elkander, recht op het aangewezen vuur af. De bodem rees langzaam; wij

maakten met behulp onzer stokken groote stappen, doch wij vorderden

toch niet hard, want onze voeten zakten dikwijls in de modder, die

met zeewier vermengd, en hier en daar met platte steenen bezaaid was.

Onder het voortstappen hoorde ik iets als gekletter boven mijn

hoofd. Soms verdubbelde dit geluid en bracht een onophoudelijk

leven voort. Weldra begreep ik de oorzaak; het was de regen,

die in den stroom neerviel en op de oppervlakte der zee dit geraas

maakte. Onwillekeurig dacht ik, doornat te zullen worden! Ik kon niet

nalaten over dit dwaze denkbeeld te lachen. Nat door het water, in het

midden van het water! Maar tot mijn verontschuldiging voer ik aan,

dat men met den dikken scaphander aan het lijf, het vochtig element

niet meer voelt, en men zich slechts in een weinig dichter atmosfeer

dan die van de oppervlakte der aarde waant.

Na een half uur te hebben geloopen, werd de grond rotsachtig. Allerlei

kleine dieren verlichtten den bodem door hun lichtgevend vermogen. Ik

zag hoopen steenen, die door eenige millioenen diertjes en een net van

zeewier bedekt waren. Dikwijls gleed mijn voet op den gladden bodem

uit, en zonder mijn stok zou ik meer dan eens gevallen zijn. Als ik

mij omkeerde, zag ik altijd het licht van den Nautilus, dat in de

verte evenwel begon te verflauwen.

Die steenhoopen, waarvan ik zooeven sprak, waren op den zeebodem

met een zekere regelmaat verspreid, waarvan ik mij geen verklaring

wist te geven. Ik zag reusachtige groeven, die zich in het duister

verloren, welker lengte ik niet kon schatten; zoo merkte ik ook andere

bijzonderheden op, waarvan ik geen verklaring wist te geven. Het

kwam mij voor, dat mijn zware schoenzolen een veld met beenderen

verbrijzelden, die dof kraakten. Welke was dan die uitgestrekte

vlakte waar wij gingen? Ik had het den kapitein willen vragen,

maar de teekens, door middel waarvan hij met zijn makkers bij hun

onderzeesche tochten sprak, waren voor mij onbegrijpelijk.

Echter nam de rosse schijn, die ons leidde, toe en vertoonde zich reeds

met vlammen aan den gezichteinder. De aanwezigheid van dien vuurhaard

onder water maakte mij in de hoogste mate nieuwsgierig. Was het een

uitstrooming van electriciteit? Zou ik een natuurlijk verschijnsel

zien, waarvan de geleerden nog niets wisten? Of zou, en deze gedachte

schoot mij door het hoofd, 's menschen hand in dit vuur zichtbaar

zijn? Blies hij dien brand aan? Zou ik in de diepte wellicht makkers

of vrienden van kapitein Nemo ontmoeten, die even vreemd als hij

leefden, en die hij ging opzoeken? Zou ik daaronder misschien een

volkplanting van bannelingen aantreffen, die de ellende der aarde

moede, in de diepten van den Oceaan de onafhankelijkheid gezocht en

gevonden hadden? Al die dwaze, ongerijmde denkbeelden kwamen mij voor

den geest, en in die gemoedstemming, onophoudelijk verbaasd door de

wonderen, die voor mijn oogen voorbijgingen, zou ik niet verwonderd

geweest zijn, als ik in de diepte der zee een van die onderzeesche

steden had ontdekt, waarvan kapitein Nemo droomde.

Onze weg werd langzamerhand lichter. Het witte licht straalde boven

een berg van ongeveer 800 voet hoog; maar wat ik zag, was eigenlijk

niets als een eenvoudige terugkaatsing van licht tegen het kristal

van water. De bron van dat overklaarbaar licht was aan de andere

zijde van den berg.

De kapitein stapte zonder aarzelen voort tusschen het doolhof van

steenen, die den bodem van den Atlantischen Oceaan bedekten; hij kende

dien somberen weg; hij had dien zonder twijfel dikwijls bewandeld

en kon er niet verdwalen; ik volgde hem met onwankelbaar vertrouwen;

hij scheen mij toe een der geesten der zee te zijn, en als hij voor

mij uitging, bewonderde ik zijn hooge gestalte, die als een zwart

beeld tegen den lichten gezichteinder afstak. Het was éen uur na

middernacht; wij waren de onderste helling van den berg genaderd,

maar om dien te beklimmen, moesten wij ons langs moeilijk begaanbare

wegen door een dicht bosch wagen. Het was een bosch van doode boomen,

zonder bladeren, zonder sap, boomen die door het water waren gedood

en waarboven hier en daar reusachtige dennen uitstaken. Het was als

't ware een kolendomein, waarin de verkoolde boomen overeind stonden,

omdat ze in den gedeeltelijk losgewoelden grond nog vastgeworteld

zaten, en wier takjes, als fijn knipwerk van zwart papier, tegen het

heldere water juist waren afgeteekend. Men stelle zich een woud in

den Harz tegen een berghelling voor, doch in het water verzonken. De

paden waren met wier en allerlei zeeplanten volgegroeid en daartusschen

wemelde het van dieren. Ik klom tegen de rots op, doch moest telkens

over uitstekende wortels heenstappen, en zeeplanten scheuren, die

mij in den weg dreven, of tusschen de boomtakken hingen, terwijl ik

een heirleger van visschen verschrikt opjoeg, die tusschen de takken

door wegzwommen. Meegesleept door de schoonheid van dit tooneel,

voelde ik geen afgematheid meer; ik volgde mijn onvermoeiden gids.

Welk een schouwspel! Hoe het terug te geven? Hoe het gezicht te

beschrijven van die bosschen en rotsen te midden van het water,

van onder in vrees aanjagende en sombere duisternis gehuld en wier

toppen van rosachtig licht omringd waren, voortkomend uit die onbekende

bron van gloed, waarvan de schijn door de terugkaatsing van het water

verdubbelde? Wij beklommen rotsen, waarvan onder dof geluid brokken

afgescheurd werden en naar beneden stortten. Rechts en links waren

donkere galerijen, waarin zich het oog verloor. Daar waren groote

groeven, door een menschenhand schijnbaar gegraven, en ik vroeg mij

zelven af of ik niet plotseling een bewoner dier onderzeesche streken

voor mij zou zien verschijnen.

Maar kapitein Nemo klom steeds door; ik wilde niet achterblijven,

en volgde met moed; mijn stok was mij daarbij van veel nut; een

misstap zou gevaarlijk geweest zijn op die smalle voetpaden, die

aan den rand van afgronden schenen uitgehouwen te zijn, maar ik liep

met vasten tred door, en werd niet duizelig. Nu eens sprong ik over

een spleet, welker diepte mij in de bergen op aarde zou hebben doen

terugdeinzen, dan eens waagde ik mij over den gladden stam van boomen,

over de randen eens afgronds geworpen, zonder naar beneden te zien,

daar ik geen oogen genoeg had om de schoonheid dezer wildernissen te

bewonderen. Op andere plaatsen schenen rotsblokken, als gedenkteekenen

op hun onregelmatig gehouwen voetstukken, den spot te drijven met de

wetten van evenwicht; tusschen hun steenen uitstekken schoten boomen

te voorschijn als waterstralen, onder een vreeselijke drukking,

en steunden elkander onderling. Dan zag ik wederom door de natuur

gevormde torens, en groote muurbrokken, als van kasteelen voorzien,

met zulk een helling voorover hangen als de wetten der zwaartekracht

op de oppervlakte der aarde niet zouden gedoogd hebben. En ik bemerkte

zelfs het verschil niet tusschen de dichtheid van water en van lucht,

want niettegenstaande mijn zware kleederen, mijn koperen helm en mijn

looden zolen, beklom ik hellingen van onbegrijpelijke steilte met de

vlugheid van een geit of een gems.

Ik gevoel wel dat ik onwaarheid schijn te vertellen, nu ik dezen

onderzeeschen tocht beschrijf, doch ik schrijf de geschiedenis van

schijnbaar onmogelijke zaken, die echter onbetwistbaar waar zijn. Ik

heb niet gedroomd, maar gezien en getast!

Twee uren na het verlaten van den Nautilus, hadden wij de uiterste

grens der boomen bereikt, en honderd voet boven ons verhief zich de top

van den berg, die donker afstak tegen het helle licht van den anderen

kant. Hier en daar stonden nog eenige versteende struiken. Duizenden

visschen vloden voor ons uit, evenals vogels, in het hooge gras

verrast. De rots was doorboord met een menigte ondoordringbare

scheuren, diepe holen en groote gaten, waarin zich verschrikkelijke

voorwerpen bewogen. Ik verstijfde van schrik, als ik een spriet- of

voelhoorn zag, die mij den weg versperde, of een vreeselijke schaar,

welke zich in de duisternis der grot met vrij veel geweld opende en

sloot. Duizenden lichtende punten flikkerden in dezen nacht. Het waren

de oogen van reusachtige schaaldieren, in hun schuilplaatsen gedoken

of van vreeselijke kreeften, die als hellebardiers overeind stonden

en haar pooten tegen elkander sloegen alsof ze van ijzer waren;

van reusachtige krabben, die als kanonnen op hun affuiten stonden,

van ontzettende inktvisschen, welke met hun voelarmen door elkander

werkten, als waren ze een broedsel van levende slangen.

Welke was die vreeselijke, mij nog onbekende dierenwereld? Tot welke

klasse of orde behoorden deze beesten, voor wie de rotsen, waarop zij

huisden, als 't ware een tweede schaal vormden? Waar had de natuur het

geheim van hun bestaan ontdekt, en sedert hoeveel eeuwen leefden zij in

de diepten van de zee? Doch ik kon niet blijven staan. Kapitein Nemo,

meer van nabij met deze afzichtelijke wezens bekend, sloeg er geen

acht meer op. Wij waren op een eerste bergvlak gekomen, waar mij nog

andere verrassingen wachtten; daar zag ik schilderachtige bouwvallen,

die de hand der menschen en niet des scheppers verrieden. Het waren

groote steenhoopen, waaronder men onduidelijk de vormen van kasteelen

en tempels herkende, met een heirleger van bloeiende zoöphyten en

een mantel van zeewier en gras als met klimop bedekt.

Maar welk gedeelte van den aardbol was het toch, dat door

overstroomingen scheen verzwolgen te zijn? Wie had deze rotsen en

steenen daar zóó neergezet als gedenkteekenen van voorhistorische

tijden? Waar was ik, en waar had een luim van den kapitein mij

heengebracht? Ik had het hem wel willen vragen: maar omdat ik het niet

kon doen, bleef ik staan en greep hem bij den arm. Hij schudde met

het hoofd en wees mij den laatsten bergtop, alsof hij wilde zeggen:

"Kom maar mee, kom maar!"

Ik volgde hem dus, en binnen weinige minuten had ik den top bereikt,

die boven deze rotsmassa nog tien meter uitstak. Ik keek naar de zijde,

door ons bestegen. De berg verhief zich slechts zeven of acht honderd

voet boven de vlakte, maar aan de andere zijde was hij dubbel zoo

hoog en besloeg het dal, dat zich in dit gedeelte van den Oceaan aan

zijn voeten uitstrekte. Mijn blik drong hier vrij ver door, en omvatte

een groote ruimte, door een hevige uitbarsting verlicht; deze berg was

inderdaad een vulkaan; ongeveer vijftig voet onder den top braakte een

krater, te midden van een regen van steenen en rotsblokken, stroomen

lava uit, als vurige watervallen in het water verdwijnend. Deze vulkaan

verlichtte als een ontzaglijk groote fakkel de vlakte, zoover het oog

reikte. Ik zei dat die onderzeesche vulkaan lava, maar geen vlammen

uitbraakte; voor vlammen is de zuurstof der lucht noodig, zoodat zij

onder het water niet kunnen duren; maar lavastroomen, die het beginsel

hunner gloeiing in zich bevatten, kunnen zelfs roodgloeiend zijn,

zegevierend tegen het water worstelen en dit bij aanraking verdampen;

de lava stroomde dus even als bij de uitbarstingen van den Vesuvius,

naar beneden op een ander Torre del Greco.

Inderdaad, daar lag onder mijn oogen een verwoeste stad met

ingestorte daken, vernielde tempels, uit elkander gescheurde zuilen

en neergeworpen kolommen, welke men vermoeden kon, dat tot de stevige

Toskaansche bouworde behoord hadden. Verder op lagen de overblijfselen

eener reusachtige waterleiding. Hier lag het hooge muurwerk van een

burcht met gebouwen, waarin men de vormen van het Parthenon giste; daar

overblijfselen van een kade, alsof een haven in vervlogen eeuwen aan

de kust van een verdwenen oceaan, aan koopvaardij- en oorlogsschepen

tot ankerplaats had gestrekt; nog verder lange lijnen van in elkander

gestorte muren, breede en verlaten straten, een geheel Pompeji, daar

in het water verzonken, en door kapitein Nemo onder mijn oog gebracht.

Waar was ik? Ik wilde het weten, ik wilde spreken, en den koperen helm

mij van 't hoofd rukken. Maar de kapitein kwam naar mij toe, en hield

mij met één beweging tegen; toen raapte hij een stuk krijtsteen op,

liep naar een zwarte basaltrots en schreef daarop het woord:

"Atlantis."

Welk een gedachte trof mij! Atlantis, het oude Meropis van Theopompus,

het Atlantis van Plato, het vaste land, dat ontkend werd door Origenes,

Porphyrius, Jamblichus, d'Anville, Malte-Brun en von Humboldt, die deze

verdwijning onder de sprookjes rekenden, doch waaraan geloof geslagen

werd door Posiodonius, Plinius, Ammianus Marcellinus, Tertullianus,

Engel, Sherer, Tournefort, Buffon en d'Avezac; ik had het daar onder

mijn oogen, zooals het de onwedersprekelijke sporen nog droeg van

de ramp, welke het getroffen had! Dit was dan het verzwolgen land,

dat vroeger gelegen was buiten de grenzen van Europa, Azië, Libye, en

de kolommen van Hercules, waar het machtig volk der Atlanten leefde,

waartegen het oude Griekenland zijn eerste oorlogen voerde.

De geschiedschrijver, die de groote daden van dit heldentijdvak te boek

heeft gesteld, is Plato. Zijn gesprek tusschen Tinaeus en Kritias, is,

om zoo te zeggen, onder den invloed van den dichter en wetgever Solon

geschreven. Deze onderhield zich eens met eenige wijze grijsaards uit

Saïs, een stad, toen reeds acht eeuwen oud, zooals de opschriften op de

tempelmuren getuigen. Een dier wijzen verhaalde de geschiedenis eener

stad, nog duizend jaar ouder; deze oude stad was, toen zij negen eeuwen

bestaan had, door de Atlanten overvallen en gedeeltelijk verwoest;

dit volk, zei hij, woonde in een uitgestrekt land, veel grooter dan

Afrika en Azië bij elkander, en een oppervlakte beslaande van 12° tot

40° N.B. Hun gebied strekte zich tot aan Egypte uit: zij wilden ook

Griekenland de wet voorschrijven, doch daar stieten zij het hoofd

tegen den onweerstaanbaren moed der Hellenen. Eeuwen verliepen;

een geweldige overstrooming, met aardbevingen gepaard, had plaats;

éen dag en éen nacht waren voldoende om dit Atlantis te vernietigen,

waarvan Madeira, de Azorische, Canarische en Kaap-Verdische eilanden

nu nog, als hoogste punten, zich uit de zee verheffen.

Dit waren de geschiedkundige herinneringen, die het door kapitein

Nemo geschreven woord bij mij levendig deden worden. Zoo stond ik

dan, door het vreemdste lot gedreven, thans op een der bergen van dit

verdwenen land! Ik raakte als het ware met de hand die duizend eeuwen

oude bouwvallen aan, tot een voorwereldlijk tijdperk behoorend! Ik

betrad den grond, waarop de tijdgenooten van den eersten mensch hadden

gewoond; ik verbrijzelde onder mijn voet de skeletten van dieren uit

de fabelachtige tijden, die onder de schaduw van de thans versteende

boomen hadden gerust!

Ach, waarom had ik niet meer tijd; ik had de steile helling van dezen

berg wel willen afdalen, om dit uitgestrekte land te doorloopen,

dat zonder twijfel Afrika en Amerika aan elkander verbond, en om die

groote voorwereldlijke steden te bezoeken. Daar strekten zich misschien

onder mijn voet het krijgshaftige Makhimos, het vrome Eusebes uit,

wier reusachtige inwoners eeuwen lang leefden en die kracht genoeg

bezaten om deze rotsblokken op elkander te stapelen, nu nog weerstand

biedend aan het geweld der wateren! Eens zal misschien een wonder de

verdwenen bouwvallen weer boven het vlak der zee verheffen.

In dit gedeelte van den Oceaan heeft men het bestaan van een

aantal onderzeesche vulkanen bewezen, en verscheidene schepen

hebben buitengewone schokken ondervonden, als zij op deze hoogte

voeren. Sommigen hoorden doffe geluiden, den strijd der elementen

te kennen gevende, anderen hebben vulkaan-asch opgevangen, uit zee

naar boven geworpen. De geheele bodem tot aan den evenaar toe, wordt

nog door onderaardsche vulkanische krachten geteisterd. En wie weet

of over eenige eeuwen de toppen dezer vuurspuwende bergen, hooger

geworden door plutonische uitwerpselen en opeenvolgende lavabeddingen,

niet boven het vlak van den Atlantischen Oceaan zullen uitsteken!

Terwijl ik zoo peinsde, en al de bijzonderheden van dit grootsche

landschap in mijn geheugen trachtte te prenten, bleef kapitein Nemo,

op een met mos bedekte kolom geleund, onbeweeglijk en als versteend

in stomme bewondering staan. Dacht hij aan verdwenen geslachten

en trachtte hij het geheim der toekomst van het menschdom te

ontdekken? Kwam die vreemde man op deze plaats zijn geschiedkundige

herinneringen verlevendigen, en in deze oudheid mee leven, omdat hij

van het leven in den lateren of nieuweren tijd niets wilde weten? Wat

zou ik niet gegeven hebben om zijn gedachten te kennen, daarin te

deelen en ze te begrijpen!

Wij bleven een uur lang op deze plaats en beschouwden, onder den

lichtenden schijn van de gloeiende en soms verbazend schitterende lava,

de uitgestrekte vlakte. Het koken en woelen onder den grond deed den

berg van tijd tot tijd dreunen en trillen; zware geluiden werden met

de grootste nauwkeurigheid door het water overgebracht en weerkaatsten

met statige kracht. Op dat oogenblik scheen de maan een poos door

het water heen, en wierp over het verzwolgen landschap eenige bleeke

stralen; het was maar een oogenblik, doch van een onbeschrijfelijke

uitwerking. De kapitein richtte zich op, wierp een laatsten blik op

de onmetelijke vlakte, en wenkte mij toen hem te volgen. Wij daalden

den berg spoedig af; toen wij het woud door waren, zag ik de lantaarn

van den Nautilus schitteren als een ster. De kapitein ging er recht

op af, en wij waren weer aan boord toen de eerste stralen van het

morgenlicht schenen over de oppervlakte van den Oceaan.

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 12 / 27 题