HOOFDSTUK XXXII

De Golf van Vigo.

De Atlantische Oceaan, ontzaglijke waterplas van 25 millioen vierkante

kilometer; belangrijke zee, welke de ouden bijna niet kenden, behalve

misschien de Carthagers, de Hollanders der oudheid, die op hun

handelsreizen de westkusten van Europa en Afrika bezochten! Oceaan,

wiens kusten zulk een onmetelijken omtrek hebben, waarin de grootste

rivieren der wereld haar water doen stroomen; prachtige watervlakte,

onophoudelijk doorkliefd door de schepen van alle natiën, versierd

met de vlaggen van alle landen der wereld, en welks zuidelijk uiteinde

wordt gevormd door twee kapen, bij de zeevaarders evenzeer gevreesd,

de Stormkaap en kaap Hoorn!

De Nautilus doorkliefde het water van den Oceaan met zijn schroef

in drie en een halve maand, na een afstand te hebben afgelegd van

bijna 40.000 kilometer. Waar gingen wij nu heen, en wat zou ons de

toekomst opleveren?

Toen wij de straat van Gibraltar door waren, had de Nautilus het

ruime sop gekozen; hij rees naar de oppervlakte, waardoor wij dus in

de gelegenheid werden gesteld onze dagelijksche wandelingen op het

plat te vervolgen.

Ik ging met Ned Land en Koenraad aanstonds naar boven. Op een

afstand van twaalf kilometer zagen wij flauw kaap St. Vincent, het

zuidwestelijk uiteinde van het Iberische schiereiland. De wind woei

vrij sterk uit het zuiden. De zee stond hol, en deed den Nautilus sterk

slingeren. Het was bijna onmogelijk om op het plat te blijven staan,

daar groote golven er telkens overheen sloegen. Wij gingen dus naar

beneden, na een goeden voorraad versche lucht te hebben ingeademd. Ik

ging naar mijn kamer, en Koenraad naar zijn hut, maar Ned Land volgde

mij met een afgetrokken gelaat. Onze snelle reis door de Middellandsche

Zee had hem niet in staat gesteld zijn voornemen ten uitvoer te

brengen en hij ontveinsde zijn teleurstelling maar weinig. Toen hij

de deur had gesloten, ging hij zitten en zag mij zwijgend aan.

"Vriend Ned," zei ik, "ik begrijp je, maar je hebt je niets te

verwijten. De gedachte aan de vlucht zou een groote dwaasheid geweest

zijn, nu de Nautilus zoo vreeselijk snel voorwaarts ging."

Ned Land antwoordde niet; zijne gesloten lippen en gefronste

wenkbrauwen duidden genoegzaam aan, dat maar éen gedachte hem bezig

hield.

"Komaan," zei ik, "niets is nog verloren; wij varen de kust van

Portugal langs. Frankrijk en Engeland zijn niet ver meer verwijderd,

en daar kunnen wij immers ook heen vluchten? Als de Nautilus, buiten de

straat van Gibralter komende, zich naar het zuiden had gewend, als hij

ons mee had gesleept naar de streken, waar bijna geen land te vinden

is, dan zou ik even teleurgesteld zijn als jij; maar nu weten wij, dat

kapitein Nemo de zeeën der beschaafde natiën niet ontvlucht, en binnen

weinige dagen geloof ik wel, dat je met volle zekerheid kunt handelen."

Ned Land keek mij nog strakker aan, en opende eindelijk den mond.

"Van avond!" zei hij.

Ik stond plotseling op; ik was, ik moet het bekennen, weinig voorbereid

op zulk een mededeeling; ik had den Amerikaan willen antwoorden,

doch ik kon geen woord uitbrengen.

"Wij waren overeengekomen een gelegenheid af te wachten," vervolgde

Ned Land. "Die gelegenheid heb ik nu; van avond zullen wij maar eenige

kilometers van de Spaansche kust verwijderd zijn; de nacht is donker,

de wind is west; ik heb uw woord, mijnheer Aronnax, en ik reken op u."

Daar ik bleef zwijgen, stond de Amerikaan op en naderde mij.

"Van avond om negen uur," fluisterde hij; "ik heb Koen

gewaarschuwd. Dan zal de kapitein waarschijnlijk in zijn kamer en

naar bed zijn; de machinisten en matrozen kunnen ons niet zien;

Koenraad en ik zullen naar de hoofdtrap gaan: gij, mijnheer Aronnax,

zult een paar schreden afstands in de bibliotheek wachten op ons

teeken. De riemen, de mast en de zeilen zijn al in de sloep; ik heb

er zelfs eenige levensmiddelen in kunnen brengen; ook heb ik mij van

een sleutel meester gemaakt om de bouten los te schroeven, die de

boot aan den Nautilus verbinden. Alles is dus gereed. Tot van avond."

"De zee staat hol," zei ik.

"Dat is waar," antwoordde Ned, "maar dat moet men wagen. De vrijheid is

wel wat waard; bovendien, de boot is sterk, en eenige kilometers met

een goeden wind beteekenen niets. Wie weet of wij morgen geen honderd

kilometer ver in zee zijn? Als de omstandigheden ons begunstigen,

zullen wij tusschen tien en elf uur ergens aan wal stappen of dood

zijn. God behoede u dus, en tot van avond!"

Daarop ging hij heen, en liet mij versuft zitten; ik had mij

verbeeld, dat als het geval eens daar was, ik den tijd zou hebben

om te overdenken, en de zaak te bepraten. Mijn koppige makker liet

mij daarvoor geen tijd, en wat zou ik hem ook gezegd hebben? Ned

Land had honderdmaal gelijk; het was nu een vrij goede gelegenheid,

en hij maakte er gebruik van. Kon ik mijn woord intrekken en de

verantwoordelijkheid op mij laden van uit geheel persoonlijke belangen

de toekomst mijner makkers in de waagschaal te stellen? Kon morgen

de kapitein ons niet in volle zee, ver van alle land, met zich voeren?

Op dat oogenblik gaf mij een vrij sterk geruisch te kennen dat de

vergaarbakken van den Nautilus vol liepen en wij weer in de diepte

daalden.

Ik bleef in mijn kamer, omdat ik den kapitein wilde ontwijken,

die in mijn oog en op mijn gelaat de ontroering niet mocht lezen,

die zich van mij had meester gemaakt. Ik bracht dus een treurigen

dag door, geslingerd tusschen de begeerte om mijne vrijheid terug te

krijgen, en het leedwezen dezen wonderbaarlijken Nautilus te verlaten,

zonder mijn onderzeesche studiën voleindigd te hebben. Ik zou dus dien

Oceaan vaarwelzeggen, zonder er de diepten van te hebben nagespoord,

zonder ook hier de geheimen te hebben ontdekt, welke de Indische en

Groote Oceaan mij hadden ontvouwd! Mijn roman viel mij reeds bij het

eerste deel uit de handen, mijn droom werd op het schoonste oogenblik

afgebroken! Welke onaangename uren gingen er voorbij; dan zag ik

mij met mijn makkers aan wal, dan weer wenschte ik tegen het gezond

verstand in, dat eenige onvoorziene omstandigheden het plan van Ned

Land in duigen mochten doen vallen.

Tweemaal ging ik naar den salon om het kompas te raadplegen, ten

einde te zien of de Nautilus de kust bleef naderen, of er zich van

verwijderde. Maar neen: de Nautilus bleef altijd bij de Portugeesche

kust; hij voer steeds naar het noorden. Wij moesten er dus partij

van trekken en ons voor de vlucht gereed houden; mijn bagage was niet

zwaar, niets dan mijn aanteekeningen.

Ik vroeg mij zelven af wat kapitein Nemo wel van onze ontsnapping

zou denken, welke ongerustheid, welk leedwezen deze hem misschien zou

veroorzaken, en wat hij doen zou, ingeval hem ons plan bekend werd,

of het mislukte! Ik had mij ongetwijfeld niet over hem te beklagen;

integendeel. Nimmer werd gastvrijheid gulhartiger aangeboden dan de

zijne; doch als ik hem verliet, kon ik toch niet van ondankbaarheid

worden beschuldigd, want geen eed verbond ons aan hem. Hij rekende

alléén op den drang der omstandigheden, niet op ons woord, om ons

voor altijd aan hem te verbinden; hij had ronduit bekend, dat hij

ons altijd gevangen zou houden, en dit rechtvaardigde ons voornemen.

Ik had den kapitein sedert ons bezoek aan het eiland Santorino niet

terug gezien. Zou het toeval ons voor mijn vertrek nog bij elkander

brengen? Ik begeerde en ik vreesde het te gelijk. Ik luisterde of ik

hem niet in zijn hut, naast de mijne hoorde loopen, doch geen geluid

trof mijn oor; zijn hut moest ledig zijn.

Toen vroeg ik mij zelven af of die vreemde man wel aan boord

was. Sedert dien nacht, waarin de sloep den Nautilus had verlaten

om die geheimzinnige reis te doen, waren mijn denkbeelden te zijnen

opzichte wel eenigszins gewijzigd. Ik dacht dat kapitein Nemo, wat hij

ook mocht zeggen, met het bewoonde land nog wel in eenige betrekking

zou staan. Verliet hij nooit den Nautilus? Weken waren soms voorbij

gegaan, dat ik hem niet gezien had. Wat deed hij in dien tijd, en

bedreef hij geen daden, waarvan ik den aard niet kon gissen, terwijl

ik nog altijd meende dat hij een eeuwigen haat aan het menschdom had

gezworen? Duizenden gedachten van dien aard bestormden mij. Het veld

mijner veronderstellingen moest zich uitbreiden in de omstandigheden,

waarin ik mij bevond: ik voelde mij zeer onaangenaam: ik dacht dat

aan den dag geen einde zou komen. De uren sloegen te langzaam voor

mijn ongeduld.

Mijn middagmaal werd mij, als naar gewoonte, in mijn kamer gebracht. Ik

at slecht, daar ik veel te afgetrokken was. Ik ging te zeven uur van

tafel. Honderd twintig minuten--ik telde ze--scheidden mij nog van het

oogenblik, dat ik met Ned Land zou meegaan. Mijn angst verdubbelde,

mijn pols sloeg hevig: ik kon niet op mijn plaats blijven zitten. Ik

liep heen en weer, omdat ik daardoor de onrust van mijn gemoed hoopte

te doen bedaren. Het denkbeeld in onze gewaagde onderneming niet

te slagen was de minste mijner zorgen, maar de gedachte ons plan

ontdekt te zien vóór wij den Nautilus verlaten hadden, en gebracht

te worden voor den toornigen, of, wat nog erger was, den door onze

vlucht treurigen kapitein, dat deed mijn hart hevig kloppen.

Ik wilde den salon een laatste maal weerzien; ik ging door de gang,

en kwam in het museum, waar ik zoo vele aangename en nuttige uren had

doorgebracht. Ik bekeek al die rijkdommen, al die schatten, als iemand

die den volgenden dag in levenslange ballingschap wordt weggevoerd,

of die vertrekt om niet weer terug te komen. Die wonderen der natuur,

die meesterstukken der kunst, tusschen welke ik reeds zoovele dagen

mijns levens sleet, zou ik voor altijd verlaten. Ik zou nog eens door

de glazen van den salon in het water van den Oceaan hebben willen zien,

maar de wanden bleven vast gesloten, en een ijzeren plaat scheidde

mij van de zee, die ik nog niet kende.

Toen ik den salon doorliep, kwam ik bij de deur, die toegang verleende

tot de hut van den kapitein. Tot mijn groote verwondering stond deze

deur half open; ik deed onwillekeurig een schrede achterwaarts; als

kapitein Nemo in zijn kamer was, kon hij mij zien. Toen ik evenwel

geen enkel gerucht hoorde, naderde ik. De hut was verlaten; ik stiet

de deur open en deed eenige schreden naar binnen: altijd dezelfde

ernstige kloosterachtige eenvoud.

Op dit oogenblik troffen mij eenige teekeningen, die langs de wanden

hingen en waarop ik vroeger niet gelet had. Het waren portretten

van groote historische mannen, wier leven slechts de voortdurende

opoffering aan een groote menschelijke gedachte geweest was:

Kosciusko, de held, die met den Poolschen volkszang op de lippen

gevallen was; Botzaris, de Leonidas van het nieuwe Griekenland;

O'connell, de verdediger van Ierlands onafhankelijkheid; Washington,

de grondlegger der Amerikaansche Unie; Manin, de Italiaansche patriot;

Lincoln, door den dolk van een voorstander der slavernij gevallen,

en eindelijk de martelaar der bevrijding van het ras der zwarten,

John Brown, aan de galg hangend, zooals de pen van Victor Hugo ons

dit zoo vreeselijk geschilderd heeft.

Welke band bestond er tusschen die heldenzielen en de ziel van

kapitein Nemo? Kon ik uit die portrettenverzameling het geheim van

zijn leven raden? Was hij de kampvechter voor de onderdrukte volken,

en de bevrijder der onder slavernij zuchtende natiën? Had hij in de

laatste staatkundige of maatschappelijke beroeringen van deze eeuw

een rol gespeeld? Was hij een der helden geweest van den vreeselijken

Amerikaanschen oorlog, die zoo ellendig was en zoo roemrijk tevens?

Plotseling sloeg de pendule acht uur; de eerste slag wekte mij uit

mijn droomen op; ik beefde alsof een onzichtbaar oog mijn geheimste

gedachte had kunnen doorgronden, en ik snelde de kamer uit.

Mijn oog vestigde zich toen op het kompas; wij voeren altijd naar

het noorden; de log wees een matige snelheid aan, de manometer een

diepte van ongeveer twintig meter. De omstandigheden begunstigden

dus het plan van den Amerikaan.

Ik ging weer naar mijn kamer, trok warme kleederen aan, zeelaarzen,

een muts van otterbont, een wambuis met het vel van een zeekalf

gevoerd. Ik was gereed, ik wachtte; het geraas van de schroef brak

alleen de stilte at, die aan boord heerschte; ik luisterde en spitste

de ooren; zou mij het gerucht van stemmen niet doen vernemen, dat Ned

Land in zijn plannen verhinderd en overvallen was? Een doodelijke

ongerustheid maakte zich van mij meester; ik trachtte te vergeefs

mijn kalmte terug te krijgen.

Eenige minuten vóór negen, hield ik het oor tegen de kamerdeur van

den kapitein; ik hoorde niets; ik verliet de hut en kwam weer in

den salon, die bijna donker en verlaten was. Ik opende de deur van

de bibliotheek; dezelfde halve duisternis, dezelfde eenzaamheid;

ik ging bij de deur staan, die naar de hoofdtrap voerde, en wachtte

op het teeken van Ned Land.

Op dit oogenblik verminderden de wentelingen der schroef en hielden

eindelijk geheel op. Waarom had dit plaats? Begunstigde of verhinderde

dit oponthoud de voornemens van Ned Land? Ik wist het niet. De stilte

werd slechts afgebroken door het kloppen van mijn hart.

Plotseling voelde ik een lichten schok; ik begreep, dat de Nautilus

stil lag op den bodem van den Oceaan: mijn onrust verdubbelde; het

afgesproken teeken werd door den Amerikaan niet gegeven. De lust

bekroop mij om naar hem toe te gaan, hem te verzoeken zijn plan

uit te stellen. Ik voelde, dat onze vaart niet meer onder de gewone

omstandigheden plaats vond....

Op dit oogenblik ging de deur van den salon open, en de kapitein

verscheen. Hij zag mij en zei, zonder inleiding, op aangenamen toon:

"Zoo, mijnheer de professor, ik zocht u. Kent gij de geschiedenis

van Spanje?"

Men zou de geschiedenis van zijn eigen land volmaakt goed kunnen

kennen, doch in de omstandigheden waarin ik verkeerde, met een

verwarden geest en een berooid hoofd, er toch geen enkel woord van

kunnen vertellen.

"Welnu," hernam kapitein Nemo, "hebt gij mijn vraag gehoord? Kent

gij de geschiedenis van Spanje?"

"Zeer slecht," antwoordde ik.

"Dat zijn nu geleerden," zei de kapitein lachend, "en zij weten

niets. Kom ga zitten," voegde hij er bij, "ik zal u een merkwaardig

voorval uit die historie meedeelen."

De kapitein strekte zich op den divan uit, ik ging werktuigelijk

naast hem, doch eenigszins meer in de schaduw zitten.

"Mijnheer de professor," zei hij, "luister goed naar mij; deze

geschiedenis zal u om zekere reden belang inboezemen, want zij zal

antwoord geven op een vraag, die gij tot nog toe niet hebt kunnen

oplossen."

"Ik luister, kapitein," zei ik, niet wetende waar hij heen wilde, en

mij zelven afvragend of het ook een zinspeling op onze vlucht zijn zou.

"Wij zullen, als gij wilt tot 1702 opklimmen, mijnheer," hervatte

de kapitein. "Gij weet toch, dat op dit tijdstip uw koning Lodewijk

XIV meende, dat éen wenk van dien dwingeland voldoende was om de

Pyreneeën te doen wegzinken, en zijn kleinzoon, den hertog van Anjou,

aan de Spanjaarden als koning op te dringen. Deze vorst, die onder

den naam van Philips V meer of minder slecht regeerde, had tegen

lastige vijanden buitenslands te kampen.

"Het jaar te voren hadden Holland, Oostenrijk en Engeland in den Haag

een verdrag gesloten om aan Philips V de Spaansche kroon te ontnemen,

ten einde deze een aartshertog op het hoofd te plaatsen, wien men

voorloopig den naam van Karel III gaf.

"Spanje moest zich tegen deze beslissing verzetten, maar het was bijna

geheel van soldaten en matrozen beroofd. Geld echter ontbrak niet,

als de galjoenen, die met het goud en zilver van Amerika bevracht

waren, maar de havens binnenliepen. Tegen het einde van 1712 wachtte

men een rijk konvooi, dat de Fransche regeering door een vloot van 23

oorlogschepen, onder den admiraal de Château-Renaud, liet begeleiden,

omdat de oorlogsvloten der verbondenen in den Atlantischen Oceaan

kruisten.

"Dit konvooi moest zich naar Cadix begeven, maar toen de admiraal

vernam, dat de Engelsche vloot in die buurt kruiste, besloot hij een

Fransche haven binnen te loopen.

"De Spaansche scheepskapiteins verzetten zich tegen deze beslissing;

zij wilden in een spaansche haven binnen vallen, en als dit niet te

Cadix kon geschieden, wilden zij naar de golf van Vigo, die op de

noordwestkust van Spanje ligt en niet geblokkeerd werd.

"De Fransche admiraal was zwak genoeg om toe te geven en de schepen

liepen de baai van Vigo binnen. Deze vormt een regelmatige open reede,

die moeilijk kon verdedigd worden. Men moest zich dus haasten, de

galjoenen te lossen, voor dat de geallieerde vloten er de lucht van

kregen, en zij zouden ook tijd genoeg voor dat lossen gehad hebben,

ware niet plotseling een ellendig geschil, dat uit naijver ontsproot,

ontstaan. Gij volgt mij toch goed?" vroeg de kapitein.

"Wel zeker!" zei ik, nog niet wetende waarom hij mij die les in de

geschiedenis gaf.

"Ik ga dus voort; ziehier wat er gebeurde. De kooplieden van Cadix

hadden een voorrecht, volgens hetwelk zij al de uit Oost-Indie komende

koopwaren mochten ontvangen. Het lossen dus van die schatten in de baai

van Vigo was tegen hun voorrechten. Zij beklaagden zich te Madrid en

verkregen van den zwakken Philips V dat het konvooi, zonder gelost te

worden, op de reede van Vigo zou blijven liggen, totdat de vijandelijke

vloten zich zouden verwijderd hebben. Terwijl men deze beslissing nam,

kwamen de Engelsche schepen in October 1702 in de baai van Vigo aan. De

admiraal de Château-Renaud, verdedigde zich dapper, niettegenstaande

zijn minderheid, maar toen hij zag dat de schatten van het konvooi

den vijand in handen zouden vallen, stak hij de galjoenen in brand,

zoodat zij met hunne onmetelijke rijkdommen in zee verzwolgen werden."

Kapitein Nemo zweeg. Ik moet bekennen dat ik nog niet begreep, waarom

de geschiedenis mij belangstelling moest inboezemen.

"Welnu?"

"Welnu, mijnheer Aronnax," was het antwoord, "wij zijn in die baai van

Vigo, en het hangt maar van u af om er de geheimen van te doorgronden."

De kapitein stond op en verzocht mij hem te volgen. Ik had den tijd

gehad weer op mijn verhaal te komen; ik gehoorzaamde. De salon was in

duisternis gehuld, maar door de glazen zag ik het verlichte zeewater;

ik keek toe. Rondom den Nautilus was het water op een afstand van

vijf honderd meter helder door de electrische lantaarn verlicht; de

bodem was met fijn en helderwit zand bedekt; mannen van de equipage

met scaphanders aan, waren bezig om half verrotte tonnen, en stuk

gevallen kisten te midden van zwarte wrakken op te ruimen. Uit de

kisten en vaten vielen zilveren en gouden staven; stapels piasters

en edelgesteenten. Het zand was er mee bedekt. Vervolgens kwamen de

mannen met rijken buit beladen op den Nautilus terug, legden er hun

vracht neer en begonnen opnieuw dien oogst van goud en zilver te innen.

Nu begreep ik alles: hier was het tooneel van den zeeslag van

22 October 1702, hier waren die voor rekening van de Spaansche

regeering geladen galjoenen gezonken, hier kwam kapitein Nemo,

naarmate van zijn behoeften, de millioenen halen, waarmee hij zijn

Nautilus bevrachtte. Het was voor hem, voor hem alléen dat Amerika

zijn kostbare metalen had opgebracht; hij was alleen en onverdeeld

erfgenaam van die aan de Incas en hun door Ferdinand Cortez onderworpen

volken ontroofde schatten!

"Wist gij, mijnheer de professor," vroeg hij mij glimlachend, "dat

de zee zoovele rijkdommen bevatte?"

"Ik wist alleen," antwoordde ik, "dat men het zilver, dat in het

zeewater is opgelost, op twee millioen centenaars schat."

"Zonder twijfel, doch om het er uit te halen zou meer kosten dan het

waard was. Hier integendeel behoef ik maar op te rapen wat de menschen

verloren hebben, en niet alleen in de baai van Vigo, maar op duizend

andere plaatsen van schipbreuken, die ik allen op mijn kaarten heb

aangeteekend. Begrijpt gij nu dat ik meer dan millionnair ben?"

"Ik begrijp het, kapitein. Vergun mij evenwel de opmerking dat, nu

gij de baai van Vigo op deze wijze onderzoekt, gij de werkzaamheden

eener maatschappij voorkomt."

"Welke?"

"Een maatschappij, die van de Spaansche regeering concessie heeft

gekregen om de gezonken galjoenen op te sporen. De aandeelhouders

worden uitgelokt door het vooruitzicht van grove voordeelen, want

men schat de waarde der verzonken schatten op 250 millioen gulden."

"Die waren er," antwoordde kapitein Nemo, doch nu niet meer."

"Ik geloof dat graag," zei ik; "een goede raad aan die aandeelhouders

zou dan ook een daad van welwillendheid zijn. Wie weet echter of

men dien raad wel zou aannemen? Want wat spelers vooral betreuren,

is niet zoozeer het verlies van hun geld als wel dat van hun dwaze

verwachtingen. Ik beklaag ze dan ook minder, dan die duizenden

ongelukkigen voor wie deze rijkdommen bij een verstandige verdeeling,

van groot nut zouden geweest zijn, terwijl ze nu nutteloos voor

hen blijven!"

Ik had deze woorden niet uitgesproken of ik begreep dat ik kapitein

Nemo had moeten grieven.

"Nutteloos!" antwoordde hij, terwijl hij in vuur geraakte. "Gelooft gij

dan, mijnheer, dat die rijkdommen verloren zijn, nu ik ze verzamel? Is

het volgens uw oordeel voor mij, dat ik mij de moeite geef die schatten

op te rapen? Wie zegt u dat ik er geen goed gebruik van maak? Gelooft

gij dan, dat ik niet weet dat er een lijdende menschheid bestaat, dat

er slaafs onderdrukte volken op deze aarde leven, dat er ongelukkigen

geholpen, slachtoffers gewroken moeten worden? Begrijpt gij mij

niet? ..."

Kapitein Nemo zweeg plotseling en had er misschien berouw over te

veel gezegd te hebben. Ik had het echter geraden: welke ook de

beweegredenen mochten geweest zijn, die hem gedrongen hadden op

zee de onafhankelijkheid te zoeken, hij was toch voor alles mensch

gebleven! Zijn hart klopte nog warm voor het lijden der menschheid

en zijn oneindig groote liefde strekte zich over slaafsche volken

zoowel als over enkele personen uit!

En toen begreep ik voor wie de millioenen waren bestemd geweest, door

Nemo weggezonden, toen de Nautilus in den omtrek van het opgestane

Creta dreef!

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 11 / 27 题