HOOFDSTUK XXXI

Door de Middellandsche Zee in twee dagen.

De Middellandsche Zee, de blauwe zee bij uitnemendheid, omringd

door kusten waarop oranjeboomen, aloë's, cactussen en pijnboomen

groeien en mirten hunne welriekende geuren verspreiden, waarlangs

ruwe bergen hunne toppen hemelwaarts verheffen, waarboven het zuiver

en doorschijnend luchtazuur zich welft, de zee, die onophoudelijk

door stormen of door onderaardsch vuur in beweging wordt gebracht,

is voortdurend het slagveld, waar Neptunus en Pluto elkander het

wereldgebied betwisten. Aan haar oevers en op haar golven wordt de

mensch in een van de krachtigste luchtstreken van den aardbodem als

wedergeboren.

Doch hoe schoon die zee ook zij, ik heb maar een vluchtig overzicht

kunnen nemen van dat waterbekken, dat twee millioen vierkante kilometer

oppervlakte beslaat. De kennis van den kapitein hielp mij hier ook

weinig, want die raadselachtige persoon verscheen bij deze snelle

vaart geen enkele maal. Ik schat den afstand, dien de Nautilus onder

zee aflegde, op ongeveer 2400 kilometer, en deze reis legde hij in

tweemaal vierentwintig uren af. Na den 16den Februari de Grieksche

wateren verlaten te hebben, waren wij den 18den, bij het opkomen van

de zon, reeds door de straat van Gibraltar. Het was mij daardoor vrij

duidelijk dat deze Middellandsche Zee, besloten tusschen bewoonde

landen, die hij wilde ontvluchten, den kapitein bijzonder onaangenaam

moest zijn. Hare golven en koeltjes wekten waarschijnlijk bij hem al

te veel droeve herinneringen, mogelijk al te veel leed op. Hij kon

zich hier met zijn vaartuig niet zoo vrij bewegen als in den Oceaan,

en zijn Nautilus voelde zich tusschen de te nabij elkander liggende

Afrikaansche en Europeesche kusten te bekneld. Wij hadden een snelheid

van vijfenveertig kilometer in het uur. Het spreekt van zelf dat Ned

Land, tot zijn groote spijt, zijn ontvluchtingsplannen moest opgeven;

hij kon zich van de sloep niet bedienen, nu deze werd meegesleept

met een vaart van ongeveer twaalf meter in de seconde. Onder die

omstandigheden den Nautilus te verlaten, zou even gevaarlijk geweest

zijn, als om uit een sneltrein in volle vaart te springen. Bovendien

kwam ons vaartuig alleen des nachts aan de oppervlakte, om een voorraad

versche lucht in te nemen, en het snelde slechts vooruit volgens de

aanwijzingen van het kompas en den log.

Ik zag dus van het inwendige der Middellandsche Zee alleen wat

een reiziger in een sneltrein van het landschap ziet, waardoor hij

heen vliegt, dat is te zeggen, den verren gezichteinder, en niet

wat onder zijn oogen langs hem gaat. Evenwel konden Koenraad en ik

eenige visschen bekijken, wier snelheid ze eenige oogenblikken in

het vaarwater van den Nautilus deed vertoeven. Wij bleven voor de

glazen van den salon op den uitkijk staan, doch ik kon maar weinige

aanteekeningen maken over de ichthyologie der Middellandsche Zee. Van

de verschillende visschen, die haar bewonen, heb ik enkelen goed,

anderen slechts ter loops gezien, zonder nog te spreken van hen,

die door de snelheid van den Nautilus ons als voorbij vlogen. Ik

zag in het door onze electrische lantaarn helder verlicht gedeelte

lampreien kronkelen van een meter lang, die men bijna in alle zeeën

aantreft, roggen van vijf voet breed, met witten buik en gevlekten

rug. Twaalf voet lange haaien, door duikers in deze zee zoo gevreesd,

wedijverden met hen in snelheid; zeevisschen, bekend om den fijnen

reuk; goudvisschen, prachtige steuren, schoten langs ons glas, en

raakten het somwijlen aan.

Ik geloof, dat toen wij de Adriatische Zee voorbijvoeren, ik ook twee

of drie potvisschen heb gezien. Koen meende dolfijnen en zeekalven,

en zelfs een voet zes lange schildpad te hebben opgemerkt.

Toen wij tusschen Sicilië en Tunis doorvoeren, verminderde de

Nautilus zijn snelheid; in deze ruimte tusschen kaap Bon en de

westpunt van Sicilië stijgt de bodem der zee bijna plotseling. Daar

is een wezenlijke bergkam, waarboven slechts zeventien meter water

staan, terwijl de diepte aan weerszijden zeventig meter bedraagt. De

Nautilus moest dus zeer voorzichtig varen, om niet tegen dien

onderzeeschen rotswand te stooten. Ik wees Koenraad op een kaart van

de Middellandsche Zee de plaats van dezen langen rotswand aan.

"Mijnheer moet mij niet kwalijk nemen," zei hij, "maar dat is een

wezenlijke landtong tusschen Europa en Afrika."

"Ja, vriend," antwoordde ik; "zij sluit dit gedeelte der zee bij de

kust van Libye geheel af, en de peilingen van Smith hebben bewezen,

dat de beide werelddeelen eertijds tusschen de kapen Boco en Farina

verbonden waren."

"Ik geloof het graag," zei Koenraad.

"Ik zal er nog bijvoegen," hervatte ik, "dat er een dergelijke

verbinding tusschen Gibraltar en Ceuta bestaat, die in een

voorwereldlijk tijdperk de Middellandsche Zee geheel afsloot."

"En," vroeg Koenraad, "als eenige vulkanische uitbarsting die beide

scheidingsmuren eens tot boven de golven verhief?" "Dat is niet

waarschijnlijk, Koenraad."

"Laat ik eerst uitspreken, mijnheer; als dit verschijnsel eens plaats

vond, zou het onaangenaam zijn voor mijnheer de Lesseps, die zich

zooveel moeite geeft om de landengte door te graven."

"Dat is waar; maar ik herhaal het, Koen, dit verschijnsel zal niet

plaats hebben. De kracht der onderaardsche werking vermindert

voortdurend. De vulkanen, die in vroeger tijdperken zoo talrijk

waren, dooven langzamerhand uit; de inwendige warmte verflauwt, de

temperatuur der onderste aardlagen daalt eeuw op eeuw vrij merkbaar,

en dit ten nadeele van onze aarde, want die warmte is haar leven."

"Maar de zon...."

"De zon is onvoldoende, Koen. Kan zij warmte aan een lijk geven?"

"Neen, niet zoover ik weet."

"Welnu, mijn vriend, eens zal de aarde een kil lijk worden; zij zal

onbewoonbaar en onbewoond zijn als de maan, die haar levenskracht

sedert langen tijd verloren heeft."

"Over hoeveel eeuwen?" vroeg Koenraad.

"Over eenige honderdduizenden van jaren, mijn jongen."

"Dan hebben wij nog tijd om onze reis te eindigen, als Ned Land zich

er tenminste niet mee bemoeit," antwoordde Koenraad.

En Koenraad ging geheel gerustgesteld voort dien hoog liggenden bodem

der zee te bestudeeren, waarover de Nautilus met gematigde snelheid

heenstreek.

Daar vertoonde zich op een rotsachtigen en vulkanischen bodem een

geheele flora met de schoonste, schitterendste en veelkleurigste

gewassen; ook bewonderde hij er de tallooze week- en schaaldieren,

die er zich tusschen vertoonden, en met welker rangschikking in

klassen en orden hij zich bijzonder vermaakte.

Gedurende den nacht van den 16den op den 17den Februari waren wij in de

westelijke helft der Middellandsche Zee gekomen, waarvan de grootste

diepte ongeveer 3000 meter bedraagt. De Nautilus daalde daar tot in

de onderste lagen der zee. In plaats van de wonderen der natuur,

aanschouwde mijn oog daar allerhande hartroerende en vreeselijke

tooneelen. Wij waren toch in dat gedeelte der Middellandsche Zee, dat

steeds zoo vruchtbaar is geweest aan allerlei rampen. Hoeveel schepen

hebben er tusschen de kusten van Algerië en Provence geen schipbreuk

geleden, hoeveel vaartuigen zijn er niet verdwenen! De Middellandsche

Zee is, in vergelijking van de uitgestrektheid van den grooten Oceaan,

slechts een meer, maar een meer, welks water grillig en veranderlijk

is in den hoogsten graad: heden is het kalm en kabbelt het zachtkens

tegen de ranke kiel eener kleine boot, dan weer woedt het en bruist

het op door de stormwinden gegeeseld, zoodat zelfs de sterkste schepen

door de korte golven worden stuk geslagen.

Hoeveel wrakken zag ik dan ook niet bij onzen snellen tocht door de

diepte, sommigen reeds geheel door koraalgewassen, anderen slechts

met wier en roest bedekt; ankers, kanonnen, kogels, schroeven,

stukken van stoommachines, gebarsten ketels, en soms houten wrakken,

die onder water ronddreven, hetzij recht op, hetzij onderste boven

gekeerd! Van deze vergane schepen waren sommigen door aanzeiling,

anderen door het stooten op rots of klip gezonken. Ik zag er, die

rechtop naar beneden waren gegaan, met mast en tuig nog in behoorlijke

orde; het was als of zij voor anker lagen, en gereed waren om weg

te zeilen. Toen de Nautilus er tusschen doorvoer en ze met zijn

electrisch licht bescheen, was het alsof zij hem met de vlag wilden

begroeten en een nommervlag hijschen! Maar neen, het was niets dan de

stilte des doods op dit ongeluksveld. Ik merkte op, dat de bodem der

zee meer met wrakken bedekt was naarmate wij de straat van Gibraltar

naderden. Daar ontmoeten elkander de kusten van Afrika en Europa, en

in dit nauw gedeelte komen ongelukken talrijker voor. Ik zag daar tal

van ijzeren wrakken, phantastische overblijfselen van stoombooten,

sommigen op zijde liggend, anderen overeind als vreeselijk groote

dieren. Van een van die stoombooten was een zijde geheel opengespleten,

de schoorsteen krom gebogen, van de raderen bleef niets dan wat ijzeren

stangen over, het roer was van het achterschip afgescheurd, en hing

er met slechts een keten nog bij, terwijl de geheele achtersteven

door zeezout was ingevreten; welk een vreeselijk schouwspel! Hoeveel

fortuinen waren door die schipbreuk niet te gronde gericht, hoeveel

slachtoffers mee naar de diepte gesleept? Was er nog iemand van de

schepelingen gered om die ontzettende ramp te kunnen navertellen, of

bewaarden de golven het geheim van dit ongeluk? Ik weet niet waarom,

doch de gedachte schoot mij door het brein dat dit de Atlas wel zijn

kon, die voor ongeveer twintig jaren met man en muis verdwenen is,

en waarvan men nimmer meer heeft hooren spreken! O, wat zou men een

treurig tafereel kunnen ophangen van de diepten der zee, van dat

uitgestrekte kerkhof, waar zoovele rijkdommen verloren zijn gegaan,

zooveel slachtoffers den dood hebben gevonden!

De Nautilus vervolgde kalm en snel als altijd zijn vaart, midden door

al deze wrakken heen. Den 19den Februari, 's morgens om drie uur,

waren wij vóór de straat van Gibraltar. Er zijn daar twee zeestroomen:

de bovenstroom, dien men sedert lang kent, voert het water van den

Oceaan naar de Middellandsche Zee; doch een benedenstroom doet het

tegenovergestelde, zooals de wetenschap in den laatsten tijd heeft

bewezen. De Middellandsche Zee toch neemt steeds toe door het water

van den Oceaan en de rivieren die er in uitmonden. Haar peil zou

dus jaarlijks vrij wat hooger worden, want de uitdamping is niet

voldoende om het evenwicht te herstellen. Docht dit is zoo niet,

zoodat men natuurlijk het bestaan van een benedenstroom heeft moeten

aannemen, die door de straat van Gibraltar het overtollige water van de

Middellandsche Zee naar den Oceaan voert. Van dezen onderstroom maakte

de Nautilus gebruik; hij schoot snel door de nauwe zeestraat. Een

oogenblik slechts zag ik de wonderschoone bouwvallen van den tempel

van Hercules, die volgens Plinius en Avienus met het lage eiland

waarop hij stond gezonken is, en weinige oogenblikken daarna dreven

wij op de golven van den Atlantischen Oceaan.

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 10 / 27 题