De Grieksche Archipel.
Den volgenden dag, 12 Februari, kwam de Nautilus bij het krieken van
den dag weer boven. Ik haastte mij naar het plat. Op drie kilometer
zuidwaarts van ons zag ik den vagen omtrek der kust van Pelusium; een
stroom had ons van de eene zee naar de andere gevoerd; maar die tunnel,
reeds moeielijk om af te varen, moest onmogelijk op te varen zijn.
Tegen zeven uur kwamen Ned en Koenraad weer bij mij; de beide
onafscheidelijke vrienden hadden stil geslapen, zonder zich met de
heldendaden van den Nautilus te bemoeien.
"Welnu, mijnheer de natuurkenner," vroeg de Amerikaan op spottenden
toon, "waar is nu de Middellandsche Zee?"
"Wij varen op haar oppervlakte, vriend Ned."
"Wat," vroeg Koenraad, "van nacht?..."
"Jawel, van nacht zijn wij in eenige minuten onder de onovergankelijke
landengte heengevaren."
"Ik geloof er niets van," antwoordde de Amerikaan.
"Gij hebt ongelijk, Ned," hernam ik; "de lage kust, daar in het zuiden
zichtbaar, is de Egyptische kust."
"Vertel dat aan anderen, mijnheer," zei de stijfhoofdige Amerikaan.
"Maar als de professor het toch verzekert," bevestigde Koenraad,
"moet je mijnheer gelooven."
"Bovendien, Ned, kapitein Nemo heeft mij zijn tunnel leeren kennen,
en ik was bij hem in de hut van den stuurman, toen hij zelf den
Nautilus door dezen nauwen doorgang stuurde."
"Hoor je het, Ned?" zei Koenraad.
"En jij, die zulke goede oogen hebt, Ned," voegde ik er bij, "kunt
de havenhoofden van Port-Said zien, die ver in zee vooruitsteken."
De Amerikaan keek nauwkeurig toe.
"Inderdaad," zei hij, "gij hebt gelijk, mijnheer de professor, en uw
kapitein is een baas; wij zijn waarachtig in de Middellandsche Zee;
goed, laat ons dus nu eens over onze zaken spreken, maar dat vooral
niemand ons hoore!"
Ik zag wel waar de Amerikaan heen wilde; in allen gevalle achtte ik
het beter er over te praten, omdat hij het begeerde, en wij gingen
met ons drieën bij de lantaarn zitten, waar wij minder gevaar liepen
door den golfslag bespat te worden.
"Welnu, Ned, nu luisteren wij naar u," zei ik; "wat hebt gij te
vertellen?"
"Wat ik u te vertellen heb is dood eenvoudig," antwoordde de Amerikaan;
"wij zijn in Europa, en voordat de luimen van kapitein Nemo ons naar
de Poolzeën of den Grooten Oceaan terugvoeren, wil ik den Nautilus
poetsen."
Ik beken, dat dergelijke gesprekken met Ned Land mij altijd in
verlegenheid brachten. Ik wilde de vrijheid mijner makkers op geenerlei
wijze beletten, doch ik verlangde nog volstrekt niet den kapitein
te verlaten. Door toedoen ven hem en zijn vaartuig vermeerderde ik
dagelijks mijn kennis van de zee, en ik bewerkte mijn boek over de
diepte in dit element zelf. Zou ik ooit zulk een gelegenheid weer
vinden, om de wonderen van den Oceaan te kunnen aanschouwen? Neen,
zeker niet! Ik kon mij dus niet vereenigen met het denkbeeld den
Nautilus vaarwel te zeggen, voordat ik den kring mijner onderzoekingen
over den geheelen omtrek der aarde voltooid had.
"Vriend Ned," zeide ik, "antwoord mij eens openhartig; verveelt gij
u aan boord? Hebt j' er spijt van dat het lot je in de macht van
kapitein Nemo heeft gebracht?"
De Amerikaan zweeg eenige oogenblikken; toen sloeg hij de armen over
elkander en zei: "Eerlijk gesproken, heb ik geen berouw van die
onderzeesche reis; ik ben in mijn schik ze meegemaakt te hebben;
maar nu ik haar gemaakt heb, moet er ook een einde aan komen; zoo
denk ik er over."
"Er zal een eind aan komen, Ned."
"Waar en wanneer?"
"Waar? dat weet ik niet. Wanneer? kan ik ook niet zeggen, doch ik
veronderstel dat deze reis zal eindigen, als de zee ons niets meer
leeren kan. Al wat in deze wereld een begin heeft, moet noodwendig
ook een einde hebben."
"Ik denk als mijnheer," voegde Koenraad er bij, "en het is zeer licht
mogelijk dat, na alle zeeën van den aardbol doorkruist te hebben,
de kapitein ons allen drie ons afscheid geeft."
"Ja wel," zei de Amerikaan, "of de volle laag."
"Overdrijf nu niet, meester Land," hernam ik. "Wij hebben niets van
den kapitein te vreezen, maar ik deel ook niet in het gevoelen van
Koenraad. Wij kennen het geheim van den Nautilus, en ik denk niet
dat de kapitein, door ons de vrijheid te schenken, er gemakkelijk
toe zal overgaan dat geheim door ons wereldkundig te maken."
"Maar wat verwacht gij dan?" vroeg Ned.
"Dat er zich omstandigheden zullen voordoen, waarvan wij kunnen en
moeten gebruik maken, en dat evengoed over zes maanden als thans."
"'t Zou wat!" zei Ned Land. "En waar zullen wij over zes maanden zijn,
mijnheer de natuuronderzoeker?"
"Misschien hier of misschien bij China. Je weet het, dat de Nautilus
een groote snelheid bezit; hij doorklieft het water als een vogel
de lucht; hij vreest geen druk bezochte zeeën. Wie zegt je dat hij
de kusten van Frankrijk, Engeland of Amerika niet zal naderen, waar
wij ten minste even goed een vlucht kunnen beproeven als hier?"
"Mijnheer Aronnax," antwoordde de Amerikaan, uw redeneering rust op
verkeerden grondslag. U spreekt in het toekomende: "dan zullen wij
hier of daar zijn!" maar ik spreek in het tegenwoordige; "wij zijn
hier en wij moeten daarvan gebruik maken."
Ik werd door de logica van Ned Land in het nauw gebracht, en ik
voelde dat ik op dat punt geslagen werd. Ik wist niet meer, welke
bewijsgronden ik voor mijn stelling moest aanvoeren.
"Mijnheer," hervatte Ned, "veronderstellen wij eens het onmogelijke,
dat namelijk de kapitein u heden de vrijheid aanbood, zoudt gij
die aannemen?"
"Ik weet het niet," antwoordde ik.
"En als hij er bijvoegde dat het aanbod, dat u heden gedaan werd,
nimmer weer herhaald zou worden, zoudt gij dat aannemen?"
Ik antwoordde niet.
"En wat denkt vriend Koen er van?" vroeg Ned Land.
"Vriend Koen," antwoordde deze bedaard, "heeft niets te zeggen. Evenals
zijn meester en zijn vriend Ned, is hij ongehuwd. Vrouw, kinderen en
bloedverwanten wachten in zijn vaderland niet op hem. Hij is in dienst
van mijnheer, hij denkt als mijnheer, hij spreekt als mijnheer, en
tot zijn spijt behoeft men op hem niet te rekenen om een meerderheid
te verkrijgen. Er zijn dus maar twee personen: mijnheer aan den eenen
en Ned Land aan den anderen kant. Nu hij dit gezegd heeft, luistert
vriend Koen weer toe en is gereed de aanteekeningen er bij te maken."
Ik moest onwillekeurig glimlachen, toen ik Koenraad zijn persoon zoo
geheel hoorde wegcijferen; de Amerikaan echter moest blijde zijn hem
niet tegen zich te hebben.
"Welnu, mijnheer," zei Ned Land, "omdat Koenraad dus niet bestaat
kunnen wij met ons beiden de zaak afhandelen. Ik heb gesproken,
u hebt geluisterd: wat hebt u te antwoorden?"
Ik moest noodwendig een beslissing nemen, en uitvluchten stuitten
mij tegen de borst.
"Vriend Ned," zei ik, "ziehier mijn antwoord: Je hebt gelijk en mijn
bewijzen houden tegenover de uwe geen steek. Gij moet op den goeden
wil van kapitein Nemo niet rekenen; de voorzichtigheid verbiedt
hem ons de vrijheid terug te geven; derhalve gebiedt deze deugd ons
om van de eerste de beste gelegenheid om den Nautilus te verlaten,
gebruik te maken."
"Goed, mijnheer Aronnax, dat is verstandig gesproken."
"Slechts éen opmerking," zei ik, "een enkele: de gelegenheid moet
goed zijn; onze eerste poging om te vluchten moet gelukken; want doet
zij het niet, dan zullen wij de gelegenheid waarschijnlijk nooit weer
krijgen, en kapitein Nemo zal het ons niet vergeven."
"Dat is alles heel juist," antwoordde de Amerikaan; "maar uw opmerking
is toepasselijk op elke poging om te ontvluchten, hetzij die plaats
hebbe over twee jaar of over twee dagen. Derhalve blijft altijd de
vraag deze: als een gunstige gelegenheid zich voordoet, moet men er
van gebruik maken?"
"Juist; en zul je me nu eens zeggen, Ned, wat je door een gunstige
gelegenheid verstaat?"
"Deze: dat de Nautilus wel in een somberen nacht kort bij eenige
Europeesche kust komt."
"En zou je dan met zwemmen je trachten te redden?"
"Ja, als wij dicht genoeg bij de kust waren en de Nautilus aan de
oppervlakte dreef; doch zeker niet als wij te ver van land waren en
het vaartuig onder water voer."
"En wat zou je in dit geval doen?"
"Dan zou ik trachten me van de sloep meester te maken: ik weet ermee
om te gaan; wij gaan er binnen in zitten en als wij de ijzeren bouten
er uit hebben geschroefd, rijzen wij naar de oppervlakte, zonder dat
zelfs de stuurman onze vlucht zou bemerken."
"Goed, Ned, loer dus op die gelegenheid; maar vergeet niet, dat een
mislukking ons verderf zou zijn."
"Ik zal dit niet vergeten, mijnheer!"
"En wil je nu weten, Ned, wat ik over je plan denk?"
"Graag, mijnheer Aronnax."
"Welnu, ik denk, (ik zeg niet: ik hoop) dat deze gunstige gelegenheid
zich nimmer zal voordoen."
"Waarom niet?"
"Omdat de kapitein zich niet ontveinzen kan, dat wij niet alle hoop
hebben opgegeven om onze vrijheid te herkrijgen, en dat hij wel op
zijn hoede zal zijn, vooral als wij in het gezicht der Europeesche
kust varen."
"Ik denk zooals mijnheer," zei Koenraad.
"Wij zullen wel eens zien," antwoordde Ned Land, die met een
vastberaden gelaat het hoofd schudde.
"En nu, Ned," voegde ik er bij, "zullen wij verder er over zwijgen:
geen woord meer er over. Den dag waarop je gereed zult zijn, zul je
ons waarschuwen en wij volgen je. Ik verlaat mij geheel op je."
Dit gesprek, dat later zulke zwaarwichtige gevolgen hebben moest,
eindigde hiermede. Ik moet nu bekennen, dat de gebeurtenissen mijn
voorspelling, tot groote teleurstelling van den Amerikaan, schenen
te bevestigen. Wantrouwde de kapitein ons in die druk bevaren zeeën,
of wilde hij zich slechts onttrekken aan het oog der tallooze schepen
van allerlei natiën, die de Middellandsche Zee doorkliefden? Ik weet
het niet, maar meestentijds bleef hij onder water en ver van de
kust. De Nautilus kwam soms slechts even boven, zoodat de uitkijk van
den stuurman ternauwernood uit het water stak, of wij voeren op groote
diepte, daar wij tusschen den Griekschen archipel en Klein-Azië zelfs
op 2000 meter den bodem niet konden bereiken.
Zoo wist ik niet anders dat wij het eiland Carpathos, een van de
Sporaden, langs voeren, dan door het vers van Virgilius, dat kapitein
Nemo aanhaalde toen hij met den vinger op de kaart wees:
"Est in Carpathio Neptuni gurgite vates,
Coeruleus Proteus...."
Het was inderdaad de gewezen verblijfplaats van Proteus, den
ouden herder der kudden van Neptunus, thans het eiland Scarpanto,
tusschen Rhodus en Creta. Ik zag door het raam van den salon alleen
de granietrotsen, waarop het rust.
Den volgenden dag, 14 Februari, besloot ik eenige uren te besteden
aan het bestudeeren van de visschen uit dien archipel; maar om de
een of andere reden bleven de wanden vast gesloten. Toen ik naging
op welke hoogte de Nautilus zich bevond, merkte ik op, dat wij naar
Candia voeren. Op het oogenblik dat ik mij op de Abraham Lincoln
had ingescheept, was dit geheele eiland in opstand gekomen tegen de
Turksche overheersching; maar ik wist volstrekt niet wat er van dien
opstand tot heden toe geworden is, terwijl de kapitein, die geen
gemeenschap met het land onderhield, mij het zeker niet zou hebben
kunnen zeggen.
Ik zinspeelde dus in het geheel niet op deze gebeurtenis, toen ik dien
avond met hem alleen in den salon was. Bovendien kwam het mij voor
dat hij stil was en afgetrokken. Toen gaf hij, tegen zijn gewoonte,
bevel om de wanden open te schuiven, en hij liep van het eene glas naar
het andere, om het water nauwkeurig te beschouwen. Waarom? Ik kon het
niet raden, en ik hield mij enkel bezig met de visschen te beschouwen,
die ons voorbij zwommen. Ik zag onder anderen drie centimeter lange
cheilonen, kleine visschen met doorschijnende schubben, loodkleurig
en met roode vlekjes; zij eten veelal zeeplanten, waardoor zij een
uitstekenden smaak hebben; die vischjes waren bij de lekkerbekken te
Rome zeer gezocht; hunne ingewanden met zeeslakkenmelk, pauwenhersens
en papegaaientongetjes klaar gemaakt, vormden den goddelijken schotel,
die Vitellius in verrukking bracht. Een andere zeebewoner uit deze
streken bracht mij de oudheid nogmaals in herinnering. Het was de
remora, die zich aan den buik der haaien vasthecht en zóó medezwemt;
volgens het beweren der ouden kon deze kleine visch, als hij zich
aan de kiel van een schip hechtte, het in de vaart tegenhouden,
en toen een van deze dieren in den slag van Actium het schip van
Antonius tegenhield, maakte het daardoor de verovering voor Augustus
gemakkelijk. Waarvan hangt toch dikwijls het lot der volken af!
Mijn oogen konden zich van al die wonderen der zee niet afwenden,
toen ik door een onverwachte verschijning werd getroffen.
Midden in zee verscheen plotseling een man, een duiker, die een
klein leeren zakje aan zijn gordel droeg. Het was geen lijk, dat met
den stroom voortdreef, het was een levend mensch, die met krachtige
hand voortzwom, en nu en dan verdween, om aan de oppervlakte adem te
scheppen, doch aanstonds weer naar beneden dook. Ik keerde mij met
bewogen stem tot den kapitein: "Een man een drenkeling!" riep ik,
"wij moeten hem redden!" De kapitein antwoordde niet en kwam bij
het raam. De man zwom naar ons toe, drukte het gelaat tegen het glas
en keek ons aan. Tot mijn groote verbazing gaf de kapitein hem een
teeken; de duiker gaf met een wenk antwoord, steeg onmiddellijk naar
boven en kwam niet weer terug.
"Verontrust u niet," zei de kapitein. "Het is Nikolaas van kaap
Matapan, de Visch bijgenaamd. Hij is op al de Cycladen goed bekend;
een voortreffelijk duiker! Het water is zijn element, en hij leeft
er meer in dan op het land, want hij gaat onophoudelijk van het eene
eiland naar het andere, tot zelfs naar Kreta."
"Kent gij hem, kapitein?"
"Waarom niet, mijnheer?"
Toen de kapitein dit gezegd had, ging hij naar een kast, dicht bij
het linker raam van den salon. Bij dit meubel zag ik een met ijzer
beslagen kist staan, op wier deksel een koperen plaat was bevestigd
met het opschrift: "Mobilis in mobile."
Zonder op mijn tegenwoordigheid te letten, opende de kapitein de
kast; het was een soort geldkist die een groot aantal gouden staven
bevatte. Waar kwam dat kostbaar metaal vandaan? Waar haalde de kapitein
het en wat zou hij er mee doen?
Ik zei geen woord, ik keek slechts toe. Kapitein Nemo nam de staven
éen voor éen en schoof ze geregeld in een kist, die hij er geheel mede
vulde. Ik hield het er voor, dat deze meer dan duizend kilogrammen
goud bevatte, dat is te zeggen voor ongeveer drie millioen franken.
De kist werd goed gesloten, en de kapitein schreef er een adres op
met Grieksche letters. Toen dit gedaan was, drukte hij op een knop,
die door middel van een draad gemeenschap had met het verblijf der
equipage. Er verschenen acht man, die niet zonder veel moeite de kist
uit den salon droegen; toen hoorde ik dat zij die met takels de groote
trap optrokken.
Op dit oogenblik wendde kapitein Nemo zich tot mij:
"En gij zeidet, mijnheer de professor?" vroeg hij.
"Ik zei niets, kapitein."
"Dan wensch ik u een goeden nacht, mijnheer," en daarop verliet hij
den salon. Ik ging, zooals men denken kan, zeer nieuwsgierig naar mijn
kamer. Ik zocht verband tusschen de verschijning van den zwemmer en
die met goud gevulde kist. Weldra voelde ik aan eenige slingering,
dat de Nautilus uit de diepte naar boven kwam en aan de oppervlakte
dreef. Toen hoorde ik op het plat loopen; ik begreep, dat men de
sloep los maakte en in zee bracht; een oogenblik stiet zij tegen
den Nautilus en toen was alles stil. Twee uren daarna hoorde ik
weer hetzelfde geraas en hetzelfde geloop. De sloep werd aan boord
geheschen en vastgeschroefd, waarna de Nautilus weer in de diepte zonk.
Derhalve waren die schatten aan hun adres bezorgd. Waar en wie was
de zaakgelastigde van den kapitein?
Den volgenden dag vertelde ik aan Ned en Koenraad wat er dien nacht
gebeurd was en mijn nieuwsgierigheid zeer had opgewekt. Mijn makkers
waren niet minder verbaasd dan ik.
"Maar waar haalt hij die millioenen van daan?" vroeg Ned Land. Daarop
kon ik geen antwoord geven. Ik ging na het ontbijt naar den salon en
zette mij aan het werk; ik bleef tot vijf uur zitten schrijven. Of
ik het aan mijn lichaamstoestand moest toeschrijven wist ik niet,
doch ik voelde op dat oogenblik een groote hitte, zoo zelfs, dat ik
mijn bovenkleed moest uitdoen. Ik begreep er niets van, want wij
waren op geen hooge breedte, en bovendien kon de Nautilus, die op
vrij groote diepte voer, geen hinder hebben van hooge temperatuur. Ik
keek eens op den manometer; deze wees een diepte van twintig meter,
waar dus de warmte van den dampkring niet meer kon doordringen.
Ik ging voort met mijn werk, doch de hitte werd bijna onverdraaglijk.
"Zou er brand aan boord zijn?" vroeg ik mij zelven af.
Ik wilde den salon verlaten, toen kapitein Nemo binnentrad; hij ging
naar den thermometer, keek dien na en zei:
"Twee-en-veertig graden."
"Dat merk ik, kapitein," antwoordde ik; "en als die warmte nog
toeneemt, zullen wij die niet meer kunnen verdragen."
"Och, mijnheer, die warmte zal niet vermeerderen, als wij het niet
willen."
"Kunt u die dan naar willekeur regelen?"
"Neen, maar ik kan mij van het punt verwijderen waar zij ontstaat."
"Komt zij dan van buiten?"
"Zonder twijfel; wij varen in een stroom van kokend water."
"Is het mogelijk?" riep ik uit.
"Kijk maar."
De wanden openden zich, en ik zag dat het water om den Nautilus
geheel wit was. Zwaveldampen ontwikkelden zich in de zee, die als
in een ketel kookte. Ik hield mijn hand tegen het glas, doch dit was
zóo heet, dat ik de hand terugtrok.
"Waar zijn wij?" vroeg ik.
"Bij het eiland Santorino, mijnheer de professor," antwoordde de
kapitein, "en juist in het kanaal dat Nea-Kameni van Palea-Kameni
scheidt. Ik heb u het zonderling schouwspel van een onderzeesche
vulkanische uitbarsting willen doen zien."
"Ik dacht," zei ik, "dat de vorming van deze nieuwe eilanden afgeloopen
was."
"Niets is ooit in deze vulkanische streken afgeloopen," antwoordde
Nemo, "en de aarde wordt hier altijd door onderaardsch vuur in beweging
gebracht. In het negentiende jaar onzer jaartelling verscheen, volgens
Cassiodorus en Plinius, een nieuw eiland, Theia of het Goddelijke
genaamd, op dezelfde plaats waar zich kortelings nieuwe eilandjes
hebben gevormd. Later verdween het onder de golven, om in het jaar 69,
nog eens te verschijnen en nog eenmaal te verdwijnen. Sedert dien tijd
tot op onze dagen bespeurde men geen vulkanische werking, totdat op 3
Februari 1866 een nieuw eilandje, waaraan men den naam van George gaf,
in de nabijheid van Nea-Kameni, te midden van zwaveldampen opsteeg
en zich drie dagen later daaraan vasthechtte. Zeven dagen later,
13 Februari, verscheen het eilandje Aphroessa, door een kanaal van
tien meter breed van Nea-Kameni gescheiden. Ik was juist in deze
zee toen het verschijnsel zich voordeed, en ik heb het in alle
bijzonderheden kunnen nagaan. Het eilandje Aphroessa was rond, had
drie honderd meter in doorsnede en was tien meter hoog. Het bestond
uit zwarte, glasachtige lava, met stukken veldspaat vermengd. Eindelijk
vertoonde zich den 10den Maart een veel kleiner eiland, Reka genaamd,
bij Nea-Kameni, en sedert dien tijd hebben zich deze drie eilandjes
vereenigd en vormen op dit oogenblik éen geheel."
"En het kanaal waarin wij ons thans bevinden?" vroeg ik.
"Hier is het," zei de kapitein, terwijl hij het mij op een kaart
van den Archipel aanwees; "gij ziet, dat ik er de nieuwe eilandjes
heb opgezet."
"Maar dit kanaal zal zich eens vullen?"
"Dat is zeer waarschijnlijk, mijnheer Aronnax, want sedert 1866 zijn
er nog acht kleine lava-eilandjes tegenover de haven St. Nicolaas
op Palea-Kameni verrezen. Het is dus waarschijnlijk dat Nea en Palea
zich vrij spoedig zullen vereenigen. Indien in den Grooten Oceaan de
koralen landen vormen, dan zijn het hier vulkanische uitbarstingen:
zie eens, mijnheer, wat er hier onder de eilanden geschiedt."
Ik kwam weer bij het raam; de Nautilus bewoog zich niet meer; de
hitte werd ondraaglijk; de zee werd rood in plaats van wit, door de
aanwezigheid van ijzerzouten. Niettegenstaande de salon zeer dicht
gesloten was, drong een onverdraaglijke zwavellucht tot ons door,
en ik zag vuurroode vlammen, die het electrisch licht verdoofden. Ik
zweette, ik stikte bijna, ik dacht dat ik gebraden werd.
"Wij kunnen niet langer in dit kokend water blijven," zei ik tot
den kapitein.
"Neen, dat zou onvoorzichtig zijn," antwoordde Nemo bedaard. Een bevel
werd gegeven, de Nautilus zette zich weer in beweging en verwijderde
zich van dien oven, waarbij hij het niet langer ongestraft had kunnen
uithouden. Een kwartier later haalden wij weer adem aan het oppervlak
der zee.
Ik dacht er toen aan, dat, zoo Ned Land een dezer streken had
uitgekozen om te vluchten, wij zeker niet levend uit deze vuurzee
zouden gekomen zijn.
Den volgenden dag, 16 Februari, verlieten wij dit gedeelte der zee,
dat tusschen Rhodus en Alexandrië soms een diepte van 3000 meter
heeft, en de Nautilus Cerigo rechts latende liggen, verlieten wij
den Griekschen Archipel, na om kaap Matapan te zijn heengevaren.