Welnu, gij kunt het eens probeeren."

"Dank u, mijnheer," riep Ned Land met schitterende oogen.

"Slechts dit raad ik u," hernam de kapitein, "dat gij het dier zeker

treft, en dit in uw eigen belang."

"Is zulk een dugong dan gevaarlijk?" vroeg ik, niettegenstaande het

minachtend schouderophalen van Ned.

"Ja, soms," antwoordde de kapitein. "Dit dier laat zijn aanvallers

niet los, het werpt hun boot om. Maar met Ned Land is dat gevaar niet

te vreezen. Zijn oog is juist, zijn arm zeker. Indien ik hem aanbeveel

om dien dugong niet te missen, doe ik dat, omdat het een fijn stuk wild

is, en ik weet wel, dat Ned niet afkeerig is van een lekker hapje."

"Zoo," zei de Amerikaan, "veroorlooft dit dier zich ook al de weelde

van lekker te zijn?"

"Ja, Ned; zijn vleesch wordt zeer gezocht, en men bewaart het in den

Maleischen archipel voor vorstelijke tafels. Men jaagt dan ook zoo

fel op dit uitmuntend dier, dat het, evenals zijns gelijke, de zeekoe,

hoe langer zoo zeldzamer wordt.

"Als dit dier dan eens bij toeval het laatste van zijn soort was,"

vroeg Koenraad ernstig, "zou het dan geen zaak zijn om het in het

belang der wetenschap te sparen?"

"Misschien," hervatte de Amerikaan, "doch in het belang van den kok

om het te vangen."

"Doe het dan, meester Land," antwoordde de kapitein.

Op dat oogenblik kwamen zeven mannen van de equipage, zwijgend en

onverschillig als altijd, op het plat. Een van hen droeg een harpoen

en een lijn zooals de walvischvaarders gebruiken. De sloep werd in zee

gebracht; zes roeiers namen plaats op de banken, en de zevende ging

aan het roer zitten. Ned, Koen en ik namen op een achterbank plaats.

"Gaat gij niet mee, kapitein?" vroeg ik.

"Neen, mijnheer, maar ik wensch u goede vangst."

De sloep stak af en door zes riemen voortgestuwd, naderde Zij snel den

dugong, die op dat oogenblik ongeveer twee kilometer van den Nautilus

af was. Op eenige kabellengten van het dier gekomen, roeiden wij

langzamer, en de riemen werden zoo stil mogelijk door het kalme water

bewogen. Ned Land ging met zijn harpoen in de hand op de voorplecht

der sloep staan. Gewoonlijk is zulk een harpoen bevestigd aan een lang

touw, dat snel afgewonden wordt als het gewonde dier met een harpoen

in het lichaam vlucht. Maar thans was die lijn niet langer dan tien

vadem, doch aan het einde zat een klein vaatje vast, dat drijvende

de plaats moest aanwijzen, waar de dugong zich onder water bevond.

Ik was opgestaan en bekeek onzen vijand nauwkeurig. Deze dugong geleek

veel op een zeekoe, het lange lichaam eindigde in een zeer langen

staart, en de zijvinnen hadden wezenlijke vingers aan de toppen. Het

onderscheid tusschen dit dier en de zeekoe bestond daarin, dat het

in de bovenkaak twee lange en puntige tanden had, welke aan elke

zijde een naar buiten staand verdedigingswapen vormden. De dugong was

bijzonder groot, want hij was niet minder dan zeven meter lang. Hij

bewoog zich niet en scheen op het water te slapen, een omstandigheid,

die de vangst veel gemakkelijker maakte.

De sloep naderde voorzichtig tot op drie vadem; de riemen bleven

stil liggen; ik stond half op; Ned Land drilde een weinig achterover

gebogen, zijn harpoen met geoefende hand. Plotseling snorde deze, en

het dier verdween; het wapen, hoe krachtig ook geworpen, had zonder

twijfel niet getroffen.

"Duizend duivels!" riep de woedende Amerikaan, "ik heb hem niet

geraakt!"

"Jawel," zei ik, "het dier is gewond, daar drijft bloed; maar je

wapen is hem niet in het lichaam blijven zitten."

"Mijn harpoen! mijn harpoen!" riep Ned Land.

De matrozen begonnen weer te roeien, en de stuurman richtte de boot

naar het drijvende vaatje. Toen dit was opgevischt, begonnen wij het

dier weer te vervolgen. Dit kwam van tijd tot tijd boven om adem

te halen. De wond had het niet verzwakt, want het zwom bijzonder

snel. De sloep, door krachtige armen geroeid, vloog den dugong

achterna. Verscheidene malen naderden wij hem tot op eenige vademen,

en de Amerikaan hield zich gereed om hem te treffen, maar het beest

dook dan plotseling, zoodat het onmogelijk was het te bereiken.

Men begrijpe de woede van Ned Land. Hij wierp het ongelukkige dier de

krachtigste Amerikaansche vloeken naar den kop. Wij vervolgden het

een uur lang, en ik begon te gelooven, dat het moeielijk zou zijn

het te vangen, toen de dugong op het noodlottig denkbeeld kwam zich

te wreken; dit zou hem weldra berouwen. Hij snelde op de sloep aan

om die aan te vallen. Dit ontging niet den Amerikaan.

"Let op!" riep hij.

De stuurman zei eenige woorden in zijn vreemde taal, en waarschuwde

daarmee zijn mannen, zeker om op hun hoede te zijn. Toen de dugong

op 7 meter van ons af was, hield hij stil, blies plotseling de lucht

uit door zijn groote neusgaten, die niet vooraan maar boven op zijn

snuit geplaatst waren, en snelde met een sprong plotseling op ons aan.

De sloep kon den schok niet vermijden; half op zij geworpen, schepte

zij water, dat moest worden uitgehoosd; gelukkig was zij, dank zij

de behendigheid van onzen stuurman, alleen in de schuinte en niet

recht tegen een der zijden door het dier getroffen, zoodat zij niet

was gekanteld. Ned Land stond altijd op de plecht en doorkerfde het

reusachtig monster met harpoensteken, doch het had de tanden over den

rand der sloep geslagen en lichtte deze uit het water op, zooals de

leeuw een bokje zou doen. Wij werden op elkander geworpen, en ik weet

niet hoe dit wel zou geëindigd zijn als de Amerikaan, die altijd nog

woedend op het beest was, het eindelijk niet in het hart had getroffen.

Ik hoorde de tanden langs de ijzeren platen der sloep knarsen, en

de dugong verdween met den harpoen in het lichaam. Maar weldra kwam

het vaatje weer boven, en weinige oogenblikken daarna verscheen het

lichaam van het dier, doch op den rug gekeerd. De boot roeide er heen,

nam den dugong op sleeptouw, en keerde naar den Nautilus terug.

Men moest zware en sterke takels gebruiken om het dier op het plat te

hijschen; het woog 5000 kilogram; men sneed het in tegenwoordigheid

van den harpoenier in stukken, omdat deze er op gesteld was al de

bijzonderheden van die bewerking te volgen. Denzelfden dag diende de

hofmeester mij aan het diner eenige plakken van het vleesch van den

dugong voor, dat door den kok zeer lekker was gereed gemaakt. Ik vond

het uitmuntend en beter dan kalfs- zelfs rundvleesch.

Den volgenden dag, 11 Februari, werd de kombuis van den Nautilus

nogmaals van lekker wildbraad voorzien; een vlucht zeezwaluwen sloeg

op den Nautilus neer; het was een soort zwaluw, die bijzonder in

Egypte te huis behoort, met zwarten bek, grijzen en gespikkelden kop,

met witte vlekjes om het oog, met grijzen rug, vleugels en staart,

witte borst en buik en roode pootjes. Ook vingen wij eenige dozijnen

Nijleenden, wilde vogels met sterken smaak, wier kop en hals wit met

zwarte vlekken zijn.

De snelheid van den Nautilus was toen middelmatig. Hij vorderde maar

langzaam; ik merkte op, dat het water der Roode zee hoe langer hoe

minder zout werd, naarmate wij Suez naderden.

Tegen vijf uur 's avonds waren wij op de hoogte van kaap Ras Mohammed;

zij vormt het uiteinde van Steenachtig Arabië, en ligt tusschen de

golven van Suez en Akabah.

De Nautilus voer de straat van Jubal binnen, die ons in de golf van

Suez brengen moest. Ik zag duidelijk een hoogen berg, die boven de

kaap uitstak; het was de Horeb en de Sinaï op wiens top Mozes God van

aangezicht tot aangezicht had gezien, en dien men steeds voorstelt

als door bliksemstralen omhuld.

Om zes uur ging de Nautilus, dan eens op, dan onder het water, voorbij

Tor, dat achter in een baai ligt, welker water rood gekleurd schijnt,

zooals de kapitein reeds gezegd had. Toen viel de nacht in te midden

van een doffe stilte, somtijds slechts afgebroken door het geschreeuw

van den pelikaan, of van eenigen nachtvogel, of door het geluid van de

branding tegen de rotsen en het verwijderd gerucht van een stoomboot,

die de golven met raderen of schroef doorkliefde.

Van acht tot negen uur bleef de Nautilus eenige meters diep onder

water. Volgens mijn berekening moesten wij zeer dicht bij Suez zijn;

door de ramen van den salon zag ik de rotsen, die door ons electrisch

licht helder werden beschenen; het was alsof het zeewater hoe langer

hoe nauwer werd.

Kwart voor negen kwam het schip weer boven. Ik ging op het

plat. Ongeduldig om door den tunnel te komen, kon ik niet lang stil

blijven staan, en ademde de frissche zeelucht in. Weldra bemerkte ik

in de duisternis een klein lichtje, dat dof door den nevel schijnend,

op een kilometer voor ons zichtbaar was.

"Een drijvende vuurbaak!" zei een stem naast mij. Ik keerde mij om

en herkende den kapitein.

"Het is het drijvend licht van Suez," zei hij: "wij zullen nu spoedig

aan den ingang van den tunnel zijn."

"Die ingang moet niet gemakkelijk wezen?"

"Neen, mijnheer. Ook ben ik gewoon dan zelf aan het roer te gaan. Als

gij nu naar beneden wilt, mijnheer Aronnax, dan kan de Nautilus in

zee duiken, om niet eer weer aan de oppervlakte te verschijnen vóór

wij den tunnel door zijn."

Ik volgde den kapitein. Het luik ging dicht; de waterbakken werden

gevuld, en het vaartuig zonk ongeveer tien meter onder de golven. Toen

ik naar mijn kamer wilde gaan, hield Nemo mij staande.

"Zeg eens, mijnheer de professor," zet hij, "zoudt gij mij gaarne in

den stuurstoel willen vergezellen?"

"Ik durfde het u niet te vragen," antwoordde ik.

"Kom maar mee, dan zult gij al het mogelijke van deze onderzeesche

vaart zien."

De kapitein bracht mij naar de middeltrap; halverwege opende hij een

deur, volgde een bovengang, en kwam in den stuurstoel, die zooals

men weet aan het einde van het plat boven in het vaartuig lag.

Het was een hut van zes voet in het vierkant, ongeveer zooals de

stuurlieden aan boord van de stoombooten op de Mississippi en den

Hudson hebben. In het midden stond een vertikaal rad, dat ingreep in

de takels van het roer, dat tot achter onder den Nautilus reikte. Vier

groote lenzen, in de vier zijden van de hut aangebracht, lieten den

stuurman naar alle zijden vrijen uitkijk.

De hut was donker, maar weldra was ik aan de duisternis gewoon, en toen

zag ik ook den stuurman, een krachtig man, die de velgen van het rad

vasthield. Buiten de hut was de zee helder verlicht door de lantaarn,

die achter den stuurstoel, aan de andere zijde van het plat stond.

"Nu gaan wij den doorgang zoeken," zei kapitein Nemo.

Electrische draden verbonden den stuurstoel met de machinekamer en

van daar kon de kapitein aan zijn Nautilus dus zoowel richting als

beweging geven. Hij drukte op een metalen knop en aanstonds werd de

snelheid verminderd.

Ik beschouwde in stilte den hoogen en steilen rotsmuur waar wij langs

voeren; wij volgden dien gedurende een uur en bleven er in den regel

slechts een paar meter van verwijderd. De kapitein hield het oog

geen enkel oogenblik afgewend van het kompas, dat in een ring aan den

zolder hing; op een enkel teeken veranderde de stuurman elk oogenblik

de richting van den Nautilus. Ik zat bij het glas aan bakboordzijde,

en zag prachtige koralen, zoöphyten, zeegrassen, schaaldieren, die

hunne lange pooten uit de spleten der rots staken, enz.

Kwart over tienen nam de kapitein zelf het stuurrad in handen. Een

breede, donkere en diepe galerij opende zich voor ons; de Nautilus

liep die stoutmoedig binnen. Ik hoorde langs de wanden van het schip

een ongewoon geraas, het was het water van de Roode Zee, dat door den

hellenden tunnel naar de Middellandsche Zee stroomde. De Nautilus

volgde pijlsnel dien stroom, niettegenstaande de inspanning der

machine, die de schroef in omgekeerde richting deed werken.

Op de muren van den nauwen doorgang zag ik niets dan schitterende en

vurige strepen, door het electrisch licht en de snelheid van de vaart

voortgebracht. Mijn hart klopte hevig; ik hield de handen tegen de

borst gedrukt.

"Vijf minuten over half elf gaf de kapitein het stuurrad weer over,

en zich naar mij wendend, zei hij:

"De Middellandsche Zee!"

In minder dan twintig minuten was de Nautilus, door den stroom

medegesleept, onder de landengte van Suez doorgevaren.

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 8 / 27 题