De Arabische Tunnel.
Dienzelfden dag deelde ik aan Koenraad en Ned Land het gedeelte van
het gesprek mede, dat hun belang kon inboezemen. Toen ik hun vertelde
dat wij binnen twee dagen in de Middellandsche Zee zouden zijn,
klapte Koenraad in de handen, maar de Amerikaan trok de schouders op.
"Een onderzeesche tunnel!" riep hij uit, "een gemeenschap tusschen
de beide zeeën! Wie heeft daar ooit van gehoord?"
"Vriend Ned," zei Koenraad, "hadt gij ooit van den Nautilus hooren
spreken? Neen! En toch bestaat die. Trek dus niet zoo lichtvaardig
de schouders op, en twijfel niet aan de dingen, onder voorwendsel
dat gij er nooit van hebt hooren spreken."
"Wij zullen wel eens zien!" antwoordde Ned Land, het hoofd
schuddende. "Maar ik zou niets liever dan aan dien doortocht gelooven;
de Hemel geve dat hij ons inderdaad in de Middellandsche Zee brenge!"
Denzelfden avond dreef de Nautilus op 21° 30' N.B. aan de oppervlakte
en naderde de Arabische kust. Ik zag Djeddah, de belangrijke
stapelplaats voor de Egyptische. Syrische, Turksche en Indische
waren; ik kon vrij duidelijk de gebouwen en de schepen langs de
kaden en op de reede onderscheiden. De zon, die vrij laag stond,
scheen vlak op de huizen der stad, en deed er de witheid des te meer
van uitkomen. Buiten de stad duidden eenige houten en rieten hutten
verblijf het der Bedouïnen aan.
Weldra verdween Djeddah uit het gezicht en de Nautilus dook weer
onder het water, dat op dat oogenblik eenigszins phosphoriseerde.
Den volgenden dag, 10 Februari, verschenen verschillende schepen,
die eene andere richting als wij volgden. De Nautilus zette haar
tocht onder zee door, doch toen om twaalf uur, op het oogenblik dat
de zonshoogte moest genomen worden, de zee verlaten was, kwamen wij
weer boven.
Ik ging met Ned Land en Koenraad op het plat zitten. De oostkust was
door den vochtigen mist nauwelijks zichtbaar.
Op den rand der sloep geleund, spraken wij over koetjes en kalfjes,
toen Ned zijn hand uitstrekkende, zei:
"Ziet gij daar niets, mijnheer?"
"Neen, Ned," antwoordde ik, "maar gij weet wel dat ik uw oogen
niet heb."
"Zie eens goed," hernam Ned, "daar aan stuurboord vóór ons uit,
zoowat boven de lantaarn. Ziet gij daar geen voorwerp, dat zich
schijnt te bewegen?"
"Waarlijk," zei ik, na nauwkeurig te hebben toegezien, "ik zie een
lang zwartachtig lichaam op het water drijven."
"Een anderen Nautilus?" vroeg Koenraad.
"Neen," antwoordde Ned, "maar als ik mij niet sterk vergis, is het
een zeedier."
"Zijn er walvisschen in de Roode Zee?" vroeg Koenraad.
"Ja, mijn jongen," antwoordde ik, "soms ontmoet men ze nog."
"Het is geen walvisch," zei de harpoenier, die het voorwerp niet
uit het oog verloor. "De walvisschen en ik zijn oude kennissen,
en ik zou mij daarin met bedriegen."
"Laten wij maar wachten," merkte Koenraad op; "de Nautilus gaat dien
kant uit, en spoedig zullen wij zien wat het is."
Inderdaad, het zwarte voorwerp was weldra geen vier kilometer meer
van ons af. Het geleek op een groote klip midden in zee. Wat was
het? Ik kon het nog niet zeggen.
"O, het beweegt zich! het duikt!" riep Ned Land uit, "duizend duivels,
wat is dat voor een dier? Het heeft geen gespleten staart zooals
walvisschen of potvisschen en de zwemvliezen lijken op stompen."
"Maar....?" vroeg ik.
"Daar," riep de Amerikaan, "nu ligt het dier op den rug met de borsten
in de lucht!"
"Het is een sirene!" zei Koenraad, een wezenlijke sirene, als mijnheer
't niet kwalijk neemt."
"De naam van sirene bracht mij op den weg, en ik begreep, dat dit
beest tot die orde van zeedieren behoorde, waarvan de fabel sirenen,
half vrouw en half visch, gemaakt heeft."
"Neen," zei ik tot Koenraad, "het is geen sirene, maar een zonderling
beest, waarvan er ternauwernood eenige exemplaren in de Roode zee
zijn overgebleven. Het is een dugong."
Ned Land's oogen schitterden van begeerte op het zien van dit dier;
zijn hand scheen gereed om het te harpoenen. Men zou zelfs gezegd
hebben, dat hij in zee wilde springen, om het in zijn element te
bestrijden.
"O, mijnheer!" riep hij met een stem, die van aandoening beefde,
"zoo iets heb ik nog nooit gedood!"
Zijn geheele ziel lag in dit woord,
Op dat oogenblik kwam kapitein Nemo op het plat. Hij zag den dugong,
begreep de houding van den Amerikaan, en vroeg hem: "Als ge een
harpoen hadt, meester Land, zou die u dan niet in de hand branden?"
"Zeker, mijnheer."
"En zoudt gij gaarne voor één dag uw ambacht van visscher weer
opvatten, om dit dier bij de lijst te voegen van die gij reeds
getroffen hebt?"
"Zeker zou ik dat graag."