HOOFDSTUK XXVIII

De Roode Zee.

In den loop van 29 Januari verdween het eiland Ceylon aan den

gezichteinder, en de Nautilus gleed met een vaart van twintig kilometer

door dien doolhof van kanalen, die de Maladiven van de Laccadiven

scheiden. Hij liep onmiddellijk langs het eiland Kittan, dat door

koralen gevormd, door Vasco de Gama in 1499 ontdekt werd, en een van

de negentien voornaamste eilanden is van den Laccadiven-archipel,

welke tusschen 10° en 14° 30' N.B. en 69° en 50° 72' O.L. ligt.

Wij hadden toen 16220 kilometer afgelegd, sedert wij de Japansche

zee verlaten hadden.

Den volgenden dag, 30 Januari, kwam de Nautilus weer boven, doch wij

hadden geen land in het gezicht; de richting was N.N.W. en wij naderden

de zee van Osman, tusschen Arabië en Voor-Indië, waarin de Perzische

golf hare monding heeft. Wij voeren in een zee zonder ingang. Waar

bracht ons kapitein Nemo toch heen? Ik zou het niet hebben kunnen

zeggen; Ned Land was daarover zeer ontevreden, toen hij er mij dien

dag naar vroeg.

"Wij gaan daarheen waar de luimen van den kapitein ons voeren willen,

Ned," zei ik.

"Die luimen kunnen ons niet ver brengen," antwoordde de Amerikaan. "De

Perzische golf heeft geen uitgang, en als wij er binnenvaren; zullen

wij spoedig langs dienzelfden weg moeten terugkeeren."

"Welnu, wij zullen dan terugkeeren, Ned, en als de Nautilus daarna

de Roode zee bezoekt, bestaat de straat van Bab-el-Mandeb toch nog

altijd om ons door te laten."

"Ik zal u wel niet behoeven te zeggen, mijnheer," antwoordde Ned Land,

"dat de Roode zee even goed is afgesloten als de Perzische golf,

omdat het Kanaal van Suez nog niet is doorgegraven; en al ware dit het

geval, dan zou dit geheimzinnig vaartuig zich toch niet in dat door

sluizen afgesloten water wagen. De Roode zee is dus ook de weg niet,

langs welken wij Europa zullen bereiken."

"Ik heb ook niet gezegd, dat wij naar Europa gaan."

"Wat veronderstelt gij dan?"

"Ik veronderstel, dat de Nautilus, na de merkwaardige zee tusschen

Arabië en Egypte bezocht te hebben, naar den Indischen Oceaan terug

zal keeren, hetzij door het kanaal van Mozambique, hetzij langs de

Maskarenen, om zich van daar naar de Kaap de Goede Hoop te richten."

"En als wij daar zijn?" vroeg Ned Land met bijzonderen nadruk.

"Welnu, dan zullen wij den Atlantischen Oceaan bezoeken, dien wij

nog niet kennen. Maar zeg eens, vriend Ned, verveelt u dan die

onderzeesche reis? Hebt gij dan reeds overgenoeg van het steeds

afwisselend schouwspel der onderzeesche wonderen? Wat mij aangaat,

ik zal met groote spijt een reis zien eindigen, waartoe zoo weinig

menschen in de gelegenheid zijn geweest."

"Maar weet gij wel, mijnheer Aronnax," vroeg de Amerikaan, "dat wij

nu haast drie maanden op dien Nautilus gevangen zitten."

"Neen, Ned, dat weet ik niet, ik wil het niet weten, en ik tel niet

eens de dagen of de uren."

"En wat zal het einde zijn?"

"Dat zullen wij mettertijd zien. Bovendien kunnen wij er niets aan

doen, en wij verpraten daarover onnut onzen tijd. Als je mij kwaamt

zeggen, Ned: 'er bestaat kans om te ontsnappen,' dan zou ik er eens

met je over praten; maar zoover is het nog niet, en om ronduit te

spreken, geloof ik ook niet dat de kapitein zich ooit in de Europeesche

zeeën waagt."

Door dit korte gesprek zal men gewaar worden dat ik dweepte met den

Nautilus en als het ware met den kapitein vereenzelvigd was. Wat Ned

Land aanging, hij eindigde het gesprek met als tot zich zelven te

zeggen: "dat is alles goed en wel, maar volgens mijn meening bestaat

er geen genoegen met dwang."

Gedurende vier dagen, dus tot 3 Februari, doorkliefde de Nautilus de

zee van Oman met verschillende snelheid en op onderscheiden diepte. Het

vaartuig ging onzeker voorwaarts, alsof men aarzelde welken weg te

kiezen, maar het kwam nimmer over den kreeftskeerkring uit.

Toen wij die zee verlieten, hadden wij een oogenblik Mascate, de

belangrijkste stad van Oman, in het gezicht. Ik bewonderde het vreemde

uiterlijk dier plaats, te midden van de haar omringende zwarte rotsen,

waartegen de witte forten en huizen zoo helder afsteken. Ik zag den

ronden koepel der moskeeën, de bevallige punten der minarets, en de

met frisch groen bedekte terrassen, maar het was slechts voorbijgaand,

want de Nautilus schoot weldra weer onder de golven voorwaarts. Toen

volgden wij op een afstand van zes kilometer de bochtige kusten van

Mahrah en Hadhrahmout in het zuiden van Arabië, met hare bergen,

waarop zich hier en daar eenige bouwvallen vertoonden. Den 5den

Februari kwamen wij de golf van Aden binnen, die er uitziet als een

trechter, dien men in den hals eener flesch heeft gestoken; die flesch

is de roode zee, en de hals is Bab-el-Mandeb, waardoor het water uit

de Indische zee in de Roode getapt wordt.

Den volgenden dag dreef de Nautilus in het gezicht van Aden, dat op

een klein schiereiland ligt, een soort van ontoegankelijk Gibraltar,

waar de Engelschen forten hebben gebouwd nadat zij het in 1839 bezet

hadden. Ik zag de achthoekige minarets der stad, die volgens den

geschiedschrijver Edrisi vroeger de rijkste en meest handeldrijvende

stapelplaats der geheele kust was.

Ik meende wel dat kapitein Nemo nu zou terugkeeren, doch ik bedroog

mij en tot mijn groote verbazing deed hij dit niet. Den 7den Februari

kwamen wij in de straat van Bab-el-Mandeb, dat in het Arabisch

beteekent "Tranenpoort." Zij is twintig kilometer breed en twee en

vijftig lang; de Nautilus liep met volle vaart in minder dan een

uur er door, doch ik zag niets, zelfs niet het eiland Perim, dat de

Engelsche regeering heeft doen bezetten, om daardoor de stelling van

Aden te versterken. Er kwamen voortdurend te veel stoombooten der

Engelsche of Fransche maildiensten door deze nauwe zeestraat dan dat

de Nautilus er zich kon vertoonen; daarom bleef zij wijselijk onder

water. Eindelijk waren wij des middags in de Roode zee.

De Roode zee, de beroemde golf der bijbelsche overlevering, die

nooit door regen verfrischt wordt, waarin geen enkele stroom zijn

water uitstort, die door gestadige uitdamping onophoudelijk water

verliest, zoodat zonder toevoer uit de Indische zee de hoogte

jaarlijks anderhalven meter verminderen zou! Zonderlinge golf dus,

die wanneer zij als een meer geheel door het land ingesloten was,

misschien volkomen zou uitdrogen; zij verschilt in dit opzicht dus

geheel van de naburige Kaspische en Doode zeeën, wier peil slechts

zooveel door verdamping verlaagt, als de massa water bedraagt, die

er door de rivieren wederom wordt ingebracht.

De Roode Zee heeft een lengte van 2600 kilometer, en is gemiddeld

240 kilometer breed. In den tijd van de Ptolemaeën en der Romeinsche

keizers was zij de groote slagader van den wereldhandel, en de

doorgraving der landlengte van Suez heeft haar de belangrijkheid van

vroeger eeuwen geheel teruggegeven.

Ik wilde niet eens trachten te begrijpen, waarom de kapitein besloot

ons in deze golf te brengen, maar zonder voorbehoud keurde ik het goed

dat de Nautilus er binnen voer. Wij vorderden met geringe snelheid,

en dreven dan eens aan de oppervlakte, dan weer onder water, als wij

eenig schip moesten vermijden; zoodat ik gelegenheid had de oppervlakte

en den bodem van deze merkwaardige zee beide te beschouwen.

Den 8sten Februari kregen wij bij het aanbreken van den dag Mekka in

het gezicht; de stad ligt thans in puin, de muren zouden bij een enkel

kanonschot instorten, en worden ter nauwernood door eenige dadelboomen

beschaduwd. Het was eertijds een belangrijke stad met zes openbare

marktpleinen, zevenentwintig moskeeën en de muren, die door veertien

forten beschermd werden, hadden een omtrek van drie kilometer.

Daarop naderde de Nautilus de Afrikaansche kust, waar de diepte der

zee veel grooter is. Daar konden wij in het kristalhelder water door de

ruiten van den salon die prachtige struiken van schitterende koralen,

en de uitgestrekte rotswanden beschouwen, waarop een heerlijk schoon

tapijt van zeewier en andere zeeplanten was uitgespreid. Welk een

onbeschrijfelijk schouwspel, en welk een verscheidenheid van vormen en

kleuren langs die klippen en vulkanische eilandjes, die de Lybische

kust omzoomen! Doch die flora verscheen in al hare schoonheid langs

de oostkust, waar de Nautilus weldra heenging; het was op de kust van

Tehema; want toen zagen wij die verscheidenheid van planten niet alleen

onder het vlak der zee, maar zij slingerden zich zelfs tot op tien

voet hoogte ook daar boven in elkander; de laatsten waren grilliger

van vorm, doch minder kleurig dan de eersten, omdat de voedingkracht

van het water de frischheid der kleuren waarschijnlijk meer bevorderde.

Hoeveel aangename uren bracht ik voor de ramen van den salon

door! Hoeveel nieuwe voorwerpen uit de onderzeesche dieren- en

plantenwereld bewonderde ik niet in den schijn van ons electrisch

licht! Paddenstoelvormige sponzen, leigrijze kliprozen, onder anderen

de thalassiantus aster (bloeiende zeeasters), kriskoralen als fluiten,

slechts wachtende op den adem van Pan, schulpen die men elders niet

aantreft, uitloopende in korte spiralen en vastzittende in holligheden

van sterkoralen, en eindelijk bij duizenden de gewone spons die ik

nog niet had opgemerkt.

De spons is geen plantaardig voorwerp, zooals nog door sommige

natuuronderzoekers beweerd wordt, maar een dier, dat echter op den

allerlaagsten trap van dierlijk leven en nog beneden de koralen

staat. Dat het een dier is, lijdt geen twijfel; zelfs moet men zich

losmaken van de meening der ouden, die de sponsen beschouwden als

plantdieren, voorwerpen tusschen de planten- en de dierenwereld

staande. Ik moet echter aanmerken, dat de natuuronderzoekers het

niet eens zijn over de plaats, die aan de sponsen moet worden

toegekend. Sommigen rekenen ze tot de poliepen, anderen, waaronder

Milne Edwards, willen ze geheel afzonderlijk geplaatst hebben.

De sponsachtige lichamen tellen omtrent driehonderd soorten; zij

worden in zeer vele zeeën aangetroffen; zelfs ook in enkele stroomen,

en heeten dan riviersponsen. Maar het meest vindt men ze in de

Middellandsche Zee, in den Griekschen Archipel, langs de Syrische

Kust en in de Roode Zee. Daar vindt men dan ook die fijne, zachte

sponsen, die wel eens met anderhalf honderd frank betaald werden,

de geelachtige Syrische, de harde Barbarijsche en andere, Maar daar

ik geen hoop kon voeden om deze plantdieren in de nabijheid van een

der Levant-steden--van welke ons de landengte van Suez scheidde--in

oogenschouw te kunnen nemen, vergenoegde ik mij er in de Roode Zee

kennis mee te maken.

Ik riep dus Koenraad bij mij, terwijl de Nautilus, ter diepte van

acht tot negen meter, zachtjes langs de fraaie rotsen der oostelijke

kust gleed.

Daar groeiden allerlei sponsen, gestengelde, gebladerde, bolvormige,

gevingerde. Zij beantwoordden juist aan de bijnamen; korfjes, bekers,

spinrokken, elandhorens, leeuwenpooten, pauwstaarten, Neptunus

handschoenen, die de visschers, dichterlijker van uitdrukking dan de

mannen der wetenschap, er aan gegeven hebben. Uit haar vezelachtig

weefsel, dat met een half-vloeibare geleiachtige zelfstandigheid bedekt

is, schoten onophoudelijk kleine waterstralen, door een samentrekkende

kracht uitgespoten, nadat dit water eerst leven had gewekt in iedere

holligheid. Deze zelfstandigheid verdween na den dood van de poliep

en gaf, vergezeld met het afgeven van ammoniak, een afschuwelijken

stank. Er blijft dan niets over dan de hoornachtige vezelstof,

waaruit de gewone rotsachtige sponsen bestaan, die naar gelang

van zachtheid en andere dergelijke eigenschappen, tot verschillend

huiselijk gebruik dienen.

Deze poliepaardige plantdieren zaten aan rotsen, aan schulpen van

weekdieren en zelfs aan de waterplanten. Zij vulden zelfs de kleinste

spleten; sommigen spreidden zich uit, anderen richtten zich overeind

of hingen als koraalvormige uitwassen nederwaarts. Ik vertelde aan

Koenraad, dat die sponsen op tweeërlei wijze gevischt worden, met een

dreg of met de hand. Deze laatste handelwijze, waarvoor duikers noodig

zijn, is de verkieslijkste, want als men het weefsel weet te sparen,

zijn de sponsen er des te meer om waard.

De andere plantdieren, die naast de sponsachtige leefden, bestonden

voornamelijk in zeer fraaie soorten van zeekwallen; onder de weekdieren

merkte ik onderscheidene soorten van calmars of blakvisschen op, die

volgens d'Orbigny aan de Roode Zee bepaald eigen zijn, gelijk ook

onder de kruipende dieren de schilpadden, die den bijnaam Virgala

hebben en tot de soorten behooren, die een gezochte, voedzame en

smakelijke spijze opleveren.

Visschen waren er zeer talrijk; sommige soorten zeer merkwaardig. Die,

welke door den Nautilus met haak en lijn werden gevangen, bijv. de rog,

waaronder de gemarmerde, met blauwachtige vlekken en dubbel getanden

staart, die met zilverkleurigen rug, die met een punt-staart en

vinnen ter grootte van een paar meter, de tandelooze, de haaiachtige

en kraakbeenachtige, tot de familie der roggen behoorende; voorts

koffervisschen (osiraciou), waaronder de drommedaris met een bultvormig

uitwas; uitloopende in een omgebogen stekel van anderhalven voet

lengte; ook nog palingen met zilverkleurigen staart, blauwachtigen rug

en bruine borstvinnen met grijs omboord; lipvisschen en een menigte

andere zeedieren.

Den 9den Februari dreef de Nautilus in het breedste gedeelte der Roode

zee, dat tusschen Suakin op de west- en Ghunfuda op de oostkust,

ter breedte van 190 kilometer gevonden wordt. Nadat de zonshoogte

genomen was, kwam de kapitein op het plat, waar ik mij op dat oogenblik

bevond. Ik besloot bij mij zelven hem niet weer naar beneden te laten

gaan, voordat ik iets meer van zijn verdere plannen wist. Toen hij mij

zag, kwam hij naar mij toe, bood mij een sigaar aan en zei: "Welnu,

mijnheer de professor, hoe vindt gij de Roode zee? Hebt gij de wonderen

goed bekeken die zij bevat, de visschen en zoöphyten, de sponsenbedden

en koraalbosschen? Hebt gij de steden op de kust kunnen zien?"

"Ja, kapitein," antwoordde ik, "en de Nautilus heeft die studie

wonderwel bevorderd: het is een verstandig schip."

"Zeker, mijnheer, verstandig, stoutmoedig en onkwetsbaar; het is niet

bevreesd voor de vreeselijke stormen, stroomen of klippen dezer zee."'

"Deze zee wordt inderdaad als een van de onstuimigste opgegeven,

en indien ik mij niet bedrieg, dan stond zij in de oudheid in den

slechtsten reuk."

"Afschuwelijk, mijnheer Aronnax; de Grieksche en Latijnsche

geschiedschrijvers spreken niet in haar voordeel, en Strabo zegt,

dat zij vooral zeer onstuimig is in den tijd van de zomerwinden en

van de regens. De Arabische schrijver Edrisi verhaalt, dat tal van

groote schepen op de zandbanken te gronde gingen, en dat niemand het

waagde er 's nachts te varen. Het is, zooals hij zegt, een zee, waar

de vreeselijkste orkanen heersenen, vol onherbergzame eilanden, en die

noch in de diepte, noch op hare oppervlakte iets goeds oplevert. Zoo

is toch de door Arrianus, Agatharchides en Artimidorus uitgedrukte

meening.

"Men ziet het wel," antwoordde ik, "dat de geschiedschrijvers niet

aan boord van den Nautilus geweest zijn."

"Zonder twijfel," antwoordde de kapitein lachend, "en in dat opzicht

zijn de nieuwere schrijvers niet veel verder dan de oude. Er zijn

eeuwen noodig geweest om de kracht van den stroom na te gaan; wie

weet of men over honderd jaar wel een tweeden Nautilus zien zal! De

wetenschap vordert slechts langzaam, mijnheer Aronnax."

"Zeker," antwoordde ik, "gij zijt met uw vaartuig een eeuw vooruit,

misschien wel meer dan éen. Hoe ongelukkig, dat zulk een uitvinding

met den uitvinder moet te gronde gaan!"

De kapitein gaf geen antwoord; na eenige minuten zwijgens hernam hij;

"Gij spraakt van de meening der oude geschiedschrijvers over de

gevaren, waarmee de vaart over de Roode zee vergezeld gaat?"

"Ja," antwoordde ik, "maar was hun vrees niet overdreven?"

"Ja en neen, mijnheer Aronnax," zei de kapitein, die de Roode

zee nauwkeurig scheen te kennen. "Wat nu niet meer gevaarlijk is

voor nieuwere goed gebouwde schepen, die zich door stoomkracht naar

willekeur kunnen bewegen, was het wel voor alle soort van vaartuigen

der ouden. Stel u die zeevaarders der oudheid voor in hun schuiten,

wier planken met palmvezels aan elkander genaaid, met gesmolten

hars gebreeuwd, en met zeehondenvet besmeerd waren. Zij hadden geen

instrumenten om hun richting waar te nemen, en zij voeren maar op

de gis, te midden van hun geheel onbekende stroomen. Onder zulke

omstandigheden moesten schipbreuken dikwijls voorkomen; maar in onzen

tijd hebben de stoombooten, die tusschen Suez en Indië dienst doen,

niets meer van de stormen in deze zee te vreezen. Gezagvoerders en

reizigers brengen voor hun vertrek geen zoenoffers meer, en als zij

terugkomen, gaan zij niet meer met kransen en linten getooid, den goden

in den eersten den besten tempel danken voor hun behouden aankomst."

"Ik stem dit toe, want de stoom schijnt de dankbaarheid in het hart

der zeelieden te hebben uitgedoofd. Maar kapitein, daar gij deze zee

bijzonder schijnt bestudeerd te hebben, zult gij mij misschien wel

kunnen zeggen hoe haar naam ontstaan is?"

"Hiervoor zijn verschillende uitleggingen, mijnheer. Wilt gij de

meening van een kronijkschrijver uit de 14de eeuw weten?"

"Gaarne."

"Die phantast beweert, dat die naam er aan gegeven werd na den

doortocht der Israëlieten, toen de Egyptische Pharao was omgekomen in

de golven, welke zich op Mozes' bevel over hem sloten; 'ten teeken

van dit wonder,' zegt hij, 'werd de zee rood en vermiljoen, en men

noemt haar sedert dien tijd niet anders dan de Roode zee.'"

"Dat is een dichterlijke verklaring, kapitein, maar daar ben ik niet

mee tevreden. Ik vraag u dus hoe gij zelf er over denkt?"

"Ik geloof, mijnheer Aronnax, dat men in die benaming de vertaling

zien moet van het Hebreeuwsche woord 'Edom' en als de ouden haar dien

naam gaven, was het om de bijzondere kleur van het water."

"Tot nog toe heb ik echter enkel helder water, zonder eenige bijzondere

kleur gezien."

"Zonder twijfel; maar als gij verder de zee inkomt, zult gij die

zonderlinge tint opmerken. Ik herinner mij de golf van Suez bij Tor

geheel roodgekleurd te hebben gezien, even alsof het een meer met

bloed was."

"En schrijft gij die kleur aan mikroskopisch fijn zeewier toe?"

"Ja, het is een purperkleurige slijmachtige stof, voortgebracht

door kleine plantjes, waarvan er 40.000 noodig zijn om een kubieken

millimeter te vullen. Misschien zult gij er wel zien, als wij bij

Tor komen."

"Het is dus de eerste maal niet, kapitein, dat gij met den Nautilus

in de Roode zee komt?"

"Neen, mijnheer."

"Omdat gij straks gesproken hebt van den doortocht der Israëlieten

en de vernietiging van het Egyptische leger, wilde ik van u wel eens

weten of gij onder water de sporen van dit groot geschiedkundig feit

ook herkend heb?"

"Neen, mijnheer de professor, en dit om een goede reden."

"Welke?"

"Omdat de plaats, waar Mozes met zijn volk is doorgetrokken, zoo

verzand is, dat de kameelen er ter nauwernood tot aan de knieën door

het water gaan. Gij begrijpt, dat mijn Nautilus er dus geen vaarwater

vinden kan."

"En die plaats?" vroeg ik.

"Die plaats is een weinig boven Suez gelegen, in den zeearm, die

vroeger een diepen inham vormde, toen de Roode zee zich nog tot aan

de Bittermeren uitstrekte. Of die doortocht een wonder is geweest

of niet, zeker is het dat de Israëlieten daar doorgetrokken zijn om

het Heilige land te bereiken, en dat het leger van den Egyptischen

koning juist op die plek is omgekomen. Ik geloof dus, dat, als men

in dat zand ging graven, men een groote menigte Egyptische wapenen

en werktuigen zou vinden."

"Dat is duidelijk," antwoordde ik, "en het is voor de oudheid-kenners

te hopen, dat men vroeg of laat die opgravingen zal beginnen,

wanneer na de doorgraving der landengte van Suez hier nieuwe steden

zullen verrijzen. Voor vaartuigen als de Nautilus is het een zeer

ondoelmatig kanaal!"

"Zeker, maar nuttig voor de geheele wereld; de ouden hadden het

wel begrepen, dat het in het belang van hun handel zou zijn om de

Roode en Middellandsche Zeeën met elkander te verbinden; doch zij

dachten er niet aan een regelrecht kanaal te graven en zij gebruikten

daarvoor gedeeltelijk den Nijl. Waarschijnlijk werd met het kanaal,

dat deze rivier met de Roode zee verbindt, een aanvang gemaakt onder

Sesostris, ten minste als men de overlevering gelooven mag. Zeker is

het dat in 615 v. Chr. Necho een kanaal begon te graven, dat door

het oostelijkste deel van Egypte gaande, met Nijlwater zou gevoed

worden. Men kon dit kanaal in vier dagen opvaren, en het was zoo breed,

dat twee roeischepen elkander gemakkelijk konden voorbijkomen. Het werd

door Darius Hystaspes voortgezet en waarschijnlijk onder Ptolemaeus

II voltooid. Strabo zag het gebruiken, maar de zwakke helling tusschen

het punt van aanvang bij Bubastis en de Roode zee, maakte het slechts

gedurende eenige maanden van het jaar bevaarbaar. Dit kanaal diende

tot op den tijd van de Antonijnen voor den handel; verlaten, verzand

en later hersteld op last van kalif Omar, werd het in 761 of 762

door kalif Ahnansor onbevaarbaar gemaakt, omdat hij wilde beletten,

dat men levensmiddelen zou brengen naar Mohammed Ben Abdullah, die

tegen hem in opstand was. Gedurende den tocht naar Egypte vond uw

generaal Bonaparte de sporen dezer werken in de woestijn van Suez,

en door den vloed overvallen, was hij bijna omgekomen, voordat hij

Hadjaroth had kunnen bereiken, waar Mozes 3500 jaren vóór hem zijn

legerkamp had opgeslagen."

"Welnu, kapitein, wat de ouden niet hebben durven ondernemen, de

verbinding tusschen de beide zeeën, waardoor de weg van Marseille naar

Indië 9000 kilometer korter zal worden, dat heeft de Lesseps gedaan

en binnen kort zal hij Afrika tot een groot eiland gemaakt hebben."

"Ja, mijnheer Aronnax, gij hebt reden om op uw landgenoot fier te

zijn. Hij is een man die eene natie meer tot eer verstrekt dan de

grootste veldheeren. Hij had, evenals vele anderen, met moeielijkheden

en tegenstand te kampen, maar hij heeft gezegevierd, want hij bezat

een vasten wil. Het is treurig als men bedenkt dat dit werk, dat door

alle natiën te zamen had moeten ondernomen worden, en dat voldoende

zou geweest zijn om de regeering van een vorst beroemd te maken,

slechts gelukt is door de geestkracht van een enkel man; eere zij

dus aan de Lesseps!"

"Ja, eere aan dien grooten burger," antwoordde ik, verwonderd over

den toon waarop kapitein Nemo gesproken had.

"Ongelukkig," hernam hij, "kan ik u niet door het Kanaal van Suez

brengen; maar gij kunt overmorgen de lange havenhoofden van Port-Said

zien, als wij in de Middellandsche zee zijn."

"In de Middellandsche zee?"

"Ja, mijnheer; verwondert u dat?"

"Het verwondert mij dat wij er overmorgen reeds zullen zijn."

"Zoo?"

"Ja, kapitein, hoewel ik mij eigenlijk over niets meer verwonderen

moest sedert ik bij u aan boord ben."

"Maar waarom verwondert het u?"

"Over de ijzingwekkende snelheid, waarmede de Nautilus om Afrika zal

moeten varen, om overmorgen in de Middellandsche zee te zijn!"

"En wie zegt u dat wij om Afrika heengaan, mijnheer de professor?

"Wie spreekt er van om langs de Kaap de Goede Hoop te varen?"

"Althans als de Nautilus niet over land of over de landengte

heengaat...."

"Of er onder door, mijnheer Aronnax.

"Er onder door?"

"Zonder twijfel," antwoordde de kapitein bedaard. "Sedert lang heeft de

natuur onder de landengte gevormd, wat de menschen er boven op maken."

"Hoe! bestaat er een doortocht?"

"Ja een onderaardsche doorgang, waaraan ik den naam van Arabischen

tunnel gegeven heb. Deze begint even beneden Suez en eindigt in de

golf van Pelusium."

"Maar de landengte bestaat enkel uit beweegbaar zand?"

"Tot op zekere diepte; maar op vijftig meter vindt men reeds een

onwrikbaren rotsgrond."

"En hebt gij dien doorgang bij toeval ontdekt?" vroeg ik hoe langer

zoo meer verbaasd.

"Door toeval en redeneering, of eigenlijk nog meer door de laatste

dan door het eerste."

"Ik luister, kapitein, doch kan het haast niet gelooven."

"Och, mijnheer! 'zij hebben ooren en hooren niet,' zal ten allen

tijde waar blijven. Niet alleen bestaat die doorgang, doch ik ben

er verscheiden malen doorgegaan. Zonder dat zou ik mij nu niet in de

Roode zee gewaagd hebben."

"Ben ik ook onbescheiden, als ik u vraag hoe gij dien tunnel ontdekt

hebt?"

"Mijnheer," antwoordde mij de kapitein, "er kan geen geheim bestaan

tusschen menschen, die elkander niet meer verlaten moeten."

Ik lette schijnbaar niet op dit gezegde en wachtte op het verhaal

van den kapitein.

"Het is de redeneering van een natuuronderzoeker, mijnheer de

professor," zei hij, "die mij er toe gebracht heeft dezen doorgang

te ontdekken, welken ik alleen ken. Ik had opgemerkt dat er in de

Roode en Middellandsche Zeeën een zeker aantal van volkomen dezelfde

vischsoorten gevonden werd. Toen ik hiervan zeker was, vroeg ik mij

af of er geen gemeenschap tusschen de beide zeeën bestond. Zoo ja,

dan moest de onderaardsche stroom noodwendig van de Roode naar de

Middellandsche Zee gaan, omdat het peil der beide zeeën verschilt. Ik

ving dus een groot aantal visschen in den omtrek van Suez, deed hun een

koperen ringetje aan den staart, en wierp ze toen weer in zee. Eenige

maanden daarna ving ik aan de kust van Syrië eenige van die visschen

met zulk een ring. De gemeenschap tusschen de beide zeeën was dus

bewezen. Ik zocht haar met mijn Nautilus, ik ontdekte die, waagde

mij er in, en weldra, mijnheer de professor, zult ook gij door den

Arabischen. tunnel gevaren zijn."

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 6 / 27 题