HOOFDSTUK XXVII

Een parel van vijf millioen.

De nacht viel; ik ging naar bed, doch sliep vrij slecht. De haaien

speelden een belangrijke rol in mijn droomen.

Den volgenden morgen werd ik om vier uur door den hofmeester gewekt. Ik

stond spoedig op, kleedde mij en ging naar het salon.

De kapitein wachtte mij reeds.

"Zijt gij klaar om te vertrekken, mijnheer Aronnax?" vroeg hij.

"Ik ben gereed."

"Volg mij dan."

"En mijn makkers?"

"Zij zijn reeds gewaarschuwd en wachten ons."

"Moeten wij onze scaphanders niet aantrekken?"

"Nog niet. Ik heb den Nautilus niet te dicht bij de kust laten komen,

en wij zijn nog niet op de hoogte van de oesterbank van Manaar. Ik heb

de sloep laten gereed maken, en deze zal ons op de juiste plek brengen

en daardoor een vrij lange wandeling uitsparen. Onze duikertoestellen

liggen in de boot en wij trekken die eerst aan als onze onderzeesche

tocht een aanvang neemt."

De kapitein geleidde mij naar de groote trap, en kwam met mij

op het plat, waar Ned Land en Koenraad, vol verrukking over het

"pleziertochtje", reeds wachtten.

Vijf matrozen verbeidden met de riemen in de hand onze komst.

Het was nog duister; wolken bedekten het luchtruim en lieten slechts

enkele sterren zien; ik keek naar het land; maar ik zag alleen een

donkere lijn, die van het zuid- naar het noordwesten drievierde van

den gezichteinder begrensde. Gedurende den nacht had de Nautilus de

westkust van Ceylon gevolgd, en bevond zich thans in het westelijk

gedeelte van de baai van Manaar. Daar strekte zich onder het donker

water de oesterbank uit, dat onuitputtelijk parelveld, meer dan

twintig kilometer lang.

De kapitein, mijn beide makkers en ik, gingen achter in de boot

zitten. Een stuurman zat aan het roer, en de matrozen hielden de

riemen gereed: de boot werd afgestooten, en wij waren in het ruime sop.

De boot richtte zich naar het zuiden; de roeiers haastten zich

niet, en ik merkte op dat de riemen, die met kracht en diep door

het water geslagen werden, slechts om de tien seconden een slag

deden zooals gewoonlijk bij de oorlogsmarine geschiedt. Terwijl de

boot voortschoot, vielen de waterdroppels, als waren ze kokend lood,

van de telkens omhoog gehouden riemen op het donker watervlak; een

kleine bries, die ons uit het zuiden tegemoet woei, deed de boot een

weinig slingeren, en eenige golven spatten tegen den voorsteven van

ons ranke vaartuig uiteen.

Wij zwegen allen; waaraan dacht kapitein Nemo? Misschien aan het land,

dat hij naderde, en dat hij misschien te nabij kwam; geheel anders

dacht er zeker de Amerikaan over, dien het waarschijnlijk nog te ver

af was. Koenraad zat daar eigenlijk alleen uit nieuwsgierigheid.

Tegen half vijf werden door de eerste lichtstralen aan den horizon

de lijnen der kust beter zichtbaar. In het oosten was die kust vlak;

naar het zuiden meer bergachtig; wij waren er nog vijf kilometer af,

zoodat zij voor ons oog nog te veel met de nevels op zee ineensmolt. De

zee was geheel verlaten, geen enkele boot, geen enkele duiker. Deze

vereenigingsplaats van de parelvisschers was geheel eenzaam, omdat wij,

zooals de kapitein mij reeds voorspeld had, een maand te vroeg kwamen.

Om zes uur werd het eensklaps dag, met een snelheid, die aan deze

keerkringsstreken eigen is, waar men geen morgen- of avondschemering

kent. De zonnestralen drongen door het wolkengordijn, dat in het oosten

zichtbaar was; en het schitterend hemellichaam verhief zich snel in het

luchtruim. Ik zag duidelijk het land, met hier en daar enkele boomen.

De sloep naderde het eiland Manaar, dat voor ons lag

uitgestrekt. Kapitein Nemo was opgestaan en overzag de zee. Op een

teeken lieten de matrozen het anker vallen, doch behoefden den ketting

slechts weinig te vieren, daar de zee hier op zijn hoogst één meter

diep was; op deze plek lag een van de hoogste punten der oesterbank. De

sloep zwaaide onmiddellijk voor het anker om, door toedoen der ebbe,

die haar zeewaarts wilde stuwen.

"Wij zijn er, mijnheer Aronnax," zei toen de kapitein. "Gij ziet deze

enge baai; hier zullen over een maand de talrijke visschersbooten

der pachters bijeenkomen, en de duikers den bodem stoutmoedig

onderzoeken. Deze baai is voor dit soort van visschen allergunstigst;

zij is tegen de sterkste winden beschut, en de zee is er nooit in

sterke deining, wat voor de duikers zeer gelukkig is. Wij zullen nu

onze scaphanders aandoen en onze wandeling beginnen."

Ik antwoordde niet, en die verdachte golven bekijkende, begon ik, met

behulp van de matrozen, mijn zwaar pak aan te trekken. De kapitein

en mijn beide makkers kleedden zich ook. Geen van de mannen van den

Nautilus zou ons op dien tocht vergezellen.

Weldra waren wij tot den hals toe in ons kleed van caoutchouc

opgesloten, en draagbanden bevestigden onze luchttoestellen op den

rug. Van de toestellen van Ruhmkorff was geen sprake; vóor dat ik

mijn hoofd in den koperen helm stak, vroeg ik naar de reden van dit

laatste gemis.

"Die toestellen zouden nutteloos zijn," antwoordde de kapitein; "wij

dalen, op geen groote diepte af, en de zonnestralen zullen onzen

tocht genoeg verlichten. Bovendien zou het niet voorzichtig zijn

onze electrische lantaarns mee te nemen; het licht kon onverwacht

eens eenig gevaarlijk bewoner dier streken aantrekken."

Terwijl de kapitein dit zeide, wendde ik mij naar Ned Land en

Koenraad; maar zij hadden hun hoofd reeds in den helm gestoken,

en konden dus niet hooren of antwoorden. Ik richtte nog een laatste

vraag tot den kapitein.

"En onze wapens?" vroeg ik, "onze geweren?"

"Geweren, waartoe zouden die dienen? Vallen de bergbewoners den beer

niet aan met den dolk in de hand, en is het staal niet zekerder dan

het lood? Hier is een stevig lemmet; steek het in uw gordel en laat

ons in zee gaan."

Ik keek naar mijn makkers. Zij waren evenals wij gewapend, maar

bovendien drilde Ned Land een vreeselijkers harpoen, dien hij vóór ons

vertrek in de boot had gelegd. Toen liet ik mij, evenals den kapitein,

den helm opschroeven, en bracht onmiddellijk het luchttoestel in

werking. Een oogenblik daarna lieten de matrozen ons één voor éen in

zee zakken, en op anderhalven meter diepte stonden wij toen op een

met fijn zand bedekten bodem. De kapitein wenkte ons met de hand,

wij volgden hem, en langs een zacht glooiende helling voortstappend,

verdwenen wij weldra onder de golven.

Nu verlieten mij plotseling alle benauwende gedachten; ik werd

verwonderlijk kalm. De gemakkelijkheid mijner bewegingen vermeerderde

mijn gerustheid, en het vreemde van het schouwspel maakte zich geheel

van mijn geest meester.

De zon verlichtte reeds genoegzaam het water. De minste voorwerpen

waren zichtbaar; na tien minuten gaans waren wij op vijf meter

diepte, en nu bleven wij op dezelfde hoogte. Evenals de watersnippen

in een moeras, vloden troepen kleine visschen voor ons uit, die tot

de éenvinnigen behoorden, omdat zij geen andere vin hadden dan aan

den staart.

Het langzamerhand hooger klimmen der zon verlichtte het water hoe

langer zoo meer. Op het fijne zand van den bodem volgde een weg,

als het ware met ronde rotssteenen geplaveid, die met weekdieren en

zoöphyten als met een tapijt bedekt waren. Ik herkende daaronder

verscheidene mij reeds bekende soorten, en onder anderen ook een

afschuwelijk dier, namelijk een groote krab, door Darwin reeds

beschreven, en waaraan de natuur het instinct en de noodige kracht

heeft gegeven om zich met kokosnooten te voeden; het dier klimt op

den oever in de boomen, laat de noten vallen, opdat zij daardoor

zouden barsten en opent ze dan met zijne sterke scharen. Onder de

heldere golven liep de krab met een onvergelijkelijke snelheid,

terwijl kleine zeeschildpadden zich slechts langzaam tusschen de

rotssteenen voortbewogen.

Tegen zeven uur kwamen wij op de oesterbank, waarop millioenen

parelschelpen te vinden waren. Deze kostbare weekdieren zaten aan

den rotsgrond vast met een bruin weefsel, dat hun belette zich van

de plaats te bewegen: in dit opzicht zijn deze dieren minder zelfs

dan de mossels, wien de natuur niet alle beweegkracht ontnomen heeft.

De kapitein wees mij met de hand die verbazende opeenstapeling van

schelpen, en ik begreep dat deze mijn waarlijk onuitputtelijk was,

want de scheppingskracht der natuur is grooter dan de verdelgingswoede

van den mensch. Ned Land, getrouw aan het instinct om te vernietigen,

haastte zich de grootste schelpen los te rukken en die in een netje

te doen, dat hij aan den gordel had hangen. Maar wij konden niet

stil blijven staan; wij moesten den kapitein volgen, die langs aan

hem alleen bekende paden voortstapte. De grond rees weer vrij sterk,

en soms kon ik mijn arm boven het water uitsteken. Daarna daalde

de bodem nogmaals; soms gingen wij om puntige rotsen heen, in wier

holen en spleten groote schaaldieren op hunne hooge pooten stonden,

evenals kanonnen op hunne affuiten, en ons met starende oogen aankeken;

voor onzen voet kropen palingen, zeeslangen en een soort inktvisschen,

die hunne voelarmen zoolang als zij konden uitrekten.

Op dit oogenblik opende zich voor ons een uitgestrekte grot, uitgehold

in eene schilderachtige rots, die met al de plantensoorten der

onderzeesche flora scheen begroeid te zijn. Eerst meende ik dat die

grot geheel donker was; de zonnestralen schenen er langzamerhand in

te verdwijnen, en het licht dat er in doorscheen, beteekende zeer

weinig. De kapitein trad de grot binnen; wij volgden hem. Weldra

gewenden mijne oogen zich aan die betrekkelijke duisternis;

ik onderscheidde de zonderling gevormde gewelven, die door

natuurlijke kolommen gedragen werden; ze stonden op voeten van

graniet, evenals kolommen volgens de Etrurische bouworde. Waarom

bracht onze onbegrijpelijke gids ons in die onderzeesche grot? Ik

zou het weldra zien.

Nadat wij een vrij steile helling waren afgegaan, kwamen wij onder

in een ronden put; daar hield Nemo stil en wees ons met de hand

een voorwerp, dat ik nog niet had opgemerkt Het was een oester

van buitengewone grootte, een reusachtige schelp, een wijwaterbak,

die een zee van wijwater kon bevatten, een schaal van meer dan twee

meter breed, en derhalve veel grooter dan die, welke den salon van

den Nautilus versierde.

Ik naderde dit bewonderenswaardig weekdier; met zijn weefsel zat

het op een granietrots vast en daar groeide het geheel alleen in

het kalme water der grot. Ik schatte het gewicht van die oester op

driehonderd kilo; zulk een dier heeft vijftien kilo vleesch, en men

zou de maag van een Gargantua of diergelijken reus moeten hebben,

om er een paar dozijn van op te eten.

De kapitein kende zeker het bestaan van dit schelpdier; het was de

eerste maal niet dat hij het zag, en ik geloof dat hij er ons heen

geleidde, om ons die bijzonderheid der natuur te doen bewonderen;

ik bedroog mij echter, want de kapitein had er bijzonder belang bij

zich van den tegenwoordigen toestand van de oester te vergewissen.

De oester was geopend; de kapitein ging er heen en zette er zijn

dolk tusschen, om de schelpen te beletten zich te sluiten; daarop

lichtte hij met de hand het vliesachtig bekleedsel op. dat het

dier omhulde. Daar zag ik tusschen de plooien van het vleesch

een vrije parel, zoo groot als een kokosnoot. Haar ronde vorm,

volmaakte zuiverheid en schoone glans maakten die parel tot een

zeldzame kostbaarheid van onschatbare waarde. Door nieuwsgierigheid

geprikkeld, stak ik de hand uit om haar te grijpen, te betasten, te

wegen! Maar de kapitein hield mij tegen, schudde met het hoofd ten

teeken van afkeuring en trok den dolk snel tusschen de schelpen uit,

die zich onmiddellijk besloten.

Toen begreep ik wat het plan van den kapitein was. Door die parel in

de oester te laten, gaf hij haar de gelegenheid om te groeien. Elk

jaar werd ze grooter door de afscheiding van het dier, dat er telkens

nieuwe lagen omheen legde. De kapitein kende alléén de grot, waar

deze bewonderenswaardige "vrucht" der natuur rijpte; hij kweekte die

om zoo te zeggen aan, om haar eens in zijn kostbare verzameling op

te nemen. Misschien had hij op voorbeeld van Chineezen en Indiërs

die parel doen voortbrengen, door een stukje glas of metaal in de

oester te leggen, dat daar langzamerhand met parelmoerlagen overtogen

was. In allen gevalle, als ik deze parel vergeleek met de mij bekende,

dan moest ik hare waarde op minstens vijf millioen gulden stellen. Het

was een prachtige zeldzaamheid, doch geen voorwerp van weelde; want

welke vrouwelijke ooren hadden haar ooit kunnen dragen?

Ons bezoek aan dit kostbaar voorwerp was geëindigd. De kapitein verliet

de grot en wij beklommen de oesterbank weer te midden van het heldere

water, dat door het werk der duikers nog niet troebel werd gemaakt.

Wij liepen elk afzonderlijk, als ware slenteraars, daar ieder staan

bleef of vooruitging, naarmate hij het in zijn hoofd kreeg. Wat

mij aanging, ik koesterde geen vrees meer voor de gevaren, die mijn

verbeelding zoo bespottelijk overdreven had. De bodem naderde merkbaar

het vlak der zee, en weldra stonden wij in zulk ondiep water, dat

mijn hoofd er boven uitstak. Koenraad kwam naar mij toe, en zijn helm

tegen den mijnen aandrukkende, groette hij mij vriendelijk met zijn

oogen. Deze hoogte was echter maar enkele vademen breed, en weldra

waren wij weer geheel in "ons element" verdwenen. Ik geloof wel dat

ik het nu zoo noemen mag.

Tien minuten daarna hield de kapitein plotseling stil. Ik dacht dat

hij staan bleef om terug te keeren, doch dit was niet het geval, en

met een beweging van de hand beval hij ons naast hem in een holte neer

te hurken; hij wees naar een punt in het water en ik keek oplettend

toe. Op vijf meter afstand verscheen een schaduw, die tot op den

grond daalde. De verontrustende gedachte aan de haaien schoot mij

weer te binnen, doch ik bedroog mij, ditmaal althans hadden wij met

dit zeemonster nog niet te doen.

Het was een man, een Hindoe, een donkerkleurige visscher, zonder

twijfel een arme duivel, die voordat de tijd nog daar was reeds iets

zocht te verdienen. Ik zag de kiel van zijn boot eenige voeten boven

zijn hoofd. Herhaaldelijk dook hij en kwam hij weer boven. Een steen,

in den vorm van een suikerbrood, dien hij tusschen zijn voeten geklemd

hield, was met een touw aan zijn boot bevestigd en diende hem om

spoediger op den bodem te komen; dit was zijn eenig werktuig. Toen hij

vijf meter diep op den bodem was afgedaald, wierp hij zich op de knieën

en vulde een zak met oesters, die hij op goed geluk losrukte: dan ging

hij weer naar boven, ledigde den zak, trok den steen naar zich toe,

en begon zijn werk opnieuw, dat telkens slechts dertig seconden duurde.

De duiker zag ons niet; de schaduw der rots verborg ons voor zijn

oog; en bovendien, hoe zou de arme Hindoe ooit gedroomd hebben dat

menschen, zooals hij, daar onder het water in zijn nabijheid stonden,

al zijn bewegingen bespiedden, en geen enkele bijzonderheid van zijn

visscherij onopgemerkt lieten?

Verscheidene malen daalde en steeg hij; hij bracht telkens niet meer

dan een dozijn oesters naar boven, want hij moest ze met geweld

losscheuren van de rotsbedding, waarop ze met hun sterk weefsel

vastzaten. En hoevele van die oesters, waarvoor hij zijn leven waagde,

waren nog zonder parels!

Ik beschouwde hem met bijzondere aandacht. Hij werkte geregeld

voort en gedurende een half uur scheen hem geen enkel gevaar

te bedreigen. Ik raakte dus reeds gewoon aan het schouwspel dier

belangwekkende visscherij, toen ik den Hindoe, op het oogenblik, dat

hij weer op den grond neerknielde, eensklaps hevig zag schrikken,

opstaan en een sprong doen om weer naar boven te komen. Ik begreep

zijn ontsteltenis. Een reusachtige schaduw vertoonde zich boven den

ongelukkigen duiker; het was een groote haai, die met vurig oog en

geopende kaken dwars op hem aankwam.

Ik was stom van ontzetting en niet in staat mij te bewegen. Het

verslindende dier snelde op den Hindoe toe; deze sprong op zijde en

vermeed daardoor wel den beet van het dier, maar geenszins een slag

met den staart, want hij kreeg een klap tegen de borst en viel op den

grond neer. Dit tooneel duurde nauwelijks eenige seconden. De haai

kwam terug, en zich op den rug wentelend, maakte hij zich gereed om

zijn slachtoffer in tweeën te bijten, toen ik den kapitein, die naast

mij zat, plotseling voelde opstaan. Met den dolk in de hand trad hij

recht op het monster toe en maakte zich gereed om het te bestrijden.

Op het oogenblik dat de haai den ongelukkigen visscher wilde aanvatten,

zag hij zijn nieuwen vijand, en zich weer op den buik wentelend,

zwom hij ijlings naar dezen toe.

Nog zie ik de houding van kapitein Nemo; een weinig ineengebogen,

wachtte hij met bewonderenswaardige koelbloedigheid het vreeselijk

dier af, en toen het zich op hem wilde werpen, sprong de kapitein

verbazend vlug op zijde, vermeed den schok en stak het beest zijn dolk

in den buik. Dit was slechts een begin, want nu ving een ontzettende

strijd aan.

De haai brulde om zoo te zeggen; het bloed stroomde uit zijn wond,

het zeewater werd rood gekleurd, zoodat ik door het ondoorschijnende

der vloeistof bijna niets meer zag. Eindelijk bemerkte ik in een helder

oogenblik den stoutmoedigen kapitein weer, die zich aan een der vinnen

van het dier had vastgeklampt, den buik van het monster met dolksteken

als doorploegde, en hem toch den beslissenden stoot niet in het hart

kon geven. De haai bracht het water door zijn woedende stuiptrekkingen

in hevige beweging, zoodat ik verscheiden malen op het punt stond mijn

evenwicht te verliezen. Ik had den kapitein te hulp willen snellen,

doch van afgrijzen als aan den grond genageld, stond ik bewegingloos.

Ik keek met verwilderd oog; ik zag den strijd van vorm veranderen:

de kapitein werd door het groote gewicht dat op hem drukte, tegen

den grond geworpen; toen openden zich de kaken van het dier op

huiveringwekkende wijze, en het zou met den kapitein gedaan geweest

zijn, als Ned Land niet zoo snel als de gedachte den haai met de punt

van zijn vreeselijken harpoen had getroffen. Het water werd geheel

door bloed gekleurd, en door den haai met onbeschrijfelijke woede in

beweging gebracht. Ned Land had zijn doel niet gemist; het waren de

laatste stuiptrekkingen van het monster, dat in het hart getroffen,

zulke vreeselijke bewegingen maakte, dat Koenraad er door tegen den

grond werd geworpen.

Ned Land richtte ondertusschen den kapitein op, die gelukkig zonder

eenige wond opstond, recht naar den Hindoe ging, het touw doorsneed,

waarmede deze aan den steen gebonden was, hem in zijn armen nam en

hem met een krachtigcn stoot naar de oppervlakte duwde.

Wij volgden hem alle drie, en eenige oogenblikken daarna kwamen wij,

wonderbaarlijk gered, bij de boot van den visscher. De tweede zorg

van den kapitein was, om den ongelukkige weer in het leven te roepen;

ik wist niet of hij daarin slagen zou; ik hoopte het wel, want de

arme duivel had niet lang onder water gelegen; maar de slag met den

staart van het monster kon hem gedood hebben.

Gelukkig zag ik den drenkeling door het krachtig wrijven van den

kapitein en Koenraad langzamerhand het bewustzijn herkrijgen; hij

opende de oogen weder. Hoe groot moeten zijn verbazing en zijn schrik

niet geweest zijn, toen hij vier groote koperen hoofden over zich

heen gebukt zag! En bovenal, wat moest hij wel denken, toen kapitein

Nemo, een zakje met parels te voorschijn halend, hem dit in de hand

drukte? Deze schitterende aalmoes van den waterman werd door den armen

Singalees bevend aangenomen. Zijn verwilderde oogen duidden bovendien

genoegzaam aan, dat hij niet wist aan welke bovenmenschelijke wezens

hij het leven en fortuin tegelijk te danken had.

Op een teeken van den kapitein gingen wij weer naar de oesterbanken,

en den reeds afgelegden weg nogmaals volgende, kwamen wij na een half

uur gaans bij het anker, waaraan de sloep van den Nautilus vastlag.

Toen wij aan boord waren, ontdeden wij ons met behulp der matrozen

van de zware koperen helmen. Het eerste woord van den kapitein was

voor den Amerikaan.

"Ik dank u, Ned Land," zei hij.

"Het is een wederdienst, kapitein," antwoordde deze, "ik was nog bij

u in schuld."

Een glimlach speelde om de bleeke lippen des kapiteins, en dit was

alles. "Naar den Nautilus!" beval hij kortaf.

De sloep vloog over de baren; eenige minuten later ontmoetten wij

het lichaam van den dooden haai.

Aan de zwarte kleur van het uiteinden der vinnen herkende ik er een van

de vreeselijkste soort uit den Indischen Archipel. Het dier was ruim

8 meter lang; de bek besloeg een derde deel van het lichaam. Het beest

was nog jong, zooals men aan de zes rijen tanden zien kon, die in den

vorm van gelijkbeenige driehoeken in de bovenkaak zaten. Koenraad

bekeek het beest met een wetenschappelijke belangstelling, en

ik ben er zeker van dat hij het reeds bij een bijzondere klasse

indeelde. Terwijl ik dat levenlooze lichaam beschouwde, verscheen

er plotseling een dozijn van die vraatzuchtige dieren om onze sloep;

maar zonder zich om ons te bekommeren, wierpen zij zich op het kreng

en betwistten er elkander de brokken van.

Om half negen waren wij weder op den Nautilus; daar overdacht ik

de bijzonderheden van onzen tocht naar de oesterbank van Manaar;

twee opmerkingen kwamen mij als vanzelf voor den geest; ik dacht

vooreerst aan de onvergelijkelijke stoutmoedigheid van kapitein Nemo,

en ten anderen aan zijn opoffering voor een menschelijk wezen, een

der schepsels, wier geslacht hij, door altijd op zee te blijven,

vermeed. Hoe het ook zij, die vreemdsoortige man was er nog niet in

geslaagd zijn hart geheel te verstalen. Toen ik hem die opmerking

maakte, antwoordde hij mij met eenigszins bewogen stem:

"Die Singalees, mijnheer de professor, is een bewoner van het land

der verdrukten, ik behoor en zal tot mijn laatsten ademtocht tot dat

land behooren."

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 5 / 27 题