Een nieuw voorstel van Kapitein Nemo.
Den 28sten Januari, toen de Nautilus om 12 uur weer aan het oppervlak
verscheen, bevonden wij ons op 9° 4' N.B., en hadden acht kilometer
westwaarts land in het gezicht. Eerst zag ik een opeenstapeling van
omstreeks 7000 meter hooge bergen met zeer grillige vormen. Toen
de zonshoogte genomen was, ging ik naar den salon, en zag dat wij,
naar hetgeen op de kaart werd aangeteekend, ons dicht bij Ceylon
bevonden, dat als een parel aan de onderste punt van het Indische
schiereiland hangt.
Ik ging in de bibliotheek, om er een werk over dit eiland te halen,
dat als een van de vruchtbaarste der wereld beschouwd wordt. Ik
vond een bock: Ceylon and the Cingales getiteld. Toen ik in den
salon kwam, keek ik eerst de ligging van Ceylon na, waaraan de ouden
zooveel verschillende namen gegeven hebben; het ligt tusschen 5° 55'
en 9° 49' N.B. en 79° 42' en 82° 5' O.L. van Greenwich; het is 275
kilometer lang, 150 breed en 900 in omtrek; de oppervlakte beslaat
24448 vierkante kilometer, het is dus iets kleiner dan Ierland.
Op dat oogenblik verscheen de kapitein met zijn eersten stuurman. Hij
wierp een blik op de kaart, en keerde zich vervolgens tot mij.
"Het eiland Ceylon," zei hij, "is een land dat beroemd is door de
parelvisscherij. Zoudt gij lust hebben, mijnheer, om een van die
visscherijen te bezoeken?"
"Zonder twijfel, kapitein."
"Goed, dat is gemakkelijk; doch zoo wij al die visscherijen gaan
bekijken, dan zullen wij toch de visschers zelven niet zien; de
jaarlijksche vangst is nog niet begonnen; het doet er evenwel niet
toe; ik zal bevel geven om naar de Golf van Manaar te gaan, waar wij
vermoedelijk van nacht zullen aankomen."
De kapitein sprak eenige woorden tot zijn stuurman, die daarop
aanstonds wegging. Weldra dook de Nautilus weer onder water, en de
manometer wees aan dat zij op tien meter diepte voer.
Ik zocht toen op de kaart naar de Golf van Manaar; ik vond haar op
den negenden parallel, aan de noordwestkust van Ceylon; zij wordt
door Indië en Ceylon ingesloten, en aan de noordzijde begrensd door de
eilandjes Manaar en Rameseram en de daar tusschen liggende rotspunten,
die onder den naam van Adamsbrug bekend zijn. Om deze golf te bereiken,
moest men de geheele westkust van Ceylon langs.
"Men vischt parels, mijnheer de professor," zei de kapitein, "in de
golf van Bengalen, in de Indische zee, in de Chineesche en Japansche
zeeën, langs de kusten van Zuid-Amerika, in de golf van Panama,
en in die van Californië; maar bij Ceylon levert deze visscherij de
meeste voordeelen op; wij komen er zeker wat vroeg, want de visschers
komen niet vóór Maart aan de golf van Manaar bijeen, waar zij zich
dan gedurende dertig dagen met hun driehonderd schuiten bezig houden
om de schatten der zee naar boven te halen. Elke schuit bevat tien
roeiers en evenveel visschers; deze worden in twee groepen verdeeld,
die om beurten tot op een diepte van twaalf meter duiken, terwijl
zij een zwaren steen aan hun beenen hebben hangen, en door middel
van een touw aan de schuit verbonden blijven."
"Derhalve is altijd nog die oude manier in zwang?" vroeg ik.
"Altijd nog," antwoordde kapitein Nemo, "hoewel deze visscherijen
aan het vernuftigste volk der aarde behooren, aan de Engelschen,
wien zij door den vrede van Amiens in 1802 werden afgestaan."
"Ik geloof dat de schaphanders, zooals gij ze gebruikt, bij zulk een
visscherij grooten dienst zouden kunnen bewijzen."
"Ja, want die arme parelvisschers kunnen niet lang onder water
blijven. De Engelschman Perceval spreekt in zijn reis door Ceylon
van een Kaffer, die vijf minuten onder water bleef, doch dit schijnt
mij niet zeer geloofwaardig. Ik weet wel, dat eenige duikers het
57 seconden uithouden, en zeer bekwame zelfs 87, maar dit zijn
uitzonderingen, en als die ongelukkigen weer in de schuit komen,
dan loopt hun het water, met bloed vermengd, uit neus en ooren. Ik
geloof dat dertig seconden de gemiddelde tijd is, dat zij onder
water kunnen blijven, en zij zich haasten om alle pareloesters, die
zij kunnen lostrekken in een netje te steken; maar over het algemeen
worden die visschers niet oud; hun gezicht wordt zwak, zij krijgen
zweren aan de oogen, en wonden over het geheele lichaam, soms zelfs
worden zij onder water door een beroerte getroffen."
"Ja," zei ik, "het is een treurig ambacht, en dat slechts dient om
aan modegrillen te voldoen. Maar zeg mij eens, kapitein, hoeveel
parels kan een schuit per dag wel opvisschen?"
"Veertig tot vijftig duizend. Men zegt zelfs, toen in 1814 de Engelsche
regeering voor eigen rekening liet visschen, de duikers in twintig
dagen 76 millioen oesters naar boven brachten."
"Die visschers worden toch behoorlijk betaald?"
"Zeer slecht, mijnheer de professor; te Panama verdienen zij maar
een rijksdaalder per week. Meestal krijgen zij twee en een halven
cent voor een oester, die parels bevat, en hoeveel zijn er niet,
waar niets inzit!"
"Welk een schandelijke belooning voor menschen die hun meesters rijk
maken! 't Is een gruwel!"
"Dus zult gij met uw makkers," zei kapitein Nemo, "de oesterbank
van Manaar bezoeken, en indien zich daar toevallig eenig voorbarig
visscher ophoudt, zult gij hem aan het werk zien."
"Goed, kapitein."
"Zeg eens, mijnheer Aronnax, zijt gij niet bang voor haaien?"
"Haaien?" vroeg ik. De vraag van den kapitein scheen mij geheel
overbodig.
"Welnu?" hernam kapitein Nemo.
"Ik moet eerlijk bekennen, kapitein, dat ik mij aan die soort visschen
nog niet zoo volkomen gewend heb."
"Wij zijn er aan gewoon," antwoordde de kapitein, "en mettertijd zult
gij het ook zijn. Overigens zijt gij gewapend, en misschien zullen wij
dan onderweg wel op een haai jacht maken; het is een belangwekkende
jacht. Dus tot morgen vroeg, mijnheer."
De kapitein zei dit op lossen toon en verliet den salon.
Als men u uitnoodigde om in de Zwitsersche bergen op de berenjacht
te gaan, zoudt gij zeggen: "Goed, morgen zullen wij op de beren jacht
maken!" Als iemand u een uitnoodiging zond om in de Noord-Afrikaansche
vlakte op leeuwen jacht te maken, zoudt gij antwoorden: "Zoo, het
schijnt dat wij op leeuwen of tijgers gaan jagen!" Maar wanneer men
u op die wijze verzocht, om de haaien in hun natuurlijk element na
te jagen, zoudt gij er misschien nog wel eens over willen nadenken,
voordat gij die uitnoodiging aannaamt.
Wat mij aangaat, ik streek met de hand over het voorhoofd waarop
eenige zweetdroppels kleefden.
"Ik wil eens nadenken," zei ik tot mij zelf, "en mijn tijd er voor
nemen. Om otters in de onderzeesche wouden te jagen, zooals wij bij
het eiland Crespo gedaan hebben, dat gaat nog; maar om onder zee
te wandelen, als men bijna zeker is er haaien te ontmoeten, dat is
iets anders! Ik weet wel dat in sommige streken, bij voorbeeld op
de Andaman-eilanden, de negers niet aarzelen, om met een dolk in de
eene en een netje in de andere hand een haai aan te vallen, maar ik
weet ook, dat velen van hen, die deze vreeselijke dieren aanvallen,
niet levend terugkeeren. Bovendien ben ik geen neger, en al was ik er
een, dan geloof ik dat een aarzeling van mijn zijde wel verschoonbaar
zou zijn."
En ik ging aan het droomen van haaien, die ik mij voorstelde met
groote kaken, met een ruim aantal rijen tanden gewapend, waarmee zij
een mensch wel in tweeën kunnen bijten. Ik voelde reeds wat pijn in
de lenden. En dan kon ik de onverschilligheid niet verduwen, waarmee
de kapitein mij die ellendige uitnoodiging gedaan had. Zou men niet
gezegd hebben dat het niets anders was dan om den vos in zijn bosschen
te gaan opjagen?
"Goed," dacht ik, "Koen zal nooit met mij mee willen gaan, en dat
zal er mij van verschoonen om den kapitein te vergezellen."
Wat Ned Land aangaat, ik beken dat ik mij niet zoo geheel van zijn
voorzichtigheid verzekerd hield. Een gevaar, hoe groot ook, had voor
zijn strijdlustig karakter altijd eenige aantrekkingskracht.
Ik begon weer in het boek van Sirr te lezen, maar ik doorbladerde het
slechts werktuigelijk; tusschen de regels in zag ik de vreeselijke
geopende kaken.
Op dat oogenblik kwamen Koenraad en de Amerikaan binnen met een kalm
en zelfs vroolijk gelaat; zij wisten ook niet wat hun wachtte.
"Jongens, mijnheer," zei Ned Land, "uw kapitein Nemo, de duivel hale
hem! heeft ons een zeer aardige uitnoodiging gedaan." "O, zoo," zei ik,
"gij weet dus...."
"Als mijnheer het niet kwalijk neemt," antwoordde Koenraad,
"de kapitein van den Nautilus heeft ons uitgenoodigd om morgen,
in mijnheers gezelschap, de prachtige parelvisscherij van Ceylon te
bezoeken. Hij heeft dit zoo beleefd mogelijk gedaan."
"Heeft hij u niets meer gezegd?"
"Niets, mijnheer," antwoordde de Amerikaan, "dan alleen dit dat hij
u ook over die wandeling gesproken had."
"Juist." zei ik, "en heeft hij u geen enkele bijzonderheid medegedeeld
over...?"
"Niets, mijnheer. Gij gaat toch mee, niet waar?"
"Ik.... zonder twijfel. Ik zie dat gij er veel lust in hebt, Ned."
"O veel, zeer veel."
"Het is misschien gevaarlijk," voegde ik er op beteekenisvollen
toon bij.
"Gevaarlijk?" vroeg Ned Land; "en dat een wandelingetje naar een
oesterbank!"
De kapitein had het dus zeker onnoodig gevonden, om bij mijn makkers
het denkbeeld aan haaien op te wekken. Ik keek hen in verwarring
aan, alsof zij reeds een van hunne ledematen misten. Moest ik hen
waarschuwen? Ja zeker, maar ik wist niet goed hoe ik dit zou aanleggen.
"Mijnheer," zei Koenraad, "zal ons zeker wel eenige bijzonderheden
van de parelvisscherij willen mededeelen?"
"Over de visscherij zelf," vroeg ik, "of over de ongelukken die...."
"Over de visscherij," antwoordde Ned Land. "Het is goed het terrein
te kennen vóór men er zich op waagt."
"Welnu, gaat dan zitten, vrienden, en ik zal u alles meedeelen wat
het boek van Sirr er mij zelf van geleerd heeft."
Ned en Koen namen plaats op een rustbank, waarna de eerste mij vroeg:
"Mijnheer, wat is een parel?"
"De parel," antwoordde ik, "is voor den dichter een traan der zee,
voor de Oosterlingen een hard geworden dauwdruppel, voor de vrouwen
een kostbaarheid van langwerpigen vorm, met glasachtig uiterlijk en
van een parelmoerachtige stof, welke zij aan vingers, hals of ooren
dragen, voor een scheikundige is ze een verbinding van phosphorzure
en koolzure kalk, met een weinig gelatine, en eindelijk voor de
natuuronderzoekers een eenvoudige ziekelijke afscheiding van het
orgaan, dat bij zekere schelpdieren het parelmoer doet geboren worden."
"Familie der weekdieren, klasse der koploozen, orde der schaaldieren,"
mompelde Koenraad.
"Juist, geleerde Koen. Al de schaaldieren, die het parelmoer,
namelijk die blauwe of blauwachtige, violette of witte stof, welke
het binnenste der schelp bekleedt, afscheiden, zijn geschikt om parels
voort te brengen."
"De mossels ook?" vroeg de Amerikaan.
"Ja, de mossels uit zekere streken van Schotland, Wales, Ierland,
Saksen, Bohemen en Frankrijk."
"Goed, dan zal ik er voortaan op letten," antwoordde de Amerikaan.
"Maar," hernam ik, "het weekdier dat bij voorkeur de parel afscheidt,
is de pareloester, de kostbare pintadine. De parel is niets anders
dan een samentrekking van parelmoer, dat een bolvormige gedaante
aanneemt. Zij hecht zich aan de schelp vast of zit verborgen in de
plooien van het dierlijk lichaam. Op de schelp zit de parel altijd
vast, doch in het vleesch is zij los. De kern is reeds een klein hard
lichaam, hetzij een onvruchtbaar eitje of een zandkorrel, waarom zich
jaren lang de parelmoerachtige stof afscheidt."
"Vindt men meer dan één parel in denzelfden oester?" vroeg Koenraad.
"Ja, mijn jongen. Er zijn er die een schat inhouden; men vermeldt
zelfs een oester, doch ik twijfel er aan, die niet minder dan honderd
vijftig haaien bevatte."
"Honderd vijftig haaien!"
"Zei ik haaien?" vroeg ik driftig, "ik wil zeggen honderd vijftig
parels; haaien zou bespottelijk zijn."
"Zeker," zei Koenraad. "Maar kan mijnheer ons ook vertellen hoe men
die parels uit de schelp haalt?"
"Men doet dit op verschillende wijzen, en dikwijls trekken de
visschers ze met tangen uit de schelp, als de parels er aan vast
zitten. Gewoonlijk echter worden de oesters uitgespreid op matten van
Spaansch riet, die men op het strand heeft uitgelegd. Zoo sterven zij
in de lucht, en na een tiental dagen zijn zij in vrij ver gevorderden
staat van ontbinding gekomen; dan werpt men ze in groote bakken met
zeewater, waarin men ze opent en wascht. Dan begint het dubbele werk
der schilders: eerst splijten zij de platten parelmoer uit de schelp,
welke in kisten van 125 tot 150 kilo verzonden worden; dan nemen zij
het diertje uit den oester, koken dat en ziften het, om er zelfs de
kleinste parels uit te halen."
"Verschilt de prijs der parels ook volgens de grootte?" vroeg Koenraad.
"Niet alleen volgens de grootte," antwoordde ik, "maar ook volgens
den vorm, volgens het water, dat is te zeggen de kleur, en naar den
schitterenden en veelkleurigen glans, die ze zoo schoon voor het oog
maakt. De schoonste parels worden maagdelijke genoemd; zij ontstaan
op zich zelven in de weefsels van het weekdier; zij zijn wit, soms
ondoorschijnend, maar soms ook wel doorschijnend en gewoonlijk rond of
langwerpig van vorm. In het eerste geval worden er armbanden, in het
tweede geval oorbellen van gemaakt en daar zij de kostbaarste zijn,
worden zij bij het stuk verkocht. De andere parels zitten aan de
schelp vast, en omdat zij onregelmatiger zijn, worden deze bij het
gewicht verkocht. Tot de minste soort behooren eindelijk de kleine
parels, die onder den naam van zaad bekend zijn, zij worden bij de
maat verkocht en gewoonlijk voor borduurwerk gebruikt."
"Maar het moet een langdradig en moeilijk werk zijn," zei de Amerikaan,
"om de parels volgens grootte uit te zoeken."
"Neen, mijn vriend. Dit geschiedt door middel van elf verschillende
zeven, die met een afwisselend aantal gaatjes doorboord zijn. De
parels, die in de zeven met 20 tot 25 gaatjes blijven liggen, zijn de
beste. Tot de tweede soort behooren die, welke niet gaan door zeven,
waarin 100 tot 800 gaatjes geboord zijn; het zaad eindelijk wordt
verkregen door zeven met 900 tot 1000 gaatjes."
"Dat is vernuftig," zei Koenraad, "en ik zie dus dat het uitzoeken
der parels werktuiglijk geschiedt. Zou mijnheer ons ook kunnen zeggen
wat die pareloesterbanken gewoonlijk opbrengen?"
"Volgens het boek van Sirr," antwoordde ik, "worden de visscherijen van
Ceylon jaarlijks voor een som van anderhalf millioen haaien verpacht."
"Gulden!" hernam Koenraad.
"O, ja, gulden; anderhalf millioen gulden," hernam ik; "maar ik
geloof niet dat die visscherijen thans zooveel meer opbrengen als
vroeger. Het is hetzelfde geval met de Amerikaansche visscherijen
die onder de regeering van Karel den Vijfde twee millioen gulden
opbrachten, en thans slechts twee derde van die som opleveren. Om
kort te gaan, men kan de opbrengst van alle parelvisscherijen bij
elkander op omstreeks vier en een half millioen gulden schatten."
"Maar," vroeg Koenraad, "wordt er nergens melding gemaakt van beroemde
parels, die voor zeer hoogen prijs verhandeld werden?"
"Jawel, mijn vriend. Men zegt dat Caesar aan Servilia een parel
aanbood, die een waarde had van 60,000 gulden."
"Ik heb zelfs eens hooren vertellen," zei de Amerikaan, "dat in de
oudheid een dame parels dronk opgelost in azijn."
"Cleopatra," zei Koenraad.
"Dat smaakte vast niet lekker," voegde Ned Land er bij.
"Afschuwelijk, vriend Ned," antwoordde Koenraad, "maar een klein
glaasje azijn dat f 750.000 kost, is nog al aardig."
"Het spijt mij dat ik die dame niet tot vrouw heb," sprak de Amerikaan,
terwijl hij zijn arm op weinig dubbelzinnige wijze heen en weer bewoog.
"Ned Land.... de man van Cleopatra!" riep Koenraad uit.
"Maar ik had moeten trouwen, Koen," zei Ned ernstig, "en het is mijn
schuld niet dat het niet is gebeurd. Ik had al een halssnoer van parels
voor Kaatje Teeder, mijn bruid, gekocht, doch zij is daarna toch met
een ander getrouwd. Welnu, dat halssnoer had mij niet meer dan twee
dollars gekost, en toch--mijnheer de professor zal mij misschien niet
willen gelooven,--die parels waren zoo groot, dat ze door geen zeef
met twintig gaten zouden zijn heengegaan."
"Dat waren nagemaakte parels, mijn goede Ned," zei ik lachende,
"eenvoudige glazen bolletjes, van binnen met een Oostersche oplossing
overtogen."
"Maar die oplossing moet dan toch nog al wat kosten?" vroeg Ned.
"Zoo goed als niets; het is niets anders dan de zilveren schubben
der blei, in water bewaard en in ammoniak opgelost; het heeft niet
de minste waarde."
"Daarom heeft Kaatje misschien een ander getrouwd," antwoordde Ned
Land zeer wijsgeerig.
"Maar," zei ik, "om op onze kostbare parels terug te komen, ik geloof
niet dat eenig vorst er ooit zulk een kostbare bezeten heeft als
kapitein Nemo."
"Deze?" vroeg Koenraad, terwijl hij op het prachtig kleinood in de
glazenkast wees.
"Ja, en ik geloof niet dat ik mij bedrieg, als ik die parel op een
millioen gulden schat; en zonder twijfel heeft de kapitein er alleen
de moeite voor gedaan om ze op te rapen."
"Wie zegt ons," riep Ned Land uit, "dat wij er morgen op onze
wandeling, ook niet zulk een zullen vinden?"
"Kom!" zei Koenraad.
"Waarom niet?"
"Waartoe zouden ons zulke schatten aan boord van den Nautilus dienen?"
"Aan boord nergens toe," zei Ned, "maar.... elders."
"O, elders!" zei Koenraad hoofdschuddend.
"Ned Land heeft gelijk," zei ik; "en zoo wij in Europa of Amerika
ooit een parel van een of twee millioen medebrengen, dan zal dit ten
minste groot gewicht en meer waarschijnlijkheid aan het verhaal onzer
lotgevallen geven."
"Dat geloof ik ook," zei de Amerikaan.
"Maar," vroeg Koenraad, die altijd meer van die dingen wilde weten,
"is die parelvisscherij gevaarlijk?"
"Neen," antwoordde ik, "vooral wanneer men zekere voorzorgsmaatregelen
neemt."
"Wat waagt men daarbij?" schertste Ned Land; "alléén om eenige monden
vol water in te slikken."'
"Zooals gij zegt, Ned. Maar," voegde ik er bij, terwijl ik trachtte om
op denzelfden vroolijken toon te spreken als kapitein Nemo, "zeg eens,
dappere Ned, ben je bang voor haaien?"
"Ik," riep de Amerikaan, "en harpoenier van professie! Het is mijn
ambacht om die uit te lachen!"
"Het is de vraag niet," hernam ik, "om ze met een haak te vangen,
ze op het dek te hijschen, den staart met een bijl af te hakken, ze
den buik open te snijden, het hart en de ingewanden er uit te halen,
en die in zee te smijten!"
"Wat is het dan....?"
"Juist."
"Wat, juist? In het water?"
"In het water."
"Kom, kom," zei Ned Land, "met een flinken harpoen. Gij weet,
mijnheer, dat die beesten al heel wonderlijk gevormd zijn. Ze moeten
zich eerst op hun rug keeren, voordat ze u kunnen ophappen.... en in
dien tijd...."
Ned Land sprak van dat "ophappen" op een manier, die mij een rilling
over het lijf joeg.
"Welnu, Koen, wat denkt gij van de haaien?"
"Ik," zei Koenraad, "zal openhartig spreken."
"Goed!" dacht ik.
"Als mijnheer het waagt, dan zie ik niet in waarom zijn trouwe knecht
het ook niet zou doen."