De Indische Oceaan.
Thans begint het tweede gedeelte mijner onderzeesche reis. Het eerste
eindigt met het aangrijpend tooneel op het kerkhof, dat zulk een diepen
indruk op mijn geest maakte. Zoo ging dus het leven van kapitein
Nemo in die onmetelijke zee voorbij, en zelfs had hij zich een graf
bereid in den ontoegankelijken afgrond. Daar zou zelfs geen enkel
zeemonster den laatsten slaap storen van de mannen van den Nautilus,
van de vrienden, die zoowel in het leven als in den dood innig aan
elkander verbonden waren! "zelfs buiten het bereik der menschen,"
had de kapitein er bijgevoegd! Altijd dat vreeselijk, onverzoenlijk
wantrouwen jegens de menschelijke maatschappij!
Ik voor mij vergenoegde mij niet meer met de door Koenraad gemaakte
veronderstellingen. De brave jongen zag in den gezagvoerder van den
Nautilus slechts een van die miskende geleerden, die de menschheid
enkel met verachting voor haar onverschilligheid betalen. Hij
beschouwde hem nog als een onbegrepen vernuft, dat het bedrog der
wereld moede, naar die ontoegankelijke oorden gevlucht was, waar
zijn vernuft vrije speling had. Volgens mijn meening verklaarde die
veronderstelling slechts één van Nemo's karaktertrekken.
Ik meende evenwel andere reden voor zijn gedrag en zijn karakter
te vinden in het geheimzinnige van den laatsten nacht, toen wij
in onze gevangenis door slaap overmand lagen, in zijn zoo driftig
genomen voorzorg om mij den kijker voor het oog weg te rukken,
omdat ik den gezichteinder wilde onderzoeken, in de doodelijke
wond van dien matroos, door een onverklaarbaren schok van den
Nautilus veroorzaakt. Neen, kapitein Nemo ontvluchtte niet alleen
de menschen! Zijn vreeselijk vaartuig diende niet alleen om hem
geheel onafhankelijk te maken, maar misschien ook om--ik weet niet
welke--verschrikkelijke wraak uit te oefenen.
Op dit oogenblik is mij alles nog niet recht duidelijk; ik zie in
deze duisternis maar enkele flikkeringen; en ik moet mij tevreden
stellen met het opschrijven mijner denkbeelden onder den indruk der
verschillende gebeurtenissen.
Bovendien bindt ons niets aan kapitein Nemo. Hij weet dat wij den
Nautilus onmogelijk kunnen ontvluchten. Wij zijn zelfs niet op ons
woord van eer gevangen. Geen belofte bindt ons aan hem. Wij zijn
slechts gevangenen, die onder den schijn van beleefdheid als gasten
behandeld worden. Ned Land heeft echter de hoop niet opgegeven om de
vrijheid terug te krijgen. Zeker zal hij gebruik maken van de eerste
gelegenheid de beste, die het toeval hem aanbiedt. Zonder twijfel zal
ik zijn voorbeeld volgen. En toch zal ik niet zonder eenig leedwezen
datgene met mij nemen, wat de edelmoedigheid van den kapitein ons
van de geheimen van den Nautilus heeft laten doorgronden. Moet ik
dien man haten of bewonderen? Is hij slachtoffer of beul? En dan
zou ik, om openhartig te spreken, vóór ik hem verliet, gaarne die
onderzeesche reis om de aarde volbrengen, waarvan het begin zoo
schoon is geweest. Ik zou gaarne al de wonderen aanschouwen, die de
wereldzeeën voor ons verborgen houden. Ik zou willen gezien hebben
wat niemand nog heeft aanschouwd, zelfs al moest ik met mijn leven
dien onleschbaren dorst naar kennis betalen! Wat heb ik tot nog
toe ontdekt? Niets of bijna niets, want wij hebben nog maar 24000
kilometer door den Grooten Oceaan afgelegd!
Echter weet ik wel dat de Nautilus het bewoonde land nadert, en dat,
als zich eenige kans op ontvluchten voordoet, het wreed zou zijn mijn
makkers aan mijn zucht naar het onbekende op te offeren. Ik zal hen
moeten volgen, misschien zelfs wel geleiden.
Maar zal die gelegenheid zich ooit voordoen? De mensch, die door
geweld van vrijen wil beroofd is, verlangt dit wel, doch de geleerde,
de weetgierige vreest het.
Dien dag, 21 Januari 1868, kwam de eerste stuurman om twaalf uur
zonshoogte nemen. Ik ging op het plat, stak een sigaar op, en volgde
zijn berekening. Het kwam mij als vrij zeker voor, dat die man geen
Fransch verstond, want ik maakte verscheiden malen luide eenige
aanmerkingen, die onwillekeurig zijn aandacht hadden moeten trekken,
als hij ze begrepen had, doch hij bleef ongevoelig en deed er het
zwijgen toe.
Terwijl hij met den sextant bezig was, kwam een der matrozen, dezelfde
stevige zeebonk, die ons op onzen eersten onderzeeschen tocht bij het
eiland Crespo vergezeld had, de glazen van de lantaarn schoonmaken. Ik
beschouwde toen zeer nauwkeurig de inrichting van dit werktuig,
welks werking vierhonderdvoudigd werd door ringvormige lenzen,
die evenals de glazen op vuurtorens gesteld waren, en daardoor het
licht in de vereischte richting deden schijnen. De electrische lamp
was zoodanig ingericht, dat zij zoo krachtig mogelijk werkte. Het
licht toch schitterde in het luchtledige, waardoor tegelijkertijd
regelmatigheid en helderheid bevorderd werd; bovendien werden daardoor
de koolspitsen gespaard, waartusschen zich de lichtstraal vertoonde;
dit was voor den kapitein een belangrijke zuinigheidsmaatregel, daar
hij die stukken graphiet niet gemakkelijk had kunnen vernieuwen. Onder
deze omstandigheden echter sleten ze bijna in het geheel niet.
Toen de Nautilus op het punt was den tocht onder zee te volgen, ging
ik naar den salon. Het luik werd gesloten, en onze richting was recht
naar het Westen.
Wij doorkliefden toen de golven van den Indischen Oceaan, die een
oppervlakte van 550 millioen hectaren beslaat, en wiens water zoo
helder is, dat men er duizelig van wordt, als men daarin neerkijkt. De
Nautilus dreef gewoonlijk tusschen honderd en tweehonderd meter
diepte. Dit duurde zoo eenige dagen. Voor iemand, die niet zooals ik
ontzaglijk veel van de zee hield, zouden de uren langzaam en eentonig
zijn voorbijgegaan; maar die dagelijksche wandelingen op het plat, waar
wij de verfrisschende lucht van den Oceaan inademden, het schouwspel
van de rijkbevolkte zee door het glas van den salon, het lezen van
boeken uit de bibliotheek, het aanhouden van mijn dagboek, dat alles
hield mij steeds bezig, en liet mij geen oogenblik verveling gevoelen.
Onze gezondheid bleef zeer goed. De leefregel aan boord beviel mij
wel, en ik voor mij zou aan Ned Land gaarne al die veranderingen
geschonken hebben, die hij bij wijze van verzet dagelijks op onze
spijskaart verzon. Bovendien behoefden wij in al die gelijkmatige
temperatuur zelfs geen verkoudheid te vreezen.
Gedurende verscheidene dagen zagen wij een groote menigte zeevogels,
een soort van meeuwen. Eenige er van werden zeer behendig gedood,
en leverden, goed klaar gemaakt, ons een voortreffelijk waterwild
op. Onder de grootste vogels, die zich ver van liet land wagen,
en als zij te moe zijn om te vliegen op het water uitrusten, zag ik
prachtige albatrossen, die een leelijk geschreeuw doen hooren, dat veel
heeft van het balken van een ezel. Ook zag ik vlugge fregatvogels,
die snel de visschen uit het water ophaalden, en een groot aantal
schoone zeeduiven, wier witte met rozenrood getinte vederen het
gitzwart der vleugels des te beter deden uitkomen.
De netten van den Nautilus haalden verscheiden soorten van
zeeschildpadden op, wier schaal voor zeer kostbaar wordt gehouden. Die
kruipende dieren duiken gemakkelijk onder water, en kunnen lang onder
blijven, als zij de vleezige klep maar sluiten, welke zij aan het
einde van den neus hebben. Sommige van die dieren sliepen nog toen
men ze ving, en waren in hun schild gedoken om daardoor veilig te
zijn tegen andere zeedieren. Hun vleesch smaakte over het algemeen
slechts middelmatig, doch de eieren waren een uitgezochte lekkernij.
De visschen wekten voortdurend onze bewondering, als wij de geheimen
van hun leven door de geopende wanden van den salon bespiedden. Ik
zag verscheiden soorten, die ik tot nog toe niet had opgemerkt.
Van 21 tot 23 Januari liep de Nautilus met een vaart van tweeen
twintig kilometer. Indien wij de onderscheiden soorten van visschen
goed konden waarnemen, was dit, omdat zij door het electrisch licht
aangetrokken, ons zochten bij te houden. De meesten bleven achter,
sommigen echter bleven geruimen tijd in ons zog.
Den 24sten 's morgens zagen wij op 12° 5' Z.B. en 94° 33' O.L. het
koraleneiland Keeling, waarop prachtige kokospalmen groeiden, en dat
door Darwin en kapitein Fits-Roy bezocht werd. De Nautilus ging op
kleinen afstand dit onbewoonde eiland voorbij. Onze netten haalden
onderscheiden soorten van poliepen, stekelhuidige en schelpdieren op,
waarvan enkele de kostbare verzameling van kapitein Nemo verrijkten.
Weldra verdween het eiland aan den gezichteinder, en het vaartuig
richtte zich naar het noordwesten, naar het Indische schiereiland.
"Bewoond land," zei mij Ned Land, "is beter dan die eilandjes
van Australië, waar men meer wilden dan reebokken ziet. Daar in
Indië, mijnheer, zijn straat- en spoorwegen, Engelsche, Fransche
en Hindoesteden. Men behoeft geen vijf kilometer te loopen om een
landgenoot te ontmoeten. Zeg eens, zou het oogenblik niet gekomen
zijn om bakzeil te trekken?"
"Neen, Ned, neen," antwoordde ik op stelligen toon. "Laat ons meevaren;
de Nautilus nadert het bewoonde land; zij zal ook naar Europa gaan,
laat hij ons daarheen brengen. Als wij eens in onze zeeën zijn gekomen,
zullen wij zien wat de voorzichtigheid ons zal aanraden. Overigens
geloof ik niet dat kapitein Nemo ons zal toestaan om op de kust
van Malabar of Coromandel te gaan jagen, zooals in de bosschen van
Nieuw-Guinea."
"Welnu, mijnheer, kan men dit niet zonder zijn vergunning doen?"
Ik antwoordde niet, omdat ik met den Amerikaan niet wilde
redetwisten. Eigenlijk verlangde ik vurig om ten einde toe al datgene
te genieten, wat het lot mij wilde schenken, toen het mij aan boord
van den Nautilus gebracht had.
Van het eiland Keeling af begonnen wij minder snel te loopen;
de gang van het vaartuig was veel grilliger, daar wij soms tot op
groote diepten afdaalden. Wij gingen zóó tot op een diepte van twee
of drie kilometer, zonder ooit te onderzoeken, hoe diep die Indische
zee wel was, welker bodem een schietlood van dertien kilometer lengte
niet had kunnen bereiken. Wat de temperatuur dier diepten aangaat,
deze was volgens den thermometer altijd onveranderd vier graden boven
nul. Alléén merkte ik op, dat het water op minder diepen bodem altijd
kouder was.
Den 25sten Januari was de zee geheel verlaten; de Nautilus
dreef den ganschen dag aan de oppervlakte en joeg het water met
zijn krachtige schroef eenige voeten omhoog. Wie zou het vaartuig
onderzulke omstandigheden niet voor een reusachtige zeemonster hebben
gehouden? Ik bracht drie vierde van dien dag door op het plat, om de
zee te beschouwen. Ik zag niets aan den gezichteinder, behalve tegen
vier uur in den middag, toen ik een groote stoomboot in westelijke
richting zag voortstoomen. Een oogenblik kon ik de masten zien,
doch men kon aan boord van die boot den Nautilus niet gewaar worden,
omdat hij bijna gelijk met het water dreef. Ik dacht dat deze boot aan
de Peninsular and Oriental Company behoorde, die den dienst verricht
tusschen Ceylon en Sidney, en Melbourne aandoet.
Tegen vijf uur 's avonds, even vóór de korte schemering, die in de
keerkringsstreken dag en nacht bijna onmiddellijk op elkander doet
volgen, werden Koenraad en ik door een zonderling schouwspel getroffen.
Er bestaat een bevallig diertje, dat volgens de ouden het geluk
voorspelde: Aristoteles, Athenacus, Plinius en Oppianus hadden
het beestje nauwkeurig bekeken en daarvoor al de dichterlijke
beschrijvingen van de Grieksche en Romeinsche geleerden opgehaald;
zij gaven er de namen aan van Nautilus en Pompilus; maar de nieuwere
wetenschap heeft deze benaming niet behouden, want dit weekdier is
thans bekend onder den naam van "Argonaut".
Welnu, het was een troep van die Argonauten, die op dat oogenblik op
de zee zwommen, wij telden er verscheiden honderden; deze bevallige
weekdieren zwommen achteruit door middel van een pijp, die hen in
beweging brengt, en waardoor zij het water, dat zij bij de ademhaling
binnen krijgen, weeruitspuiten. Van hun acht voelarmen dreven er zes,
die zeer lang en dun waren, op het water; terwijl de beide anderen,
die aan de einden omgekruld waren, overeind stonden, en dienst deden
als kleine zeilen. Ik zag duidelijk hun spieraalvormige schelp, door
Cuvier bij een netgevormde sloep vergeleken; het was inderdaad een
schuitje, dat het dier draagt en het heeft afgescheiden, zonder dat
het er aan vast is gehecht.
"De Argonaut kan zijn schelp verlaten," zei ik tot Koenraad, "maar
hij verlaat ze nooit."
"Dan doet hij net als kapitein Nemo," antwoordde Koenraad, "daarom
zou hij zijn vaartuig liever 'Argonaut' hebben moeten noemen."
Gedurende een uur dreef de Nautilus te midden van die weekdieren, toen
werden deze plotseling door ik weet niet welken schrik bevangen. Als
op een gegeven teeken gingen de zeiltjes naar beneden, de voelarmen
werden ingetrokken, het lichaam kromp samen, de schelpen keerden om,
veranderden daardoor haar zwaartepunt en verdwenen plotseling onder
de golven. Het was het werk van een oogenblik; nimmer manoeuvreerden
de schepen van een vloot met meer juistheid.
Op dat oogenblik viel de duisternis plotseling in, en de zee, tot
nog toe nauwelijks door een windje bewogen, begon haar golven over
den Nautilus te werpen.
Den volgenden dag, 26 Januari, passeerden wij op den 28sten
meridiaan den evenaar, en kwamen daardoor wederom in het noordelijk
halfrond. Dien dag werden wij omringd door een grooten troep haaien,
vreeselijke dieren, waarvan deze zee wemelt, en die haar zeer
gevaarlijk maken. Het waren haaien met bruinen rug en witten buik,
met elf rijen tanden, zoogenaamde ooghaaien met een groote vlek
op den hals, waaromheen een kring loopt, die haar op een oog doet
gelijken, en Isabellahaaien met ronden snuit en bezaaid met donkere
vlekken. Dikwijls stieten deze sterke dieren tegen het glas van den
salon met een kracht, die ons vrij ongerust maakte. Ned Land was zich
zelve dan niet meer meester. Hij wilde weer naar de oppervlakte om die
monsters te harpoenen, die hem met bijzondere hardnekkigheid schenen
uit te dagen. Maar de Nautilus verdubbelde weldra hare snelheid en
liet de vlugste van die zeemonsters verre achter zich.
Den 27sten Januari zagen wij aan den ingang der golf van Bengalen
verscheidene malen lijken, die aan de oppervlakte dreven; het waren
lijken uit de Indische steden, door den Ganges naar zee gestuwd, en
die door de gieren nog niet geheel verslonden waren. Maar de haaien
ontbraken niet om die aasvogels in hun noodlottig werk bij te staan.
Tegen zeven uur 's avonds voer de Nautilus halfweg onder water door een
melkzee; zoover het oog reikte scheen de Oceaan melkwit. Was dit ten
gevolge van het schijnsel der maan? Neen, want de maan, die slechts
twee dagen oud was, gaf nog niet veel schijn van zich, en was op dat
oogenblik bovendien nog onder den gezichteinder verborgen.
De hemel, hoewel vol heldere sterren, scheen zwart in vergelijking
van het stille water.
Koenraad kon zijn oogen niet gelooven, en vroeg mij wat de oorzaak
van dit zonderling verschijnsel zijn kon. Gelukkig kon ik hem van
antwoord dienen.
"Dit noemt men een melkzee," zei ik, "een groote uitgestrektheid van
witte golven, zooals men dikwijls bij de kusten van Amboina en in
deze streken ziet."
"Maar kan mijnheer mij zeggen," vroeg Koenraad, "waardoor dit
verschijnsel ontstaat? Want ik veronderstel toch dat het water niet
in melk veranderd is."
"Neen, mijn jongen, en deze witheid, die je verwondert, ontstaat
slechts door millioenen infusiediertjes, een soort van glimwormen, die
er kleurloos en geelachtig uitzien: zij zijn niet dikker dan een haar,
en maar een vijfde millimeter lang; eenige van die diertjes hangen,
verscheidene kilometers lang aan elkander."
"Verscheiden kilometers!" riep Koenraad.
"Ja, vriend, en tracht nu maar niet om dan het aantal dier schepseltjes
te berekenen. Je zoudt er niet in slagen, want als ik me niet bedrieg,
hebben enkele zeevaarders we! eens veertig kilometer lang door zulk
een melkzee gevaren."
Ik weet niet of Koenraad mijn raad ter harte nam, maar hij scheen diep
in gedachten verzonken, omdat hij vast eens wilde uitrekenen, hoeveel
vijfde millimeters er op een lengte van veertig kilometer begrepen
zijn. Ik bleef het verschijnsel beschouwen. De Nautilus doorkliefde
gedurende verscheiden uren deze witte golven; en ik merkte op dat
hij zonder eenig geruisch door dit op zeepsop gelijkend water voer,
als ware het schuim, dat de in verschillende richting stroomende
golven dikwijls in de een of andere baai doen ontstaan.
Tegen middernacht herkreeg de zee plotseling haar gewone kleur maar
achter ons tot aan den gezichteinder weerkaatste de hemel de witte
kleur der golven en bleef nog lang den schijn dragen alsof een zwak
noorderlicht haar verlichtte.