HOOFDSTUK XXV

De Indische Oceaan.

Thans begint het tweede gedeelte mijner onderzeesche reis. Het eerste

eindigt met het aangrijpend tooneel op het kerkhof, dat zulk een diepen

indruk op mijn geest maakte. Zoo ging dus het leven van kapitein

Nemo in die onmetelijke zee voorbij, en zelfs had hij zich een graf

bereid in den ontoegankelijken afgrond. Daar zou zelfs geen enkel

zeemonster den laatsten slaap storen van de mannen van den Nautilus,

van de vrienden, die zoowel in het leven als in den dood innig aan

elkander verbonden waren! "zelfs buiten het bereik der menschen,"

had de kapitein er bijgevoegd! Altijd dat vreeselijk, onverzoenlijk

wantrouwen jegens de menschelijke maatschappij!

Ik voor mij vergenoegde mij niet meer met de door Koenraad gemaakte

veronderstellingen. De brave jongen zag in den gezagvoerder van den

Nautilus slechts een van die miskende geleerden, die de menschheid

enkel met verachting voor haar onverschilligheid betalen. Hij

beschouwde hem nog als een onbegrepen vernuft, dat het bedrog der

wereld moede, naar die ontoegankelijke oorden gevlucht was, waar

zijn vernuft vrije speling had. Volgens mijn meening verklaarde die

veronderstelling slechts één van Nemo's karaktertrekken.

Ik meende evenwel andere reden voor zijn gedrag en zijn karakter

te vinden in het geheimzinnige van den laatsten nacht, toen wij

in onze gevangenis door slaap overmand lagen, in zijn zoo driftig

genomen voorzorg om mij den kijker voor het oog weg te rukken,

omdat ik den gezichteinder wilde onderzoeken, in de doodelijke

wond van dien matroos, door een onverklaarbaren schok van den

Nautilus veroorzaakt. Neen, kapitein Nemo ontvluchtte niet alleen

de menschen! Zijn vreeselijk vaartuig diende niet alleen om hem

geheel onafhankelijk te maken, maar misschien ook om--ik weet niet

welke--verschrikkelijke wraak uit te oefenen.

Op dit oogenblik is mij alles nog niet recht duidelijk; ik zie in

deze duisternis maar enkele flikkeringen; en ik moet mij tevreden

stellen met het opschrijven mijner denkbeelden onder den indruk der

verschillende gebeurtenissen.

Bovendien bindt ons niets aan kapitein Nemo. Hij weet dat wij den

Nautilus onmogelijk kunnen ontvluchten. Wij zijn zelfs niet op ons

woord van eer gevangen. Geen belofte bindt ons aan hem. Wij zijn

slechts gevangenen, die onder den schijn van beleefdheid als gasten

behandeld worden. Ned Land heeft echter de hoop niet opgegeven om de

vrijheid terug te krijgen. Zeker zal hij gebruik maken van de eerste

gelegenheid de beste, die het toeval hem aanbiedt. Zonder twijfel zal

ik zijn voorbeeld volgen. En toch zal ik niet zonder eenig leedwezen

datgene met mij nemen, wat de edelmoedigheid van den kapitein ons

van de geheimen van den Nautilus heeft laten doorgronden. Moet ik

dien man haten of bewonderen? Is hij slachtoffer of beul? En dan

zou ik, om openhartig te spreken, vóór ik hem verliet, gaarne die

onderzeesche reis om de aarde volbrengen, waarvan het begin zoo

schoon is geweest. Ik zou gaarne al de wonderen aanschouwen, die de

wereldzeeën voor ons verborgen houden. Ik zou willen gezien hebben

wat niemand nog heeft aanschouwd, zelfs al moest ik met mijn leven

dien onleschbaren dorst naar kennis betalen! Wat heb ik tot nog

toe ontdekt? Niets of bijna niets, want wij hebben nog maar 24000

kilometer door den Grooten Oceaan afgelegd!

Echter weet ik wel dat de Nautilus het bewoonde land nadert, en dat,

als zich eenige kans op ontvluchten voordoet, het wreed zou zijn mijn

makkers aan mijn zucht naar het onbekende op te offeren. Ik zal hen

moeten volgen, misschien zelfs wel geleiden.

Maar zal die gelegenheid zich ooit voordoen? De mensch, die door

geweld van vrijen wil beroofd is, verlangt dit wel, doch de geleerde,

de weetgierige vreest het.

Dien dag, 21 Januari 1868, kwam de eerste stuurman om twaalf uur

zonshoogte nemen. Ik ging op het plat, stak een sigaar op, en volgde

zijn berekening. Het kwam mij als vrij zeker voor, dat die man geen

Fransch verstond, want ik maakte verscheiden malen luide eenige

aanmerkingen, die onwillekeurig zijn aandacht hadden moeten trekken,

als hij ze begrepen had, doch hij bleef ongevoelig en deed er het

zwijgen toe.

Terwijl hij met den sextant bezig was, kwam een der matrozen, dezelfde

stevige zeebonk, die ons op onzen eersten onderzeeschen tocht bij het

eiland Crespo vergezeld had, de glazen van de lantaarn schoonmaken. Ik

beschouwde toen zeer nauwkeurig de inrichting van dit werktuig,

welks werking vierhonderdvoudigd werd door ringvormige lenzen,

die evenals de glazen op vuurtorens gesteld waren, en daardoor het

licht in de vereischte richting deden schijnen. De electrische lamp

was zoodanig ingericht, dat zij zoo krachtig mogelijk werkte. Het

licht toch schitterde in het luchtledige, waardoor tegelijkertijd

regelmatigheid en helderheid bevorderd werd; bovendien werden daardoor

de koolspitsen gespaard, waartusschen zich de lichtstraal vertoonde;

dit was voor den kapitein een belangrijke zuinigheidsmaatregel, daar

hij die stukken graphiet niet gemakkelijk had kunnen vernieuwen. Onder

deze omstandigheden echter sleten ze bijna in het geheel niet.

Toen de Nautilus op het punt was den tocht onder zee te volgen, ging

ik naar den salon. Het luik werd gesloten, en onze richting was recht

naar het Westen.

Wij doorkliefden toen de golven van den Indischen Oceaan, die een

oppervlakte van 550 millioen hectaren beslaat, en wiens water zoo

helder is, dat men er duizelig van wordt, als men daarin neerkijkt. De

Nautilus dreef gewoonlijk tusschen honderd en tweehonderd meter

diepte. Dit duurde zoo eenige dagen. Voor iemand, die niet zooals ik

ontzaglijk veel van de zee hield, zouden de uren langzaam en eentonig

zijn voorbijgegaan; maar die dagelijksche wandelingen op het plat, waar

wij de verfrisschende lucht van den Oceaan inademden, het schouwspel

van de rijkbevolkte zee door het glas van den salon, het lezen van

boeken uit de bibliotheek, het aanhouden van mijn dagboek, dat alles

hield mij steeds bezig, en liet mij geen oogenblik verveling gevoelen.

Onze gezondheid bleef zeer goed. De leefregel aan boord beviel mij

wel, en ik voor mij zou aan Ned Land gaarne al die veranderingen

geschonken hebben, die hij bij wijze van verzet dagelijks op onze

spijskaart verzon. Bovendien behoefden wij in al die gelijkmatige

temperatuur zelfs geen verkoudheid te vreezen.

Gedurende verscheidene dagen zagen wij een groote menigte zeevogels,

een soort van meeuwen. Eenige er van werden zeer behendig gedood,

en leverden, goed klaar gemaakt, ons een voortreffelijk waterwild

op. Onder de grootste vogels, die zich ver van liet land wagen,

en als zij te moe zijn om te vliegen op het water uitrusten, zag ik

prachtige albatrossen, die een leelijk geschreeuw doen hooren, dat veel

heeft van het balken van een ezel. Ook zag ik vlugge fregatvogels,

die snel de visschen uit het water ophaalden, en een groot aantal

schoone zeeduiven, wier witte met rozenrood getinte vederen het

gitzwart der vleugels des te beter deden uitkomen.

De netten van den Nautilus haalden verscheiden soorten van

zeeschildpadden op, wier schaal voor zeer kostbaar wordt gehouden. Die

kruipende dieren duiken gemakkelijk onder water, en kunnen lang onder

blijven, als zij de vleezige klep maar sluiten, welke zij aan het

einde van den neus hebben. Sommige van die dieren sliepen nog toen

men ze ving, en waren in hun schild gedoken om daardoor veilig te

zijn tegen andere zeedieren. Hun vleesch smaakte over het algemeen

slechts middelmatig, doch de eieren waren een uitgezochte lekkernij.

De visschen wekten voortdurend onze bewondering, als wij de geheimen

van hun leven door de geopende wanden van den salon bespiedden. Ik

zag verscheiden soorten, die ik tot nog toe niet had opgemerkt.

Van 21 tot 23 Januari liep de Nautilus met een vaart van tweeen

twintig kilometer. Indien wij de onderscheiden soorten van visschen

goed konden waarnemen, was dit, omdat zij door het electrisch licht

aangetrokken, ons zochten bij te houden. De meesten bleven achter,

sommigen echter bleven geruimen tijd in ons zog.

Den 24sten 's morgens zagen wij op 12° 5' Z.B. en 94° 33' O.L. het

koraleneiland Keeling, waarop prachtige kokospalmen groeiden, en dat

door Darwin en kapitein Fits-Roy bezocht werd. De Nautilus ging op

kleinen afstand dit onbewoonde eiland voorbij. Onze netten haalden

onderscheiden soorten van poliepen, stekelhuidige en schelpdieren op,

waarvan enkele de kostbare verzameling van kapitein Nemo verrijkten.

Weldra verdween het eiland aan den gezichteinder, en het vaartuig

richtte zich naar het noordwesten, naar het Indische schiereiland.

"Bewoond land," zei mij Ned Land, "is beter dan die eilandjes

van Australië, waar men meer wilden dan reebokken ziet. Daar in

Indië, mijnheer, zijn straat- en spoorwegen, Engelsche, Fransche

en Hindoesteden. Men behoeft geen vijf kilometer te loopen om een

landgenoot te ontmoeten. Zeg eens, zou het oogenblik niet gekomen

zijn om bakzeil te trekken?"

"Neen, Ned, neen," antwoordde ik op stelligen toon. "Laat ons meevaren;

de Nautilus nadert het bewoonde land; zij zal ook naar Europa gaan,

laat hij ons daarheen brengen. Als wij eens in onze zeeën zijn gekomen,

zullen wij zien wat de voorzichtigheid ons zal aanraden. Overigens

geloof ik niet dat kapitein Nemo ons zal toestaan om op de kust

van Malabar of Coromandel te gaan jagen, zooals in de bosschen van

Nieuw-Guinea."

"Welnu, mijnheer, kan men dit niet zonder zijn vergunning doen?"

Ik antwoordde niet, omdat ik met den Amerikaan niet wilde

redetwisten. Eigenlijk verlangde ik vurig om ten einde toe al datgene

te genieten, wat het lot mij wilde schenken, toen het mij aan boord

van den Nautilus gebracht had.

Van het eiland Keeling af begonnen wij minder snel te loopen;

de gang van het vaartuig was veel grilliger, daar wij soms tot op

groote diepten afdaalden. Wij gingen zóó tot op een diepte van twee

of drie kilometer, zonder ooit te onderzoeken, hoe diep die Indische

zee wel was, welker bodem een schietlood van dertien kilometer lengte

niet had kunnen bereiken. Wat de temperatuur dier diepten aangaat,

deze was volgens den thermometer altijd onveranderd vier graden boven

nul. Alléén merkte ik op, dat het water op minder diepen bodem altijd

kouder was.

Den 25sten Januari was de zee geheel verlaten; de Nautilus

dreef den ganschen dag aan de oppervlakte en joeg het water met

zijn krachtige schroef eenige voeten omhoog. Wie zou het vaartuig

onderzulke omstandigheden niet voor een reusachtige zeemonster hebben

gehouden? Ik bracht drie vierde van dien dag door op het plat, om de

zee te beschouwen. Ik zag niets aan den gezichteinder, behalve tegen

vier uur in den middag, toen ik een groote stoomboot in westelijke

richting zag voortstoomen. Een oogenblik kon ik de masten zien,

doch men kon aan boord van die boot den Nautilus niet gewaar worden,

omdat hij bijna gelijk met het water dreef. Ik dacht dat deze boot aan

de Peninsular and Oriental Company behoorde, die den dienst verricht

tusschen Ceylon en Sidney, en Melbourne aandoet.

Tegen vijf uur 's avonds, even vóór de korte schemering, die in de

keerkringsstreken dag en nacht bijna onmiddellijk op elkander doet

volgen, werden Koenraad en ik door een zonderling schouwspel getroffen.

Er bestaat een bevallig diertje, dat volgens de ouden het geluk

voorspelde: Aristoteles, Athenacus, Plinius en Oppianus hadden

het beestje nauwkeurig bekeken en daarvoor al de dichterlijke

beschrijvingen van de Grieksche en Romeinsche geleerden opgehaald;

zij gaven er de namen aan van Nautilus en Pompilus; maar de nieuwere

wetenschap heeft deze benaming niet behouden, want dit weekdier is

thans bekend onder den naam van "Argonaut".

Welnu, het was een troep van die Argonauten, die op dat oogenblik op

de zee zwommen, wij telden er verscheiden honderden; deze bevallige

weekdieren zwommen achteruit door middel van een pijp, die hen in

beweging brengt, en waardoor zij het water, dat zij bij de ademhaling

binnen krijgen, weeruitspuiten. Van hun acht voelarmen dreven er zes,

die zeer lang en dun waren, op het water; terwijl de beide anderen,

die aan de einden omgekruld waren, overeind stonden, en dienst deden

als kleine zeilen. Ik zag duidelijk hun spieraalvormige schelp, door

Cuvier bij een netgevormde sloep vergeleken; het was inderdaad een

schuitje, dat het dier draagt en het heeft afgescheiden, zonder dat

het er aan vast is gehecht.

"De Argonaut kan zijn schelp verlaten," zei ik tot Koenraad, "maar

hij verlaat ze nooit."

"Dan doet hij net als kapitein Nemo," antwoordde Koenraad, "daarom

zou hij zijn vaartuig liever 'Argonaut' hebben moeten noemen."

Gedurende een uur dreef de Nautilus te midden van die weekdieren, toen

werden deze plotseling door ik weet niet welken schrik bevangen. Als

op een gegeven teeken gingen de zeiltjes naar beneden, de voelarmen

werden ingetrokken, het lichaam kromp samen, de schelpen keerden om,

veranderden daardoor haar zwaartepunt en verdwenen plotseling onder

de golven. Het was het werk van een oogenblik; nimmer manoeuvreerden

de schepen van een vloot met meer juistheid.

Op dat oogenblik viel de duisternis plotseling in, en de zee, tot

nog toe nauwelijks door een windje bewogen, begon haar golven over

den Nautilus te werpen.

Den volgenden dag, 26 Januari, passeerden wij op den 28sten

meridiaan den evenaar, en kwamen daardoor wederom in het noordelijk

halfrond. Dien dag werden wij omringd door een grooten troep haaien,

vreeselijke dieren, waarvan deze zee wemelt, en die haar zeer

gevaarlijk maken. Het waren haaien met bruinen rug en witten buik,

met elf rijen tanden, zoogenaamde ooghaaien met een groote vlek

op den hals, waaromheen een kring loopt, die haar op een oog doet

gelijken, en Isabellahaaien met ronden snuit en bezaaid met donkere

vlekken. Dikwijls stieten deze sterke dieren tegen het glas van den

salon met een kracht, die ons vrij ongerust maakte. Ned Land was zich

zelve dan niet meer meester. Hij wilde weer naar de oppervlakte om die

monsters te harpoenen, die hem met bijzondere hardnekkigheid schenen

uit te dagen. Maar de Nautilus verdubbelde weldra hare snelheid en

liet de vlugste van die zeemonsters verre achter zich.

Den 27sten Januari zagen wij aan den ingang der golf van Bengalen

verscheidene malen lijken, die aan de oppervlakte dreven; het waren

lijken uit de Indische steden, door den Ganges naar zee gestuwd, en

die door de gieren nog niet geheel verslonden waren. Maar de haaien

ontbraken niet om die aasvogels in hun noodlottig werk bij te staan.

Tegen zeven uur 's avonds voer de Nautilus halfweg onder water door een

melkzee; zoover het oog reikte scheen de Oceaan melkwit. Was dit ten

gevolge van het schijnsel der maan? Neen, want de maan, die slechts

twee dagen oud was, gaf nog niet veel schijn van zich, en was op dat

oogenblik bovendien nog onder den gezichteinder verborgen.

De hemel, hoewel vol heldere sterren, scheen zwart in vergelijking

van het stille water.

Koenraad kon zijn oogen niet gelooven, en vroeg mij wat de oorzaak

van dit zonderling verschijnsel zijn kon. Gelukkig kon ik hem van

antwoord dienen.

"Dit noemt men een melkzee," zei ik, "een groote uitgestrektheid van

witte golven, zooals men dikwijls bij de kusten van Amboina en in

deze streken ziet."

"Maar kan mijnheer mij zeggen," vroeg Koenraad, "waardoor dit

verschijnsel ontstaat? Want ik veronderstel toch dat het water niet

in melk veranderd is."

"Neen, mijn jongen, en deze witheid, die je verwondert, ontstaat

slechts door millioenen infusiediertjes, een soort van glimwormen, die

er kleurloos en geelachtig uitzien: zij zijn niet dikker dan een haar,

en maar een vijfde millimeter lang; eenige van die diertjes hangen,

verscheidene kilometers lang aan elkander."

"Verscheiden kilometers!" riep Koenraad.

"Ja, vriend, en tracht nu maar niet om dan het aantal dier schepseltjes

te berekenen. Je zoudt er niet in slagen, want als ik me niet bedrieg,

hebben enkele zeevaarders we! eens veertig kilometer lang door zulk

een melkzee gevaren."

Ik weet niet of Koenraad mijn raad ter harte nam, maar hij scheen diep

in gedachten verzonken, omdat hij vast eens wilde uitrekenen, hoeveel

vijfde millimeters er op een lengte van veertig kilometer begrepen

zijn. Ik bleef het verschijnsel beschouwen. De Nautilus doorkliefde

gedurende verscheiden uren deze witte golven; en ik merkte op dat

hij zonder eenig geruisch door dit op zeepsop gelijkend water voer,

als ware het schuim, dat de in verschillende richting stroomende

golven dikwijls in de een of andere baai doen ontstaan.

Tegen middernacht herkreeg de zee plotseling haar gewone kleur maar

achter ons tot aan den gezichteinder weerkaatste de hemel de witte

kleur der golven en bleef nog lang den schijn dragen alsof een zwak

noorderlicht haar verlichtte.

20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond · 第 3 / 27 题