„Geeft gij mij deze inlichting en zijt gij mij behulpzaam bij de
uitvoering van mijn plan, dan verzeker ik u kwijtschelding van alle
straf, en de Engelsche politie zal zich niet meer met u bemoeien dan
nadat ge weer een nieuwe streek hebt uitgehaald.”
„Vraag gerust, miss Prince,” sprak Zwarte Betsy met zwakke stem, „ik
ben gaarne bereid u alle inlichtingen te geven.”
„Ge kunt misschien wel vermoeden, waarom ik bij u kom,” vervolgde haar
bezoekster en ging in een roodzijde fauteuil zitten.
„Dat zou ik heusch niet weten,” antwoordde Betsy.
„Welnu, ik zal u direct ophelderen waar het om gaat, het betreft
Raffles.”
„Zoo, zoo, Raffles,” herhaalde de avonturierster, inwendig blij.
„Hij is ons destijds in Ostende helaas ontsnapt.”
„Ja, helaas, in weerwil van alle voorzorgsmaatregelen was hij knapper
dan wij; dat wil zeggen,” vulde zij aan, „het is niet mijn schuld dat
hij ontkwam, doch die van den inspecteur van politie Baxter, die zijn
maatregelen te laat nam en zich liet beetnemen.”
„Ik zou nu van u graag willen vernemen, Betsy, of u het verblijf van
Raffles in Londen bekend is.”
„Neen, dat weet ik niet,” antwoordde Zwarte Betsy, zonder dat zij een
leugen uitsprak.
In weerwil van ijverige nasporingen was zij van den biscuitfabrikant
niet het adres van Lord Warrington te weten gekomen, daar deze het naar
hij zei zelf niet wist, doch het haar uit jaloezie verzweeg.
„Zoo,” antwoordde miss Prince, „gij kent zijn woonplaats dus niet?
Mogelijk hebt gij hem den laatsten tijd ergens ontmoet?”
„Dat heb ik wel,” antwoordde Betsy, „John Raffles komt onder den naam
van Lord Warrington ten huize van mijn beminde, Sir Simson.”
„Is dat inderdaad zoo?” vroeg miss Prince met doordringenden blik.
„Ja, dat is zoo. Ik sprak hem zelf eenige dagen geleden op een partij.”
„En hij herkende u?”
„Ja, wij herkenden elkaar, doch in een soort wapenstilstand verrieden
wij onze identiteit niet aan de gasten, wij moesten beiden, hij zoowel
als ik, zwijgen.”
„Waarom deedt ge daar tot heden geen aangifte van bij de politie? Gij
weet, dat op Raffles’ gevangenneming een prijs is uitgeloofd van 4000
pond sterling. Dat geld hadt ge toch kunnen verdienen.”
„Dat is zoo,” antwoordde Zwarte Betsy, „doch ik wilde een betere tijd
en gelegenheid afwachten om mij te wreken op Raffles, met wien ik nog
persoonlijk moet afrekenen.”
„Ik weet, dat gij hem haat, en daarom kom ik naar u om met uw hulp den
sluwen vos eindelijk te vangen.
„Kunt ge het niet zóó inrichten, dat ge mij per telefoon inlicht,
wanneer Raffles zich weer bij uw beminde bevindt?
„Ik zou dan dadelijk alle maatregelen lot zijn gevangenneming kunnen
treffen.”
„Dat zou ik kunnen doen,” antwoordde Betsy, „geef mij uw telefoonnummer
op en zorg, dat gij de eerstvolgende dagen in de avonduren thuis zijt.”
Miss Prince schreef voor Zwarte Betsy het telefoonnummer op, en nadat
zij haar nogmaals kwijtschelding van alle straf had verzekerd, wanneer
het met haar hulp mocht gelukken Raffles te vangen, nam zij afscheid
van de avonturierster.
Toen zij buiten kwam en een rijtuig nam, om naar den inspecteur van
politie Baxter te rijden, wreef zij zich vergenoegd de handen.
„Kolossaal,” zei zij in zichzelf, „dat zal de beste vangst zijn van
mijn heele leven, zeer zeker de kroon op mijn werk.”
In gedachten, zag zij zich al staan voor den grooten onbekende en hem
toeroepen: „In naam der wet neem ik u gevangen, John C. Raffles.”
ZESDE HOOFDSTUK.
GROOT ALARM.
„Wilt ge werkelijk vanavond naar de partij bij den biscuitfabrikant
gaan?” vroeg zijn vriend en secretaris, toen John Raffles zich in rok
had gestoken.
„Natuurlijk wil ik daar heen gaan. Zoo’n goeden klant mag men niet
verwaarloozen, en ik vermoed, dat ik bij hem nog meer dan 25,000 pond
sterling kan verdienen aan een eindje hout.
„Misschien verkoop ik hem daarna nog een klimopblad uit mijn tuin als
het oudste toiletartikel, dat de dames op deze wereld hebben gedragen.”
„Ik zie, dat je in een stemming bent om grappen uit te halen,” zei
Charly Brand, „doch ik weet het niet, het is mij vanavond vreemd te
moede. Ik heb een gevoel, alsof je daar in huis wat onaangenaams zal
overkomen.”
„Onzin,” antwoordde Raffles, „ik heb zoo’n gevoel niet, doch hoop
integendeel een zeer amusanten succesvollen avond te doorleven.
„Daar zijn nl. een massa heeren, wier beroep tot de meest winstgevende
van Londen behoort. Een der grootste slagers, een zaadhandelaar, een
fabrikant van de beste schoensmeer, en wat er verder nog voor
rijkmakende baantjes in Londen te vinden zijn.
„Deze heeren dragen zonder uitzondering de prachtigste briljanten en de
meest gevulde portefeuilles bij zich. Zij houden ervan, vooral op
dergelijke bijeenkomsten een hoog hazardspel te spelen, gaan in hun
overhemd—op echte arbeidersmanier—om de groene tafel zitten en bluffen
met hun bankbiljetten van 100 pond, alsof deze volstrekt geen waarde
bezaten.
„Het zou niet kwaad zijn om deze heeren eens een beetje bloed af te
tappen.
„Ook Zwarte Betsy is in het bezit van diamanten, welke de biscuitidioot
haar heeft gegeven en waarvoor geen koningin zich zou behoeven te
schamen.
„Het zou heel nuttig zijn om het geld, dat deze menschen zonder eenig
ander doel dan om ermee te pronken, met zich meesleepen, onder de armen
van Londen te verdeelen.”
Raffles zetten zijn modernen hoogen hoed op, schoof een kostbaren
juweelen ring aan den vinger en overtuigde zich ervan, of in den zak
van zijn rok het voorwerp aanwezig was, dat hij dien avond noodig had.
„Zoek je een revolver?” vroeg Charly Brand. „Ik geloof, dat je je wapen
op de schrijftafel hebt laten liggen.”
Glimlachend antwoordde Raffles:
„Mijn lieve jongen, een revolver is soms een kwaad ding en het is
dikwijls gevaarlijker er een bij zich te hebben dan er zonder te zijn.
„Als mijn verstand mij niet de middelen aan de hand doet, welke ik
noodig heb om aan te vallen of om mij te verdedigen, dan helpt een
revolver mij ook niet.
„Bovendien maakt het knallen van een schot zenuwachtig.
„Voor mij behoeven dergelijke wapens niet te bestaan.
„Er zijn betere dingen in de wereld dan zoo’n schietinstrument.”
„Wel, dat moet je zelf weten. Ik wensch je het allerbeste voor vanavond
en zal blij zijn, als je weer thuis bent om mij vannacht bij een kop
thee te vertellen, wat je vanavond hebt beleefd.”
Hij hielp zijn vriend de met zijde gevoerde, elegante ulster
aantrekken. Daarop wierp Raffles nog een vluchtigen blik in een grooten
spiegel, gaf Charly een hand en ging heen.
Ongeveer op denzelfden tijd, toen Lord Warrington zich voor de soiree
kleedde, verliet miss Prince in avondtoilet haar hotel, waar zij
gedurende haar verblijf in Londen haar intrek had genomen.
Ongeveer een half uur geleden had zij van Zwarte Betsy bericht
gekregen, dat Raffles, de lang gezochte, dien avond op de partij van
den biscuitfabrikant aanwezig zou zijn en onmiddellijk begaf zij zich
naar inspecteur Baxter, dien zij reeds door de telefoon had gesproken.
Beiden besloten nu, zonder de hulp van verdere politiemacht, de
arrestatie van den grooten onbekende persoonlijk in handen te nemen,
opdat hun alleen de eer zou toekomen eindelijk den gevreesden Raffles,
den schrik van Londen, onschadelijk te hebben gemaakt.
Inspecteur Baxter was het niet geheel eens met het plan van miss
Prince.
Hij kende uit tal van gebeurtenissen de behendigheid van John Raffles
maar al te goed en wist, hoe moeilijk het was, hem in handen te
krijgen.
Het liefst zou hij het huis van den biscuitfabrikant met een dubbel
cordon politie-agenten hebben omsingeld, zoodat vluchten onmogelijk zou
zijn.
Miss Prince had hem echter overreed en getracht, hem duidelijk te
maken, dat zij het beter klaar zouden spelen zonder de hulp van agenten
en detectives.
Toen zij nu de particuliere woning van den inspecteur van politie had
bereikt, kwam deze haar reeds in visitetoilet tegemoet en op tevreden
toon riep zij hem toe:
„Gij hebt u uitstekend gemaskeerd, inspecteur, gij ziet er uit als een
echte oude Engelsche baronet.”
Baxter boog bij het hooren van dit compliment en antwoordde: „Men zegt
algemeen, dat ik uitstekend de kunst versta om mij te vermommen. Maar
om u een complimentje terug te geven, ook ik zou u niet hebben
herkend.”
„Dat geloof ik gaarne”, lachte Miss Prince, „maar ik heb ook gebruik
gemaakt van mijn beste schmink en toiletgeheimen om niet door den
sluwen Raffles te worden herkend. En luister nu eens naar mijn plan.”
De vrouwelijke detective vervolgde:
„Wij rijden nu naar de woning van Zwarte Betsy, die ons als goede
kennis vanavond bij den biscuitfabrikant zal introduceeren.
„Niemand mag weten, welk beroep wij uitoefenen en wat wij daar komen
doen. Het zou anders mogelijk zijn, dat Raffles door den een of ander
werd gewaarschuwd of wantrouwen kreeg.”
„En dan zou de vos ons weer ontsnappen.
„Wanneer en hoe denkt gij hem gevangen te nemen?”
„Ik denk, dat wij na afloop der partij wel gelegenheid zullen hebben om
door bemiddeling van den gastheer of Zwarte Betsy een onderhoud met hem
te hebben in de studeerkamer van Mr. Simson. Daar zullen wij dan de
hand op hem leggen en hem gevangen nemen.”
„Ik weet niet”, sprak inspecteur Baxter, „of uw plan werkelijk goed is.
Maar zooals gij het wenscht, zal het gebeuren. Ik wil u volkomen
vertrouwen.
„Excuseer mij nog een oogenblik, ik ga nog even mijn witte handschoenen
uit de slaapkamer halen en dan ben ik bereid, u te volgen.”
Het halen der witte handschoenen was echter slechts een voorwendsel om
zich even te kunnen verwijderen.
Inderdaad had hij een geheel ander plan gemaakt. Hij vond het lang niet
zeker, dat het Miss Prince en hem zou gelukken om John Raffles gevangen
te nemen.
Daarom besloot hij om in elk geval het hoofdbureau van politie mobiel
te maken, ten einde de villa van den biscuitfabrikant, die tamelijk
afgezonderd, midden in een park lag, door een dubbele haag van
politieagenten zoodanig te laten omsingelen, dat het niemand zou
gelukken zich uit het huis te verwijderen.
Zoodra hij in de slaapkamer was, nam hij de telefoon op, die hem
verbinding gaf met het hoofdbureau van politie en riep zijn secretaris
Marholm, de vroolijke Vloo, zooals zijn collega’s hem in den laatsten
tijd noemden, door de telefoon toe:
„Ben je daar, Marholm?”
De Vloo, die door het bellen van de telefoon in een heerlijk avonddutje
werd gestoord, nam verdrietig de telefoon op en riep:
„Voor den duivel, wie is daar? Dat is een lawaai, alsof er ergens een
moord was gepleegd!”
„Ge hebt zeker weer geslapen, nietwaar?”
Marholm herkende dadelijk de stem van zijn chef en dacht:
„Ha, die heeft weer het een of andere plan!”
Met luide stem riep hij door de telefoon:
„Wat gaat het u aan, of ik slaap of niet! Ga zelf liever slapen en laat
mij hier met rust, ik heb geen zin om mij door u te laten storen.”
„Wel vervloekt, Sir!” schreeuwde de inspecteur woedend, „gij wordt met
den dag brutaler!”
„Wat?” antwoordde Marholm slagvaardig, „wat valt u in, om mij hier door
de telefoon te durven beleedigen. Jammer, dat ik u niet in
werkelijkheid voor mij heb! En nu adieu!”
Bij die woorden hing hij de telefoon aan den haak en keek met een
guitig lachje naar de bel van het toestel, die nu zonder ophouden door
Baxter in beweging werd gezet.
„Wacht maar,” lachte de vloo, „je zult eerst bellen, tot je pols moe
is!”
Nadat er bijna een minuut was voorbijgegaan, welke Baxter een
eeuwigheid scheen, nam de vloo de telefoon op en riep:
„Verduivelde ezel, wil je eindelijk eens ophouden zoo’n lawaai te
maken?”
„Ik ben hier,— —ik— —.”
„Dat hoor ik, idioot, maar ik weet altijd nog niet, wie „ik” is— — —
—!”
Duidelijk zag hij het paarsroode gelaat van Baxter voor zich, nu deze
op woedenden toon riep:
„Maar mijn Hemel, Marholm, herken je mij dan niet aan mijn stem?”
„Neen,” antwoordde Marholm, „de eene os brult in Engeland precies zoo
als de andere. Zoolang gij mij uw naam niet noemt, weet ik niet welke
ezel gij zijt!”
„Baxter!” klonk het woedend terug. „Hier Baxter!”
„O, dat heb ik wel gedacht,” antwoordde de vloo doodkalm, „een ander
zou het niet durven wagen, zoo door de telefoon te razen en te tieren!”
„Gij gedraagt u netjes, Marholm, om mij zoo te beleedigen, als je mij
aan mijn stem had herkend.”
„Pardon,” riep de vloo terug, „ik had u niet aan uw stem herkend.
Maar—wat wenscht gij van mij?”
„Maak onmiddellijk alarm, Marholm, laat twee wagens met agenten en
detectives bezetten en omsingel het huis van den biscuitfabrikant
Simson!”
„Is dat alles?” vroeg de vloo.
„Dat is alles!” antwoordde Baxter. „Haast u zooveel mogelijk, want ik
heb daar uw hulp noodig bij een arrestatie! Vooruit!”
De inspecteur verbrak de verbinding en de vloo, die de telefoon ook
weer aan den haak hing, mompelde:
„Ik durf er mijn hoofd op verwedden, dat dit groote alarm weer mijn
besten vriend John C. Raffles geldt. Inspecteur Baxter heeft zich in
langen tijd niet belachelijk gemaakt. Nu, wien het jeukt, die moet zich
maar krabben!”
Met vrij veel omhaal, zonder bijzondere haast aan den dag te leggen,
gaf hij den dienstdoenden agent, die lui in het wachtlokaal zat, bevel,
de manschappen van het hoofdbureau mobiel te maken.
Dadelijk zette de beambte het alarmsignaal voor de verschillende
vertrekken der manschappen in werking en spoedig dreunden de steenen
vloeren onder de zware treden der welgedane Engelsche politie-beambten.
De wagens werden bezet door vijftig man en Marholm leidde zelf zijn
troepen naar de villa van den biscuitfabrikant.
Gedurende den rit zaten de dienstdoende sergeants naast Marholm en
vroegen hem welke maatregelen ter arrestatie zij moesten nemen.
„Hm,” meende de vloo, „het bevel luidt, dat wij de woning van Mr.
Simson moeten omsingelen en ik denk dat dit beteekent, dat er geen
enkele persoon in of uit mag.”
In de nabijheid van het huis verlieten de politiebeambten de wagens en
begaven zich in twee troepen naar de villa, waar het feest reeds in
vollen gang was.
In een dichte rij omsingelden zij onder leiding van Marholm het huis en
juist hadden zij een stevige haag gevormd, toen de auto, waarin Zwarte
Betsy, inspecteur Baxter en miss Prince zaten, de villa naderde.
„Wat beteekent dat?” vroeg de vrouwelijke detective den inspecteur,
toen zij de uniformen der agenten zag.
Baxter glimlachte verlegen en antwoordde:
„Ik vond het toch noodzakelijk om hulptroepen te laten komen.”
Bij die woorden ging hij naar de vloo toe en sprak:
„Laat ons er door!”
„Ik denk er niet aan”, antwoordde de vloo, „hier komt niemand meer
binnen.”
„Ben je krankzinnig, Marholm?” stoof Baxter op, „herken je mij niet?”
„Ja”, antwoordde de vloo, „uw onbeschofte manier van spreken in
aanmerking genomen, zoudt gij inspecteur Baxter wel kunnen zijn. Maar
die ziet er heel anders uit dan gij, vriend!”
„Ik heb mij vermomd”, sprak Baxter, „en heb daarvoor mijn redenen. Hier
is mijn ambtspenning.”
Hij sloeg zijn jas open en de vloo zag het gouden schild, dat Baxter op
zijn borst had gespeld.
„In orde, inspecteur”, antwoordde de vloo daarop, „nu kunt gij
passeeren!”
... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
Een enkel zacht licht scheen van het plafond neer en hulde het vertrek
in een sprookjesachtig halfdonker.
In het midden van het vertrek stond een marmeren tafel, waarop een
eigenaardig gouden kistje stond, dat de voornaamste kostbaarheid van de
wereld bevatte,—de zeldzame, zoo kostbare „sport van de Jacobsladder!”—
Reeds gedurenden den maaltijd had de biscuitfabrikant zijn gasten
verteld van de eigenaardige antiquiteit, die hij pas had verkregen en
met groote haast deden de gasten hun best, een einde aan het souper te
maken, opdat zij hun nieuwsgierigheid zouden kunnen bevredigen.
De eenige, die deze belangstelling niet deelde, was Lord Warrington,
die met den smaak van een fijnproever zich te goed deed aan de
voortreffelijk toebereide spijzen, die op tafel stonden.
Slechts even keek hij van zijn bord op, en wel toen Zwarte Betsy met
miss Prince en inspecteur Baxter binnenkwamen.
Hij merkte op, dat Betsy zich bij den gastheer over haar late komen
verontschuldigde. Tegelijkertijd stelde zij het tweetal, dat met haar
was gekomen, voor als een haar bekend echtpaar en sprak:
„Ik ben zoo vrij geweest, deze kennissen van mij, die mij vanavond
wilden bezoeken, mede te brengen en hoop, Mr. Simson, dat gij mij deze
vrijheid niet kwalijk zult nemen.
„De naam van mijn vriend en diens vrouw zal u wel bekend zijn. Het is
de Schotsche baronet Smithfield.”
„Jawel”, knikte de biscuitfabrikant, die grooten eerbied had voor alle
mogelijke titels, „ik heb den naam van dezen baronet wel eens gehoord
en het verheugt mij, dezen heer en zijn echtgenoote in mijn huis te
mogen begroeten.”
Hij stak den vermomden politie-inspecteur en de dame zijn hand toe en
stelde ze aan de overige gasten voor.
Ook Raffles werd hun genoemd als „Lord Warrington”.
En zonder in het minst te verraden, dat hij hen bij hun binnentreden
onmiddellijk had herkend, boog hij hoffelijk voor het echtpaar en ging
daarna kalm door, van de fazant te eten, die hem juist geserveerd was.
„Hij heeft ons nog niet herkend”, fluisterde Miss Prince den inspecteur
toe, toen zij op eenigen afstand van Raffles aan de tafel plaats namen.
Men bediende hun van eenige schotels, terwijl de andere gasten reeds
aan het dessert waren en uit beleefdheid moesten wachten, totdat de
laatkomers ook klaar waren met hun souper.
„Gij treft ons in een verklaarbare opgewondenheid”, sprak de
biscuitfabrikant tot den vermeenden baronet Smithfield. „Ik ben in
Londen de meest bekende antiquiteitenverzamelaar, en heb onlangs door
vriendelijke bemiddeling van Lord Warrington een antiquiteit gekregen,
die wel de zeldzaamste is, die er op de wereld bestaat.
„Het is een sport, een heilige sport van de bekende Jacobsladder!”
Miss Prince meende haar ooren niet te kunnen gelooven.
„Pardon”, antwoordde zij, „ik vrees niet goed verstaan te hebben. Bezit
gij een sport van de Jacobsladder uit den Bijbel?”
„Ja”, knikte de fabrikant, „en ik heb er een vertrek voor laten
inrichten, als een tempel, opdat dit kostbare voorwerp een waardige
omgeving vindt.
„Want bedenkt eens, mijne vrienden, deze antiquiteit is geen profaan
stuk, maar behoort tot de heilige reliquieën.”
Miss Prince veronderstelde, dat de gastheer haar voor den gek wilde
houden.
De inspecteur van politie echter dacht er anders over.
Hij herinnerde zich nog vaag uit zijn schooljaren, dat er in den Bijbel
van een Jacobsladder werd gesproken en hij meende werkelijk, dat het
hier ging om de sport van een dergelijke antieke ladder van hooge
waarde.
Toen het souper eindelijk was afgeloopen, stonden de gasten op en
terwijl een beroemd pianist eenige klassieke nummers ten gehoore gaf,
begaven de gasten zich, voorafgegaan door den biscuitfabrikant, naar de
met donkerblauw fluweel en gouden sterren versierde kamer.
Behalve Miss Prince, Lord Warrington en Zwarte Betsy, stonden de
idioten in eerbiedige bewondering voor het gouden kistje en staarden
naar het stuk hout, dat niets anders was dan een laddersport uit den
tuin van Raffles.
„Dit hier, mijn hooggeachte vrienden”, zoo begon de gastheer op fieren
toon, „dit is de heilige sport”.
„Moet dat een grap verbeelden?” fluisterde de vrouwelijke detective
Zwarte Betsy in het oor.
„Welneen”, antwoordde deze op denzelfden toon, „mijn beminde heeft voor
deze laddersport, die volgens mijn meening ook niets meer dan een
gewoon stuk hout is, Lord Warrington een zeer kostbaar schilderij in
ruil gegeven, een echten Murillo, die een museumwaarde heeft van 25,000
tot 30,000 pond sterling”.
„Maar dat is niet te gelooven”, antwoordde Miss Prince, maar
tegelijkertijd bekeek zij, om geen argwaan te wekken, evenals de andere
gasten het stuk hout door haar lorgnet.
Nadat het gezelschap eenigen tijd in het vertrek was gebleven, leidde
Mr. Simson zijn gasten ook door de andere kamers om hun de andere
kostbaarheden zijner verzameling te toonen.
Toen hij den sigarettenkoker van keizer Nero te voorschijn haalde en
deze van hand tot hand ging om met de gewone uitroepen van verbazing
bewonderd te worden, sprak miss Prince tot Zwarte Betsy:
„Komt deze koker ook van Raffles?”
„Neen, deze sigarettenkoker niet”, antwoordde zij, „die heeft een
andere antiquair, Barring genaamd, mijn beminde aangepraat, maar ik
vermoed, dat die ouwe vos door Raffles hierheen gestuurd werd.
Waarschijnlijk werken zij samen.”
„Luister eens,” sprak Miss Prince, „neem mij niet kwalijk, maar uw
beminde is een volslagen idioot”.
„Zooals waarschijnlijk elke verzamelaar”, antwoordde Zwarte Betsy
lachend, „die menschen zijn zoo dwaas, dat zij soms alle nonsens
gelooven”.
Lord Warrington was intusschen, zonder dat iemand het had gemerkt, naar
het venster gegaan en had een vluchtigen blik naar buiten geworpen.
Duidelijk zag hij tusschen de struiken de glinsterende uniformknoopen
der politie-agenten en nu begreep hij ook het verschijnen van den
vermomden inspecteur van politie en de vrouwelijke detective.
Het was om hem te doen en het huis was door politiebeambten omsingeld,
opdat hij niet zou kunnen ontsnappen.
Met het onverschilligste gezicht van de wereld, zijn voornaam
glimlachje om den mond, trad hij nu naar den biscuitfabrikant toe en
sprak tot dezen:
„Ik zal zoo vrij zijn u vanavond nog een kostbaarheid te laten zien,
welke ik bezit. Een snuifdoos van Napoleon I, den grooten Corsicaan,
zooals hij door de wereld wordt genoemd.
„Deze snuifdoos heeft onze beroemde Engelsche generaal Wellington hem
eigenhandig afgenomen.”
„Wel,” antwoordde de biscuitfabrikant, „er zijn meer dergelijke
doozen.”
„Dat wel,” antwoordde de Lord, „maar in deze, die ik bezit, bevindt
zich een uitstekend soort tabak, die Napoleon gebruikte en die een
voortreffelijken invloed moet uitoefenen op het denkvermogen van den
mensch.
„Napoleon had de gewoonte, vóór elken veldslag een snuifje van deze
geheimzinnige, wonderdadige denktabak te nemen en behaalde daardoor
bijna al zijn overwinningen.”
„Drommels,” riep de biscuitfabrikant, „daar ben ik werkelijk
nieuwsgierig naar. Kan men die tabak niet eens zelf probeeren?”
„Natuurlijk,” antwoordde Raffles. „Gij zult onmiddellijk na het gebruik
een buitengewone vrijheid van denken, een bijna bovenmenschelijk
vernuft bespeuren en ik ben zoo vrij om u en de geachte gasten van de
waarheid mijner woorden te overtuigen, u een snuifje ervan aan te
bieden.”
„Wij hebben nog nooit een snuifje genomen,” antwoordden de dames.
„O, dat hindert niet,” sprak de Lord op beminnenlijken toon, „ik zal u
precies wijzen hoe men dat doet.
„Kijk eens hier, dames, ik zal een klein beetje op uw hand schudden en
gij moet dan de tabak door den neus opsnuiven, alsof gij ademhaalt. Dat
is verbazend eenvoudig.”
Lachend begonnen de dames te snuiven.
Toen Miss Prince aan de beurt kwam, weigerde zij op energieken toon, er
ook van te nemen. Maar de andere dames, die reeds een zacht geprikkel
in den neus voelden, drongen lachend om haar heen en of zij wilde of
niet, zij moest eveneens meesnuiven.
„Haal flink op,” sprak Lord Warrington, „geneer u niet.”
En toen hij zag, dat Miss Prince de tabak niet voldoende had
opgesnoven, gaf hij haar een tweede portie en sprak:
„Neen, neen, gij moet ook de weldadige uitwerking van deze tabak
ondervinden. Neem er nog eens van. Denk eens, welk een eer het is, te
mogen snuiven van de tabak van den grooten Napoleon.”
„Ik ben niets op die eer gesteld,” antwoordde Miss Prince op scherpen
toon, „ik maak niet graag van mijn neus een schoorsteen, ik ben een
vijandin van tabak in elken vorm.”
„Wel,” lachte Raffles, „misschien zult gij er nu een aanhangster van
worden.”
Nu wendde hij zich tot de heeren, die er reeds vol ongeduld op
wachtten, de snuiftabak van Napoleon den Groote te probeeren en te
ondervinden, welke buitengewone uitwerking deze op de hersens had.
„Zoo,” sprak de elegante gentleman, toen allen ervan hadden genomen,
„nu moet gij allen plaats nemen en de uitwerking der tabak afwachten.
Het zal verscheiden minuten duren, voordat gij de gevolgen ervan
ondervindt.”