straat een rijtuig en reed naar huis.
Nadat hij er zich daar eerst van had overtuigd, dat de sigarettenkoker
werkelijk op de door Zwarte Betsy aangeduide plaats lag, verliet hij
zijn huis opnieuw en reed weer naar het hoofdbureau van politie.
De Vloo was niet aanwezig, maar in zijn plaats inspecteur Baxter.
Baxter had zich juist na een overvloedig diner op de leeren sofa
uitgestrekt om een middagslaapje te doen en de wachthebbende
politie-agent, die den biscuitfabrikant had moeten aandienen, had
gebruik gemaakt van de goede gelegenheid en was op zijn stoel met het
hoofd op de borst ingedommeld.
„Dat is hier een mooie boel”, sprak Mr. Simson, toen hij den slapenden
politie-agent zag.
„Zoo iets moest men in de kranten bekend maken.”
Hij ging naar de deur van den inspecteur en toen hij geen antwoord
kreeg op zijn kloppen, opende hij de deur en ging naar binnen.
Een luid gesnurk van de leeren sofa verried hem, dat de inspecteur
hetzelfde deed als de agent.
„Nu, nu?” mompelde de biscuitfabrikant, „als de chefs slapen, waarom
zullen de ondergeschikten dan iets anders doen?
„Zoo iets kan alleen in Rijksdienst gebeuren; bij mij, in mijn fabriek,
komt iets dergelijks niet voor.”
Daarop zag hij op de schrijftafel van secretaris Marholm het portret
van Zwarte Betsy, dat de Vloo daar had laten liggen.
Zonder er een gewetenszaak van te maken, dat hij eigenlijk diefstal
pleegde, ging hij naar de schrijftafel en eigende zich de photo toe.
„Ziezoo”, sprak hij tot zichzelf, „dat is de beste gelegenheid om
zonder veel praatjes Betsy haar portret terug te bezorgen!
„Nu zal ik dien man eens met een flinken stoot in de ribben wakker
maken.”
De por, dien hij den snorkenden Baxter gaf, behoorde niet tot de
zachtste.
Verschrikt opende de inspecteur van politie zijn oogen, staarde den
zwaarlijvigen indringer aan en riep:
„Vervloekt, hoe zijt gij hier gekomen?”
„Door de deur”, antwoordde de dikkert kalm.
„Hoe durft gij het wagen om, zonder u te laten aandienen, bij mij
binnen te komen?”
„Vraag dat liever aan uw agent in de voorkamer, die slaapt even vast
als gij hier!
„En zal ik u eens wat zeggen? Ik denk er sterk over om hetgeen mij hier
overkomen is, in de kranten wereldkundig te maken!”
Met een ruk sprong de inspecteur op.
„Wat?” riep hij. „Slaapt die kerel in de voorkamer?”
In hetzelfde oogenblik trok hij de deur open, sprong woedend naar den
slapenden agent toe en gaf hem een klinkende oorvijg.
„Ik zal je toonen, wat het is om in dienst te slapen”, bulderde hij den
man toe.
„Gij weet immers, dat hij, die in dienst slapend wordt gevonden,
onmiddellijk ontslagen kan worden?”
„Wel, dan moet men met u beginnen,” mengde zich de biscuitfabrikant in
het gesprek.
Met een woedenden blik keek de inspecteur hem aan.
„Alle duivels, Sir, hoe durft gij u ermee bemoeien, als ik mijn
ondergeschikten bestraf?”
Daar hij echter vreesde, dat de fabrikant den agent op de hoogte van
het gebeurde zou brengen, ging hij met den dikken heer naar zijn bureau
terug en sprak:
„Wat wenscht gij van mij?”
„Ik wilde u alleen mededeelen, dat de sigarettenkoker van keizer Nero
teruggevonden is.”
„Wat is teruggevonden?” vroeg de inspecteur van politie, die het
protocol, dat Marholm op zijn schrijftafel had gelegd, nog niet had
gelezen.
„Ik was twee uur geleden hier,” verklaarde Mr. Simson, „en deed
aangifte, dat een mij toebehoorende, kostbare antiquiteit, een
sigarettenkoker van keizer Nero, mij ontstolen is. Deze is echter
gelukkig teruggevonden.”
„Zoo,” antwoordde de inspecteur van politie, „en daarom komt gij hier
en bezorgt ons noodeloos werk?
„Dat wordt hoe langer hoe fraaier! Als iedereen in Londen, die iets op
een andere plaats heeft gelegd, dadelijk naar het hoofdbureau van
politie loopt om er aangifte wegens diefstal van te doen, dan zouden
wij minstens 10.000 beambten aan het werk kunnen zetten.”
„Wel,” antwoordde de biscuitfabrikant, „ik ben blij, dat mijn kostbaar
eigendom weer terecht is en gij moogt blij zijn, dat gij geen dief
behoeft te vangen, want in de kranten staat, dat gij er toch geen kunt
krijgen!”
„Wat gaat u dat aan,” stoof de inspecteur op, „zijt gij mijn chef? of
wilt gij u schuldig maken aan het beleedigen van een beambte?”
„Dank u, dank u”, antwoordde Mr. Simson met een afwerend handgebaar,
nam zijn cylinder en verliet, zonder te groeten, de kamer.
Kort daarop trad de vloo binnen.
„Gij hebt visite gehad, nietwaar inspecteur?” vroeg hij, terwijl hij
zijn overjas aan den kapstok hing.
„Ja,” antwoordde zijn chef, „waarschijnlijk een ontoerekenbaar sujet.”
„Luister eens,” sprak de vloo, hem vertrouwelijk op den schouder
kloppend, „het is niet dikwijls het geval, dat wij beiden het eens
zijn. Maar dezen keer denk ik er precies zoo over als gij. Die man is
werkelijk ontoerekenbaar.”
Daarop nam de vloo aan de schrijftafel plaats en ontdekte onmiddellijk
het ontbreken van de photo.
„Zeg eens, inspecteur, hebt gij een photographie van mijn tafel
genomen?”
„Neen, ik roer niets aan wat op uw tafel ligt.”
„Wel duivels, van mijn schrijftafel is het mooie portret van Zwarte
Betsy verdwenen.”
„Laat dergelijke portretten dan niet open en bloot liggen!”
„Hebt gij niet opgemerkt, dat misschien uw bezoeker, die vetbuik, de
photo heeft weggenomen?”
„Wat?” schreeuwde Baxter, „denkt gij, dat het iemand mogelijk zou zijn
om in mijn tegenwoordigheid hier in het bureau iets te stelen?”
„Och,” antwoordde de vloo, „het zou mogelijk kunnen zijn, dat gij
geslapen hadt!”
Nauwelijks echter had hij deze woorden gesproken, of Baxter nam een
portefeuille met acten op en slingerde die zijn secretaris naar het
hoofd.
„Houdt uw cynische opmerkingen voor u! Gij spreekt tegen uw chef en gij
weet, evengoed als ik, dat het verboden is, in dienst te slapen.”
„Daarin hebt gij gelijk,” antwoordde de vloo, „slapen is in het
hoofdbureau van politie ten eenenmale verboden!”
Daarop boog hij zich over zijn werk heen en begon te schrijven.
VIERDE HOOFDSTUK.
KUNSTKENNERS.
In de prachtvolle villa van den hofleverancier van Zijne Majesteit, den
door zijn reclame wereldberoemden biscuitfabrikant Simson, was een
gezelschap bijeen.
Na het souper trokken de heeren zich vervolgens in het rooksalon terug,
om hier onder het genot van een sigaar en geestrijke dranken het
gesprek verder voort te zetten.
Het middelpunt van het gesprek was op dien avond niet een levend wezen,
maar—de sigarettenkoker van keizer Nero, die door den biscuitfabrikant
onlangs van den antiquair Barring was gekocht.
En het interessantste van het sigaretten-étui was een sigaret, die
eveneens nog het eigendom van keizer Nero moest zijn geweest en waarop
in Grieksche drukletters, het opschrift „Aegyptos” stond.
Behalve een enkele uit het gezelschap waren zij allen zoo dom, dat men
hun denkvermogen gerust bij een watermeloen kon vergelijken.
Slechts een der heeren maakte een uitzondering en dat was Lord Edward
Lister, alias Raffles, die onder den naam van een zekeren Lord
Warrington in het huis van den gastheer verkeerde.
De biscuitfabrikant vermoedde in de verste verte niet, dat de Lord
dezelfde persoon was, die eens als kamerheer van den koning van Servië
met hem in verbinding had gestaan.
Toenmaals, als kamerheer van den koning van Servië, droeg Raffles de
vermomming van een bejaard heer met lange, grijze bakkebaarden, terwijl
hij nu, zonder eenige maskeering met zijn baardeloos, fijnbesneden
gelaat het type van een echten Engelschman tusschen de dertig en
veertig jaar vertoonde.
Ook hij bewonderde naar het scheen den beroemden sigarettenkoker, maar
toen de biscuitfabrikant wilde beweren, dat dit de grootste
kostbaarheid in geheel Londen was, was Raffles zoo vrij, hem te
antwoorden, dat hij zich daarin wel zou vergissen.
„Neem mij niet kwalijk,” riep Mr. Simson uit, „dan ben ik toch
werkelijk nieuwsgierig, of gij iets meer interessants en van grooter
waarde bezit, dan deze zeldzaamheid.”
„Zeker!” antwoordde Raffles, „op mijn jarenlange reizen in het
buitenland, vooral in den Oriënt, heb ik zeer veel dingen verzameld,
die van veel meer waarde zijn dan deze sigarettenkoker uit den tijd van
keizer Nero.
„Ik bezit bijvoorbeeld een zonnescherm van keizerin Cleopatra van
Egypte, een tandenstoker van aartsvader Abraham en, als grootste
kostbaarheid, die er op aarde te vinden is, de eenig bestaande sport
van de bekende Jacobsladder.
„Ik hoop, mijne heeren, dat gij allen van de Jacobsladder in den bijbel
hebt gelezen!”
Hoewel alle aanwezigen als zeer bijbelsche mannen en steunpilaren der
kerk bekend stonden, konden zij zich slechts vaag uit hun schooljaren
een Jacobsladder herinneren.
„Deze ladder, mijne heeren,” vervolgde Lord Lister, „is de eenige, die
ooit van de aarde tot den hemel heeft gereikt. Zij is dus een reliquie
van onschatbare waarde.
„Ik hoop, dat gij mij zult toegeven, dat een dergelijke sport een veel
grooter zeldzaamheid is dan de sigarettenkoker van keizer Nero.”
Ondanks hun hersenloosheid moesten alle aanwezigen toegeven, dat Lord
Warrington den ander de loef had afgestoken.
Men kon duidelijk aan het vette gelaat van den hofleverancier zien, dat
hij zich ergerde, omdat de sport van de Jacobsladder, die Raffles
bezat, zijn sigarettenkoker in de schaduw stelde.
„Luister eens”, sprak hij tot Raffles, „ik heb er nu eenmaal mijn
zinnen op gezet om de voornaamste en meest bekende
antiquiteitenverzamelaar van Londen te zijn. Ik wil u een voorstel
doen. Wilt gij mij de sport van de ladder verkoopen?”
„Dat kan ik onmogelijk doen,” antwoordde Raffles. „Van een dergelijk
voorwerp kan ik uit piëteit niet op die manier afstand doen.
„Maar ik doe u een ander voorstel:
„Als het u aangenaam is, ruilen wij het in tegen een voorwerp uit uw
verzameling.”
„Dat neem ik dolgaarne aan,” antwoordde de biscuitfabrikant! „Behalve
de sigarettenkoker van keizer Nero moogt gij iets van mijn verzameling
uitzoeken, waarvoor gij de laddersport in ruil wilt geven.”
Raffles had reeds weken geleden in de woning van Mr. Simson een zeer
kostbaren Murillo ontdekt en bewonderd. Hij schatte het schilderij op
een waarde van minstens 20,000 pond sterling.
Terwijl hij met den vinger het schilderij, dat aan den muur hing,
aanwees, sprak hij:
„Het beste stuk uit uw collectie tegen het kostbaarste van de mijne. Ik
houd meer van schilderijen dan van antiquiteiten en ben bereid, u de
sport van de Jacobsladder tegen den Murillo in te ruilen.”
„Afgesproken!” riep de biscuitfabrikant en ongemerkt wreef hij zich in
de handen, want nu zou hij werkelijk een voorwerp in zijn verzameling
hebben, dat door niets kon worden overtroffen.
„Wanneer zal de ruil plaats hebben?” vroeg hij Raffles.
„Zendt mij het schilderij morgenochtend,” antwoordde Raffles, „of neen,
ik zal lui sturen om het schilderij af te halen en wil u persoonlijk de
in een gouden kast weggesloten laddersport overhandigen.”
Nadat het gesprek was afgeloopen, gingen de heeren naar het
muzieksalon, waar zich de dames bevonden om naar de liederen van een
beroemde zangeres te luisteren, die ook was uitgenoodigd.
Toen Raffles het muzieksalon binnentrad, bleef hij een oogenblik
verbaasd staan.
In een zachtrose zijden japon, een magnifique Parijsch avondtoilet, zat
Zwarte Betsy op eenigen afstand van den concertvleugel en keek met
scherpe blikken naar de binnenkomenden.
Zij was eerst in den loop van den avond gekomen en het was de eerste
keer, dat de biscuitfabrikant het waagde om zijn minnares onder den
naam van Lady Melvil bij zich te ontvangen.
Niemand, behalve Raffles wist, welke gevaarlijke avonturierster zich
onder de gasten bevond.
Niet ten onrechte noemde Zwarte Betsy zich de vrouwelijke Raffles.
En met dezelfde vijandschap die er tusschen kat en hond bestaat, haatte
zij den veel handigeren mannelijken collega en onophoudelijk dacht zij
erover na, op welke wijze zij hem, wiens concurrentie zij vreesde,
onschadelijk kon maken.
Indertijd in Ostende, toen de groote onbekende als kamerheer van den
koning van Servië den biscuitfabrikant waardelooze ordeteekens had
aangesmeerd, was zij eenvoudig kamermeisje in het hotel geweest, waar
de kamerheer had gelogeerd en het was haar bijna gelukt, hem te laten
gevangen nemen, maar hij had zich door een van zijn meesterlijke
streken weten te redden.
Inplaats daarvan zou zij zelf bijna in de gevangenis zijn gekomen!
Zij herkende hem onmiddellijk weer, toen hij binnenkwam.
Een oogenblik ontmoetten hun blikken elkaar en bleven tot elkaar
aangetrokken als magneten en een groote haat lag in de oogen van Zwarte
Betsy te lezen.
Zonder den blik neer te slaan, liet hij zich aan haar voorstellen als
Lord Warrington en geen der aanwezigen vermoedde, dat de voorname
demi-mondaine, die schijnbaar glimlachend met den Lord achter haar
waaier fluisterde, een heftige woordenwisseling met dezen voerde.
„Ah!” sprak zij, „Lord Edward! Eindelijk ontmoeten wij elkaar weer
eens. Ik had niet gedacht, dat gij het zoudt durven wagen om in het
huis van een uwer vroegere slachtoffers te verkeeren.”
„Neem mij niet kwalijk, Madam,” antwoordde Raffles, „ik weet niet,
waarover gij spreekt.”
„Och,” vervolgde Zwarte Betsy, „probeer maar niet mij te misleiden, of
wilt gij comedie tegenover mij spelen? Ik herkende u onmiddellijk,
Raffles, toen gij hier binnenkwaamt.”
„En ik jou, kleine Betsy,” spotte Raffles.
„Gij weet, dat ik gezworen heb om u onschadelijk te maken,” siste
Zwarte Betsy, „wij hebben nog heel wat met elkaar af te rekenen.
„Gij hebt mij herhaaldelijk in mijn plannen gedwarsboomd en mij en mijn
makkers groote schade veroorzaakt.
„Wat zoudt gij nu doen, als ik opstond en aan de gasten vertelde, dat
gij de alom gezochte John C. Raffles zijt?”
„Ik zou dwaas zijn, als ik u vertelde, wat ik in dat geval zou doen.
Maar, Madam, ik ben aan dergelijke toevalligheden in mijn beroep
gewend. Mijn sport brengt nu eenmaal mee, dat zulke kleinigheden af en
toe voorvallen.
„Ik denk, dat ik minder in verlegenheid zou geraken dan gij het zoudt
zijn, als ik opstond en zei: mijne heeren, de dame, die hier zit, is
een persoontje, dat zeer welkom zou zijn op het hoofdbureau van
politie.
„Haar photographie kunt gij daar onder no. 3874 in het misdadigersalbum
vinden.”
„Ellendeling!” siste Zwarte Betsy, „ik lach om uw dreigementen. Maar ik
zie in, dat ik u hier op het oogenblik niet onschadelijk kan maken. Er
zal zich wel een betere gelegenheid voordoen.”
„Ik hoop het,” antwoordde Raffles op onverschilligen toon, „het is
altijd goed, als personen van uw soort niet achter kanten gordijnen,
maar achter stevige ijzeren tralies zitten.”
Niemand vermoedde, dat het tweetal in een soort van wapenstilstand den
avond in hetzelfde gezelschap doorbracht.
Alleen de biscuitfabrikant werd onrustig en had met jaloersche blikken
naar het tweetal gekeken, dat zoo’n langdurig onderhoud samen had.
Laat in den nacht namen de gasten afscheid en toen Zwarte Betsy in de
auto plaats nam, die voor de deur wachtte, keek zij in het
glimlachende, ironische gelaat van Raffles, die beleefd zijn hoed afnam
en sprak:
„Tot weerziens, Madam; het was mij bijzonder aangenaam, u weer ontmoet
te hebben.”
Een blik vol woede trof hem uit de oogen van Zwarte Betsy; daarop reed
zij naar haar woning in het Hydepark, terwijl Raffles een cab nam en
zich ook huiswaarts begaf.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE SPORT VAN DE LADDER.
„Zeg eens, Edward, ben je werkelijk krankzinnig geworden?” sprak Charly
Brand, toen hij zijn vriend en meester reeds in het vroege ochtenduur
in den tuin van de villa vond in hemdsmouwen en tuinmansschort, druk
bezig een sport uit een houten ladder te zagen.
„Welneen, volstrekt niet,” lachte Raffles.
„Nu, zeg eens,” antwoordde Charly Brand, „welk verstandig mensch zaagt
een goede ladder stuk? Er ligt genoeg brandhout in den kelder, als wij
dat noodig mochten hebben.”
„Je ziet toch wel, mijn jongen, dat ik geen brandhout noodig heb, maar
alleen een sport van de ladder.”
„Een laddersport? Moet je een knuppel hebben?”
„Ja”, lachte Raffles, „ik heb een knuppel noodig, die 20,000 pond
sterling waard is.”
Met krachtige slagen maakte hij de sport los van de zijkanten der
ladder, terwijl Charly Brand met een ernstig gelaat toekeek.
„Ik maak mij werkelijk ongerust over je, Edward.”
„Dat is niet noodig, mijn lieve vriend; ik verzeker je,”—hij zwaaide de
laddersport als een bijl eenige keeren door de lucht, wierp ze in de
hoogte en ving haar weer op—„deze sport brengt mij 20,000 pond sterling
op.
„Kom, ik heb weinig tijd, je kunt met mij meegaan.”
Charly Brand, die in den loop der jaren aan veel vreemde dingen was
gewend, schudde dezen keer mismoedig het hoofd.
Hij kon met den besten wil van de wereld niet begrijpen hoe de geniale
Edward met de sport van de ladder 20,000 pond sterling zou kunnen
verdienen.
Een half uur later was Raffles gekleed, verliet met zijn secretaris het
huis en beiden begaven zich in een cab naar een goudsmid.
Hier kocht hij een langwerpig kistje van gewoon goudblik, waarin hij op
lichtblauw fluweel het stuk hout neerlegde.
Charly Brand keek stom van verbazing naar hetgeen zijn vriend deed.
Wat ter wereld moest dit waardelooze stuk hout, dat in een vergulde
kist op hemelsblauw fluweel werd geborgen, beteekenen?
Nu reed Raffles naar een maatschappij voor goederenvervoer, huurde daar
een rijtuig en twee werklieden.
Met deze lieden begaf hij zich naar de woning van den biscuitfabrikant,
die hem reeds met ongeduld wachtte en bang was, dat de Lord spijt van
zijn woorden had gekregen.
Met een vroolijk glimlachje ontving hij hem nu en na korte bespreking
konden de werklieden den Murillo afnemen en in het rijtuig, dat voor
het huis stond, laden.
Met eerbiedigen schroom bekeek hij de sport van de ladder en kon
nauwelijks zijn kalmte bewaren, zoo verrukt was hij over deze zeldzame
kostbaarheid.
Charly Brand woonde het geheele tooneel met open mond bij.
Nu werd het hem duidelijk, dat niet Raffles, maar de biscuitfabrikant
de krankzinnige was.
Toen zij weer in hun rijtuig zaten en naar den wereldberoemden
kunstkooper Ellionet reden, sprak hij:
„Zeg eens, Edward, die man schijnt aan ongeneeslijke hersensverweeking
te lijden.”
Raffles lachte:
„Zijn hersens bestaan, evenals zijn biscuits, uit meel en water.
„Want—iemand, die een sigarettenkoker van keizer Nero koopt, zoo
redeneer ik, is in staat om de onzinnigste dingen der wereld te koopen.
Weet je, wat ik hem zooeven heb verkocht in ruil voor een kostbaar
schilderij?”
„Neen”, antwoordde Charly, „ik kan met den besten wil niet begrijpen,
wat die laddersport moet beteekenen.”
En terwijl Raffles zijn gelaat in een ernstigen plooi trok, sprak hij
op zalvenden toon:
„In den Bijbel staat geschreven, toen Jacob op het veld lag en sliep,
droomde hij van een ladder, die tot den hemel reikte en waarlangs de
engelen op en neer klommen.
„Van deze ladder, mijn lieve Charly, heb ik de eenige sport, die er nog
van bestaat, aan den biscuit-idioot verkocht.”
Charly Brand barstte in een onbedaarlijk lachen uit en sprak:
„Ik had nooit gedacht, dat er zulke stommerikken bestaan!”
„Oho!” riep Raffles, „overschat de menschen om ’s Hemels wil niet, er
zijn altijd nog veel dommere, dan men denkt.”
Zij hadden het huis van den kunsthandelaar bereikt en Raffles liet het
schilderij naar binnen brengen.
Vol verrukking bekeek deze den wonderschoonen Murillo en sprak, toen
Raffles hem het schilderij te koop aanbood:
„Het is dezelfde Murillo, die mij indertijd op een veiling door den
biscuitfabrikant Simson afhandig is gemaakt. Maar zooveel als deze kan
ik er niet voor besteden.”
„Wel”, antwoordde Raffles, „zeg mij, welk bedrag gij wilt betalen. Ik
hoop, dat wij het over den koop eens zullen worden.”
Na eenig nadenken antwoordde de kunsthandelaar:
„Ik betaal u voor den Murillo 25.000 pond sterling.”
„All right”, sprak de Lord, „ik ga een groote reis naar het buitenland
maken en heb geld noodig. Ik wil daarom niet verder er over spreken en
verzoek u, mij een cheque te geven.”
Eenige minuten later was de koop gesloten en toen Raffles zich weer op
straat bevond om zich naar de Bank te begeven, sprak hij tot zijn
secretaris:
„Je ziet, jongenlief, wat men voor een stuk hout kan krijgen als men
slechts de kunst verstaat, het goed aan den man te brengen.”
Terzelfder tijd, toen Raffles op de Bank het geld in ontvangst nam en
tegelijk met de cheque van den kunsthandelaar een tweede aanbood, groot
8000 pond sterling, voorzien van de handteekening van den antiquair
Barring, welke hij eveneens uitbetaald kreeg, had Mr. Simson zich
ijlings met de laddersport naar Zwarte Betsy begeven om haar zijn
nieuwste eigendom, het sieraad van zijn verzameling, te laten zien.
Nauwelijks had deze het stuk hout gezien of zij barstte in een
schaterlach uit en riep:
„Ik moet werkelijk aan je verstand twijfelen, dat is immers een
doodgewone laddersport, een waardeloos stuk hout!”
De biscuitfabrikant sprak op beleedigden toon:
„Daarvan heb jij geen verstand en het spijt mij, dat ik je de sport van
de Jacobsladder heb laten zien.”
Zwarte Betsy dacht eenige oogenblikken na, of zij haar vriend en
beschermer opheldering zou geven omtrent den persoon van Lord
Warrington.
Maar zij was zoo verstandig om voorloopig nog te zwijgen.
Juist toen de hofleverancier van plan was, heen te gaan, bracht het
kamermeisje een visitekaartje binnen.
Nauwelijks had Zwarte Betsy een blik op het smalle kaartje geworpen, of
een lichte rilling beving haar en, als niet een dikke laag rood op haar
wangen had gelegen, zou de biscuitfabrikant hebben opgemerkt dat zij
vaalbleek was geworden!
„Miss Prince,” stond op het kaartje, anders niets.
Zwarte Betsy kende Miss Prince. Want meer dan eens had de beroemde
Amerikaansche detective haar plannen in duigen doen vallen en haar
zelfs tweemaal gevangen genomen.
Doch slechts heel kort duurde deze zwakte van het oogenblik; daarna
reikte zij met haar beminnelijk, verleidelijk glimlachje den door haar
betooverden dikken beminde de van kostbare brillanten voorziene hand
met de woorden:
„Je wilt zeker wel zoo goed zijn mij nu te verlaten om mij vanavond
voor het souper af te halen. Ik krijg daarjuist bezoek van een
vriendin, en je weet, dat wij vrouwen er niet van houden dat gij mannen
tegenwoordig zijt bij onze besprekingen van de mode en toiletgeheimen.”
De biscuitfabrikant kuste haar verliefd de hand, trachtte haar even te
omhelzen en verliet daarna het salon.
Hij wierp een nieuwsgierigen blik op de in het voorvertrek zittende
miss Prince. Doch nauwelijks had hij ontdekt hoe opvallend leelijk deze
was, of hij liep haastig, voor zoover zijn corpulentie dit toeliet,
naar de deur om langs de trap op straat te verdwijnen.
Er was niets dat hem meer afstiet dan een leelijke vrouw. Hij behoefde
op zulke vriendinnen van Betsy niet jaloersch te zijn.
Terwijl hij naar huis snelde was de dame het salon binnengetreden en
nam door haar lorgnet met een onverschillig spotlachje de kostbare
inrichting van het vertrek op.
Hierna richtte zij haar oogen op de bewoonster zelve en zei:
„Wat een prachtig toilet hebt gij aan, miss Betsy. Gij schijnt over een
ruime beurs te beschikken.”
De aangesprokene wierp vol trots het hoofd in den nek en antwoordde:
„De geldmiddelen, waarover ik tijdelijk beschik, kunnen u geheel
onverschillig laten, miss Prince, want deze sommen heb ik, zonder dat
de wet hiertegen iets kan doen, van mijn vriend cadeau gekregen.”
„Dat weet ik,” hernam miss Prince. „Ik ken uwe betrekkingen tot den
hofleverancier van Zijne Majesteit, den biscuitfabrikant Simson. Ik
weet, dat gij zijn beminde zijt, en men op ’t oogenblik niet van plan
is u opnieuw wegens oplichterij aan te klagen. Doch—”
Zij hield even op.
„Uw rekening van vroeger is echter nog altijd niet vereffend, en ik
geloof, dat men aan het hoofdbureau van politie blij zou zijn als ik u
daar aanbracht.
„Hoe zoudt gij het vinden, als ik tot u zei: „In naam der wet, miss
Betsy, volg mij.””
De Zwarte Betsy sidderde zoo hevig, dat zij moest gaan zitten.
De detective keek een paar seconden naar haar en ging toen verder:
„Stel u gerust, Betsy, ik kom niet tot u om u gevangen te nemen, doch
om zaken met u te doen.