Hij haalde zijn met juweelen afgezet horloge te voorschijn en terwijl

de aanwezigen zwijgend en in gespannen verwachting naar hem keken,

begon hij zacht de seconden te tellen.

„Ik vind,” sprak Mr. Simson, „dat de snuif van Keizer Napoleon

verbazend zwak is, ik voel nauwelijks eenige prikkeling in den neus.”

„Stel u gerust,” antwoordde Raffles, „het zal wel meer gaan werken.

Maar het is een geheel andere soort snuiftabak dan die gij gewend

zijt.”

Verscheiden dames begonnen plotseling te geeuwen en vermoeid de oogen

te sluiten en Zwarte Betsy sprak:

„Ik voel mij doodmoe, ik geloof, dat het hier veel te warm is.”

Ook de vrouwelijke detective had hetzelfde gevoel. Raffles had haar een

bijzonder sterke dosis gegeven en zij voelde haar ledematen zoo zwaar

worden als lood.

De heeren begonnen luide te gapen en zich behaaglijk in de fauteuils

uit te strekken.

En nu—het was zeer eigenaardig—maakte zich een niet te bedwingen

slaperigheid van alle gasten meester. Het was hun, alsof de electrische

lichten in het vertrek steeds verder terugweken en machteloos moesten

zij de oogen sluiten.

De eene na den andere geraakte in een diepe verdooving.

Alleen Raffles stond met zijn kalmen glimlach midden in den kring, en

toen de laatste der gasten de oogen had gesloten, stak hij zijn horloge

weer bij zich en sprak tot zichzelf:

„De snuif, die ik als verdoovingsmiddel had klaar gemaakt, heeft haar

uitwerking gedaan. Binnen een kwartier wordt geen der gasten weer

wakker.”

Met de grootste gemoedsrust nam hij den slapenden gasten hun horloges,

juweelen, diamanten en portefeuilles af en stopte al zijn zakken er mee

vol.

Daarop ging hij naar de donkerblauwe kamer, haalde het stuk hout en

legde het in de handen der slapende Miss Prince. (Zie het titelblad.)

Daarna begaf hij zich naar de schrijftafel van den biscuitfabrikant en

schreef een briefje van den volgenden inhoud:

„Geachte Miss Prince

Ik beloofde u, door mijn Napoleonssnuif het denkvermogen der hier

verzamelde idioten op te frisschen. Als gij een goed werk wilt

doen, neem dan den Jacobsknuppel, dien ik u in de hand heb gegeven

en die afkomstig is van een ladder uit mijn tuin en bewerk daarmee

zoo krachtig de huid der aanwezigen, dat zij eindelijk zwart en wit

van elkaar leeren onderscheiden.

Maar ik ben bang, dat zelfs deze Jacobsknuppel dat wonder niet zal

kunnen teweeg brengen!”

Daarna nam hij een tweede vel papier en schreef daarop:

Geachte, heer Inspecteur van Politie.

Tegenover u zit onder den naam van Lady Melvil de door u lang

gezochte Zwarte Betsy. Ik wensch u geluk, met dit geniaal

detective-stukje en met den prachtigen Sherlock Holmes-tocht,

dien gij hebt ondernomen om de avonturierster eindelijk

onschadelijk te maken.

Als steeds gegroet door

JOHN C. RAFFLES.

Deze papieren hechtte hij zoowel den inspecteur van politie Baxter als

miss Prince op de borst, nam toen den inspecteur van politie zijn baard

af en sierde zichzelf ermee.

Met wat pasta en schmink maakte hij zijn gezicht gelijkend op dat van

den inspecteur en verliet het gezelschap.

Toen hij voor het huis op den wachtenden vloo toetrad, zei hij

hetzelfde, wat hij boven reeds aan de bedienden in de villa had

meegedeeld, dat zij over tien minuten de gasten moesten opzoeken; tot

zoolang wenschten deze niet gestoord te worden.

„En waar wilt ge naar toe?” vroeg de vloo met een verdacht lachje. „Gij

wilt u zeker in veiligheid brengen, nietwaar?”

„Ik kom dadelijk terug”, antwoordde Raffles, „houd goed de wacht”.

„Dat zal ik doen”, hernam de vloo, „hoewel ik geloof, dat het nu niet

meer noodig is”.

Hij had in weerwil van de verkleeding John Raffles herkend, doch uit

vreugde over diens grappen, en als onfeilbaar middel, om zijn chef het

leven te vergallen, liet hij Raffles door een kring van politieagenten

heen en was nieuwsgierig, hoe zich het verdere verloop zou afwikkelen.

De geniale Lord echter was naar het naastbijzijnde telefoonkantoor

gesneld, en had daar verscheidene groote bladen opgescheld, om hun mee

te deelen, dat ten huize van den biscuitfabrikant Simson zich de Groote

Onbekende ophield, en de inspecteur van politie Baxter hem aanstonds

zou gevangen nemen.

In minder dan geen tijd kwam een half dozijn automobielen van de

nachtredacties naar de villa van Simson, doch de reporters deden

vergeefsche moeite om door den vloo in het huis te worden toegelaten.

De vloo had het horloge in de hand en zei:

„Nog drie minuten, eerder mag ik met mijn manschappen het huis niet

betreden”.

Toen de drie minuten voorbij waren, gaf de vloo een teeken aan de

politieagenten en liep met hen in versnelden pas naar het gebouw.

Tegelijkertijd klonk van boven de signaalfluit van den inspecteur van

politie en dringend geroep om hulp.

Een raam werd opengetrokken en de schelle stem van Zwarte Betsy riep in

het nachtelijk donker:

„Pak Raffles, laat hem niet door, menschen!”

„Het mocht wat”, lachte de vloo, „die schijnt jullie daar boven te

hebben gehouden en nog wel ten spot van iedereen”.

Toen de journalisten met de agenten de werkkamer van den

biscuitfabrikant binnenstormden, vertoonde zich een vermakelijk

schouwspel.

Met slaapdronken gezichten staarden de gasten naar de binnentredenden

en de vloo, die dadelijk den toestand overzag, bleef met een der

verslaggevers bij Miss Prince, die nog steeds sliep, staan en las den

inhoud van het briefje, dat op haar borst was gespeld.

Toen zij den inhoud daarvan hadden vernomen, barstten de reporters uit

in een uitbundig lachen.

Daarop wendden zij zich tot inspecteur Baxter, lazen diens briefje en

lachten weer.

Met een domme gelaatsuitdrukking stamelde de biscuitfabrikant:

„Ik... ik weet niet, wat gij hier komt doen, heeren!”

Daarop keek hij het vertrek rond en riep:

„Waar is Lord Warrington?”

Alle anderen keken ook om zich heen.

Maar van Lord Warrington was geen spoor te ontdekken.

„Dien zult gij wel tevergeefs zoeken”, sprak de vloo, „want Lord

Warrington, die u in dezen eigenaardigen toestand heeft gebracht, is

niemand anders geweest dan Raffles en ik geloof niet, dat gij hem ooit

zult weerzien.”

Nauwelijks was de naam van den Grooten Onbekende genoemd, of een groote

vrees maakte zich van de gasten meester en als door een panischen

schrik aangegrepen, wilden allen vluchten.

Als bezetenen liepen zij door elkaar en riepen om de bedienden, om hun

mantels en hoeden.

Eerst nu bemerkten eenige van hen, dat hun briljanten en portefeuilles

weg waren.

„Wij zijn bestolen!” schreeuwden zij woest door elkaar.

„Mijn sigarettenkoker, de sigarettenkoker van keizer Nero is weg!”

kermde de gastheer.

Dadelijk snelden de vertegenwoordigers der pers naar hem toe en lieten

zich door hem vertellen, welke bijzonderheden er aan den

sigarettenkoker van keizer Nero verbonden waren.

Het kostte hun moeite, om bij het verhaal van den biscuitfabrikant

ernstig te blijven.

Nog had hij zijn verhaal niet geëindigd, of hij sprong met een luiden

kreet op, want hij ontdekte zijn kostbare antiquiteit, de sport van de

Jacobsladder, in de handen van Miss Prince.

„Om ’s Hemels wil!” schreeuwde hij, „hoe komt de sport van de

Jacobsladder in de handen van die dame?”

Als krankzinnig snelde hij naar Miss Prince en ontrukte haar zijn

schat.

Met verbaasde gezichten keken de verslaggevers naar zijn handelwijze en

nauwelijks had hij het stuk hout gegrepen, of zij verzochten hem nadere

opheldering omtrent de laddersport.

Nog had hij niet uitgesproken, of zoowel de vertegenwoordigers der

kranten als de politiebeambten begonnen uitbundig te lachen.

De tranen liepen hun over de wangen en zij huilden letterlijk van pret.

De biscuitfabrikant wist niet, wat hij van dit alles moest denken.

Te midden van het gelach klonk plotseling de luide stem van den

inspecteur van politie.

„Waar is Raffles? Waar is Raffles?”

„Ja, mijn waarde”, zei een der verslaggevers, hem op den schouder

kloppende, „dat zouden wij ook graag willen weten.”

Nu ontwaakte ook Miss Prince, de vrouwelijke detective.

„Waar is de schurk?” riep zij uit, „hij heeft mij verdoofd!”

Met zoekende blikken keek zij om zich heen en toen zij niets dan domme

of lachende gezichten om zich heen zag, bleef zij verlegen staan en

wist niet, wat dit alles te beteekenen had.

Een der verslaggevers sprak tot haar:

„Lees het briefje eens, dat de geniale Raffles u op de borst heeft

gehecht!”

Het scherpe gelaat van Miss Prince werd steeds langer, toen zij de

woorden las, die Raffles op het stukje papier had geschreven.

Nu had ook Baxter zijn brief opgemerkt.

En om niet geheel onverrichterzake van het tooneel zijner blamage te

verdwijnen, greep hij Zwarte Betsy beet en riep:

„In naam der wet neem ik u gevangen!”

„Laat mij los!” schreeuwde deze. „Gij hebt het recht niet om mij

gevangen te nemen. Mij is vrijheid van straf beloofd!”

„Zijt gij gek?” riep nu de biscuitfabrikant, „hoe durft gij mijn

geliefde aan te raken? Dat is een lady!”

„Een mooie lady!” vloekte Baxter. „Een gewetenlooze avonturierster is

zij en ik koester het vermoeden, dat zij heden met Raffles gemeene zaak

heeft gemaakt om mij op deze wijze te blameeren.”

„Zeg eens,” vroeg een der reporters, „op welke manier zijt gij

verdoofd?”

„Wij namen een snuifje van Napoleon den Groote!” antwoordde de

biscuitfabrikant.

„Kinderen!” riep de verslaggever zijn collega’s toe, „nu komt er weer

wat nieuws. Die kranige Raffles heeft hier een heele massa geestige

verrassingen achtergelaten.”

„Neem mij niet kwalijk,” sprak Mr. Simson op beleedigden toon, „wilt

gij soms beweren, dat het geen snuiftabak van den grooten Napoleon is

geweest?”

„Neen, mijn waarde,” antwoordde de journalist, „ik spreek u niets

tegen, want— —” en hij fluisterde zijn collega’s toe: „die man is

krankzinnig en het is gevaarlijk om gekken tegen te spreken!”

De verslaggevers namen nu afscheid en keerden terug naar hun redacties,

om het laatste nieuwtje van den Grooten Onbekende nog in den nacht voor

de ochtendbladen gereed te maken.

Den volgenden morgen lachte heel Londen om de snuiftabak van den

grooten Napoleon, de sport der Jacobsladder en den sigarettenkoker van

keizer Nero.

Geheel Londen lachte—en Raffles, de geniale Lord en Groote Onbekende,

was weer de held van den dag.

DE BAJADERE.

Giovanni Ravigno behoorde tot de meest bekende verschijningen van den

kunstkring te Rome.

Nog maar een paar jaar geleden is het museum te Rome met een groot

schilderij van hem verrijkt.

Inderdaad behoorde de jonge schilder, die nauwelijks dertig jaar oud

was, tot de meest op den voorgrond tredende kunstenaars van Italië en

deed zeer veel van zich verwachten.

Op zekeren dag bezocht ik hem in zijn villa. Ravigno’s mooi atelier lag

buiten tusschen bloeiende oranjeboomen.

Daar de bediende van den schilder toevallig niet aanwezig was, deed hij

mij zelf de deur open.

„Och, ben jij het!” zei hij, nadat hij mij even had opgenomen.

„Ik dacht, dat je nog altijd in Amerika zat. In hoelang hebben we

elkaar niet gezien!”

„In geen vijf jaar!” antwoordde ik, eenigszins verbaasd over de koele

ontvangst, die mij bereid werd.

Ik kon zien, dat Giovanni juist aan een portret had geschilderd. Hij

had het evenwel met een doek bedekt.

„Zou je me niet in je laatste werken willen inwijden?” vroeg ik, nadat

we een tijdlang over ditjes en datjes hadden gepraat.

„Je weet, dat ik altijd oprecht belang stel in je kunst, ik zou graag

een paar woorden voor mijn blad over je willen schrijven!”

Hij aarzelde.

„Het is iets geheel nieuws,” hernam hij eindelijk. „Iets fabelachtigs

wat ik daar maak! Ik weet nog niet hoe men het zal opnemen!”

„Een groote compositie?”

„O, neen! Slechts een bajadere!”

„Een bajadere? Hoe kom je op dat thema? Dus een soort studie of

portret?”

Hij schudde het hoofd.

„Hoe kun je zoo praten!

„Kan een bajadere ook geen groote compositie zijn? Doch wat praat ik

ook. Je kent haar immers niet! Wat weet jij van Iluma! De wereld kan

zoo’n wezen geen tweemaal hebben voortgebracht!

„Zij is het heerlijkste, schoonste, wat ik ooit gezien heb! Een vrouw,

zóó vurig en hartstochtelijk, dat het bijna onmogelijk is haar gestalte

met het oog vast te houden.

„En toch heb ik het beproefd, en wanneer het mij gelukt, Iluma’s dans

te schilderen, zooals ik hem zie, heb ik in ieder geval het

fabelachtigste gewrocht, wat de „salon” te Rome ooit heeft ten toon

gesteld.”

Ik was na deze inleiding natuurlijk in groote spanning om Iluma’s

portret te zien.

Giovanni stemde toe en sloeg het doek weg.

Inderdaad, het was moeilijk, het beeld van Iluma te beschrijven.

Giovanni had een wolk van gloed en hartstocht geschilderd, een dans,

saamgesteld uit gratie, onstuimigen hartstocht en zonde, een dans, die

zich niet liet beschrijven, doch dien men zelf moest zien.

„Vanwaar ken jij Iluma?” vroeg ik na eenigen tijd.

„Ze is de vrouw van den Engelschen gezant X,” antwoordde Giovanni. „Hij

heeft haar bij een verblijf in Indië leeren kennen en getrouwd.

„Die Engelsche gek dacht, dat Iluma, die voorheen bajadere was, wel zou

aarden in de Westeuropeesche landen; hij weet niet met haar om te gaan,

ja, hij was zelfs zoo dwaas om toe te staan, dat zij zich bij mij als

bajadere liet schilderen.

„Ik heb hem een eenvoudige schets gezonden, waarop zich van Iluma niets

anders bevindt dan de smalle gloeiende lippen. Hij was daarmee

tevreden,—doch sedert komt Iluma bijna iederen nacht om te dansen—en nu

schilder ik haar, zooals ik haar zie, zooals ze inderdaad is,—doch

misschien begrijp je mij niet?”

Of ik hem begreep! Ik begreep, dat deze vroeger zoo koele jonge man

zich met Iluma overgaf aan een dolheid, die de voorbode was van een

catastrophe.

Toen wij elkaar het laatst in New-York hadden ontmoet, had hij mij een

mooi jong meisje als zijn bruid voorgesteld.

Op de kast stond haar portret en onwillekeurig nam ik het op om er naar

te kijken.

Bijna brutaal rukte Giovanni het uit mijn hand en slingerde het in een

hoek.

„Laat dat!”

De wijze, waarop hij met het portret der jonge dame omging, ergerde

mij.

„Wat beduidt dat?” vroeg ik op scherpen toon. „Wat heeft zij je

misdaan, dat je haar voor de oogen van een vreemdeling beleedigt?”

Hij maakte een beweging van walging.

„Niets heeft zij mij misdaan! Zij houdt nog altijd van mij! Doch ik

haat haar, verafschuw haar, sedert ik Iluma liefheb!”

De atmosfeer in het atelier benauwde mij en maakte mij ongerust. Ik

raapte het portret van het mooie, blonde jonge meisje op, zette het

weer op zijn plaats en nam afscheid van Giovanni, die zoozeer in blijde

afwachting stond, ongetwijfeld van Iluma’s komst, dat hij mij

nauwelijks de hand reikte ten afscheid.—

Giovanni Ravigno liep onrustig in zijn atelier heen en weer, nadat ik

hem had verlaten. Hij leefde in een zenuwkoorts, in een voortdurenden

roes, sedert hij Iluma kende.

Hij telde de minuten, de oogenblikken, die hem nog van haar scheidden.

Wanneer zij ’s morgens van hem wegging, in een dichten sluier gehuld,

om door een achterdeur in het paleis van haar man terug te keeren,

stond hij met bleeke lippen aan het raam, kon niet in slaap komen en

liep den heelen dag als een waanzinnige rond, totdat eindelijk de avond

aanbrak.

Eerst dan vond hij rust en kracht tot werken, totdat het uur naderde,

waarop zij moest komen. Dan begon hij te sidderen en te beven tot zij

eindelijk kwam en danste.

Niet op Iluma was hij verliefd, doch op haar dans, op den dans der

bajadere, die voor den Europeaan niet te beschrijven is.

Op dien avond werd er vroeger gebeld dan anders. Hij snelde naar

buiten, rukte de deur wijd open, doch schrok terug en vloog naar het

andere eind van het atelier.

„Maria!” riep hij uit, „jij waagt het, hier te komen?”

Het was een mooie, blonde jonge dame, dezelfde van het portret, dat

Giovanni in mijn tegenwoordigheid in een hoek had geworpen.

„Waarom zou ik het niet wagen, Giovanni?” sprak zij met haar zachte,

buigzame stem. „Waarvoor zou ik bang zijn? Heb je het recht, mij te

verachten?”

„Neen, neen!” riep hij uit, „ik veracht je niet, maar ik bemin je niet

meer. Ik haat je. Weg! Ga weg!”

Maria Bonmartini was de dochter van een deftige Italiaansche familie.

Zij had glanzend blond haar en donkere oogen, hetgeen haar een

bijzondere, droefgeestige bekoring verleende. Haar huid was blank als

albast en het prachtige kleed deed haar vormen wondermooi uitkomen.

Zij was zoo schoon, dat het bijna onbegrijpelijk leek, dat een man aan

wien zij haar hart had geschonken, zoo tot haar kon spreken. Zij was

blijkbaar gekomen om het tusschen haar en Giovanni, die haar sedert

weken ontweek en beleedigde, tot klaarheid te brengen.

De wijze, waarop hij haar nu behandelde, bracht de zachtmoedige Maria

buiten zichzelf van woede.

Op verontwaardigden toon antwoordde zij:

„Hoe kom je er toe, Giovanni, zoo tegen mij op te treden? Heb je mij

niet met een eed je liefde bezworen? Herinner je de uren en dagen, dat

je aan mijn voeten hebt gezeten en mij hebt aangebeden! Vanwaar die

plotselinge ommekeer? En hoe kun je denken, dat ik je beleedigingen

kalm zal aanhooren? Ik laat mij dat niet welgevallen. Heel Rome weet,

dat ik je vrouw zal worden,—waag je het werkelijk, mij prijs te geven

aan de spot van alle mannen, die ik om jouwentwille heb afgewezen?”

Giovanni zat zwijgend in den hoek.

„Je prikkelt me met je klachten!” antwoordde hij ongeduldig. „Ga heen!”

Doch Maria ging niet en Giovanni, die ieder oogenblik vreesde, dat

Iluma zou binnentreden, werd razend van woede.

Toen het hem niet gelukte, Maria te verwijderen, sprong hij plotseling

op haar toe en trachtte haar met geweld naar buiten te dringen.

Maria Bonmartini echter was een Italiaansche; zij had warm bloed in

haar aderen.

Zij trok een dolk.

Giovanni evenwel, sneller, behendiger en krachtiger dan zij ontwrong

haar het wapen en stiet het haar in het hart.

Maria stortte neer. Zij ademde nog even, toen was zij een lijk.

Giovanni keek op zijn horloge. Door ontzetting aangegrepen vloog hij

van den eenen hoek van het atelier naar den anderen.

Daar lag de doode en over vijf minuten, misschien al eerder, zou Iluma

komen.

Te vergeefs pijnigde hij zijn hersens met de vraag wat hij moest

beginnen.

Bevangen door den roes, die hem had aangegrepen, vonden het berouw en

de wroeging ternauwernood een plaats in zijn hart. Slechts dit ééne

hield hem bezig: waarheen zou hij Maria’s lijk brengen, opdat de moord

niet uitkwam?

Hij besloot, de ongelukkige voorloopig naar een kamertje te sleepen,

dat gewoonlijk diende tot bewaring van tinnen en verf.

Daar sloot hij het lijk op, reinigde den vloer van bloedsporen, wiesch

zichzelf en was juist met dit alles klaar, toen Iluma binnentrad.

Zij droeg onder den wijden mantel en den kostbaren witten sluier, die

haar geheel bedekten, het doorzichtige kleed der bajadere. Zij danste

en Giovanni werkte.

Terwijl haar lichaam zich met draaiende bewegingen door het atelier

bewoog, dat door rood licht werd beschenen, stond Giovanni voor zijn

ezel en schilderde.

Zoo ging het elken nacht, totdat het begon te dagen.

Iluma stiet plotseling een luiden kreet uit en wierp zich op den grond.

Zij hield een langen, zwarten vrouwenhandschoen in haar handen en

snelde naar Giovanni toe, die verbleekend terugweek.

„Ellendeling! Verrader! Wie was er bij je? Je bemint een vrouw behalve

mij? Kom, zeg op, aan wie deze handschoen toebehoort!”

Giovanni begon te liegen, vond allerlei uitvluchten en schijnbaar

gelukte het hem, Iluma gerust te stellen.

Doch inwendig werkte de jaloezie en zij was vast besloten, achter het

geheim te komen en zich op vreeselijke wijze op Giovanni te wreken.

Nadat zij hem had verlaten zon Giovanni na over een middel om het lijk

van Maria ongemerkt te verwijderen.

Intusschen werd Maria door haar ouders gezocht, die de politie te Rome

hadden gealarmeerd. Doch haar lijk werd niet gevonden.

Vele weken verliepen, totdat de dag aanbrak der tentoonstelling in de

Salon te Rome. Giovanni zond twee kunstwerken in, waar van het eene een

portret, getiteld: de bajadere.

Geheel Rome was onder den indruk van dit kunstwerk en de jury wees

Giovanni eenstemmig de gouden medaille toe.

Ook voor zijn tweede inzending, een beeldhouwwerk, kreeg hij een prijs.

In de gelaatstrekken van de vrouwenfiguur, die het voorstelde, meende

menigeen Maria Bonmartini te herkennen.

Op zekeren dag gebeurde er iets vreeselijks.

Iluma had Giovanni niet meer bezocht en hij verging van verlangen naar

haar.

Eindelijk gelukte het hem, haar toestemming te krijgen tot een

samenkomst in het Salon. Zij verscheen zwaar gesluierd en verlangde met

heftige woorden opheldering over het ontstaan van die vrouwenfiguur,

waarin zij van af den eersten dag de overeenkomst had gezien met het

portret, dat reeds lang al haar jaloezie had opgewekt.

Iluma werd steeds opgewondener en voordat Giovanni het kon verhinderen,

haalde zij een kleinen zilveren hamer uit haar ceintuur te voorschijn,

wierp zich op het beeld en sloeg het in stukken.

Wat er toen gebeurde was niet te beschrijven.

Tusschen de overblijfselen van het beeldhouwwerk lag het met bloed

bedekte lijk van Maria Bonmartini.

De bezoekers van den Salon vluchtten als door een paniek aangegrepen

door alle deuren weg.

Iluma evenwel keerde zich met den blik van een krankzinnige naar

Giovanni.

Wellicht had zij tusschen haar sluier reeds den dolk verborgen

gehouden, waarmee zij Giovanni doodstak.

Toen eindelijk de politie zich door de verschrikte menschenmenigte een

weg kon banen, vond zij Iluma als een krankzinnige tusschen de beide

lijken.

Zij lachte, toen zij gevangen werd genomen en bracht den tijd in de

gevangenis door met hartstochtelijke dansen.

Lord Lister No. 0055: Het onschatbare kleinood · 第 4 / 4 段