LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 55 HET ONSCHATBARE KLEINOOD.
HET ONSCHATBARE KLEINOOD.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE SIGARETTENKOKER VAN KEIZER NERO.
„Zal ik je eens wat zeggen, beste Charly, Londen wordt vervelend”,
sprak de veelgezochte, wereldberoemde John C. Raffles tot zijn vriend
en secretaris Charly Brand, toen zij samen na het souper in de
weelderig ingerichte studeerkamer van den Lord zaten.
Dit vertrek was met allerlei kostbaarheden gevuld, welke John Raffles
daarin had verzameld als hartstochtelijk vereerder en verzamelaar van
kunstvoorwerpen.
Op dit oogenblik trad zijn oude, getrouwe kamerdienaar binnen en
overhandigde hem een visitekaartje.
„Deze heer wenscht u nog hedenavond te spreken”, meldde de bediende.
John Raffles las het kaartje, waarop in Latijnsche letters stond:
„Thomas Barring, handelaar in oudheden.”
„Een eigenaardige tijd van den dag om zaken te doen”, sprak hij tot
Charly Brand, „wat zou de man willen?”
Daarop wendde hij zich tot den wachtenden kamerdienaar en beval:
„Laat mijnheer binnenkomen.”
„Heel goed, uw Lordschap.”
Eenige oogenblikken later trad de handelaar in oudheden, een man van
zestigjarigen leeftijd, met een gezicht dat aan een kraai herinnerde,
de studeerkamer binnen, boog en sprak:
„Neem mij niet kwalijk, Lord Warrington, dat ik u nog zoo laat kom
lastig vallen. Ik dacht u in de club te zullen treffen, maar wachtte
daar te vergeefs op u.”
De groote onbekende bezocht sinds verscheidene maanden de voorname club
der „Citymen” onder den naam van Lord Warrington.
Niemand vermoedde daar, dat de elegante gentleman, die zulke
fijnbeschaafde manieren had en zulk een voornamen indruk maakte, en
Lord Edward Lister, alias John C. Raffles een en dezelfde persoon
waren.
„Gij kiest een eigenaardig uur uit,” sprak Raffles tot den
antiquiteitenhandelaar, „om mij op te zoeken.”
„Pardon,” antwoordde deze, „ik hoorde van een heer, die ook lid van uw
club is, dat gij een groot liefhebber van antiquiteiten zijt. Eveneens
vernam ik, dat gij waarschijnlijk morgen op reis zult gaan.
„Om die reden was ik zoo vrij, nog hedenavond bij u te komen om u
gelegenheid te geven, in het bezit te komen van een prachtigen gouden
sigarettenkoker, uit den tijd van den beruchten Romeinschen keizer
Nero.”
Raffles en Charly keken elkaar met een veelbetekenenden blik aan.
De Lord wist niet, waarover hij zich meer moest verbazen, over de
gewetenlooze brutaliteit van dezen handelaar in oudheden, die hem een
sigarettenkoker van keizer Nero wilde verkoopen of over de domheid van
dezen man om te veronderstellen, dat hij werkelijk zoo dom zou zijn, om
iets van deze oplichting te gelooven.
Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij hem in den nek zou pakken en
hem de trap afgooien of wel dat hij, om hem te ontmaskeren, zaken met
hem zou doen.
„Dat is zeer interessant”, sprak hij, „mag ik de doos zien?”
De antiquair haalde uit zijn zak een klein doosje te voorschijn, opende
het voorzichtig en nam er een in vloei gewikkeld voorwerp uit, dat hij
uitpakte en aan Raffles gaf met een gelaat, dat straalde van
bewondering.
Het was een gouden sigarettenkoker, waarop aan de voorzijde „Nero”
stond, gevormd door robijnen en smaragden.
De Lord opende het etui en bekeek het aandachtig.
„Jammer, Mr. Barring, er ontbreekt alleen de naam van de firma, die het
étui heeft gemaakt.”
Zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, antwoordde de
antiquair:
„Naar het werk te oordeelen is de koker afkomstig van den hofjuwelier
van een Perzisch vorst. Het is echter ook mogelijk, dat het Egyptisch
werk is en dat misschien Ramses, de groote Egyptische koning, het aan
keizer Nero ten geschenke heeft gegeven.”
Raffles wist niet, of hij moest vloeken of lachen, terwijl Charly Brand
met groote, verbaasde oogen zijn vriend en meester aanstaarde en dacht,
dat de vreemde bezoeker plotseling krankzinnig was geworden.
Want het was immers onmogelijk, dat een mensch met gezond verstand, aan
een sigarettenkoker van keizer Nero kon gelooven. En nog grooter was de
onzin, dat een koning Ramses, die verscheiden duizenden jaren vóór Nero
had geleefd, dezen het etui ten geschenke zou hebben gegeven.
De groote onbekende echter, wiens gelaat onverschilligheid uitdrukte,
zoodat de antiquair, die hem met scherpen blik opnam, niets van zijn
gedachten kon raden, sprak:
„De sigarettenkoker is inderdaad heel mooi, ik ben alleen bang, dat de
prijs te hoog zal zijn.”
„Maar ik bid u”, antwoordde Mr. Barring, „voor een dergelijke
kostbaarheid is geen prijs te hoog.
„Bedenk eens, welk een hoogst interessant bewijsstuk voor de
kunstgeschiedenis van het Romeinsche Rijk onder keizer Nero het bestaan
van dezen sigarettenkoker is.
„Tot dusverre was nog door niemand, die de Romeinsche geschiedenis
bestudeert, vermoed, dat men reeds onder de regeering van keizer Nero
sigaretten rookte. Dit alles wordt echter bewezen door het bestaan van
dit etui.”
„Hoor eens,” sprak Raffles nu, „er is een groote phantasie voor noodig
om te beweren, dat dit ding, dat in de een of andere Engelsche fabriek
gemaakt zou kunnen zijn, het eigendom moet zijn geweest van keizer
Nero.”
„Hoe bedoelt gij dat?” vroeg de antiquair, „gij ziet immers, dat de
naam Nero in robijnen en smaragden op de voorzijde is aangebracht.
„Dat is toch het beste bewijs, dat de koker het eigendom is geweest van
keizer Nero.
„En daarenboven moet gij eens bedenken, wanneer ik u de luiers te koop
aanbood, waarin de profeet der Turken, Mohammed, als kind heeft
gelegen, dan zoudt gij met hetzelfde recht kunnen beweren, dat die
luiers door mij misschien in den een of anderen Engelschen winkel
gekocht zouden zijn.
„En ik heb toch werkelijk luiers gekregen van een zakenvriend uit
Zürich, die van den profeet moeten zijn geweest en welke ik voor een
zeer hoog bedrag heb verkocht aan Sultan Abdulhamed, toen hij nog op
den troon zat.”
„Uitstekend!” sprak Raffles met een koelen blik, waaronder hij een
glimlach verborg, „de luiers hadden zeker nog de initialen van den
profeet?”
„Ja, dat hadden zij inderdaad”, antwoordde Mr. Barring, „de naam van
den profeet was met gouden letters in het midden geborduurd”.
„Zeg mij eens,” vervolgde Raffles met den grootsten ernst. „Gij
herinnert u misschien wel, dat Jacob van een ladder droomde, die naar
den hemel voerde. Kunt gij mij daarvan niet een sport bezorgen?”
„Waarom zou ik dat niet kunnen?” antwoordde de antiquair, „ik heb al
heel andere dingen in orde gekregen.
„Als er een ladder heeft bestaan, zal daarvan stellig nog wel een sport
voorhanden zijn. Ik zal er werk van maken. In mijn vak is alles
mogelijk”.
„Ik heb in het andere, dat gij mij hebt verteld, niet veel vertrouwen,
maar dit laatste geloof ik graag. Wie u een sigarettenkoker van keizer
Nero te koop aanbiedt, luiers van den profeet ontdekt en in staat is,
van de Jacobsladder een sport machtig te worden, die maakt het
alleronwaarschijnlijkste mogelijk.
„En nu wil ik u eens iets zeggen:
„Deze sigarettenkoker bevalt mij niet, dien geef ik u derhalve terug.
Ik dweep niet met keizer Nero. Maar ik wil u een goed zaakje aan de
hand doen. Hebt gij wel eens hooren spreken over Mr. Simson, den
biscuitfabrikant?”
„Jawel, ik heb wel van hem gehoord”, antwoordde de antiquair, „hij is
hofleverancier van Z. M. den koning.”
„All right,” sprak Raffles. „Die man heeft naar ik hoorde, een
minnares, Betsy genaamd, die aan het Hydepark woont en wier adres ik u
hier opschrijf.
„Gij behoeft de dame niet te vertellen, dat ik u heb gestuurd, maar ga
naar haar toe en geef haar den sigarettenkoker. Stel haar voor om het
etui door haar bemiddeling aan den biscuitfabrikant te koop aan te
bieden.”
„Denkt gij, dat de man zooiets zal koopen?” vroeg de antiquair met een
loerenden vossenblik.
„Die koopt het stellig,” antwoordde Raffles, „ik ken dien heer zeer
goed. Hij koopt u behalve het etui, ook de sport van de Jacobsladder
af.
„Hij is namelijk precies zoo’n ezel als gij dacht, dat ik zou zijn.”
„Pardon”, antwoordde Mr. Barring, „ik hield u niet voor een ezel, maar
voor een kunstliefhebber. Daar gij echter zoo openhartig met mij
spreekt, moet ik u eerlijk verklaren, dat eigenlijk alle
kunstvoorwerpen van antieke waarde slechts dat zijn, wat wij
veronderstellen, dat ze zouden kunnen zijn.”
„Dat klopt,” lachte John Raffles. „Hoe zoudt gij het vinden, als wij
eens samen die zaak opknapten?
„Ik heb nog verscheiden vrienden in Londen, waarop uw woorden van
toepassing zijn.
„Het zijn domkoppen van de eerste soort.
„Verkoop hun een haring, waarvan gij vertelt, dat het de eerste haring
is geweest, dien Adam in het Paradijs heeft gegeten om zijn
katterigheid te boven te komen, dan zult gij den visch tegen goud
kunnen inruilen.
„En ga nu naar het adres dat ik u heb opgegeven om met de dame dat
zaakje in orde te brengen.”
De antiquair nam het stuk papier, waarop John Raffles den naam van de
minnares van den biscuitfabrikant had geschreven en sprak:
„Hoeveel procent eischt gij bij deze zaak, Lord Warrington?”
„Niets,” antwoordde Raffles, „wel echter zal ik bij de verdere zaken,
welke wij samen zullen doen, eerlijk met u moeten deelen.”
Onder veel dankbetuigingen nam de antiquair afscheid.
Toen hij vertrokken was, lachte Raffles hardop:
„Zeg eens, Charly, ik geloof, dat dit een kolossale grap zal worden.
Voor zoover ik den biscuitfabrikant ken, koopt hij alle vodden, die hem
worden aangeboden en voor het verdere verloop van de zaak, om den ouden
bedrieger namelijk zijn oplichterij af te leeren, zal ik wel zorgen.”
„Hoe ken je de beminde van den biscuitfabrikant?” vroeg zijn
secretaris.
„Ik heb haar meermalen met hem op een rit in het Hydepark gezien en
informeerde, in welke verhouding zij tot hem staat.
„Het is een oude bekende van ons, je zult haar nog wel herinneren: het
is de Zwarte Betsy, die het weer eens gelukt is, het in haar
avontuurlijk leven zoover te brengen, dat zij de minnares is geworden
van den millionnair Simson, den biscuitfabrikant.
„Ik ben van plan, die slang eindelijk onschadelijk te maken en hoop,
dat de sigarettenkoker van keizer Nero mij daarbij zal helpen.”
„Ik ben werkelijk nieuwsgierig”, sprak Charly Brand, „hoe je dat weer
aan zult leggen.”
„Dat zul je wel zien,” antwoordde Raffles. „Ik kreeg zooeven een
schitterenden inval. Maak je gereed, ik wil den nacht niet ongebruikt
voorbij laten gaan, maar een bezoek brengen aan de zaak van Mr.
Barring.”
Eenige minuten later verlieten zij samen het huis en hadden zich, daar
het regenachtig en guur was, in grijze gummijassen gestoken, waarvan
zij de capuchons zoover over het gelaat hadden getrokken, dat zij door
niemand herkend konden worden.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN BEZOEK BIJ DEN ANTIQUAIR.
Raffles en Charly Brand bleven voor den winkel van den antiquair
Barring in de Essex-street staan en de eerste bekeek met scherpen blik
de constructie van het deurslot, voordat hij er zich mee ging
bezighouden.
Er was een schild aangebracht van den nachtveiligheidsdienst en daaruit
bleek, dat de winkel door beambten van deze instelling werd gesloten en
bewaakt.
Het uitstalvenster was, zooals dat gewoonlijk bij juweliers het geval
is, naar de buitenzijde met een ijzeren traliedeur afgesloten.
In de uitstalling bevonden zich allerlei kostbaarheden, juweelen,
gouden sieraden, kostbare porseleinen voorwerpen en brokaatstoffen,
terwijl op den achtergrond zeer kostbare oude Hollandsche schilderijen
waren tentoongesteld.
John Raffles had een bos kunstig bewerkte steeksleutels uit zijn zak te
voorschijn gehaald en, nadat hij met eenige ervan het slot had
onderzocht, vond hij eindelijk een die paste en waarmee hij de deur
opende.
Raffles had vermoed, dat een bel of wekker met deze deur in verbinding
zou staan, maar dit bleek niet het geval te zijn.
Snel trad Charly Brand achter hem binnen en zacht sloot de groote
onbekende de deur weer aan de binnenzijde.
Nu gingen zij verder en Raffles, die vreesde van de straat opgemerkt te
zullen worden, als hij licht maakte, begaf zich naar een kamer achter
den winkel, om die meer ongestoord te kunnen doorzoeken dan den winkel
zelf.
Toen hij de deur opende, bleef hij verschrikt staan.
Het vertrek was helder verlicht, in het midden stond een ezel met een
bijna voltooid schilderij erop en daarvoor zat, alsof hij geheel in
zijn werk verdiept was, een mensch, blijkbaar een schilder.
Hij scheen de binnenkomenden niet op te merken, want hij verroerde zich
niet.
Charly Brand haalde nauwelijks adem.
Als versteend bleef hij staan en het was hem, alsof zijn voeten hun
dienst weigerden.
Zijn vriend echter bekeek met koelen blik den schilder, van wien hij
slechts den rug zag en het lange zwarte haar.
Zachtjes sprak Raffles tot Charly Brand:
„Die man slaapt, maak zoo weinig geluid als mogelijk is, dan is er geen
gevaar voor ons.”
Onhoorbaar naderde hij den slapende, wiens hoofd diep op de borst hing,
terwijl penseel en palet op den grond lagen.
Onmiddellijk zag hij, dat het een kunstenaar was, die daar voor hem zat
en vol belangstelling bekeek hij het bijna voltooide schilderij op den
ezel.
Hij zou het voor een echten Rembrandt hebben gehouden, zoo prachtig was
de copie uitgevoerd. Het origineel stond er naast.
Met kennersblik ik bekeek de lord het meesterwerk.
Plotseling echter boog hij zich naar den rechterhoek van het schilderij
en liet een zacht gefluit hooren.
„Ik dacht het wel,” sprak hij fluisterend, tot Charly,—„dit schilderij
is niet alleen copie—het is vervalscht!”
De secretaris keek eveneens naar de plek, die zijne vriend aanwees:
precies zooals op het kleine origineel stond daar op het grootere in
verrassende gelijkenis de handteekening van Rembrandt.
„Dat wist ik,” vervolgde Raffles. „Ik wist, dat ik hier bij den
antiquair een bedriegershol van de ergste soort zou aantreffen.
„Om de geheimen van Barring nauwkeuriger te onderzoeken, zal ik een
gesprek aanknoopen met dezen schilder en hem voor dat doel wakker
maken.”
„Ik bid je,” sprak Charly Brand, „laat hem slapen, je kunt niet weten,
welke onaangenaamheden je uitlokt.”
„Pah!” lachte de groote onbekende, „daarvoor ben ik nooit bang.”
Voordat Charly Brand het kon beletten, ging hij naar den schilder toe,
legde hem de rechterhand op den schouder en schudde hem flink heen en
weer.
Met een verschrikte gelaatsuitdrukking staarde de man, die zoo
plotseling uit zijn slaap werd gewekt, Raffles aan.
Eindelijk sprong hij op en stamelde:
„Wie zijt gij, heeren? Wat wenscht gij van mij?”
„Stel u gerust,” sprak Raffles, „wij zijn geen moordenaars en wenschen
ook niets slechts, integendeel!
„Ik zie, dat gij daar een mooi schilderij hebt vervaardigd. Rembrandt
zelf had het niet beter kunnen schilderen. Gij zijt een genie!”
Het gelaat van den ongeveer twintigjarigen schilder, dat een
meisjesachtige, zachte uitdrukking had, werd bij de woorden van lof,
die Raffles tot hem sprak, donkerrood.
Hij scheen alle vrees voor de twee heeren, die zoo plotseling voor hem
stonden te hebben verloren en sprak met een bitteren lach:
„Wat geeft mij al mijn aanleg, Sir, als ik daarmee niet genoeg verdien
om mijn honger te stillen?”
„Wat?” vroeg Raffles verbaasd, „zooveel verdient gij nog niet?—Iemand
die zoo begaafd is als gij, zou rijk moeten zijn.”
„Gij vergist u,” antwoordde de schilder, terwijl hij met een somberen
blik naar het schilderij keek, „wie hier in Londen geen protectie
bezit, dien koopen de voorname lui geen enkel schilderij af.
„Hier bij ons wordt alleen hij betaald, die in de mode is”.
„Wel”, antwoordde de Lord, „dat kan zijn, ik wil dat niet ontkennen.
Maar zeg eens, wat krijgt gij van Mr. Barring voor dit werk?”
„Twee shilling per dag”, luidde het antwoord.
„Wat?” riep Raffles uit, meenende niet goed verstaan te hebben. „Krijgt
gij per dag twee shilling? Zooveel verdient immers een huisschilder in
een paar uur!”
„Ik ben niet geschikt om huisschilder te worden. Ik ben longlijder en
heb reeds een keer een bloedspuwing gehad.”
„Nu,” sprak Raffles, „als gij hier van den morgen tot den avond in dit
hol zit, zal uw gezondheid er ook niet beter op worden.”
„Ik heb geen andere keus”, antwoordde de schilder, „en ik dank den
hemel, dat ik dit werk nog heb. In vergelijking met verschillende van
mijn collega’s ben ik nog rijk te noemen. Zij hebben dikwijls nog niet
zooveel om zich elken dag een warmen maaltijd te kunnen veroorloven.”
„Hm,” sprak Raffles peinzend, „ik had toch gedacht, dat gij inplaats
van twee shilling per dag minstens twee pond sterling zoudt verdienen,
want”—hij zweeg veelbeteekenend en keek naar den rechterhoek van het
schilderij, waar de naam Rembrandt stond.
Met een schuwe gelaatsuitdrukking volgde de schilder zijn blik en
opnieuw kleurde een donkere blos zijn gelaat.
Daar hij niet antwoordde, vervolgde de Lord:
„Ik geloof, dat gij mij begrijpt, mijnheer.
„Wie een Rembrandt zoo handig copieert en zijn handteekening zoo
uitstekend namaakt, dat hij niet van de echte te onderscheiden is, die
verdiende toch eerlijk twee pond per dag”.
Hij zweeg een oogenblik en vervolgde daarna:
„Zeg eens, vriend, hoeveel van dergelijke schilderijen hebt gij reeds
gefabriceerd?”
De schilder was overbluft en wist niet wat te antwoorden.
Eindelijk sprak hij met moeite:
„Pardon Sir, ik weet niet, met welk recht gij mij dat vraagt.
„En—verder—mijnheer, ik weet in het geheel niet, hoe gij eigenlijk hier
zijt gekomen. De winkel werd toch, evenals altijd, door Mr. Barring
gesloten en zal niet voor morgenochtend geopend worden”.
Raffles gaf geen antwoord, sloeg de capuchon van zijn regenmantel, die
nog steeds zijn gelaat bedekte, een weinig terug, nam een der antieke
stoelen, die in het vertrek stonden, bekeek vluchtig het kunstige
snijwerk daarvan en ging erop zitten met de kalmte en het gemak van een
bezoeker, wien door den gastheer een stoel wordt aangeboden.
Hierop haalde hij zijn sigarettenetui te voorschijn, sloeg het eene
been over het andere, stak tamelijk langzaam en omslachtig een sigaret
aan en presenteerde daarop het van juweelen vonkelende etui aan Charly
Brand.
Daarop begon hij te rooken en eerst nu richtte hij zich weer tot den
schilder, die vol verbazing naar het eigenaardige optreden van den
grooten onbekende keek en sprak:
„Gij hebt zeer zeker reden om u te verbazen, hoe ik hier ben
binnengekomen, hoewel deze vraag eigenlijk geheel en al overbodig was.”
„In hoeverre overbodig?” antwoordde de schilder.
„Wel, in zooverre”, sprak Raffles, „dat gij zelf weet, dat de deur van
den winkel gesloten was en ik dus hier niet had kunnen binnenkomen,
zonder deze te openen!
„Daar ik nu toch hier ben, moet ik natuurlijk de deur hebben geopend.
En daar ik geen sleutel van Mr. Barring heb gekregen, heb ik dit met
mijn eigen gedaan. Ik ben hier dus, zooals men dat noemt, ingebroken.”
Het gelaat van den schilder werd bleek, vol ontzetting staarde hij naar
Raffles, die hem dit alles met de grootste kalmte, af en toe rookend,
vertelde.
„Om Gods wil,” antwoordde hij nu, „wat wilt gij hier? Gij maakt u
schuldig aan misdaad en als Mr. Barring kwam, zou hij de politie
roepen!”
De groote onbekende lachte hartelijk en rookte bedaard door.
Daarop sprak hij op afgemeten toon:
„Mr. Barring zal toch zeker de politie niet halen, opdat deze kan zien,
welke prachtige vervalschingen hier worden vervaardigd?”
„Gij hebt gelijk”, stamelde de schilder.
„Gij ziet dus,” vervolgde Raffles, „dat iemand, die bij Mr. Barring
inbreekt, geen gevaar te duchten heeft. Ik begrijp niet, hoe de man zoo
dom kan zijn om zijn winkel zoo af te sluiten tegen inbrekers.
„Werkelijk, als alles, wat zich in den winkel van dien heer bevindt,
zulke mooie vervalschingen zijn als de Rembrandt, die gij daar
copieert, dan moet het een domme inbreker zijn, die iets van Mr.
Barring steelt.
„Maar luister nu eens, jonge vriend.
„En van het oprechte, eerlijke antwoord, dat gij mij geeft, hangt
misschien veel voor u af.
„Ik vraag u nogmaals:
„Hoeveel van dergelijke vervalschte schilderijen hebt gij hier reeds
gemaakt?”
Met onzekeren blik keek de schilder Raffles aan.
Daarop stamelde hij:
„Ik kan het u niet zeggen.”
„Een dozijn?”
De schilder haalde de schouders op.
„Meerdere dozijnen?”
„Yes, Sir!”
„Heeft Mr. Barring ze alle verkocht?
„Voor een deel wel. Twee zelfs aan het museum alhier”.
„Wie bezit de andere?”
„Eenige kunsthandelaren in Berlijn, Parijs en Petersburg. De heeren
hebben een vereeniging opgericht om de schilderijen zoo goed mogelijk
te verkoopen.”
„En gij zijt de eenige fabrikant?”
„Ja, dat ben ik!”
„Man, gij verdient om in een koudwaterinrichting te worden opgenomen.
Gij zijt gek.
„Gij fabriceert voor duizenden aan waarde en zijt misschien niet eens
in staat om u een fatsoenlijk pak kleeren te koopen.”
„Daarin hebt gij volkomen gelijk,” antwoordde de schilder, „maar de
nood heeft mij hierheen gedreven en uit nood doe ik dit werk.”
„Zijn de meubelen en andere voorwerpen, die zich hier in den winkel
bevinden, ook op die manier vervaardigd als de Rembrandt op den ezel?”
„Yes, Sir! Doch slechts met dit verschil, dat uit een echte oude tafel
een kwart dozijn worden gemaakt.
„De drie stoelen bijvoorbeeld, die gij hier ziet, zijn van een enkelen
echten gemaakt, die uit elkaar werd gehaald.
„De ontbrekende deelen heeft een jong beeldhouwer vervaardigd, die zich
een half jaar geleden van kant heeft gemaakt.”
Raffles keek nadenkend naar de stoelen en zag daarop in een hoek van
het vertrek een brandkast staan.
Hij stond op, ging er naar toe en nadat hij er eenige minuten vol
aandacht naar gekeken had, haalde hij weer zijn steeksleutels te
voorschijn en begon ze op het slot der brandkast te probeeren.
„Om ’s Hemels wil, Sir!” riep de schilder uit, „maak uzelf en mij niet
ongelukkig en laat de brandkast onaangeroerd!”
„Wees onbezorgd”, antwoordde Raffles, „ik zal er niets uitnemen en stel
alleen belang in de oude constructie.
„Kom eens hier, Charly!” riep hij dezen toe, „deze kast moet een van de
oudste zijn, die er bestaan. Ze bezit slechts een eenvoudig draaislot
en twee grendels.
„Kinderwerk, om haar te openen.”
„Daar—”
Met zacht geluid sprong het slot terug en Raffles opende de deur der
brandkast.
„Ik bid u”, smeekte de schilder, „laat alles onaangeroerd. Mr. Barring
zal anders gelooven, dat ik de kast heb opengebroken.”
„Daarin vergist gij u”, sprak Raffles, „dat zou Mr. Barring denken, als
hij een ezel was. Daar hij echter een geslepen schurk is, zal hij zulk
een kunststuk niet van u verwachten.”
De Lord keek vol belangstelling in de brandkast en nam er plotseling
iets uit.
„Aha, hier heb ik, wat ik zocht”, sprak hij tot Charly Brand, „het
chequeboek van den heer Barring. En hier liggen ook brieven, die hij
onderteekend heeft, zoodat het voor den jongen kunstenaar daar een
kleinigheid zal zijn, mij volgens dit voorbeeld op een der cheques den
naam van zijn edelmoedigen werkgever te zetten.
„Luister eens”, sprak hij nu tot den schilder, „ik wil u eens iets
zeggen:
„Hebt gij zin om in de gevangenis te komen?”
„Neen, neen, om ’s Hemels wil, neen! Mijn oude moeder zou van schaamte
en verdriet sterven.”
„All right”, antwoordde Raffles, „ik laat u de keus. Hier ligt een
cheque, waarop gij den naam van Mr. Barring, precies zooals die op
dezen brief staat, moet copieeren.”
„Dat kan ik niet doen”, antwoordde de schilder op angstigen toon.
„All right”, antwoordde de vreemde heer, het chequeboek weer in de
brandkast terug leggend, „dan zal ik morgen de politie een wenk geven,
omtrent hetgeen gij hier met Mr. Barring uitvoert en dan kunt gij
jarenlang naar het tuchthuis gaan.”
Op het gelaat van den schilder stond hevige tweestrijd te lezen.
Raffles ging naar de deur, maar keerde zich nog eens om en sprak:
„Dus?”
Toen raapte de schilder al zijn moed te zamen, greep het chequeboek,
nam papier en pen en zonder den Grooten Onbekende meer aan te zien,
copieerde hij naar het voorbeeld van den brief den naam Barring en
zette dien op de cheque.
Toen hij ermee gereed was, stond het zweet hem in dikke droppels op het
voorhoofd.
„Hier hebt gij het verlangde”, sprak de schilder, terwijl hij Raffles,
die naast hem was komen staan, de cheque gaf.
Deze vergeleek de onderteekening nauwkeurig met die van den brief,
knikte tevreden en sprak:
„Zeer goed gedaan. En nu wil ik u eens wat zeggen, mijn jonge vriend.
De vervalsching van deze cheque is geen schande voor u. Want ik dwong u
tot deze misdaad. En nu wilt gij zeker wel zoo vriendelijk zijn, mij uw
adres te geven, dan hoop ik wel iets goeds voor u te kunnen doen.
„Zet uw naam op dit stuk papier.”
Nadat de schilder het had gedaan, stak de Lord het adres bij zich,
evenals de cheque en ging naar de brandkast. Hierin legde hij het
chequeboek en bracht alles weer zoo in orde, dat niemand iets van het
voorgevallene kon vermoeden.
Daarna sloot hij de kast, trok de capuchon van zijn regenjas weer over
het gelaat en sprak:
„Het zou beter zijn, als gij gingt slapen! Gij ziet er heel slecht uit,
jonge vriend en misschien hebt gij spoedig uw krachten voor een beter
doel noodig dan om voor Mr. Barring Rembrandt te vervalschen.”
Hij stak den schilder zijn hand toe, welke deze aarzelend aannam.
„Mag ik weten, wie gij zijt?” vroeg hij.
„Dat komt er voor u eigenlijk niet op aan”, antwoordde Raffles, „maar
ik zal u zeggen onder welken naam ik bij de Engelsche pers en het
Engelsche volk bekend sta:
„Ik ben de Groote Onbekende!”
Verschrikt staarde de schilder naar den sprookjesachtigen persoon, naar
den meesterdief, dien hij uit de kranten kende.
Het was hem, alsof er een sluier voor zijn oogen kwam, alsof de persoon
van John C. Raffles zich in een nevel had opgelost en nu plotseling was
verdwenen.
Als onder hypnose staarde hij nog steeds naar de plek, waar Raffles zoo
juist nog had gestaan en die nu leeg was.
Met een rilling van angst begaf de schilder zich met een licht naar den
winkel om zich ervan te overtuigen of de deur gesloten was.
Juist toen hij deze was genaderd, kwam van buiten een beambte van den
nachtveiligheidsdienst om te zien of het slot in goede orde was.
„Hallo, Sir Jonas”, riep de beambte den schilder toe door de gesloten
deur, „werkt gij tegenwoordig elken nacht? Dat is niet goed voor u, ga
liever slapen.”
De schilder hoestte en antwoordde:
„Ik zal weldra een tijdje verlof nemen. Zeg eens, nachtwacht, hebt gij
hier aan de winkeldeur een paar mannen in gummijassen gezien?”
„Neen”, antwoordde de nachtwacht, „hoezoo? Ik heb hier niemand gezien.
En aan de deur kan niemand geweest zijn. Alles is volkomen in orde!”
„Ik dank u”, antwoordde de schilder.
Daarop ging hij naar zijn werk terug, steunde het hoofd met beide
handen en, als hij niet den fijnen geur van Raffles’ sigaret had
geroken en de asch op den grond had zien liggen, dan zou hij inderdaad
aan een middernachtelijk spook hebben geloofd.
DERDE HOOFDSTUK.
DE BESCHUITFABRIKANT.
Inspecteur Baxter, de chef van het hoofdbureau van politie van Scotland
Yard, had zijn secretaris, detective Marholm, die gewoonlijk „de Vloo”
werd genoemd, weggestuurd, omdat hij een conferentie had met een dame.
„Het wordt steeds fraaier,” sprak de vloo tot zichzelf, toen hij in het
portaal stond en naar de gesloten deur van het heiligdom van zijn chef
keek, „nu laat hij de dames al in het hoofdbureau van politie komen en
daarbij toont hij een slechten smaak te bezitten, die meer dan erg is.
Ik heb zelden zulk een afschuwelijk vrouwspersoon gezien als die nu bij
mijn chef op bezoek is.”
Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij een pijpje zou stoppen om te
gaan rooken of dat het beter zou zijn om door het kijkgaatje te zien
wat er in de kamer van zijn chef voorviel.
Het kijkgaatje was een klein venstertje in de deur, voorzien van een
klein klepje van blik en dat iets grooter was dan een menschenoog.
De inspecteur van politie had het laten aanbrengen om zijn secretaris,
wanneer deze werkte, ongemerkt te kunnen bespieden.
De vloo besloot om gebruik te maken van het kijkgaatje. Hij sloop op de
teenen naar de deur en keek in de kamer.
Hij had iets anders verwacht dan hetgeen hij zag.
Inspecteur Baxter zat met over elkaar geslagen beenen aan zijn
schrijftafel en rookte, terwijl naast de schrijftafel de bezoekster had
plaats genomen. Zij had een notitieboekje en potlood in de hand.
De vloo kon alles wat er tusschen zijn chef en de vreemde meid werd
verhandeld, duidelijk hooren.
Juist sprak de inspecteur:
„Voor alles, miss Prince, mag niemand iets van onze overeenkomst weten.
Gij zijt de eerste persoon, aan wie ik beken, dat het mij niet gelukt
om Raffles te vangen.
„Daar ik van uw groot succes bij internationale misdadigers heb
gehoord, ben ik op het idee gekomen om door u Raffles eindelijk
onschadelijk te laten maken. Ik hoop, dat het u zal gelukken.”
„Twijfel daaraan niet, inspecteur,” antwoordde Miss Prince,—„het zal
mij ongetwijfeld gelukken, Raffles te vangen. Zoo lang gij de zaak in
handen hadt, had ik er geen belang bij, mij met den meesterdief bezig
te houden.
„Ik wilde u niet in de wielen rijden.
„Nu gij mij echter officieel opdracht er toe geeft, zeg ik u hiervoor
mijn dank en waarschijnlijk zal aan de vrouw gelukken, wat de mannen
tot dusverre niet hebben kunnen doen.”
De vloo glimlachte, en als de inspecteur van politie het grijnslachje
van zijn detective had kunnen zien, zou hij hem een van zijn ellenlange
vloeken naar het hoofd geslingerd hebben.
„Zooals ik zie, Miss Prince,” vervolgde hij, „ik heb er om
verschillende redenen persoonlijk belang bij, Raffles onschadelijk te
maken. Waar hij kan, speelt hij mij een poets.”
Miss Prince lachte vol zelfvertrouwen.
„Dat heerschap zal niet al te veel tijd meer hebben om zich in zijn
vrijheid te verheugen. Ik houd van vlug afwerken!”
„Ik wensch u het beste,” sprak Baxter.
„Hebt gij eenig vermoeden, waar de woonplaats of het tegenwoordige
verblijf van den grooten onbekende in Londen is?”
„Hij bezit altijd verscheidene woningen, dat wil zeggen, zoogenaamde
schuilhoeken, die hij tengevolge van zijn onmetelijk fortuin tegen
elkaar verwisselt als een gentleman zijn handschoenen.
„Bovendien moet hij onder een vreemden naam hier een paleis bewonen,
dat ik echter ook niet ken.
„Gij ziet, dat het niet gemakkelijk is, den meesterdief te pakken te
krijgen.”
Miss Prince knikte toestemmend.
„Misschien bezit gij een photographie van hem.”
„Ook dat niet,” antwoordde Baxter, „ik kan u zelfs geen nauwkeurige
beschrijving geven.
„Hij heeft telkens een andere vermomming.
„Ik zou u kunnen zeggen, dat hij gladgeschoren is, terwijl hij
misschien op hetzelfde oogenblik een witten baard draagt of een
Franschen Henry IV, misschien zelfs een snor als keizer Wilhelm.
„Misschien gaat hij op het oogenblik gekleed als een Engelsch
gentleman, of in uniform, zoo hij niet als een bedelaar in lompen is
gehuld.
„Ja, het zou best mogelijk kunnen zijn, dat gij hem op straat
tegenkwaamt en dacht dat ik het was.”
„Een merkwaardig mensch!”
„Duivels handig! Hij zou een acteur geworden zijn, zooals er geen
enkele op aarde bestaat.
„Een nieuwe Irving—een Kainz.
„Want elke vermomming geeft hij met onnavolgbare gelijkenis weer.
„Hoe dikwijls heb ik reeds de hand op hem gelegd, hoe vele malen heeft
hij tegenover mij gestaan en gewoonlijk vernam ik eerst een kwartier
later door de telefoon of door middel van zijn visitekaartje, dat hij
mij heel beleefd zond, dat hij het was geweest.
„Hij heeft mij reeds dermate tot wanhoop gebracht, dat ik op straat of
waar dan ook in iedereen, dien ik tegenkom, Raffles vermoed. Kort en
goed, ik kan hem niet krijgen en daarom vraag ik uw medewerking.”
„Geef mij het bevel tot inhechtenisneming.”
Met een ijver, welke Baxter anders niet kenmerkte, schreef hij het
bevel, onderteekende en stempelde het en overhandigde het aan Miss
Prince.
De vrouwelijke detective las het bevel tot inhechtenisneming door,
vouwde het zorgvuldig op en borg het in haar handtaschje.
„Gij zult weldra iets van mij vernemen,” sprak zij en stond op om heen
te gaan.
„Laat ons het beste hopen, Miss Prince, ik laat alles over aan uw
verstand en handigheid.”
Het tweetal gaf elkaar de hand, de vloo sprong van het kijkgaatje weg
en toen Miss Prince uit het bureau kwam, stond hij zich zichtbaar bij
het venster te vervelen en naar buiten te kijken.
Voordat Miss Prince echter het vertrek verliet, keerde Marholm zich met
een ruk om, om nogmaals haar gelaat te zien.
„Drommels,” sprak hij, „een monster van leelijkheid. Die past eerder in
manskleeren dan in een japon.”
Daarop ging hij naar zijn chef, die weer aan zijn schrijftafel zat en
juist van plan was, een versche sigaar op te steken.
„Dat bezoek heeft niet lang geduurd,” sprak de vloo en nam een bundel
acten op, die op zijn schrijftafel lagen om gecopieerd te worden.
„Stoor mij niet,” antwoordde Baxter kortaf. „Gij ziet, dat ik bezig
ben.”
Bij die woorden blies hij vol welbehagen een dikke rookwolk voor zich
uit.
„Ja, ja,” sprak de vloo, „daarvan een dozijn op een dag rooken, is een
moeilijk werk!”
„Bedoelt gij mij daarmee?” vroeg Baxter op scherpen toon.
„Ik bedoel alleen,” antwoordde de vloo, „dat ik u tot dusverre altijd
met veel knappere dames zag. Die lady van zooeven zou mijn keus niet
zijn.”
„Weet gij dan, wie die dame was?” vroeg Baxter.
Marholm lachte.
„Drommels, denkt gij dat ik alle oude wijven in Londen ken? Dat
genoegen laat ik graag aan u over.”
„Praat toch geen onzin,” antwoordde Baxter. „Het was geen gewoon
damesbezoek, zooals men dat anders ontvangt, deze dame kwam voor zaken
bij mij. Alleen voor zaken!
„Het is de beroemde Amerikaansche, Miss Prince!”
„Ha, ha, de vrouwelijke detective!”
„Ja”, riep Baxter, „en deze vrouw zal mij den geslepen Raffles
eindelijk in handen leveren.”
„Nu,” lachte de vloo, „wie weet, welk Trojaansch paard gij met die dame
weer naar binnen hebt gehaald.”
„Gij moet eindelijk uw aardigheden eens voor u houden, Marholm; ga maar
liever aan uw werk en bemoei u niet met dat, wat ik doe. Gij steekt
veel te dikwijls uw neus in mijn zaken.”
„Neem mij niet kwalijk,” antwoordde de vloo met een spottende buiging,
„de Hemel moge mij bewaren, want als ik mij met uw zaken bemoei dan zou
immers mijn naam naast die van u in de kranten worden genoemd.”
Baxter deed alsof hij deze woorden niet hoorde—hij wilde zich niet
ergeren.
De vloo echter vervolgde:
„Nu ontbreekt ons bij die vrouwelijke detective nog alleen maar een
vrouwelijke Raffles.”
Zich niet storende aan den woedenden blik, dien zijn chef hem toewierp,
nam hij aan zijn schrijftafel plaats, stopte, het voorbeeld van zijn
chef volgend, zijn tabakspijp en begon dikke rookwolken voor zich uit
te blazen.
Waarom zou hij werken als zijn chef het niet deed?
Zoodra de inspecteur van politie heenging, zou hij het copieerwerk op
de secretarie brengen, dan konden de heeren daar zien, hoe ze er mee
klaar kwamen.
Baxter had de gewoonte, nooit langer dan hoog noodig was, in het bureau
te blijven.
Weldra stond hij op, kleedde zich aan en, in de deur staand, sprak hij
tot zijn secretaris:
„Als er iets gewichtigs mocht gebeuren, moet gij maar naar mijn woning
telefoneeren. Bonjour!”
De vloo beantwoordde den groet van zijn chef slechts met een
onverstaanbaar gebrom.
Nauwelijks had de inspecteur de deur achter zich gesloten, of ook
Marholm stond op en nam zijn overjas, om het voorbeeld van zijn chef te
volgen.
Juist wilde hij heengaan toen hij een verbazend dikken heer tegen het
lijf liep. Hij riep uit:
„Duivels, uw buik vult de geheele deuropening, gij moet er zijwaarts
doorgaan.”
„Pardon,” antwoordde de ander, „ik zag niet, dat gij er uit wildet.”
„Ja, ja,” spotte de vloo, „Men kan moeilijk over zoo’n vetbuik
heenkijken.
„Maar luister eens, ken ik u niet?”
„Jawel,” antwoordde de dikkert met een zware stem, „ik ben de
hofleverancier van Zijne Majesteit den Koning, den biscuitfabrikant
Simson.
„Alle koningen van Europa, alle hertogen en andere allerhoogste
personen hebben mij voor mijn biscuit reeds bekroond en bovendien ben
ik in het bezit van alle onderscheidingen der Engelsche en
Amerikaansche hoogescholen.”
„Kolossaal!” sprak de vloo, „maar men kan ook wel aan u zien hoe
beroemd gij zijt. Gij zijt een persoon van gewicht.”
„Dat ben ik zeker! Ik weeg driehonderdvijftig pond! Ik durf beweren, op
een na de zwaarste man in de Vereenigde Koninkrijken te zijn.”
„Zeer aangenaam, kennis met u te maken; dat wil zeggen, ik kende u
immers al van de geschiedenis, welke gij met Raffles hebt gehad, waarin
gij ook een rol hebt gespeeld.
„Gij hielpt hem toen bij zijn vlucht, zonder te weten, met wien gij te
doen hadt”.
„Ja,” sprak de biscuitfabrikant, „dat was toen een allergekste
geschiedenis. Ik had er geen flauw vermoeden van, dat de voorname
gentleman, dien ik te Ostende leerde kennen en dien ik op mijn jacht
naar Londen bracht, de veelgezochte Raffles was.
„Dat zou me nu niet meer kunnen overkomen, nu zou ik den schurk
onmiddellijk bij den kraag pakken en hem als een hond naar het
hoofdbureau van politie sleepen.”
„Dan hadden wij hem eindelijk en dat zou te wenschen zijn,” antwoordde
de vloo. „Gij zoudt daarmee politieinspecteur Baxter den allergrootsten
dienst bewijzen.
„Mag ik u nu vragen, wat u eigenlijk tot ons voert?”
„Een eigenaardige zaak,” zuchtte de fabrikant, wien het spreken
tengevolge van zijn vetbuik en zwaarlijvigheid moeilijk viel.
„Een zeer eigenaardige zaak. Ik heb in een mijner huizen in Eastend in
een atelier, boven, op de vierde étage, iemand wonen, die beweert
modelleur te zijn. Door dien man leerde ik een antiquair kennen, een
zekeren Barring.
„Deze Barring nu bracht mij verleden week een met edelsteenen bezetten
sigarettenkoker, op wier deksel met juweelen—en robijnen—de naam van
keizer Nero stond”.
„Wat!” riep de vloo uit, de rechterhand aan zijn oor houdende om beter
te kunnen hooren. „De naam Nero op uw sigarettenkoker?”
„Ja,” antwoordde de biscuitfabrikant, „het is een sigarettenkoker, die
het eigendom is geweest van keizer Nero en de echtheid ervan is mij
door een document gewaarborgd, dat de antiquair mij bij den koop
overhandigde.
„Deze kostbare koker is mij gisteren ontstolen.
„Ik kom derhalve hier om den diefstal aan te geven.”
„Om u de waarheid te zeggen,” antwoordde de vloo, „ik laat mij niet
graag iets wijs maken. Een sigarettenkoker uit den tijd van Nero? Hoor
eens, dat is een beetje gek! En die zou door iemand gestolen zijn?
Zoo’n sigarettenkoker bestaat er immers niet!”
„Wat?” riep de biscuitfabrikant. „Bestaat die niet? Dat moet ik toch
beter weten, ik had dien immers zelfs in mijn bezit en het was nog wel
de grootste zeldzaamheid van mijn geheele verzameling!”
„Kostelijk!” lachte de vloo, „gij verkeert dus werkelijk in de meening,
dat keizer Nero al sigaretten heeft gerookt? Kent gij misschien ook de
firma, van welke hij ze betrok?”
„Jawel”, antwoordde de biscuitfabrikant, „ook de firma is mij bekend,
want het wonderlijkste aan het geheele étui was een Egyptische
sigarette, de laatste, die van de sigaretten van keizer Nero
overbleef”.
De vloo ging een stap achteruit om den biscuitfabrikant goed te kunnen
aankijken.
„Zeg eens, mijn waarde”, vroeg hij op eenigen afstand, „hebt gij al
eens delirium tremens of een dergelijke hersenziekte gehad?”
„Ik begrijp u niet,” antwoordde Mr. Simson, „ik heb tot dusverre nog
geen hoofd- of hersenziekten gehad. Ik ben zoo gezond als een visch in
het water en alleen als ik eraan denk, dat misschien een gemeene
vagebond, de eerste de beste gauwdief op dit oogenblik de laatste
sigaret van keizer Nero rookt, dan zou ik razend kunnen worden.”
„Om ’s Hemels wil!” weerde de vloo af, „doe dat als gij thuis zijt,
maar niet hier.
„Maar zeg eens, hoe heet de firma, waarvan die sigaret afkomstig is?”
„Aegyptos,” antwoordde de biscuitfabrikant in vollen ernst.
„Eenvoudigweg Aegyptos en de naam was met Grieksche letters op het
papieren omhulsel van de sigaret gedrukt.”
„Wat was hij?” lachte de vloo, „de naam was gedrukt? Sir, ik weet niet,
wat ik meer moet bewonderen, uw domheid of uw krankzinnigheid! Voor
zoover ik weet, bestond er in de tijden van Nero noch een drukkerij,
noch een firma, welke sigaretten fabriceerde. Uw verstand schijnt in uw
vetbuik gezakt te zijn!
„Mijnheer!” stoof de dikkert op, „houd uw beleedigingen voor u! Ik ben
niet hier gekomen om mij door u te laten uitschelden en bespotten.”
„En ik sta niet hier,” antwoordde de vloo, „om mij door u dergelijke
nonsens te laten vertellen.”
„Dat is geen nonsens,” riep de biscuitfabrikant met schrille stem,
„vraag den antiquair Barring en lees het document, dat ik in mijn zak
heb. Tenminste als gij Latijn kent.”
„Dat kan ik niet,” antwoordde de vloo, „maar het is mij voldoende, als
gij het kent.”
„Ik kan het helaas ook niet,” was het antwoord van Mr. Simson, „maar
Mr. Barring, door wiens tusschenkomst ik het sigarettenetui van keizer
Nero van een vroegere actrice, Miss Betsy Hartwig kocht, zal u den
inhoud van het document bevestigen.”
„Hoe heet de dame, van wie gij het etui hebt gekocht?”
„Miss Betsy Hartwig?”
„Hartwig?” lachte de vloo, „die dame heeft zwart haar, nietwaar?”
„Ja!”
„En een donker teint?”
„Ja!”
„Is ongeveer 35 jaar oud?”
„Ja,” antwoordde de biscuitfabrikant, „gij schijnt die dame te kennen,
waarom vraagt gij mij dat alles dus?”
„Wacht een oogenblikje, Sir!” sprak de vloo, „ik zal u even het portret
van die dame halen!”
Hij belde en beval den binnentredenden politieagent om uit de
misdadigersalbums photographie no. 3874 te halen.
De politieagent ging heen en de vloo, die de geheele zaak als een
kostelijke grap beschouwde, sprak tot den biscuitfabrikant:
„Gij schijnt een groot vriend van oudheden te zijn!”
„Ik ben daarvoor bekend,” antwoordde Dr. Simson. „Mijn huis is gevuld
met de kostbaarste schatten, die ik heb kunnen verkrijgen. Ik bezit
echte Rubens, Van Dijks, Rembrandt’s en Frans Hals’, kunstige
goudwerken, kostbare meubelen, tapijten, wapens en borduurwerken. Mijn
vermogen stelt mij in staat, mij deze weelde te veroorloven.”
„Uw biscuits moeten een onuitputtelijke bron van inkomsten vormen.”
„Dat doen zij ook,” sprak de fabrikant. „Er is geen hof in Europa en
geen familie, waar niet mijn fabrikaat gegeten wordt. Zij zijn licht
verteerbaar, goed van smaak en niet duur.”
„Kolossaal,” lachte de vloo, „het spijt mij werkelijk, dat ik niet ook
biscuitfabrikant ben geworden.”
Op dit oogenblik trad de politieagent binnen en overhandigde de vloo de
gevraagde photographie.
Nauwelijks had Mr. Simson een blik op het portret geworpen, of hij riep
op levendigen toon uit:
„Gij hebt gelijk, dat is zij. Hoe komt gij aan die photo?”
„Heel eenvoudig,” lachte de vloo, „die dame is hier op het hoofdbureau
van politie een der meest bekende persoonlijkheden. Zij is een
avonturierster van de gevaarlijkste soort en heeft ons al veel werk
veroorzaakt.
„Zij is zeer handig en weet op sluwe wijze aan de naspeuringen der
politie te ontsnappen.
„Slechts één enkel zwak heeft zij en dat is haar voorliefde voor den
naam Betsy. Op dien naam is zij zoo verliefd als gij op uw
antiquiteiten of als een jeugdig minnaar op zijn uitverkorene.
„Die naam schijnt een soort talisman voor haar te zijn. Den naam Betsy
legt zij nooit af.
„Ik hoop, Mr. Simson, dat de aanwezigheid van het portret dezer dame in
ons misdadigersalbum u voldoende zal zijn om u te overtuigen, dat gij
werkelijk bedrogen zijt door een oplichtster, met behulp van
medeplichtigen, waarvan de antiquair Barring er een is.
„Maar—ik wil u eerlijk toegeven, deze oplichterij is zoo vermakelijk en
zoo...... men zou bijna zeggen kunstig, dat niemand „Zwarte Betsy” een
verwijt zal maken over den sigarettenkoker van keizer Nero en de zich
daarin bevindende sigaret.
„Het zal het beste zijn, dat gij er over zwijgt, want anders moet gij
niet alleen de schade, maar ook de schande dragen.
„Iedereen die zijn gezond verstand heeft, zal zeggen, dat een
dergelijke sigarettenkoker en een dergelijke sigaret nooit hebben
bestaan.”
„Gij vergist u”, sprak de fabrikant, „al mijn vrienden, die bij mij aan
huis komen, bijvoorbeeld een onzer grootste kunstkenners, de hofslager
van Zijne Majesteit, Sir Muller, en andere goede kenners, hebben
absoluut niet getwijfeld aan de echtheid van het étui.”
„Ja, ja,” lachte de vloo, „er zijn meer ezels in het koninkrijk
Engeland, dan wij vermoeden.
„Gij wenscht dus, dat de zaak vervolgd wordt?”
„Ongetwijfeld,” antwoordde do bestolene. „Ik heb voor het étui
tweeduizend pond sterling betaald en voor de sigaret tweehonderdvijftig
pond sterling.
„Ik heb een belooning van vijfhonderd pond sterling uitgeloofd voor het
terugkrijgen der voorwerpen.”
„Nu, vooruit dan maar,” sprak de vloo.
„Ga dus even zitten en geef mij de noodige inlichtingen, daar ik een
acte van het geval moet opmaken.”
Het duurde bijna een half uur, voordat de vloo de voorgeschreven
formaliteiten was nagekomen en alles opgeschreven had.
Toen hij eindelijk gereed was, moest de biscuitfabrikant het protocol
onderteekenen. Daarna stond hij op en nam afscheid.
Toen hij reeds bij de deur stond en zijn dikken buik juist door de
opening wilde wringen, sprak de vloo:
„Luister nog eens, Mr. Simson, ik wil u een goeden raad geven: verwen
uw vetbuik niet zoo erg, want het gaat ten koste van uw hersens.”
„Houd uw flauwe aardigheden voor u,” antwoordde de biscuitfabrikant met
een beleedigd gezicht. „Gij hebt niets met mijn vetbuik te maken,
daarover heb ik alleen te beschikken.”
Hoewel hij onmiddellijk daarop de deur in het slot gooide, hoorde hij
toch het vroolijke lachen van de vloo achter zich weerklinken.
Van het hoofdbureau van politie begaf de biscuitfabrikant zich
regelrecht naar de woning van Zwarte Betsy.
Zij zag dadelijk aan zijn ernstig gelaat, dat hem iets onaangenaams
gepasseerd moest zijn.
„Wat is er, liefste?” vroeg zij, hem de vette wangen streelend.
„Men heeft mij mijn sigarettenkoker ontstolen,” antwoordde hij met
sombere stem. „Dat zeldzame voorwerp, waaraan ik met den hartstocht van
een kunstkenner gehecht was.”
„Och, nonsens,” lachte Zwarte Betsy, „dat heeft men je niet afgestolen.
Ik weet nauwkeurig, dat je het étui gisteravond in het linksche vak van
je schrijftafel hebt weggesloten.”
Over het gelaat van den biscuitfabrikant, dat glom alsof het opgewreven
was, vloog plotseling een verheugd lachje.
„Juist, juist,” riep hij, „dat had ik heelemaal vergeten. En ik,
stommerd, ben al naar de politie geweest om mede te deelen, dat mijn
zeldzaamheid gestolen is!”
Hij wreef zijn cylinder op en wilde heengaan.
Plotseling echter keerde hij zich nog eens om en sprak:
„Hoor eens, ik heb daar op het hoofdbureau van politie een ware
ontdekking gedaan, daaromtrent moet je mij eens opheldering geven.”
„Wat voor een ontdekking?”
De dikke heer kuchte eenige keeren verlegen, daar hij het pijnlijk
vond, zijn geliefde, van wie hij zeer veel hield, over het
voorgevallene te onderhouden.
„Wil je het mij niet zeggen?” vroeg zij opnieuw.
Na herhaald aandringen begon hij eindelijk:
„Toen ik met den secretaris op het bureau van politie over mijn
aangelegenheid sprak, vroeg hij, met wie ik goed bekend was.
„Ik noemde ook jouw naam.
„En wat denk je, wat hij zei? De zaak is pijnlijk,—de man liet mij je
portret zien dat zij op het hoofdbureau van politie bezitten en
beweerde, dat je een gevaarlijk persoon waart.”
Zwarte Betsy streelde opnieuw zijn vette wangen en sprak:
„Jij bent mijn groot, gouden schaap! Ik dacht, dat je mij heel wat te
vertellen had!
„Natuurlijk is mijn portret op het hoofdbureau van politie.
„De man, dien jij daar gesproken hebt, is een kleine dikkert,
nietwaar?”
„Ja,” antwoordde Mr. Simson, „je schijnt hem dus te kennen.”
„En of!” antwoordde Zwarte Betsy. „Ik ken hem zelfs zeer goed.
„Een heel jaar lang heeft hij mij met zijn liefdesverklaringen
achtervolgd en toen ik niet naar hem wilde luisteren, dreigde hij, mij
nog wel eens in ongelegenheid te zullen brengen.
„Hij schijnt zich nu op mij te willen wreken door het portret van mij,
dat ik hem eens heb gegeven, in het misdadigersalbum te steken.”
„Maar dat is een gemeen sujet!” riep de biscuitfabrikant, „dien kerel
moest men eens flink op zijn ribben geven!
„De duivel hale dien schurk! Ik zal hem dwingen, mij je portret terug
te geven!”
„Ik verzoek je,” vleide Zwarte Betsy, „om dien man ongemoeid te laten.
Dergelijke sujetten van de politie kunnen zich op allerlei manieren
wreken.”
„Neen, neen!” antwoordde hij woedend, „met dien schobbejak reken ik
af.”