III

Geertje is dan naar Rotterdam'vertrokken, en zal, zoolang ze geen dienst

heeft gevonden, bij haar oom Jan Niekerk logeeren. Die oom is een van

die slungelige wezens, wien alles, van de kindsheid af tot de grijsheid,

het heele leven door, mislukt. Niet alleen volkomen missend wat men in

hoogeren zin geestelijke krachten kan noemen, maar ook geheel zonder die

capaciteiten, welke in staat stellen, op den juisten tijd en de juiste

wijze de zich voordoende gelegenheden tot het winnen van levensonderhoud

aan te grijpen; geheel dus zonder die toch alledaagsche markt-gevatheid,

die haar bezitter knap genoeg maakt, om op niet al te suffe manier het

zakengesprek van elken dag met het pingelende leven te voeren--is deze

man voorbestemd altijd een dupe, een verongelukte te zijn. Wàt hij doet,

doet hij niet goed, doet hij onhandig en links: zijn ernst is _schijn_,

is imitatie van anderer ernst; zijn scherts is _schijn_, zij is de

mislukte maskerade zijner angst en vooral van zijn onmachtsbewustzijn.

Zijn druktemaken, zijn geaffaireerd-doen, 't is alles nadoen van

anderen. Hij is een dier rampzalige menschen, die _innerlijk_ al lang

alle hoop hebben opgegeven iets te _zijn_ en nog alleen maar beproeven

iets te _schijnen_, in het geheime bewustzijn, dat ook dit hen mislukken

zal. Hij _leeft_ niet, hij _wordt_ geleefd, als dit heen en weer

gesmeten worden door de omstandigheden, de kansen en de meeningen,

wirwarrelend [p.321] om hem heen, zelfs geleefd-_worden_ heeten mag!...

Want wat in een voorwerp is: zwaarte, gewicht,--dat is in een mensch

geestelijkheid. Wat weinig gewicht heeft, een ademstoot dwarrelt het op

en blaast het weer neer. Wie weinig geest heeft, hem blaast het leven

omhoog, hem blaast het omlaag, hoe zou hij--bij zoo groote mate van

lichtheid: bij zoo weinig geest--rust vinden midden de stormen der

meeningen en wisselvalligheden? Maar wie veel geest bezit, staat vast op

zijn plaats, de winden breken op hem, de omstandigheden smijdigen hun

lijn van voortgang om hem, zij bespatten hem, maar brengen hem niet

iets, waarbuiten hij niet kan, noch voeren iets _essentieels_ van hem

mede, en hij weet wel, dat de kracht, die hèm verzetten zal, niet kan

schuilen in armoede, ontbering, rampen, rijkdom en geluk. De man van

weinig verstand staat in het leven als een bedronkene op den weg: zelfs

doode voorwerpen schijnen levend te worden, om hèm te hinderen en te

plagen, en wat anderen tot steun is, dat stóót en wèrpt hèm. In 't kort:

hoe meer geest, hoe meer _macht tot roerloosheid_; hoe minder geest, hoe

meer drukte en beweging. En ik geloof, dat _het 't doorvoelen dezer

waarheid was_, die de oude Indiërs deed zeggen, dat de _Goden

onbeweeglijke oogappels_ hebben.... Intusschen zou ik mij schamen, zoo

zonderling te zijn afgedwaald van _Geertje's_ oom naar de Indische

goden, indien diezelfde oom niet dichter in hun buurt stond, dan gij

wellicht vermoedt! Hij is namelijk een--kunstschepping, uit diep

levensinzicht geboren....

* * * * *

Als Geertje bij haar oom arriveert, is hij juist weer wat lager gezakt.

Zijn mooien winkel aan den Binnenweg, die haar nog heugt van toen ze de

laatste maal bij hem logeerde, heeft hij niet meer. Hij woont nu in een

krottig huisje in een zijstraat aan de Schie. De teleurstelling is

pijnlijk voor Geertje, máár, en dit is teekenend voor haar

geestestoestand, dat echte jonge in haar, dat niets zóó als de vrijheid

liefheeft en tegen onnatuur een instinctieven weerzin heeft: zij blijft

blij, "uit de strakheid, uit de gedruktheid, die de vroomheid [p.322]

gaf aan Groo'va en Groo'moe, en aan de meeste menschen in 't dorp,"

ontslagen te zijn. Ik sprak in het vorig hoofdstuk van dat groote

stadsleven, dat we haar, stukje voor stukje, en beetje voor beetje, de

_beschermende uiterlijkheden_ van den geest zullen zien ontrooven. En

hier hebt ge daar één voorbeeld van: (Geertje denkt:)

(Groo'va) sprak altijd van "den wil des Heeren" maar over zijn

triestigheid heen kwam hij niet.

Misschien was dat toch wel méést om oom Jan--en nu wist Groo'va nog

niet eens alles!--ook niet, dat het bij oom heelemáál geen

Christelijke Boekhandel meer was. Op den Binnenweg was er nog een

aparte Bijbelkast. Maar hier!...

--Dank je! Die reuk van heiligheid het me niks as schaaj gedaan!

had oom den vorigen avond gespot, toen Geertje naar de bijbels

gevraagd had.

--Bidt jij nog? had hij 's middags geplaagd, toen ze aanzaten voor

het eten. Den eersten avond had ze 't gedaan, niet lettende op Oom

en Tante. Vanzelf had ze nu wéér de handen gevouwen.... Tante was

tusschen beide gekomen:--"Láát 'er toch!"--Maar zij had gelachen,

en oom had gelachen, en _voordat ze het wist, was de vork in d'er

mond geweest_....

Zoo iets beteekent niet, dat Geertje nu inderdaad haar _geloof_ aan het

verliezen is. Dat is volstrekt niet het geval. En de tijd moet nog

komen, dat zij 't inniger zal bezitten, dan ze 't ooit bezeten heeft.

Maar zij is bezig uit de _praktijk der godsdienstoefening_ te geraken.

En dit is jammer, want _als_ bij iemand van de betrekkelijk geringe

_verstandelijke_ beschaving van Geertje, zelfs een _groot godsgeloof_ in

de _ziel_ ligt--gelijk hier inderdaad het geval is--dan kan toch, onder

zekere omstandigheden, die ik nader zal aanduiden, dat _groote

godsgeloof niet_ maar wèl die _praktijk der godsdienstoefening_ voor

verkeerde en schadelijke dingen behoeden. Hij die dit vreemd mocht

vinden, bedenke: dat bijna niemand de volle bewuste beschikking heeft

over _al_ de in hem liggende geestelijke krachten. Hij krijgt

_langzamerhand_ de beschikking over hen, indien hij _zeer hooge en diepe

vreugden en smarten voelen kan_. Want deze beide zijn de dorpelwachters,

die het in hun macht hebben, de poorten der geheime arsenalen en der

juweelen-volle schatkamers in eens menschen innerlijk [p.323] te

ontsluiten.... En ook voor Geertje zullen zéér vele ontsloten worden....

Maar nu dit nog niet gebeurd is, en ook--en dit is de omstandigheid,

waarop ik doelde--de schatkamer van het groote godsgeloof in haar nog is

gesloten, kan zij voornamelijk slechts beschermd worden, door wat haar

van _buiten_, door haar grootouders is bijgebracht: de praktijk, de

routine, noem het de sleur der godsdienstoefening, en die verliest

zij.... Ik noemde deze een _uiterlijkheid_, bedenk het, máár--ook een

harnas is een uiterlijkheid!--Ik ga nu een stukje overschrijven,

waardoor we weer wat meer van Geertje's innerlijk en het armelijk geplan

en geïntrigeer van oom en tante, om aan geld te komen, te weten komen,

èn tegelijkertijd met een nieuwe figuur kennis maken, die bestemd is een

groote rol in het boek te spelen en evenals Geertje tot de psychische

romantiek (zie het eerste hoofdstuk) behoort:

De voordeur ging open:--"Dag Geertje!" zei iemand. Zij kende hem

niet! Een burgerheertje, met een bult; een bleeke kop half

achterover wiebelend tusschen breede schouders; een flaphoed op

licht, lang-krullend warhaar.

--Dag.... Meneer," zei Geertje verwonderd.

--Ja, jai ken main nog niet, maar ik jou well. 'k Heb je zien

laupen, ene Woensdag, met je Aum. Ik ben Kees Maandag.

--O, zei Geertje. Nooit had ze van een Kees Maandag gehoord.

--Is je Aum d'er niet?... Roep jai je Tante n'es voor me.

De bult en Tante bleken gemeenzaam.

--Riek, vroeg hij, hait je man nou geschreive?

Geertje kreeg den indruk, dat die vraag Tante verlegen maakte.

Tante meende--zoo zei ze--van wel, maar zeker weten dee' ze 't

niet, _'t was zoo'n moeilijke brief voor de'r man om te schrijven._

--_Wa's d'ar nou voor moeilijks an! Als de'n ouwe nie' wil, dan wil

ie niet. 't Vragen sou ik meenen, staat frai. Wat ze' jai Geer,

daar kan je Graufader toch nie' boos om worde_.

--Laat haar d'er buite, viel Tante haastig in, ongerust.

Blijkbaar had zij de zaak liever stil gehouden voor Geertje. Maar

nu lichtte zij in, toen de bult was vertrokken. Meneer Maandag was

als onderwijzer aan een openbare school de kameraad van Tante's

broer geweest, en zoo met Oom en Tante in kennis gekomen. Oom en

hij konden het erg goed samen vinden. Hij had ook zoo'n hekel an de

onderwijzersstand, net als Oom [p.324] vroeger had gehad, en daarom

was ie nou k'ruspendent van dagbladen geworden.

--Wàt is-t-ie? vroeg Geertje.

--Nou, da'j berichte stuur an de krante. En he-'t-ie dáármee z'en

brood?

Geertje dacht aan de postwisseltjes, die Grootvader uit Arnhem en

van De Standaard placht te ontvangen, maar Tante lei-uit, dat je

dat natuurlijk niet kon vergelijken. Hier uit Rotterdam viel

zóóveel te melden! Eén man kon het onmogelijk af. Daar zat ook

juist de moeilijkheid voor meneer Maandag. Er was zoo schrikkelijk

veel konkerentie. Sommige heeren werkten samen, d'en eene nam dit

en d'en andere dat, zoo waren ze zeker van alle berichten. En

meneer Maandag was altijd alleen.... Maar nou kreeg-d-ie misschien

'en eigen krant. Ja, 'en eigen krant voor hùm! Dat was het juist,

waar-ie Oom over kwam spreken: Oom zou óók mee aan die krant

zijn.... Als ze maar het geld konden vinden! Ze hadden al wat, maar

nog niet genoeg. Daarom was Oom aan het prakkezeeren, om Grootvader

te vragen, of die wat wou geven....

Als men, in de door mij gecursiveerde zinnen, Tante over haar man hoort,

spreken en, even daarna, Maandag zijn meening hoort zeggen, dan denkt de

oppervlakkige beoordeelaar: die oom Niekerk heeft niet véél geweten,

maar die Maandag is nog de ergste van de twee! Want men heeft al zoo'n

vermoeden dat die heele krant-oprichting wel mislukken zal en Oom

aarzelt nu ten minste nog voor hij zijn vader om geld vraagt, maar die

Maandag!... Intusschen is precies het tegenovergestelde het geval.

Maandag is een nobel en een niet onbegaafd mensch, die vertrouwen in

zich-zelf heeft en _volkomen te goeder trouw_ om het geld vraagt, in het

ernstig geloof, dat er althans een _zeer goede kans_ van slagen bestaat;

Oom echter weet diep in zich heel zeker, dat ook dit wel weer een

mislukking zal zijn, maar vraagt toch, d.w.z., gaat _oplichten_, en hij

aarzelt niet omdat hij de daad slecht vindt--dáár is hij al lang over

heen--maar omdat hij er bij zijn strengen vader, dien hij al zoo

dikwijls geld uit den zak heeft geklopt, niet mee durft aan te komen!

Maandag, in zijn opnieuw ontwaakte energie, zijn zelfvertrouwen en zijn

optimistisch idealisme, begrijpt dat alles natuurlijk niet en is

verwonderd!....

[p.325]

--Groo'va, _riep Geertje met verborgen angst. Ze kreeg een gevoel,

of d'er iemand Groo'va te lijf wou. Die goeie Groo'va, hij had zoo

weinig, en dat zou hem worden afgetroggeld!_

--'t Is maar verschieten, zei Tante snibbig.

--Hoe verschieten?

--Nou, z'en geld blaift z'en geld, en ieder jaar kraigt ie z'en

rente. Ze denke zellefs van 'en hooge rente, meer as je Groo'va van

z'en geld maak! Maandag is d'er zeker van, dat 'et 'en goeie zaak

zal weze.

--Wat heeft-ie dan Groo'va d'r in te hale! snuggerde Geertje vol

bezorgdheid.

--Da's te zegge! Et kan misgaan, 't Is 'en nieuwe ondernemink. Je

brengt d'er je geld niet as bij de spáárkas!

--Nou kijk 'is an! riep Geertje overtuigd.

Wel begreep ze veel niet, in het gesprek, maar wat ze begreep was

genoeg voor haar drift.

Tante had haar aangezien, en plotseling op anderen toon:

--O ja, maar as jai ons no' ga tegewerke, geef je graufader zeker

niks.

--Ik? wat heb ik d'er mee te make!

--_Nou ... 'et is toch jou geld ook_.

Tante zei niets meer, als aarzelend sjokte ze 't keukentje in.

Geertje had moeite om niet te schreien. Maar ze wou niet, vooral nu

niet schreien! Het was zoo naar, zoo anders hier alles, vijand was

ze dus met Tante, en ze had nog geen dienst, ze had niks.... Maar

die arme goeie Grootva.... Wacht....

Ge denkt nu, na dat "Wacht," dat Geertje haar grootouders gaat

waarschuwen. Mis! dat eigenaardig jeugdig-lichtzinnige en dat

weifelend-bedeesde, 't laatste vooral tegenover menschen die in haar

nabijheid zijn, verhinderen dat. Ze gaat nu een lieven brief naar huis

schrijven en denkt daarmee genoeg gedaan te hebben. Ja zelfs laat ze

Tante den brief lezen, om die maar te laten merken, dat Tante's

wantrouwen ongegrond is. Och, ze heeft zoo graag met iedereen vrede en

geeft zoo gaarne en zoo makkelijk toe; _nu nog haar hoogste en innigste

wezen niet gewekt is_. En dan, moet ge denken, is er niets erger voor

een grootmoedig-aangelegd jong menschje, dan dat iemand hem bedektelijk

verwijt, dat hij uit eigenbelang iets doet of nalaat. En met het door

mij gecursiveerde zinnetje van Tante gebeurt dat: Tante weet wel wat ze

doet!--Uit den daarvóór door mij gecursiveerden zin, voelt ge, dat

Geertje toch ook wel [p.326] heel veel van haar strengen grootvader

houdt.--

Maar schitterender, maar onovertreffelijk, worden Geertje's weifelingen,

haar onbewuste zelfbedrog, haar zwakheid van rust te willen hebben en

niet tusschen al dat geknoei te willen zitten, gebeeld in het volgende:

(Oom zit haar te "bewerken" opdat ze hem maar geen spaak tusschen het

wiel zal steken en zegt ten slotte:)

Ik zeg 'et mit de beste bedoelinge. Als jij de'r op tege heb, da 'k

'et vraag ... dan doen ik 't niet....

Geertje voèlde 't in d'er ooren, aan de manier waarop Oom,

aarzelend, ze zachter zei, dat hij de laatste woorden niet meende,

dat-ie haar daar laf beloog. _Maar dan moest het ook maar, dan

moest het maar, zoo kon ze zich niet inhouden!_ Ze wist het, ze zat

daar, klein en zwak, met de huilstrepen op d'er gezicht, tegenover

een plomp-grooten man, die wreede dingen zei; maar in haar flitste

ook lust op tot wreed-zijn, giftige drang om terug te sarren, om

heel hooghartig te doen en te spotten--om 'es hard terug te slaan,

zoo zwak als ze was.

--Wou u soms dat ik d'er om vroeg?

--Wat meen je dáármee? zei Oom op een drogen toon van halve

onverschilligheid, die Geertje verlegen maakte.

--Nou....

_Haar lippen krulden tot een gedwongen lachen. Ze was opeens 'er

gedachten kwijt_. En bij haar beschaamdheid zakte haar boosheid, ze

werd heel rood, ze voelde dat ze tranen kreeg, ze had een behoefte

om niet kwaad te wezen--HÈ, ALS ZIJ OOM EN GROO'VA EENS TOT MEKAAR

KON BRENGEN.

Daarom strekte ze over de tafel de hand uit naar Oom en keek hem

aan met 'en lieve lach....

--Tante heeft me dat ook al doen voele, dat ze m'anzag voor, zoo'n

soort verklikster, alleen omdat ik bang ben voor Groo'va; niet om

z'en geld, maar om Groo'va zelf.

Is het niet _prachtig_, hoe hier in die paar regeltjes niet alleen de

_oogenblikkelijke_ gemoedstoestand van het jonge, zwakke, lieve meisje,

maar ook heel haar _aard_ wordt blootgelegd, deels door het vermelden

harer gedachten, maar deels ook door dramatische beelding: het scheppen

van handeling. In den eersten door mij gecursiveerden zin vindt ge haar

besluit, om koste wat het kost, nu eens flink te zijn, maar ach, na dat

ééne uitstekende comedie-vertooninkje van Oom, is er van dat besluit al

niets meer overgebleven. [p.327] De dáárop volgende door mij

gecursiveerde zin beeldt uitmuntend in _handeling der gelaatstrekken_,

om 't zoo eens te noemen, Geertjes verlegenheid, haar zich plots weer

klein voelen. En dan volgt in de door mij gespatiëerde woorden het

_onbewust zelfbedrog_ van dit nobele zieltje, dat zoo graag het goede

wil en, nog te zwak om er bij te volharden, zich zelf voor den mal houdt

en _met een surrogaat ervan zich behelpt_.

* * * * *

Nu na eenige commis-voyageurshandigheidjes van Oom, heeft Geertje dan

ten slotte een dienst gekregen bij den drukker _Heins_--en, vrienden,

als je daar straks het boek zelf gaat lezen (of ben je al bezig? Dat zou

heel wat prettiger zoowel voor jelui als voor mij zijn!) let dan eens op

wat er voorvalt bij die visite van Oom en Tante met Geertje, bij den

heer en mevrouw Heins: bijv. die scène met de kinderen is

uitstekend!--"een van Oom's vertrouwdste vrienden, die een groote

drukkerij voor den handel heeft," zooals Oom aan Groo'va heeft

geschreven. Mevrouw Heins is een ongelukkig buitje, iemand met een

"krates-lijf" en 'n bleek gezicht, waaruit een roode puntneus scherpt;

Heins-zelf daarentegen: "een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op

het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel."

Ziehier de manier, waarop hij, al heel spoedig, met haar omgaat:

--Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een

glas pilsener had ingeschonken.

--Dank u.

--Wat dank u? Ben jij mal? Gauw 'en glas! En 'en stoel d'er bij.

Mot je nou nog meer heen en weer loope! Ik zit toch ook!

Geert liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe--en het

bier smaakte. Hè, dat heerlijk-frissche bier! En zoo'n goddelijke

avond!

--Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor 'n uurtje, maar toe'

sliep ze.

Nee', gut, Geert was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur

thee had gebracht. Maar ze zou d'alijk even gaan....

Och, nee', drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte.

_'t Is toch al zoo ongezellig_....

[p.328] Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in

huis. Altijd herrie, of leeg-holle kamers, met maar 'en enkel

mensch er in, heen en weer geloop naar de ziekekamer, de kinderen

schreeuwend, omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d'er

keuken geloopen, òf naar de straat òf naar het gangetje van de

drukkerij.... _Aardig, dat Meneer die ongezelligheid ook akelig

vond_: zoo iemand, die òp scheen te gaan in z'en zaken!

Ge merkt hier al, hoe een zeker intiem verband tusschen de twee _in

wording_ is, doordat ze 't beide _ongezellig_ in huis vinden, tegenover

de juffrouw, die de _oorzaak dier ongezelligheid is!_

* * * * *

Langzamerhand zien we Geertjes geest door het beeld van dien man vervuld

worden. Truusje, z'n dochtertje, is wat hangerig. Geertje kijkt haar aan

en denkt onmiddellijk: "Krek toch d'r pa z'n oogen." Maar zie dan vooral

eens dit: (Geertje zit het zieke kind voor te lezen. Meneer Heins komt

de kamer binnen:)

--"Mejuffrouw G. Hendriks." Eén brief! Asjeblief.

--Gut Meneer!

--Zit Geer je prettig voor te lezen, Troelala?...

Da's 'en leve'tje, hé?... Zeg, 't is hier benauwd! Jij hebt et ook

warm!... _O got, doe maar niet! 'k weet toch wel da'j 'en mooie

hals heb_ ... krijgt Troelala 'et niet te warm?... Laat tenminste

de deur wat ope.... Zoo....

--As de Juffrouw dat maar goed vindt!

--Och jullie heb 'et hier veel te benauwd.... Zeg is, wat krij' je

daar voor 'en brief! Hei je femilie in Amerika?

--Van 'en kennis....

--O zoo! U doet niet minder! Haal jij ze heel uit Amerika!...

Dàg.... Dag Truuzepop!

Weg was Meneer. O, wat had Geer het land! Hoe zoo opééns nou 'en

brief van Willem. _En dat Meneer dat net moest zien!_ Hoe kwam

Willem (Ge weet wel: Heukelman, de boerenzoon, die op haar verliefd

is. v.C.) an d'er adres! Ja, natuurlijk van Jan, en van thuis. Maar

wat hattie te schrijve! Ook 'en taaie.... Hé God, dat Meneer....

Ik heb een paar zinnetjes gecursiveerd. Commentaar overbodig, niet waar?

Nu oversla ik een uitmuntend stuk--met grooten spijt, vooral omdat gij

het schalke, bijdehandte in Geer er aardigjes in had te zien gekregen!

Maar enfin, [p.329] dat blijft weer bewaard voor jelui, als je het boek

leest! Nu verder even Geertjes overpeinzingen:

Hé, wat vervelend toch, nou van die brief! Stòm ook, dat ze gezeid

had "van 'en kennis." O, wat had ze daar gruwelijk spijt van! Hoe

kwam ze't te zeggen ... ze wist het niet ... Laa's kijke.... O ja!

toen.... Meneer-keek zoo plaag'rig. Eerst al, met dat geplaag om

'er boordje.... Toen, net of dat heel wat was, dat zij iemand kende

in Amerika.... Ja, daarom had ze gezeid, "van 'en kennis." Net zoo

ommers as et was.... _Maar ze zag dat Meneer et raar von_. Altijd,

dan werde _z'en ooge wat anders...._ Och maar malligheid! '_t Zou

um 'en zorg zijn, of zij 'en kennis in Amerika had_.... Hé nee, _ze

had et gezeid om te plage_.... Waarom had hij ook geplaagd met 'er

boordje....

Aan de door mij gecursiveerde zinnen ziet ge duidelijk, dat Geer zich er

wel van bewust is, dat er een _aardig verhoudinkje_ tusschen haar en

meneer is, en dat ze gelooft, dat het meneer _èventjes hinderen zal als

hij merkt dat ze een vrijer heeft._ Geertje denkt natuurlijk niet na

over eenig gevolg dat dit alles hebben kan. _Zij is daarvoor te

onschuldig_. Zij is te onschuldig om in dit alles iets anders dan 'n

soort aardig-vinden-van-elkaar te zien. Ja, God, waarom zou meneer haar

niet mooi vinden.... Zij weet wel dat ze mooi is.... Haar jonge

ijdelheidjes worden gestreeld door de gedachte, dat zoo een knappe,

flinke, rijke man als meneer Heins er over nadenkt of zij wel of niet

een vrijer heeft. In 't kort: men voelt door wat er van haar gebeeld en

gezegd wordt, hoe zij wegdroomt telkens _in allerlei niets met de

werkelijkheid gemeen hebbende voorstellingen_, welke _niet_ gezegd of

gebeeld worden. _Ze wordt door haar jeugd en opgewekt liefdesverlangen

meegevoerd_, buiten de werkelijkheid.--Even later komt ze beneden,

meneer staat daar weer:

...--Hei je zóó'n haast!... Eerst effe vertelle: hoe was 't met die

meneer in Amerika!...--_Och!.... plaag!_...

* * * * *

De tijd der kermis is aangebroken. Geer gaat met Oom en Tante en den

gemeenen Gerrit Holkers, broer van tante, er heen. Deze kermis is een

uitstekend brok beschrijving, [p.330] waarvan jelui "bij de lezing van

het boek volop zult genieten. Laat mij 't hier slechts hebben over de

_psychologie_ van Geertje, over haar liefde, en jelui aandacht vestigen

op die momenten, welken den groei daarvan aanduiden. Eerst echter dit:

(Geer heeft zich juist innerlijk geschaamd over een kunstenmaakster voor

een der kermistenten, die veel op haar lijkt--een _zeer fijn_ stukje--en

nu, plotseling, hoort ze:)

--Geer! die meid lijkt op jou!

In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots'ling heen

door het getier waar ze niet meer op lette, schrikte Oom's

stemgeluid rauw haar ontstelde denken op, _en was haar nog

onaangenamer, daar het haar eigen gedachte uitsprak_. 't Was haar,

of 'er geheim opeens gehoord werd door de heele kermis. Zij wist

niet meer, wie was beleedigd, zij of het meisje; ze schaamde zich

vreeselijk over de vergelijking, en toch had ze ook diep medelijden

met het meisje, over wie Oom, met dronkemanstong, in zijn

afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw dorst spreken. O, ze haatte,

haatte Oom; _ze voelde opeens fel al de rampzalige schaamte over

die familie van de'r, ze snakte terug naar het Hang, waar ze beter

was, waar ze zich thuis voelde_; weg wou ze van zulke

liederlijkheid; en het was toch de _familie_.[5]

Behalve de waarde eener voortreffelijke psychologische analyse, heeft

dit stukje ook een ongemeene compositorische waarde, wijl het aantoont

hoe alle omstandigheden ertoe medewerken, dat Geertje naar _Heins_ toe

wordt gedreven: haar familie is haar niets meer, het huis van Heins

voelt ze als haar tehuis, en ìn dat huis, is er nog een stilzwijgende

verstandhouding _tusschen Heins en haar van elkander begrijpen_--zooals

zij, onnoozele dupe van dien man, denkt--_tegenover_ de juffrouw, "die

geen vrouw is voor Heins," en z'n leven "zoo ongezellig maakt!"--En nu

die momenten, waarvan ik zooeven sprak: (Geertje zit met Oom en Tante in

de tent van een liedjes-zanger. Ze denkt:)

Die twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van 'et meisje. 't Meisje

leek nog heel, heel jong. Hè, zóó same kermishoue!... knappe jonge,

d'er gelant, flink ... _gut, op wie leek nou die jonge?_ Zoo ie's

bekends had ie in z'n gezicht.... Toch niet thuisbrenge.... (Ik

oversla hier een stuk. v.C.) _Wat keek die

[p.331] jonge verliefd z'en meisje an ... knàppe jonge ... op wie

leek ie?_.... Leegte, nou die mensche weg.... Zou 't al laat

zijn.... O, vervélend, heel d'en avond.... Hè! zoo-as dat meisje

uitgaan. ... netjes, met moeder, en je galant....

Ge ziet in dit stuk het _liefdesverlangen_ van Geertje, ge ziet hier ook

_het aandoenlijk beroofd-zich-voelen van de wees,_ maar in de door mij

gecursiveerde zinnen, zit dat andere. Hoe? Dat zult ge dadelijk

zien....--Den volgenden morgen, 't is Zondag, is ze ofschoon ze vrij

heeft, naar het Hang gegaan, om even wat geld te halen--Oom en Tante

zitten zonder cent--en dan speelt zich daar het volgende prachtige

tooneel af: (Maar o, lieve vrienden, 't geen hieraan voorafgaat: dat

gedupeerd worden van de arme Geertje! hoe zij gelooft dat Heins uit

_goedheid_ zoo vriendelijk, midden zijn eigen verdriet, jegens haar

is.... neen als ge het boek-zelf niet leest, al die magnifieke dingen,

die ik natuurlijk moet overslaan, dan zou het mij berouwen er iets over

te hebben geschreven. Want dan zou ik het gevoel niet van mij kunnen

afzetten, het te hebben verminkt!) Geertje is bij meneer op kantoor om

geld te wisselen en hij vraagt haar of ze zich geamuseerd heeft op de

kermis:

Zij wist niet of ze 't zeggen zou. Ze schaamde zich zoo over wat er

was gebeurd, ze zou ommers ook liever heelemáál niet meer over de

kermis hebben gesproken, maar ze had zoo'n behoefte om het te

zeggen, om vertrouwelijk te doen tegenover Meneer....

(Ik oversla weer 'n stukje tekst. v.C.)

--Holkers? Da's 'en zure jonge.

--'En geméénert.

--Zoo? dat ook?... Och jee!... Dus geen pret gehad?

--Pret? Nee niks!

--Wij ... moste-n-is same kermishoue'!... Zou je wille....

Ze voelde den lessenaar wankelen. Ze hoorde heel goed hoe Meneer

het meende, niks as 'en grapje, uit goejigheid, omdat ze zoo'n nare

avent gehad had; _en toch kreeg z' opeens 'en angst, of z'en droom

vervuld zag worden: Hij, Hij was et, gisteravent, in de tent, die

mooie jonge, die daar met 'en meisje zat!_... _Got!_... Meneer,

mocht toch niks merke....

--J..j ...a! stotterde ze, met gedwongen lachje, zooveel mogelijk

als-vroolijk. Gauw 'et geld nu, en dan weg.

[p.332]--Wat hei' j' de kinders blij gemaak', hoorde ze zijn

vriendelijke stem.

--Blij?... Mit niks!

--Nou ja, ze krijg 'et toch.

--Ik vin' 't zoo aardig van je, Geertje--streelde weer die lieve

stem--da'j zoo lief ben voor me kinders. Trúúsje heb-ie opgepast

... as' en _moeder_[6]

Even dorst zij opzien. In die mooie oogen. Hij, zoo goéd, zoo'n

beste vader, en zóó vriendelijk voor haar....

--'t Snoesje! zei ze.

Truus, 'en engel!

Nam meteen het geld van tafel.

Toen opeens hield hij haar hand.

Klemde die, zacht, in de zijne.

--_'k Wou da' jij de moeder was_....

--O, Meneer!

De gulden viel. Maar zij holde weg, het huis uit.

Nu heb ik wéér gecursiveerd. Ziet ge thans in, waarom ik het stràks

deed?!--Overal vervolgt haar zijn beeld! Maar met die láátste door mij

gecursiveerde woorden, heeft hij haar nu aan zichzelf ontdekt! Zij snelt

in radeloosheid de straat op. Maar wie is in staat, zijn eigen ziel te

ontsnellen? Als een obsessie hamert het in haar hoofd:

Dat _Hij_[6b] zeker nóóit us in z'en leve _gelukkig_[6c] erge's

gezete had, zooals die jonge gisteravent.--Met de _Juffrouw_[6d]

--_'k Wou da' jij_...."[6e]

Niet an denke....

En ziet ge weer het gevaarlijke _medelijden_ in Geertje? Ze komt thuis

en moét even rusten, maar kàn niet, kàn niet. Overal ziet ze hèm, overal

voelt ze hèm. En als ze dan ten slotte, na bij menschen, christelijk als

haar grootvader, te zijn gegaan en daar wat norsch te zijn bejegend, er

berouw over gevoelt, dat niet geduldiger te hebben verdragen, voelt zij

een onbedwingbaar verlangen naar het godshuis te gaan. Als zij er komt,

in haar geëxalteerden toestand, voelt zij zich als "het hijgend hert der

jacht ontkomen." En dan volgt dit prachtige, dit geloofssterke, dit

liefdessterke, _dat Geertjes innerlijk is_, dat uiterst reine innerlijk,

_welks poorten nu, de [p.333] een na de ander worden ontsloten_. (Zij

poogt haar aandacht bij de preek te bepalen, maar denkt aan hèm, aan

hèm:)

(De juffrouw) zei et ommers vaak:--"Pa's kindje," op 'en toon van

spot en hekel, net of Truus et helpen kon, dat ze pa z'en oogen

had. Kleine snoes, gelukkig ook! as ze de ooge had van de

moeder!... 't Wáre nét Meneer z'en oogen, 't zelfde bruin, zoo

strálend, gróót.... Jonge, op de kermis gisteravond zette'n-ook die

groote ooge, keek zoo stralend, naar z'en meisje.... Meisje lacht.

En Ooge lache.... Jonge, meisje staan nou op.... Hij haar hand, en

drukt de hand ... drukt nog weer ... de ooge ernstig.... Trekt haar

hand meer naar zich toe....--"'k Zal uw koffie late valle!"--"Koffie?

Nee, 't is maar 'en gulde, dáár, onder de lessenaar, 'k raap em op

of geef 'en ander ....Toe, Geer, hóór toch, 'k heb je lief, toe,

ik ben zoo ongelukkig ... 'k heb je lief, Geer, och, kom hier"....

Weg lessenaar, weg tabouret. _Hij_[7] naast haar, kijkt

bedroefd-vol-liefde.... Zalig! Zalig!--"Nog 'en zoen, zóó je

hoofd"....

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 65 / 78 题