Geertjes ouders zijn dood. Ze wordt door haar grootouders--grootvader is
hoofd van de dorpsschool en koster--opgevoed. En in het eerste hoofdstuk
reeds, waarin we Geertje uit 't dorpje zien vertrekken, om een dienst in
Rotterdam te zoeken, laat de auteur ons op opmerkelijk-sobere, want van
alle taaldrukte warse en aan elk psychologisch-ontledingsvertoon vreemde
wijze, het innerlijk dier drie zeer uiteenloopende menschen gevoelen.
Grootmoéder, één zachtheid, één innigheid, één opgaan-in-'t-kleinkind;
grootvàder: een steil-orthodox Christen, die geen oogenblik weifelens
omtrent zijn levensplichten en rechten kent, want beide staan duidelijk
en zeker voor hem en zijn natuur neigt al evenmin ter verzaking van de
eerste als ter opgave van de laatste. Zijn dogmatisch-kerksch geloof
zegt hem in alles het _hoe_, laat hèm maar zelden onzeker omtrent het
_waarom_, en heeft den heelen geestelijken inventaris, die bij een
gewoon huis-, tuin- en keuken-mensch nog al een beetje door elkaar
pleegt te slingeren, netjes voor hem opgeborgen in een "kast met
laadjes," zooals _Maandag_, een nobele figuur in ons boek, den bijbel
noemt in dit verband; een juist en gelukkig beeld, geloof ik, want zoo
het ons fel het misbruik voelen laat, dat, bewust en onbewust, van
bijbelteksten wordt gemaakt, het doet ons allicht ook bepeinzen, hoe
wonderschoon beeldhouwwerk die "kast" versiert en hoe de
beduimelend-liefkoozende vingers [p.308] der geslachten, de glanzingen
van dat edele hout nog hebben verdiept in stede van het te
verslijten....
_Geertjes_ grootvader is een streng, naar lichaam en geest _rechtlijnig_
man, hij is beslist, kort aangebonden en duldt geen tegenspraak, wat dan
ook precies de eigenschappen van dat soort oprechte, maar bekrompen en
ten deele verdorde vromen in het werkelijke leven zijn, eigenschappen
die, het zij terloops gezegd, psychologisch uiterst makkelijk zijn te
verklaren: het dogmatisch-godsdienstige, en dit vooral, maar niet
alleen, doch ook àl het dogmatische, ziet de fijne nuances van het leven
niet, het maakt, als 't ware, van den _kronkelenden_ levensgang iets
_kinderlijk-rechtlijnigs,_ en de geest van zijn belijders ontkomt
natuurlijk aan dien invloed wel het allerminst: ook hij wordt steil en
hoekig, zijn levenskijk wordt vergroofd. Maar dit is niet alles: het
dogmatisch-godsdienstige maakt den middelslag-mensch vaak streng en
hard, want daar het in 't leven een betrekkelijk eenvoudig iets ziet,
als slechts aan zekere voorschriften en leiddraden wordt vastgehouden,
is het ook van oordeel, dat degeen die leeft, de mensch, een relatief
gemakkelijke taak heeft en kàn het dus niet zóó medelijdend, zóó
vergevingsgezind tegenover dien mensch en zijn fouten staan, als die
andere denkrichtingen, welke integendeel het leven beschouwen als iets
zeer moeilijks en onreglementeerbaars, en de levenstaak als een
ontzettend-ingewikkelde, welks zwaarste gedeelten ieder gerijpt mensch
slechts volgens zelfgevonden wetten kan volvoeren. In één woord: de
dogmaticus heeft het _twijfelen en zoeken verleerd,_ een ontzettend
nadeel! Hoe zal hij het twijfelen en zoeken van anderen nu kunnen
meevoelen? De dogmaticus struikelt zelden: hij bewandelt de onbeschutte
en slecht-onderhouden wegen niet. Maar àls hij struikelt, is dat naar
zijn meening zijn _schuld_, dien hij moet _delgen_. Hoe zal hij dan hen
begrijpen, bemeelijden en helpen, die, in sommige gevallen, niet alleen
van schuld noch delgen willen weten, doch te recht of ten onrechte hun
struikelen aan den weg wijten, ja wel eens--als Geertje!--hun trots en
hun geluk in dat struikelen beweren te hebben gevonden! Aan de figuur
van dezen grootvader, die [p.309] het wèl meent en eerlijk volgens zijn
dogmatische kerkschheid handelt, zult ge dit alles, in verband
natuurlijk met zijn menschelijke zwakheidjes--en niemand, maar
allerminst een dogmaticus is daar zonder--zien waar worden! Wenden we
ons nu van hem af en zien we naar _Geertje_. En ik durf een mooi ding te
verwedden, dat gij dat liever doet! Wat mij betreft ... o, 't is waar,
ik heb een voorrecht boven jelui allen, jongelui: ik _verander_, als ik
naar haar zie, ik word _jonger_: de rimpels van mijn voorhoofd en mijn
geest verdwijnen--jelui hadt er geen! Ik _krijg_ een glimlach op mijn
verstroefd gezicht--bij jelui was hij er, geloof ik, nog bijna nimmer
af, en ìk heb ook die eigenaardige vreugde, die ontstaat uit het even
zien samensmelten van toekomst en verleden in één punt. Maar jelui
Verleden ... och vrienden, je Heden draagt het nog op zijn rug, als
Aeneas zijn vader: moge het reeds verzwakt zijn, het lééft toch nog, het
is een wèrkelijkheid, het heeft in eenzaamheid de duistere reis nog niet
begonnen en slechts een bleeke heugenis nagelaten. Herinner jelui je,
wat ik eens schreef op deze plaats over dat plots weer oplichten van
onze eigen jeugd in later jaren, door het genieten van een kunstwerk?...
O, ook in _Geertje,_ bij dit haar eerste verschijnen lacht een lente
open, alles is luchtig en onschuldig en bevallig en naar-het-komende-
ziende in haar. Wij voelen haar een met 't om haar zijnde, eenvoudige en
als van 't natuur-idyllische overbloemd dorpsleven. En wij voelen dit
juist, wij leeren haar èn dat leven kennen, _op hetzelfde oogenblik, dat
zij 't gaat verlaten, om naar de groote stad, naar Rotterdam te trekken,
en daar 'n dienst te zoeken!_ Dat stempelt ons den indruk van dat leven
des te dieper in het geheugen. _Want wij voelen ons met haar nu op een
kentering van haar leven staan_. En als we straks met haar in Rotterdam
zullen zijn, dan zal het contrast tusschen dit proper-eenvoudige,
rustig-eerzame leven harer in het dorpsmilieu geachte grootouders, en
het smerige armoe-bestaan der rommelige havenstad, waar de bittere
strijd om een stuk brood, alle zachtheid, alle onderling
willen-waardeeren heeft verdrongen, ons des te dieper treffen. Wanneer
we haar [p.310] straks door dat groote-stadsleven zullen zien besluipen;
als we dat, stukje voor stukje en beetje voor beetje, haar de
beschermende uiterlijkheden van den geest zullen zien ontrooven,
waarmede de kerksche opvoeding door de grootouders dien hebben bekleed,
dan merken wij dat alles zóó goed op, dan voelen we dat alles zóó diep,
omdat wij, vooral door dat eerste hoofdstuk, Geertje--om 't zoo eens uit
te drukken:--in haar ongerepte en tegelijkertijd nog niet ontwikkelde
gaafheid hebben gekend. Want we zien in dat eerste hoofdstuk reeds al de
verhoudingen en menschen, die, in verband met haar natuurlijken aanleg,
Geertje hebben gemaakt tot wat zij op dat oogenblik is. We zien
ook--heel eventjes slechts aangegeven--zekere psychologische
eigenaardigheid, die later van groote beteekenis voor haar uiterlijk en
innerlijk lot zal blijken te zijn. Ik zal nu dit alles met eenige
citaten trachten aan te toonen. Eerst de gezindheid van den grootvader:
(_Geertje_ is bezig zich op 'r kamertje klaar te maken voor de reis.
Beneden wachten de grootouders op haar, om aan den maaltijd te
beginnen).
Ze hoorde Groo'va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig
... daar was hij al in het gangetje! Nu kwamen de woorden, _kort,
met gezag_:[4]
--Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden....
Dan moest het maar.... Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen,
parapluie, 'er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep--zóó
maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.... Even
rondkijken.... Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien....
En het slecht gelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning
kraakte op elke tree, onder de _vlugge_ stap van het _lichte
meisje_.
In de _eerste_ door mij gecursiveerde woorden, die Grootvaders manier
van spreken aangeven, zóó dat wij hem hóóren, leeren wij hem reeds
kennen, zooals hij intrinsiek is: hij is de man van de kortheid en
vooral van het Gezag, met een bijzonder groote hoofdletter! Maar ook
Geertje staat er al aardig in: Dat kinderlijk beredderingsdruktetje, dat
schalk-vroolijk [p.311] afscheid van de kamer ... zou het aan mij
liggen, dat ik 't ook _aandoenlijk_ vind?... Ik geloof het niet: de
jeugd, de onschuld en de blijmoedigheid, zij zijn aandoenlijk, _omdat
zij, vaak zwijgend en zonder het te weten, om bescherming vragen_. Als
kinderen tegen ouders, vlijen zij zich tegen de ziel van den mensch aan,
die hen met liefde beschouwt.
De beide laatste, door mij in den tekst gecursiveerde woorden vormen
daarneven van die beeldende trekjes, zooals er meerdere in dit hoofdstuk
voorkomen, die ons onmiddellijk Geertje in heel haar luchtige en
vroolijke jonkheid voor oogen brengen.
Groo'vas voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.
--Waar blijf je nou toch? zei Groo'moe. Op haar gezicht was enkel
droefheid.
Men weet hier onmiddellijk, dat Groo'moe altijd de "bufferstaat" tusschen
de beide anderen is! Zij tempert grootvaders strengheid en vergoelijkt
Geertje's dartele jeugd.
Het eten stond er al.
--Aan tafel, zei Groo'va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem
kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.
Toen alle drie zaten, bad hij:
--O Heer, onze God! wij danken u voor de spijze, die Gij ons weder
mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig u loven en prijzen voor al
uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen
van hart, wij komen tot u in onze nooddruft, want ons hart is
bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe
goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw
uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die u
vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het
leven te houden in den honger. Wees gij dan, o Heer, met haar die
ons verlaten gaat. Wees gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer
vast huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren
mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover
haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat
haar geleiden, als zij nederligt, zal het over haar de wacht
houden, als zij wakker wordt, zal het zelve met haar spreken. Want
het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen
der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader, die in de Hemelen
zijt, Uw naam worde geheiligd; [p.312] uw Koninkrijk kome: Uw wil
geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons
dagelijksch brood geef ons heden, en vergeef ons onze schulden,
gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in
verzoeking, maar verlos ons van den booze. Want Uw is het
koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid,
Amen!
Geertje was gewoon aan Groo'va's lange gebeden, met teksten erin.
Laat ons even stilstaan bij die gewoonte van Groo'va om gebeden te bidden
"met teksten erin." Het kan zijn nut hebben, niet alleen voor het goed
begrip van die figuur, maar van al de geestelijk aan haar verwanten.
Want ten eerste moeten we ons wel hoeden, in onze "moderniteit" een
vrijbrief te zien, om maar over alles en nog wat, waarvan wij niets
weten, te mogen meespreken, en ten tweede zoudt gij allicht uit den
aanhef van dit artikel meenen te mogen afleiden, dat ik ook dit _bidden_
met teksten iets minderwaardigs of gerings acht. Dit is echter niet zoo,
ik vindt het integendeel iets zeer schoons. Kijk eens aan. Als men
iemand bijv. "een gevoelsmensch" noemt, dan wil men daarmee niet zeggen,
dat die man uit louter gevoel bestaat en verstand zou missen. Men wil
daarmee dan alleen aanduiden, dat het gevoel, het bij hem sterk
overheerschende is. En als ik dezen grootvader een dogmatisch-geloovige
noem, dan wil ik daarmee ook alleen beweren, dat het dogmatisch-geloovige
in hem overheerscht. Want niemand is één ding geheel-en-al. Ieder mensch
is een mengsel van _vele_ eigenschappen. En in dezen man zijn er al vast
drie wijzen-van-zijn te herkennen: ten eerste: de man--de "belichaamde
vermaning," zooals _Geertje_-zelf hem ziet--die door zijn dogmatisch
denken, door zijn meenen _de waarheid in pacht te hebben_, van een
ergerlijke eigengerechtigheid is; die zich als een "Verkondiger van Gods
Woord" opwerpt en met zijn teksten niet alleen een grimmig hekwerk
tusschen eigen braafheid en de snoodheid van den zondaar schijnt te
willen oprichten, maar er zelfs een soort van kooi om de "gevallene" van
wil smeden, waarin die in schuldbewustzijn tot "berouw" moge komen;
maar, ten tweede: leeft ook in hem de eenvoudige vrome, de [p.313] warm-
en innig-geloovige, die ten tijde van zijn hevigste bewogenheid, naar
den Bijbel grijpt, om in diens taal te bidden, te danken, in één woord
zijn gevoel in woorden uittestorten. Het behoorde tot de leege
bluf-gebaren der "moderniteit" te beweren, dat degeen, die bad, dat in
eigen woorden moest doen, en dat hij, die het in "andermans"
bewoordingen deed, maar wat prevelde. Maar die moderne knaapjes vergaten
iets: dat deze "andere man" vaak de Bijbel was, en dat als we alleen
maar de Psalmen daaruit nader beschouwen, we weldra ontdekken, dat de
Psalmist een dier ontzaglijke en allergrootste dichters is geweest, wien
"niets menschelijks vreemd is gebleven." Wat wonder dan dat de
geloovige, die toch al, dóór zijn geloof, meent, dat die geheiligde
woorden Gode aangenamer dan zijne eigene zullen zijn, in uren van diepst
doorleven naar den Bijbel grijpt, en, als in een gelukkige ontslaking,
daar de zóó volledig zijn gevoel uitzeggende woorden vindt, gelijk hij
ze nimmer had kunnen vormen. Zóó gebruikt ook Grootvader dan de teksten
als hij _bidt_. Als hij _vermaant en bestraft_--let goed op het
verschil!--liggen _hoogmoed_ en _bewustzijn van eigen bravigheid_ aan
zijn tekstgebruik ten grondslag; als hij _bidt: nederigheid, liefdevolle
overgave_, ja zelfs _onbewust bewonderen van het schoone._ Gij zult mij
deze uitweiding wel willen vergeven, want ik zou graag willen, moet ge
weten, dat wanneer ge straks, als flinke kerels in den trein van den
Vooruitgang zit en uw vroolijk lied van de Internationale uit de ramen
dondert, dat ge dan vooral niet uw manhaftigheid uit door als Yankees
links en rechts over de waardevolle bagage uwer medereizigers heen te
spuwen. _Revolutionnair gevoel èn eerbiediging van het echte en mooie,
waar 't zich ook uit_, zijn in diepsten oorsprong hetzelfde en vertoonen
zich alleen als iets tegenstrijdigs, bij den kinderlijken en
onontwikkelden mensch.... Begrepen?... Ten derde leeft in Grootvader ook
een man, die.... Maar dezen zin breek ik hier af, om hem later te
vervolgen. Nu eerst ònzen tekst verder:
's Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang
gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij [p.314] deed
haar best om mee te bidden, maar ze was er niet in. Al toen Groo'va
bad van "gebrokenen van hart" hoorde ze een snik van Groo'moe. En
toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn,
snoof en snikte Groo'moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes
trachtte te kijken....
Een aardig trekje dit laatste, _beeldend_, zoowel Geertje's schalke
kinderlijkheid, als haar op dat oogenblik buiten de gevoelssfeer der
grootouders staan, haar innerlijk-alleen-naar-het-komende-kijken!
Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon--hij
kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand
het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo'va; zijn diepe
stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf--toen,
bij die bijna gemeenzame woorden, die ze als heel klein meisje van
Groo'moe geleerd had als Jezus' gebed, voelde ze dadelijk zich
anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep
gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar
neus; en na het amen stond ze op, en liep naar Grootvader om hem
een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo'moe's
stoel.
--Och kind, hikte Groo'moe.
--Heusch Groo'moe, Geer zal goed oppassen.
Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in
Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede,
alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.
--Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.
Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan
Grootmoeders borst; de kleine vleezige hand van Groo'moe streek
langs haar wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend,
zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens
heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve
kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte
behangsel en het eikenhouten harmonium....
Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo'moe gekozen als
Geertje's lievelingskost. Maar Groo'va had de ham niet zoo mooi dun
gesneden als anders.
Ik heb daar straks de opmerking niet willen maken, om de stemming van
dit overigens fraaie stuk niet te bederven, maar nu moet ik toch even
zeggen, dat het mij spijt hier het woord "hikte" ter beelding van
Groo'moe's manier van spreken gebruikt te zien. Het werkt
ontegenzeggelijk storend. Hikken, [p.315] in de beteekenis van hakkelend
spreken heeft te vaststaand en eigenaardig gebruik in den volksmond, dan
dat het ook hier niet onmiddellijk de daaraan verbonden onsmakelijke
gedachten-associaties zou doen opkomen.
Maar nu geloof ik dat het toch tijd wordt mijn daar straks afgebroken
zin te voltooien. Dus: Ten derde leeft in Grootvader ook een mensch,
die, zij 't schaarsch, zij 't droog, zij 't kleintjes, zich toch ook op
een andere dan Bijbelsch-gereglementeerde wijze uit. Want--en Grootvader
moge mij het oneerbiedig vergelijk vergeven:--geen papegaai is er zoo
aan verslaafd op het voorbeeld van anderen te vloeken en te zegenen, of
hij krast er wel eens op zijn eigen manier, z'n toorn, verdriet of
vreugde doorheen. Grootmoéder moge schreien, Geertje langs de wang
aaien, haar laten uitweenen aan haar borst, de stugge, terughoudende,
half-bevroren grootvader brengt het niet verder dan: _de ham niet zoo
mooi dun te snijden als anders_. Maar met dat al is het laatste toch
evenzeer een zuivere gevoelsuiting als de eerste. Wenschen we er den
oude geluk mee!
Ik sla nu een stukje tekst over en haal het eigenlijk afscheidnemen van
Grootmoeder en Geertje aan:
Grootvaders _lange_ gestalte stond in de deuropening.
--... Nou Groo'moe....
--Nou kind...!
't Was of Groo'moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan.
Maar ze hoorde Groo'va zeggen:
--'t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze
den trein niet zou halen.
--Goeie Groo'moe, zei ze troostend, _en wrong voorzichtig zich
los_.
--De Heer ... zij ... met je, beefde Groo'moe's stem.
--_Ja Groo'moe_, zei Geertje, _en zocht haar taschje_.
Toen ze het had, tasch, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een
vroolijker--"Dag Groo'moe, het beste Groo'moe," een lichte kus op
het grijze haar; en vlug voor Groo'va, die de voordeur had geopend,
heen, was ze in eenen kamer en huis uit.
In den eersten zin van dit citaat heb ik het woord "lange" gecursiveerd,
om te doen uitkomen hoe voortreffelijk zulke kleine
beschrijvingswoordjes het niettegenstaande hun eenvoud [p.316] en alle
afwezigheid van omhaal doen. Ik wees er u reeds aanstonds op bij de
beschrijving van Geertje's naar beneden loopen. Met die kleine,
voortreffelijk te pas gebruikte beeldende woordjes, bereikt deze
schrijver evenveel, zoo niet meer als sommige anderen met uitgebreide en
ingewikkelde beschrijvingen. Als met lichte, onmerkbare drukjes wordt
ons eene ook-het-innerlijk-bevattende voorstelling van den uiterlijken
persoon in den geest gedreven. De drie andere cursieven geven Geertjes
gepréoccupeerdheid weer, haar er-niet-bij-zijn bij het afscheid, haar
denken aan het komende. Haar "Ja Groo'moe" is zelfs min of meer comisch
als antwoord op grootmoeders zegenwensch. En we glimlachen goedig, als
we daaraan denken, en hebben het onschuldige, levendige, naar het nieuwe
willende meiske er des te liever om.
--We komme d'er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje
dichtklapte.
--Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo'va. Zeg Groo'moe nog eens goeden
dag.
Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo'moe's
gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de
handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens.
Toen _hupte_ ze (beeldende uitdrukking, als boven. v.C.) Groo'va
na, die was doorgeloopen.
Bij den draai van den weg bleef ze even staan, en wuifde weer.
--'k Zie Groo'moe nie' meer, zei ze.
Stil dook, omhuifd door grauw-bruine takken, 't lage witte huisje,
met het zware, vooruitspringende puntdak, achter de lariksen en
conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de
school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was 't donkere
pleintje er voor....
-- Kom nu! riep Groo'va.
En Groo'moe, die in Geertje's kamertje door het zolder-raampje
keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.
Hoe mooi is hier de stemming van dat oude dorpje getroffen, die kerk,
die school, het eenzame pleintje. Stil blijven ze achter in hun
onverstoorden, zuiveren eenvoud.... Het bij hen behoorende kind trekt
naar de groote stad....--Is ze even droevig, dat ze grootmoe niet meer
ziet? Of is ze eigenlijk niet integendeel blij, en voelt ze zich niet
opgelucht, dat het afscheid nu eindelijk is afgeloopen, dat ze nu
onverdeeld [p.317] aan het nieuwe, het komende behooren gaat, waarheen
haar gulzig hartje hunkert? Maar de grootmoeder denkt aan niets anders
dan aan haar. Het was haar strammen ouderdom niet te veel, de trappen
naar het zolderkamertje op te klauteren, om haar kleinkind zoo lang
mogelijk te kunnen naoogen....
Maar bij dit laatste wil ik toch nog even stilstaan: Tot hiertoe, ook in
de door mij niet geciteerde gedeelten van dit hoofdstuk, zien wij de
personen, onmiddellijk _door de ziening van den auteur_. Tot hiertoe
beweegt zich ook het verhaal in _òndoorbroken-voorwaartsche_ richting.
Met dit laatste zinnetje wordt dit alles plotseling anders: De schrijver
laat ons niet door zijn oogen Geertje zien--om 't zoo slordig-weg uit te
drukken--maar door die van de grootmoeder, en om dit te kunnen doen
plaats hebben, worden we plotseling met een ruk achteruitgetrokken--een
ruk, dien ik, bij de eerste lezing _werkelijk gevoelde_!--: we bevinden
ons met grootvader en Geertje reeds op weg naar het station, we hebben
het meestershuisje en grootmoe achter ons gelaten en nu worden we
plotseling daarheen weer verplaatst. Wat beteekent dit?... Het
beteekent, dat hier eene van die onbewuste, zéér schoone stijgingen van
gevoel in den kunstenaarsgeest heeft plaats gegrepen, die wellicht tot
de innigste en teerste bestanddeelen van kunst behooren. Onbewust zeg
ik: het zou zelfs kunnen zijn, dat de auteur het tot op den huidigen dag
zelf niet weet en--toch _is_ het zoo, ja, het is niet onmogelijk, dat
hij, nu ik het zeg, het niet juist zal vinden en--desalniettemin blijft
het de waarheid! Voor die door hem gestadig in zóó liefdevolle
beschouwing omkoesterde _Geertje_-figuur is, op dit oogenblik van
afscheid van haar veilig dorpje, dat zij verlaat om zoo groote
beproevingen in de angstig-groote en vreemde stad tegemoet te gaan, zóó
groote teerheid in hem gerezen, dat hijzelf als in onbewuste kieschheid
terugwijkt, om die laatste visie van hoe zij als onbezorgd kind in het
grootouderlijk huis was, in de verbeelding der menschen te laten
ontstaan en beklijven, gelijk zij gezien werd door de grootmoeder, die
Geertje het best en het diepst heeft liefgehad....--
Ik oversla nu een stukje tekst: Geertje op weg naar het [p.318] station,
hoe zij van allerlei dorpsgenooten lieve attenties en hartelijke
vaarwel-groeten krijgt. Een meisje staat haar op te wachten met 'n mand
"bellevleurs": "Geertjen, hier heij 'n mand mit appels, lekkere
bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege."
Het teekent uitstekend het geëerd- en geliefd-zijn van haar grootouders
en haar-zelf in het dorp. En dat alles zal later, zooals ik reeds zei,
een wreed contrast met haar omgeving en positie in Rotterdam vormen.
Maar het volgende haal ik nog even aan:
En aan het perron kwam opeens Jan Heukelman.
--Ik kom je even ge'dag zeggen, Geertje, zei hij.
--Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.
--Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek
bekend, en hij he't mien opgedroage je z'en groete te brengen. En
dat ie hoopte da'j altoos de Heere voor ooge zoudt houden.
Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap
aan Willem te geven.
Willem is de rijke boerenzoon, die op Geertje verliefd is, maar omdat ze
'm niet hebben wou, naar Amerika is vertrokken. Later als Geertje
"gevallen" en hij in het vaderland is teruggekeerd, blijkt hij nog
altijd dezelfde trouwe en liefhebbende minnaar te zijn. Hij verlangt
niets liever dan haar als zijn geëerde vrouw in zijn huis te voeren.
Maar Geertje weigert, zooals ik reeds in het eerste hoofdstuk zei, omdat
zij den man, die haar gedupeerd heeft, _blijft liefhebben_! Overigens:
Willem Heukelman is dezelfde soort Christen als Grootvader, m'n Hemel!
'n minnaar, die het meisje zijner liefde geen andere boodschap weet te
sturen, dan dat ze altoos de Heere voor oogen moet houden! 't _Is_ om
tureluursch te worden.--En nu nog even dit: (Geertje staat aan een
tusschen-station op den trein te wachten. Ze is ongerust over haar
koffer. Een aardige meneer stelt haar gerust, en het voorvalletje
verloopt dan aldus verder:)
Hij ging enkel naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen
reizen.
Geertje dacht aan wat Groo'va gezegd had, dat ze vrouwencoupé
[p.319] moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, _maar vond het
pijnlijk dat aan den heer te zeggen_. Hij was zoo vriendelijk tegen
haar!...
Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:
--Ja, nu moet ik een dames-coupe hebben.
Doch er was maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje
in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heen-drong.
--Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen
zitten, lachte de heer.
En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zich-zelf.
Misschien was er nog een coupé geweest; ze had daar niet verder
naar gezocht. Nu zat ze in een grooten wagen, met veel menschen
overal. De vriendelijke heer tegenover haar.
--Hebt u het hier niet goed bij me?
--Heel goed, lachte ze terug--toch een beetje pruilend.
Het is deze _naïeve vriendelijkheid_ in Geertje, dat niet _kunnen hard_
zijn, het is dat zachte gemoed in haar, zoo diep ontvankelijk ook voor
medelijden, zoo bang voor te kwetsen, die wel de hoofdoorzaken van haar
ongeluk, of wilt ge, van haar geluk zullen zijn. En het is over het
_algemeen_ het medelijden, het zachtmoedig niet-kunnen-weigeren, en
_niet_ de sensualiteit, waardoor het leven van zoovele vrouwen verdorven
is....
In het volgend hoofdstuk hoop ik u nu in hoofdlijnen te laten zien, hoe
uit Geertje's goedgeloovige, naïeve, luchthartige en medelijdende
innerlijkheid, in verband met invloeden en personen uit haar vroeger en
later leven, zich de roman harer liefde en overgave ontwikkelt.
* * * * *
JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"
[p.320]