Hé, haast gevalle----

... Groote God! wat gebeurt er met 'er! Heeft ze.... Ja, ze heeft

geslapen. 't Vrouwtje naast haar kijkt ontstemd, z'is tegen die an

gevalle, in d'er slaap.... Wat vreeslijkheid! Ooge dicht! Ze durft

niet rondzien! Zoo iets droome ... en dan hier! In de kerk zoo

zondig droome! Wat zeit daar de Dominee! O, hij spreekt over Judas'

smarte.... Lang stuk heeft ze niet gehoord, zitte slape, was zóó

moe ook. Hé, d'er hoofd barst van de pijn en dat steke van de zon

daar, altoos met die-n-eene straal, daar vlak vóór d'er. Jee, ze

beeft, ze klappertandt. En zoo warm hier. He't ze koorts? O, ze is

zoo ongelukkig!

In een wroeging van zich schuldig voelen, in een vrees voor zonden,

herinnert ze zich nu tal van teksten, die _overspel_ verbieden. En dat

stuk is pràchtig; en het spijt mij heel erg, dat ik het moet overslaan,

al mag ik de opmerking niet weerhouden, dat ik wel gewenscht zou hebben,

dat Geertje's meditatie niet zoo gerhythmeerd ware gegeven, want deze

rhythmeering wordt veroorzaakt door de vroom-ontroerde psyche _van den

auteur_, en kan _niet_ in 't _denken van Geertje_ aanwezig geweest zijn.

Zij bidt God om vergeving, neemt zich nu voor, voortaan geen dag meer

het bijbellezen te verzuimen. En ten slotte vindt zij voor dat uur

vrede:

[p.334] Goed en aangenaam voor God, o, zij moest nu bidde.... Bidde

mòcht zij ook voor _Hem_[8], dat God _Hem_[7b] verand're mocht, dat

ook _Hij_[7c] vond het geluk, nu was _Hij_[7d] toch zoo rampzalig,

arme man, zoo'n lieve man, o, as hij tot God mocht komen ... zou ze

durve? hem et zegge? Bidde mocht ze wel voor hem, en nu luist're,

nu goed luist're, dan zou ook 'er hoofdpijn weggaan, kon ze aan de

preek wat hebbe....

En nu wordt het mijn plicht, over _dit deel_ van het boek te zwijgen,

een plicht zwaarder, voor mij, die zóó gaarne van mijn mooi-vinden

anderen deelgenoot maak, dan mij wellicht ooit het spreken heeft

geleken. Zwijgen moet ik over het schoone zelfbedwang, over het

meesterschap, dat de kunstenaar moet hebben bezeten, toen hij vóór en nà

die supreme beeldingen van Geertje's gevoel, den moed en de kracht had,

om de kunstgrepen van den verleider en heel het alledaagsche leven te

teekenen; dat dagdagelijksch leven met al zijn kleinheden, waarvan het

Noodlot zijn onverbreekbare koraalrotsen bouwt, die de schepen doorboren

en de schepelingen ten afgrond doen gaan. Zwijgen over dat prachtig-

doorvoelde van Geertje's opstand tegen den Bijbel, tegen God, wijl de

afgesmeekte, de afgebéden rust niet in haar komt. Zwijgen over haar

drie-daagsch verblijf bij haar grootouders, die beelding èn van haar

smart èn van 'r kinderlijk-onschuldige schalkheid; over dien maannacht

in haar dorpje, waarin zij zich de Bruid voelt, die zich nimmer zal

vertoonen aan haar Bruigom, maar heel 'r leven aan hem denken zal ...

daar de vorstelijke verzen, vol van eene onmetelijke weelde, van

Salomo's _Hooglied_, gelijk een godsstem openklinkend in haar ziel,

zegenend de zang van haar groot-menschelijk gevoel begeleiden. Zwijgen

ook over haar zich-geven aan hem, hun sexueele samenzijn, in volkomen

reinheid en soberheid uitgebeeld. En zwijgen verder over heel dit

opengaan van Liefde, dat bij een gelukkig menschenkind is, als het

roepen van de zon naar het water en het wekken eener kleurige schoonheid

van met glans-lachjes overblonken, sluimerende [p.335] vormen daarin, en

dat bij haar was--arme!--een zonsverduistering gelijk, als de leden der

lenigst-gevleugelden verstijven van angst en de keeltjes der tot zoet

zingen geborenen, rauw gekrijsch uitsnerpen.... Want al dat schoone moet

nu voor u bewaard blijven _in het boek_. Mij rest alleen nog te spreken

over haar verlaten-worden, haar twijfel, haar leed, en haar

heengaan-in-vrede.

* * * * *

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 66 / 78 题