I.

Zoo gaat het alles en deint en toeft nog even en verdwijnt.... Maar ook

waarvan men zei, dat het niet weer zou keeren, dat keert soms nog vaak

terug en altijd met een diepere bedoeling, en immer rijper en immer

sterker.... Want de plechtige dans als een ommegang, die de

stil-glimlachende en bevallige en zekere, ja vóóral zékere Jaren met ons

menschen volvoeren, is een zéér ingewikkelde figuur, zóó ingewikkeld....

Och ik vrees: indien wij ons zelf konden waarnemen, zooals we staan en

ons moeizaam bewegen tegenover onze partners, door hen worden meegevoerd

en dan weer achtergelaten--zoodat degeen die voor ons stond, dàn

terzijde, dan àchter ons henengaat--we zouden onze verlegenheidsglimlach,

ons dwaas-behoedzaam en aarzelend bewegen zéér betreuren. Want

inderdaad, het kan toch den Beschouwer geen fraai schouwspel lijken, bij

zooveel weeldeglans en stralend licht en tegenover en naast zoo schoone

en zeker-zich-bewegende gestalten als de Jaren, zóó houterig, zóó bang

voor botsing, zóó angstig voor 'n verkeerd gebaar te treuzelen, als wij

menschen doen: een glimlach, een buiging van uw partner, ach, ge meendet

er een vriendelijkheidsbetuiging jegens u in te zien?... Neen, neen, die

hoorden zoo bij het ceremonieel van den dans; bet geheel daarvan, dat we

nog altijd niet in onze arme hoofden hebben, ware zeker niet zoo

volmaakt-fraai zonder dien glimlach en die buiging [p.297] geweest,

maar--voor u waren zij niet bestemd! Een hand wordt u toegestoken, ge

meent haar te moeten grijpen, maar neen, met 'n stillen doch

terechtwijzenden glimlach trekt haar de eigenaar terug: die handbeweging

behoorde tot het zéér diepzinnig ceremonieel van den dans ... op den

handdruk zult ge nog wat moeten wachten ... indien ge hem ooit krijgt!

Maar waarom zoudt ge daar treurig om zijn? Is een glimlach van de Jaren

dan niets, zelfs al was hij niet voor u bestemd? Maakt hij 't _geheel_

van den dans, waaraan gij _deelneemt_, niet fraaier? Welnu dan! En nu

spreek ik u nog niet eens van de schoonheid, het gratievolle, van 't

zekere van hun _terugwijken_. Want daar ge jong zijt, lieve vrienden,

hebt ge meer gelegenheid gehad, de schoonheid van den glimlach der Jaren

dan die van hun wijken te zien. Maar waarvan ik u wel en vooral nog

spreken wou, is, dat ge vooral niet uit dat zinnetje, wat ik straks

schreef: "als ge hem ooit krijgt," moet afleiden, dat dit zoo zeldzaam

is. Het is een eigenschap van dezen wonderbaarlijk ingewikkelden

dans,--zooals ik reeds meende te zeggen--dat een zelfde figuur zònder

maar ook mèt een kleine wijziging terugkeert en 't is dus zeer wel

mogelijk, dat ge bij een volgende maal den handdruk krijgt, dien ge de

eerste maal u zaagt ontgaan. Want, laat mij u zeggen: het feit, dat ik

de Meester's prachtige _Geertje_ hier behandelen mag, dàt is zulk een

handdruk van een van de kinderen van den Tijd, ééns gemist, maar nu

gekregen. En mag ik u nu vertellen hoé dat gebeuren kon?...

* * * * *

Welnu dan, luister: Het was betrekkelijk korten tijd voor Tak's dood--en

ik vraag u meteen: kent gij, jonge vrienden, behalve zijn naam, ook zijn

werk? Hoevelen uwer, die toch waarlijk wel wat geld kunt missen,

bezitten die keur daaruit: _Herdrukken uit de Kroniek_?--dat hij mij

opdroeg twee werken te recenseeren in _De Kroniek_. Een daarvan was

_Geertje_.--"... en," zei hij, terwijl ik al bij de deur van zijn kamer

was, het was bij hem thuis, "dat boek," op _Geertje_ wijzend, "en de

schrijver zijn mij heel lief." Nu weet ik niet, of gij onmiddellijk

begrijpt, dat ik toen voelde, dat de Tijd mij toelachte [p.298] èn dat

die glimlach wel degelijk voor mij was bestèmd, misschien vindt ge dat

gevoel wel "overdreven" en zeer zeker begrijpt ge niet, waarom ik toen

zelfs meende Zijn hand te kunnen grijpen, waarvan de aanraking op

wonderbaarlijke wijze voor langen tijd _zekerheid in 't gaan:

zelfvertrouwen_ geeft. Toch was dit _niet_ overdreven. Als gij Tak hadt

gekend--en daarvoor is het nog niet te laat, want is het werk van zóó'n

man ten slotte niet zijn allerbeste kenbaar deel?--èn gij wist als ik

dat _Geertje_ een van de allerbeste, innigst gevoelde en soberst gegeven

werken der heele hollandsche literatuur is--en dit zult gij weldra

inzien--dan zoudt gij begrijpen hoe gelukkig een jong auteur zich moest

gevoelen die van dièn man diè opdracht kreeg. Dat was een verfrisschende

opfleuring van den geest, een sterke aanmoediging, precies wat die

waarlijk-zachtmoedige geboren-Leider van menschen er dan ook mee

bedoelde, waar hij altijd en altijd mee bezig was: jonge menschen, die

het geluk hadden zijn weg te kruisen en in wie hij, zij 't veel, zij 't

weinig, talent vermoedde, te steunen, te sterken en vriendelijk tegen

hen te zijn, met héél zijn hart ... ja, dat was nog eens een ménsch....

Maar hij stierf.... Toen had de Tijd zijn hand teruggetrokken.. Ik las

Geertje ten einde, maar maakte verder geen aanteekeningen; die welke ik

gemaakt had, reikten niet verder dan tot over de helft van het eerste

deel.... Ik zette het boek bij het andere werk, dat hij mij toen gegeven

had, vooraan in mijn kast, dat het mij, o ja ik wist het wel: een

weemoedige, maar vooral toch een heerlijke herinnering zou zijn, mijn

heele leven. Erover schrijven en bij een andere redactie om opname

vragen ... nee, wel bedankt, dat wilde ik niet.... Bovendien, ik voel

heel diep de beteekenis van het stil en als-onaangedaan wachten in het

leven.... Ik voelde ook wel, dat ook deze bewegingsfiguur eens zou

terugkeeren in dien grooten en plechtigen ommegang van den Tijd, de

Lotgevallen en de menschen en dat zij dan, zooals ik reeds zei,

beteekenis-voller zou zijn en mìj rijper zou vinden. Het eerste en het

tweede zijn nu gebeurd, want zou het inderdaad niet van veel grooter

beteekenis zijn, dat ik nu het geluk mag hebben, duizenden [p.299] en

duizenden ouderen en jongeren in dit voortreffelijke werk in te leiden,

dan dat ik toen een opstel erover had geschreven in _De Kroniek_, d.w.z.

voor een uitgelezen maar zeer kleine schare lezers, waarvan het

meerendeel, vermoedelijk, literair even sterk voelde als ik-zelf?! En

wat het derde betreft ... moge daarvan dit opstel getuigenis afleggen!

Want doet het dit niet, neen dan zou het toch zijn, alsof de Tijd mij

ook ditmaal de hand niet hadde gereikt, want sterkt hij door die

aanraking een mensch, deze sterke dan ook hem, opdat hij weer anderen

sterken kunne. Geeft hij dan de _gelegenheid_, de ander _geve hem_ de

daardoor _mogelijk geworden, juist voltrokken daad_.... Doch hoe dàt nu

verloope, dat de bespreking van _Geertje_ een innerlijke gebeurtenis

voor mij is, hooger dan het bespreken of overdenken van welk ander

gelijkwaardig boek ook zou zijn, dàt zult ge nu wel begrepen hebben.

* * * * *

Het zou voor u allen, evenals voor mij, ongetwijfeld makkelijker zijn,

indien ik nu even, vóór met mijn eigenlijke ontleding aan te vangen, u

een verkort begrip van den "inhoud" van dit werk mocht geven. Maar dit

kan niet, omdat het u op een dwaalspoor zou brengen en wel om de

volgende redenen: Allereerst, omdat _Geertje_-zelf is: een

_psychisch-romantische_ figuur. Maar laat mij geen vreemde woorden

gebruiken, zonder ze even te verklaren: _psyche_ beteekent: _ziel,

psychisch_ dus: _wat tot de ziel behoort, wat de ziel betreft_. Ik

bedoel dus te zeggen, dat zij wat haar _ziels_eigenschappen betreft

romantisch is. En ge herinnert u ongetwijfeld wat ik u onder

"romantisch" heb leeren verstaan[1].

We begrijpen dus nu, dat Geertje wat haar _zielsvermogens aangaat_ een

_uitzonderings_figuur is. Echter wat haar lotgevallen betreft, is ze zoo

gewoon als 't maar kan. En daarom zei ik dan ook nadrukkelijk, dat zij

_psychisch_-romantisch is. En ge vermoedt nu al, waarom ik u niet

dadelijk iets van haar [p.300] levensloop, dus van den "inhoud" van het

boek vertelde. De jongeren onder u, die, wat zeer natuurlijk is, nog

denken, dat eens menschen lotgevallen hem belangrijk of onbelangrijk

maken en nog niet inzien, dat _alleen de wijze, waarop een mensch die

lotgevallen ondergaat en erop reageert_ hem belangrijk of onbelangrijk

maakt, hoe zouden zij een huishoudster-dienstmeisje, dat, onervaren en

kerksch-opgevoed, uit een klein dorp naar een groote stad komend, daar

"verleid" wordt door een ellendeling, iets "belangrijks," als verhaal,

kunnen achten. Gebeurt iets dergelijks niet zóó vaak?... Behoort het ook

niet tot die dingen, die als we ervan hooren, ons 't hart verscheuren en

ons, al naar onderscheiden aard en aanleg, in machtelooze woede de vuist

doen ballen, of vruchtelooze heerschers- en apostelsdroomen laten

droomen? Ja, wenschen we ten slotte niet, om ons-zelf de smart en den

haat te besparen, er maar zoo weinig mogelijk van te weten? En behoort

dus een boek, dat deze dingen beschrijft niet tot diegene, welke wij

maar liever ongelezen ter zijde leggen, óók omdat het toch, als verdicht

verhaal zoo "gewoon," zoo "banaal," zoo "beneden onze aandacht" is? Och

ik zeg u eerlijk: niet beneden _mijn_ aandacht. Voor mij is, in kunst,

het onderwerp bijna niets en de behandeling van dat onderwerp alles.

Maar voor u, weet ik, is dat niet zoo, en dat neem ik u ook volstrekt

niet kwalijk: ik begrijp het best. En zoudt gij dan _Geertje_ niet voor

zulk een boek gehouden hebben. Maar nu hebt ge natuurlijk al begrepen,

dat het daar niet op lijkt. Hoe zoude ik in dat geval van een psychische

_uitzonderings_figuur hebben kunnen spreken. Och, hoe ver is 't dan ook

inderdaad daarvan verwijderd. Hoezeer is _Geertje_ in evolutionnair-

biologischen zin verheven boven een "verleid meisje". Laten wij deze

bewering reeds nu even aan de feiten toetsen. Dat, wat men _gewoonlijk_

onder "verleiding" verstaat, is: op zoodanige wijze bij een argelooze op

de sexueele driften inwerken, dat zij tenslotte uit eigen opgewekten

hartstocht, aan de begeerte van den verleider voldoet. Het _meest

kenmerkend gevolg_ van _verleiding_ is dan ook, dat zoodra bij de

_verleide_, de opgewekte driften weer tot rust zijn gekomen en zij de

[p.301] gevolgen te dragen heeft, het _berouw_ intreedt èn _haat_ tegen

den _verleider_. Ten eerste wordt nu echter bij _Geertje niet_ door den

man, die haar misbruikt, de lagere sensualiteit opgewekt, jawel, hij

_beproeft_ het, en _hij_ meent, de plat-sluwe wellusteling, dat hij

slaagt, doch hij vergist zich: wat door hem wordt opgewekt misschien,

maar aangewakkerd zéker, is: hare _verliefdheid_ op hem--van wier

hoogheid en duurzaamheid dat beest-mensch niet het flauwste begrip

heeft!--en dit _verliefd-zijn_ maakt hare zinnelijkheid wakker. Tusschen

het een en het ander nu is een enorm verschil--precies hetzelfde

verschil, wat _men_ zegt (_ik_ weet het nièt) tusschen mensch en dier te

bestaan.--In het eene geval, _bij Geertje_, brengt de _geëxalteerde

geestelijkheid_ beroering en hartstocht _in de lichamelijkheid_; in het

andere geval wordt de eene _lichamelijkheid_--van de verleide--door de

andere _lichamelijkheid_--van den verleider--doordrift, en met hun

beider _geestelijk-zijn_ heeft dat niets of weinig van doen. Het gevolg

is dan ook, dat zoodra, in het laatste geval, ook slechts een klein deel

van de geestelijkheid: het nuchter verstand, werkelijk ontwaakt, een

vreeselijk berouw, zooals ik reeds zei, en een haat tegen den verleider

intreden, en daarentegen in Geertje's geval, zoodra haar geest zelfs

_voor goed_ is ontwaakt en _alles_ klaar ziet, zij van tevredenheid en

geluk vervuld wordt, omdat zij voelt, niet zóó bewust als ik 't daar

zeggen ga, maar toch zéér bewust: ik heb gedaan wat mijn hoogste

geestelijkheid en de reinste kern van mijn wezen mij geboden, nu heb ik

de zaligheid gekend en deze zal mijn heele leven blijven doorlichten; en

instede dan ook van haat te voelen tegen den man die haar onverzorgd aan

haar lot overlaat, blìjft zij hem, ook nadat zij weet, door hem

gedupeerd te zijn, uit de volheid van haar groote ziel liefhebben,

blijft zij hem innig dankbaar, voor de heerlijkheid, die haar, ten

slotte, toch door hèm geworden is! En zooals de eene goede daad altijd

ter een of andere keer, tot een tweede goede daad voert--want het is een

goede daad aan het hoogste van zijn wezen te gehoorzamen, _maar dan moet

men ook_ [p.302] _noodlottig-zeker voelen dat het 't hoogste van het

wezen is!_--zoo brengt ook _Geertjes_ daad haar éérst tot het zuivere

inzicht, dat te huwen of sexueelen omgang te hebben zonder liefde,

minderwaardig is èn brengt haar daarna en daardoor tot de tweede goede

daad: van liever haar heele leven ontbering en smaad te dragen, dan haar

toevlucht te zoeken in een gemakkelijk huwelijk, met een braven, rijken

boer, die haar grenzeloos liefheeft, om aldus voor de hardheid der

wereld geborgen te zijn. Hoe zou het dan ook kùnnen dat Geertje zich

schame voor haar daad, of iets van haren natuurlijken trots of fierheid

inboete gelijk die vele schijnbare-lotgenooten! Na dit alles te hebben

ingezien, voelen wij dan ook met zekerheid, dat wij in de persoon van

_Geertje_ hebben te erkennen een van die hoog-nobele en in waarheid

groote figuren, die tegelijk monumenten voor en incarnaties van de

Liefde op aarde zijn.

Maar hoe weinig zouden wij dat vermoed hebben, indien wij _Geertje_ in

het leven hadden ontmoet, hoe weinig dus ook, dat wij eigenlijk heel

diep en nederig voor haar moesten buigen, en dat "die geheimzinnige

Macht, die de wereld regeert" veel sterker in haar leefde dan in vele in

heerlijkheid gezeten vorsten en voornamen en geleerden, die roem en eer

en geluk in overvloed oogsten! En met deze opmerking kom ik meteen tot

de bespreking van een andere superieure eigenschap van dit werk, eene,

die het gemeen heeft met alle werkelijk gróóte kunst: _dat het

uitspreekt, wat geen andere mond dan die der kunst kan uitspreken, dat

het stem en uiting geeft aan wat voor onze ooren geen stem en geen

uiting had_. Want ziet eens en denkt het u goed in en doet eens flink uw

best, mij ter dege te begrijpen: àls ge in het leven zulk een "verleid

dienstmeisje," als ge eens diezelfde Geertje had ontmoet, armelijk,

vervallen, gedwongen in uitersten nood een toevlucht te zoeken voor haar

zwak, zwanger lijf, bij hondsche, gemeene, vervuilde familie; àls ge

eens in het leven zulk een meisje had ontmoet, dat absoluut geen

"berouw" over haar "misstap" toonde en nog den man, die haar verleid en

gedupeerd heeft, in slaafsche gedweeheid achterna blijft loopen, [p.303]

wàt zoudt gij anders voor haar hebben dan een weinig stuursch

medelijden, vermengd met minachting, gij, die de grootheid van haar ziel

niet zoudt kennen, gij, die haar drijfveeren: haar liefde, haar

vertrouwen, haar hoop, hare grenzelooze toewijding niet bevroeden zoudt.

En àls gij daarentegen dien verleider, dien _Heins_ in het werkelijke

leven ontmoet hadt, wel, zoudt ge niet hoogstens eenige phrasen mompelen

als: alles te weten is alles te vergeven: de man, lichamelijk een

prachtkerel, is gehuwd met een ziekelijke vrouw ... de natuur zoekt een

uitweg ... en die Geertje, nou die zal, op de keper beschouwd, ook wel

niet zoo heel veel fijns zijn ... en hij is toch maar in z'n zaken een

oppassende en gewikste kerel.... In een woord: een deel uwer sympathie,

waarschijnlijk het grootste deel, zou bij den sterke, den

man-van-het-welslagen zijn en niet bij de verongelukte, bij de zwakke,

bij de als-bedelend-afhankelijke. Want niet alleen gij, jongeren, maar

ook wij ouderen, zijn allen, vooral te dien opzichte, maar al te vaak

"un petit être incomplet,"[2] zooals Loti het noemt. En intusschen, hoé

verkeerd zouden wij hebben gedacht, want die _Heins_, wat is hij anders,

dan een van die diep-ellendige schurken, die we alleen daarom niet

verachten, omdat we begrijpen niets wat leeft te mógen verachten. Maar

hoe zouden wij, arme, onvolmaakte wezens, ook beter kùnnen oordeelen

over onze medemenschen. Worden wij niet door onzen twijfel verscheurd en

heen en weer getrokken? We heffen de hand op om te straffen, maar we

aarzelen: heeft die mensch wel straf verdiend? Had hij geen edele of

onweerstaanbare drijfveeren, die wij niet kennen?... Wij willen

beloonen.... Maar de gedachte komt in ons op: zie ik dien mensch niet te

mooi; had hij innerlijk geen leelijk motief voor die mooie daad,

bevoorrecht ik hem dus niet boven zijn gelijke? Wat wéten wij van

elkanders ziel? Wie zìjn wij-zelf? Daarom kàn de ondeugd niet door

[p.304] ons gestraft, de deugd niet beloond worden. Wij wankelen en wij

tasten mis bij elke schrede, bij elk gebaar. Doch nu komt een kunstenaar

... diè wéét, die vóelt weifelloos, diè tast, ten _tijde dat hij

kunstenaar is_, nimmer mis, diè heeft "hart en nieren geproefd."[3].

Nu krijgen de deugd en de ondeugd, het reine en het bezoedelde, het

zelfopofferende en het baatzuchtige, allen, niet alleen de kracht tot

uiting, maar zij worden gedwongen daartoe. Allen ontvangen nu een stem,

waarmee zij in onze ooren hun innigste wezen uitzeggen. Nu is alle

leugen en alle schijn verre en de meest doortrapte sluwheid staat

machteloos.

Dáárom zei ik--en nu zeker begrijp't ge mijn zeggen--_kunst uitspreekt

wat geen andere mond kan uitspreken, dat zij stem en uiting geeft aan

wat voor onze ooren geen stem en geen uiting had!_ Hoe dikwijls, gelijk

nu weer, heeft het mij dan ook niet toegeschenen, alsof, in hoog

medelijden met die wrange machteloosheid der menschen, ter troost aan

ons gekrenkt rechtsgevoel, en vooral ter tijdelijke hulp aan ons,

bijna-blinden, die het eindpunt niet kunnen zien, waar al dat slechte en

misdadige tot goedheid en rechtvaardigheid wordt--de Natuur de

kunstenaars voortbracht, opdat die ons reeds nu het ware wezen der

dingen zouden doen gevoelen, hun noodwendigheid en het verborgen geluk,

en ook het verborgen onheil, dat zij in hun dichte dooreenvlechting

dragen. Het uiterlijk-schamel edele, dat wij gering hadden geschat, de

kunstenaar toont--en 't is als een ons hart goeddoend eerherstel!--de

edele kern ervan. Het opgesierd-vooze, het is alweer de kunstenaar die

met vaste hand het innerlijk rotten opendekt--zoodat wij althans het

geluk der waarheid hebben! Zóó komt het dan ook, dat _Geertje_, het

zuivere werk van zùlk een kunstenaar, bij al de grauwheid van het

armoe-leven, die het ons niet spaart, bij al de ontzettende ellende en

onverdienden smaad, die we de hoofdpersoon, het meisje zien treffen, ons

nauwelijks bedroeft, en dat het ons evenmin na [p.305] voltooide lezing

achterlaat met dien bitteren haat tegen het "wreede" leven, maar

integendeel met het zoete en kalme gevoel van bevredigd- en

vertroost-zijn, van nu toch ééns het Noodlot doorvoeld en begrepen te

hebben. Want, zoo denken we, waarom zouden we de verstooten en versmade

Geertje langer beklagen, haar, die met het volle gevoel en het

alles-verzoetend en verheerlijkend bezit harer altijd-durende liefde

naar haar dorpje terugkeert, om daar in de schoone richting, die het lot

haar gewezen heeft en op haar eigen, eenvoudige wijs, haar prachtige en

rein-menschelijke ziel te doen groeien en bloeien. Of waarom zou ons de

haat jegens menschen als Heins nog op het hart branden! Is tot onze

genoegdoening, in dezen ééne, niet aller afzichtelijkheid in den

rechtvaardiglijk-erbarmingloozen dag geheven? Voelen we ook niet

onvermijdelijk en ontzettend aandreigen, onzichtbaar voor zijn oogen, de

begeleidsters der geestelijke en zedelijke geringheid: de zelfverachting

en de verachting der menschen, die vroeg of laat, maar eens zeker, uit

zulke misdrijven opschrijnen?... Ja, het is dan ook vóóral de

gewaarwording, dat de godsstem van het Noodlot tot ons sprak uit dit

boek, klaar en vast en met ware troost vertroostend, die het ons doet

liefhebben als een machtig geheel van _ont-dekte, doorzichtig-gemaakte_

menschelijkheid. Aan dit werk is het _tijdelijke_ vreemd: zoolang een

deel der menschheid onze taal zal kennen, zoolang zal het in de figuur

van het arme meisje _Geertje_ de verwezenlijking van ééne der gestalten

der eeuwige en wereld-omvattende liefdesdroom herkennen; zal het opzien

vol dankbaarheid en bewondering tot die onbewuste, nederige heldin, die

niet alleen te eenvoudig-menschelijk, te rein-natuurlijk was om te

zondigen, d.i. tegen haar diepst en hoogst gevoel te leven, toen dit

haar genot en uitviering van hartstocht bracht, maar die ook te groot

bleek, om tegen dat gevoel te leven, toen het haar niets anders dan

verderf, vernedering en ontbering kon brengen!

Laat mij nu nog, voor ik dit eerste hoofdstuk over _Geertje_ beëindig,

even recapituleeren wat ik heb gezegd:

[p.306] Het werk behoort ten deele, voor zoover het zijn hoofdpersoon

betreft, tot de goéde romantiek, omdat het een uitzonderingsfiguur

beeldt, op naturalistische, d.i. zooveel mogelijk objectieve wijze. Het

behoort tot de groote en blijvende kunstwerken: omdat het 't leven voor

ons ont-dekt en doorzichtig maakt; omdat het, in de opeenvolging zijner

elkaar beïnvloedende hoofdgebeurtenissen, zuiver noodlottig is; omdat

't, wijl het kunstscheppend vermogen er puur in leeft, niet van één tijd

maar van alle tijden is; omdat het, tenslotte, èn door zijn

noodlottigheid èn door zijn evenwichtigheid én door zijn àf-zijn in

begrepen-, doorvoeld- en weergegeven-hebben, zelf de rust en den vrede

der klassieke mensch-beeldingen bezit en beide daarom ook aan de lezers

schenkt.

* * * * *

En ik voeg er met nadruk bij: het is ook in de hoogste mate zedelijk, en

de lezing moet, vooral op jongelui, die nog hun leven kunnen beginnen,

veredelend werken--ik zeg dit met zooveel nadruk, omdat 'n paar,

overigens geheel onbevoegde, dwazen indertijd het tegendeel beweerd

hebben--wijl het ten eerste, zooals ik reeds opmerkte, een stem geeft

aan het bedrogene, verdrukte en gesmade, dat anders door de menschen

niet wordt gehoord of geloofd; ten tweede, in _Geertje_-zelf een figuur

beeldt, die dwars door alle conventie heenbrekend en boven alle

eigenbaat uitrijzend, datgene poogt te doen, wat haar eigen diepste

wezen haar als goed aanwijst en, ten derde, in Heins den verleider, een

mensch heeft geschapen, wiens verpeste en afzichtelijke geest

noodzakelijk even afschrikwekkend op den aanschouwer moet werken, als

afbeeldingen van sommige ziekten dat doen.

* * * * *

In de nu volgende hoofdstukken hoop ik u het gezegde door citaten en

analysen nader uiteen te zetten en, voor zoover dat mij althans mogelijk

is, te bewijzen.

* * * * *

JOHAN DE MEESTER'S GEERTJE.

[p.307]

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 63 / 78 题