IV

Men heeft dan deze figuur, zooals ik u reeds in het eerste hoofdstuk

zei, een tooneelsnoodaard, onecht, niet-levend, in één woord: slecht

gevonnden. Over sommige, in de geesteshouding van de critici liggende,

oorzaken dier opinie sprak ik u toen. Rest mij nu, te speuren naar de

andere elementen, welke tot het vormen van dit m.i. onjuiste oordeel

hebben medegewerkt. Ten eerste vermoed ik als zoodanig het verschil

tusschen den tijd waarin de critici leefden en dien der figuur. Veel wat

toen voor een man van het aanzien en de middelen van R. mogelijk en

zelfs gemakkelijk was, is nu je reinste onmogelijkheid. In onzen tijd

van vlugge vervoermiddelen, van een letterlijk als de bliksem snelle

telegraaf- en telefoondienst is het ondenkbaar, dat zulk een man zich

eraan wagen zou, een meisje als _Sara Burgerhart_ te ontvoeren en te

pogen haar geweld aan te doen; hij zou gesnapt en aangehouden zijn, voor

hij zelfs de grenzen van ons kleine Holland had bereikt! Maar toen was

zoo iets heel gemakkelijk, er waren geen spoortreinen, geen telefoon,

geen telegraaf. De daad der gewelddadige ontvoering verliest daarom alle

onwaarschijnlijkheid voor wie haar in het kader van haar tijd beschouwt.

Er is echter meer, dat voor wie niet naar dien tijd ziet, de figuur

misschien onwaarschijnlijk, en voor wie dit wel doet haar integendeel

zeeer levenswaar maakt: _R._ leeft in de jaren onmiddellijk voorafgaand

aan de groote [p.289] Fransche revolutie, een tijdstip, waarop de meest

barre sexueele ontaarding in Fransche kringen heerschte, de tijd van

o.a. den beruchten markies de Sade; de invloed van de Fransche cultuur

deed zich toen zeer sterk gelden in ons land; _R_. wordt ons bovendien

nog voorgesteld als een cosmopoliet.... Wij behoeven, dit alles wetend,

hem maar aan te zien, om in zijn geestestoestand een van die fijn in

elkander overgaande en nog aan den aanvang der helling liggende

glooiingen te ontdekken, welke dalen naar den afgrond van sexueele

misdaad-waanzin van de Sade. Er is een psychologisch-fijne passage in

een brief van R. aan zijn vriend G. die dit feit m.i. belicht. Ziehier:

Waarlijk, ik bemin haar; dat is al de zwarigheid; en nooit verlaat

ik het wicht, of ik ben razende zot naar haar; en wat denkt gij? ik

heb nog nooit haar hand gekust: 't is waarachtig, Jan.

Zij is onnoozel, dat is het, dat mij zoo ingetogen maakt: want

hoevele vrouwen ik ook bedierf, ik heb nogal regard voor brave

meisjes. _Een lichtvaardige is mijn pop niet, al was zij zoo schoon

als deze meid_.--

R. heeft zeer sterk in zich het verlangen te verderven en geniet van het

verderven. Dit nu is niet iets wat voornamelijk tooneelsnoodaards eigen

zou zijn, maar het is niets anders dan een soort geestelijk sadisme. Het

is hem niet zoozeer om het natuurlijk sexueel genot te doen, als wel om

het perverse van het _verleiden_, van het _doen vallen. Daarom_ "is een

lichtvaardige zijn pop niet," omdat n.l. aan zoo eene reeds te veel

bedorven is en niet genoeg meer naar zijn zin te bederven valt, en niet

omdat lichtvaardigheid iets afstootends in zijn oogen zou hebben! Want

als hij, in eenigszins los verband daarmee, zegt, dat Saartjes

onnoozelheid hem ingetogen maakt en hij nog al regard voor brave meisjes

heeft, dan is dat in openlijken strijd met zijn daden en woorden, en,

indien hij 't meent en 't geen half-sentimenteele, half-ironische

meerderheidstirade tegenover G. is, 't geen ik eerder geloof, dan heeft

hij eigen gevoel niet goed ontleed: _onnoozelheid_ maakt hem niet

ingetogen, maar _haar_ onnoozelheid doet dat, _omdat hij haar

liefheeft_. Op deze liefde kom ik straks [p.290] nog terug. Nu wil ik

even een passage aanhalen, die zoowel zijn "regards voor brave meisjes,"

als zijn eigenaardige perversiteit van decadenten rijkaard in bet juiste

licht stelt:

Trouwen? zijt gij dan razend dol? Ik zal, denk ik, tot zulk een

desperaat uiterste nooit komen. _Vrijheid is de prikkel der

liefde:_ dit weet gij, is mijn spreuk. Als mijne maitres zal zij

Sultane favorite zijn; maar mijn wijf! Wel foei! Ziedaar, dat was

al reden genoeg, bij een homme de mon goût[55] om haar ondragelijk

te vinden. _Trouw gij haar over een maand of vier._ Zoolang, dunkt

mij, zal ik haar beminnen kunnen; _en gij zult mijne genietingen

nieuw leven bijzetten, door mij die dan wat moeilijk te maken_.

Dit min of meer schertsend daarheen geworpen woord verbergt diepen

ernst. De man mòet dupeeren, mòet verleiden, mòet anderen laten vallen

van zonde in zonde; hij verlangt ook naar de angsthuiveringen van den

misdadiger; hij begeert den prikkel te voelen van misschien betrapt te

worden en in gevaar te komen. Oók dáárom is de makkelijke verleiding van

de lichtvaardige niets voor hèm. Máár hij heeft alle deze neigingen in

nog vrij geringe mate. Hij is, om 't zoo eens te noemen: een leerling in

sadisme; hij bevindt zich op de helling, maar, zooals ik reeds zei, pas

aan het begin. Een "tooneelsnoodaard"? 't Mocht wat! Vergeleken bij zijn

werkelijk geleefd hebbende prototypen is hij een onnoozel wicht!

Wellicht echter heeft Huet hem ook daarom een tooneelsnoodaard genoemd,

omdat hij geen enkele deugd in hem vermocht te ontdekken. Maar dit zou

dan aan hem en niet aan de schrijfsters liggen. Want niet alleen dat ons

duidelijk blijkt, dat _R_. Saartje werkelijk liefheeft--ik zei u immers

dat ik nog even op die liefde zou terugkomen--en ieder, die een ding of

een mensch of een dier liefheeft, daardoor bewijst, een kiem van

deugdzaamheid in zich te hebben, want het overheerscht worden der deugd

door perverse neigingen, vernietigt het feit niet dat die deugd kon

ontkiemen en bestaan!--maar, zelfs die liefde buiten beschouwing

gelaten, kan alleen hìj der figuur van _R_. alle deugd ontzeggen, die

niet begrijpt dat _intellectueele_ deugd, zooals _R_. dien zeer zeker

bezit, [p.291] nimmer kan bestaan zonder den basis van een zekere

_zedelijke_, zij 't dan latente en verholen deugdzaamheid. _R_. is dus,

instede van één brok boosheid te zijn--wat wij immers onder een

"tooneelsnoodaard" verstaan--wel degelijk een _menschelijke_ mengeling

van deugd en ondeugd. En overheerscht de laatste in groote mate de

eerste, die mate wordt, ik herhaal het, zeer ver overtroffen bij

tallooze personen met wier karakter en geest de geschiedenis ons

vertrouwd heeft gemaakt, en vergelijking tusschen dezen en R. kan den

laatste alleen doen _winnen_ aan levenswaarheid.

Dat de figuur niet goed in de roman-compositie verweven is, dat, met

name, het vreemd is, hoe Mevrouw _Buigzaam_ niet van het losbol-zijn van

_R_. afweet èn _Edeling_ haar pas komt waarschuwen, als _R_. Saartje

ontvoerd heeft--ik zeide het u in mijn eerste artikel reeds, maar dat

heeft met de levenswaarheid van de figuur op zich-zelf niets te maken,

en 't is een fout, die in niet mindere mate, zooals ik reeds heb

aangetoond, den ook door Huet _zeer levenswaar_ geachten _Blankaart_

eigen is....

En nu stappen we van _R_. af en gaan even nader kennismaken met de beide

fijnen, _Broeder Benjamin_ en _Cornelia Slimpslamp_, die m.i. de

prachtigst-gebeelde figuren in deze roman zijn en niet slechts, zooals

ik reeds schreef, 'n paar huichelachtige menschen, máár:

_personificaties_ van de _huichelarij_, alsof eerst de schrijfsters

theoretisch voor zichzelf hadden vastgesteld, hoe nu eigenlijk een

volmaakt, een, om 't zoo eens te zeggen: ideaal huichelaarskarakter is,

en daarna, wonder boven wonder, erin geslaagd waren, overeenkomstig die

theorieën twee lévende menschen te scheppen! _Mej. Suzanna Hofland_ is

in haar hart nog zoo kwaad niet en streeft er althans oprecht naar

deugdzaam te zijn, 't geen natuurlijk onze _Cornelia_, die haar wil

overhalen tot niet meer of minder dan het afleggen van een valschen eed,

niet naar den zin is. Zij poogt daarom juffr. Hofland's oordeel over wat

goed of kwaad is door drogredenen te verwarren, zonder dat zij in de

oogen van haar slachtoffer iets van haar godzaligheid en heiligheid

inboet. Zie nu hoe doortrapt-sluw ze dit duivelswerk [p.292] aanvat. Met

_religieuse_ argumenten poogt zij _Hofland_ zoo te bewerken, dat deze in

de haar aangeraden schurkenstreek geen schurkenstreek meer ziet. Het

doen van goede werken, leeraart de duivelin, en het voortdurend streven

daarnaar, maakt de menschen maar hoovaardig op die goede daden; beter is

het dus niet zoo ijverig daarnaar te streven ten einde des te

makkelijker nederig in het bewustzijn van eigen slechtheid te kunnen

zijn! Maar met al haar sluwheid, vermoedelijk wat al te ongeduldig

hakend naar het resultaat, bruskeert zij de zaak en zegt de juffrouw te

plomp, tè ronduit, dat deze een valschen eed moet doen, en--daar heb je

de poppen aan het dansen. Als _Broer Benjamin_ bij _Hofland_ op visite

is, merkt hij, dat haar eindelijk de oogen opengaan en zij op het punt

staat hun schurkachtigheid te doorzien. De edele man is in doodsangst en

schrijft zijn even nobele vriendin het volgend briefje:

Zusje Lief!

Ik ben tweemaal vergeefs aan uwe woning geweest. Ik ben

doodsverlegen. Daar ben ik bij haar geweest en heb haar zoo

dobbend, en in zulk een afgezakten staat gevonden, o Kea! Kéa! wij

zullen haar verliezen: en wij hebben haar zoo noodig; zij is rijk,

en geeft veel verkwikkinkjes aan ons, vromen in den lande. Wij

leven grootendeels van haar; de kruike is voor ons niet verzegeld

gebleven, en ons deel was een Azers[56] deel, vol vettigheid en vol

zoetigheid. O mij is bange, mij is zeer bange: wij, vrome

menschjes, zullen bekend worden. Die Blankaart! ik beef, als ik om

hem denk; 't is een Enaks[57] kind, groot van stature; ik ben een

stinkend niet bij hem.

Zij is danig ontsticht door jou brief: schrijf dan een briefje, dat

je berouw hebt, en geef den Engel Satanas de schuld, je weet, die

is onze wrijfpaal. Schik u wat naar heur zwak geloof. Overleg dit

alles nog eens; ik heb geen tijd. Denk, dat wij haar noodig hebben.

Zusje, zusje, 't zweet breekt mij uit. Ik zal al mijn achting, ik

zal mijn kostwinning verliezen; wie zal nu van mij 't geloof

leeren? Wij moeten ons haasten. De kwaaie is nabij! Wij zullen voor

Blankaart moeten bukken.--Overleg deze dingetjes zoo [p.293] eens

in uw harte. Ik heb rust noch duur. Stel mij gerust, dat je er iets

op weet. Gij zijt zeer wijs, dat weet ik. Je weet, Kéa, hoe de

zaakjes tusschen ons staan? dat mijne ziel aan uwe ziele kleeft;

dat heb je immers _bij bevinding_ hertje. Wij moeten haar houden,

kind. Ofschoon gij mij tot een gouden vat verstrekt, zij is echter

een aarden vat, dienstig tot ons gebruik. Is het zoo niet,

liefstetje! Wees toch nooit meer jaloersch. Och! jij hebt geen

reden daartoe: _ik heb mijn deeltje aan u_; dat heb ik, och ja! Ik

bezegel dit briefje met een geestelijken liefdekus, en ben uw

eigendom.

De boef staat hier ten voeten uit in: zijn lafheid tegenover Blankaart;

zijn doortrapte huichelachtigheid, waarvan hij zich zelfs, uit overmaat

van doodsbenauwde voorzichtigheid, tegenover zijn medeplichtige bedient;

(slechts met den zin: "en geef den Engel Satanas de schuld" enz., valt

hij uit den toon!); zijn omfemelen van de platste verhoudingen--gij

begrijpt immers wat hij met de beide gecursiveerde zinsdeelen

bedoelt?--met "de tale Kanaäns".... Maar dan daarop als de vuistslag van

een furie het antwoord van Cornelia! Benjamin is niets dan een

huichelaar, overigens geen mensch, eerder een laf kruipend gedierte dat,

voortsluipend uit het gezicht van z'n vijand, zich bevuilt van angst.

Maar Cornelia is niet alleen groot als huichelaarster, maar heeft ook de

vermetelheid, de energie van de groote misdadigersnatuur, die voor niets

terugdeinst. Ziehier, het is of ze den laffen ellendeling bij den nek

neemt en hem door elkaar rammelt, hem méésleùrt, om de misdaad te doen,

waarvoor hij geen moed heeft.

Mejuffrouw Cornelia Slimpslamp aan den broeder Benjamin.

Wie heeft ooit grooter gek gezien, dan Benjamin? Hoe is het? Fop je

mij wat, of hoe weerga zit het? Voor mij veinzen, voor mij de fijne

Filebout uithangen? Laat naar je zien, zotte jongen. Wij moeten

haar bedriegen; dat is 't al. En daarom moeten wij de handen ineen

slaan. Zouden wij zoo een zot dier ooit gezocht hebben, was 't niet

om den smul? en gij houdt u van de mallen? Ja, Blankaart kent ons

zeer wel. Hoor, Ben, de fretterij[58] is uit: wij moeten haar nu

nog plukken, en dan--de heele [p.294] wereld is voor ons open. Zij

moet het gelag betalen: de jonge juffrouw B.(urgerhart) moet er

niet bij lijden. Blankaart is een duivel van een vent, hij liet u

publiek geeselen, en ik moest in 't spinhuis, zoo wij aan haar goed

ons vergrepen; ik weet wel, dat er los geld is; en dat zij interest

moet ontvangen; alles mondeling. Toon nu, dat gij mij liefhebt; ik

zal 't briefje schrijven en morgen er gaan. Kom ook. 't Geweten? O

dat is een bullebak voor u en mij,

_Die gij kent_.

Maar dàn verandert zij weer, die helsche kameleon, de

oogen vonkelen niet meer van giftig vernuft, het rood van de

energie-drift verbloeit tot een rose van religieuse vredigheid

na strijd en overwinning van zonde. De oogleden dalen vroomingetogen

neer, het gelaat glimlacht open als in 'n zielsbewustzijn

van geringheid en omveiligend godsbetrouwen.

Dàn schrijft zij aan _Hofland_ dit briefje, dit meesterstuk van

huichelarij:

Lieve vriendinne!

Daar heb ik, als ik het nareken, zoo een twee dagen en drie uren in

de macht des satans geweest; hij gaf mij die goddeloosheid in. Hij

heeft mij verleid. Och, zusje, zusje ik ben gevallen: ik ben

wanhopig, ik ben ellendig. Die duizendkunstenaar was het, die mij

dien gruwelijken brief deed schrijven. Zoo heb ik te veel op eigen

krachtjes vertrouwd! Och ja! mocht ik er maar door geraakt zijn, en

nooit weer op mij zelf vertrouwen. O! het ging mij, zooals de

Eerwaarde van de Kwast placht te zeggen: _de conscientie is de

klapperman uit de hartestraat, die de menschjes waarschuwt voor den

brand van de hel_. Gelukkig, dat mijn oude mensch niet te diep was

ingeslapen; och! dat was recht dierbaar.

Verbrandt toch alles om der vromen wille. Gij kent de diepten des

Satans. Mag ik morgen bij je komen, en dan blijven op 't geen je

maar hebt? Schrijft mij dit, of ik verval tot wanhoop.

Uwe zwakke zuster, Cornelia Slimpslamp.

O als dit geen groote kunst is, wat is het dan. Hier is de eenheid

gevonden tusschen het groot-tragische en het groot-komische. Zij

versmelten in elkaar. De lach schreit en het schreien is lachen. Als

twee reuzige beelden staan beide misdaad-figuren daar eeuwig voor den

hemel. En de nacht van een oud geslacht en de ochtend van een nieuw zien

hen onveranderd en onverweerd in hun geweldigheid. O, als die hemel

[p.295] niet achter hen ware met z'n oneindige diepte en wondere

wisselingen van wolken en licht, als een symbool van onvatbare en

onbegrensde mogelijkheden, men zou hen niet alleen het tot nu niet

overtroffene, maar ook het nimmermeer te overtreffene achten. Wanneer ge

nu dìt boek niet lezen zult, wàt zal u dan tot lezen brengen? Wanneer ge

nu hièrvan niet genieten wilt, hoe zal kunst u dan van haar geluk ooit

geven? Maar neen-----_Ik vertrouw, ik wéét, dat gij het lezen zult!_

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 60 / 78 题