Het is niet moeilijk iemand te zeggen: "ik ben veel meer, ik sta hooger
dan gij!" Dat kan de eerste de beste. Moeilijker is--en weinigen kunnen
dat--iemand verstandelijk-bewijzend op z'n plaats te zetten en _hem aan
te toonen_ dat men meer is dan hij. (Ik spreek hier nu natuurlijk alleen
van zulk een handelwijze als _geesteswerkzaamheid_ en laat haar
_zedelijke_ waarde of onwaarde geheel buiten beschouwing). Maar oneindig
meer dan ook zulk een verstandelijk-bewijzend betoog, is: de
argument_looze_ bewering, die ons door toon en onbewuste
woordenschikking de _absolute zekerheid_ van haar waarheid geeft! Is het
bewijzend betoog een voortbrengsel van het verstand, _zulk_ eene
bewering is het uitvloeisel van iets hoogers, van een zielszekerheid, om
't zóó eens te noemen. Deze zekerheid, in dit geval van psychologisch
inzicht, proeven wij ook in _Saartjes_ woorden. O, ongetwijfeld naar
aanleiding van een beuzeling, maar wat doet dàt er toe! Zij laat merken,
dat ze zich verreweg Bruniers meerdere voelt. En zoodra we haar hooren
weten we: dat hoogvoelen is niet voorgewend, maar het is in waarheid in
haar. In een woord: wij worden overtuigd door dit briefje: hier is
iemand, die dien ander heelemaal doorziet en dat niet met inspanning en
door berekening, maar als vluchtig hem even bekijkend en dan in uiterste
geringschatting weer onmiddellijk óver hem heenziend. En niet alleen de
nietigheid van den een, maar ook de groote waarde van de ander is ons
plotseling duidelijker, zekerder geworden, dan door het aanbrengen van
honderd argumenten zou zijn gebeurd. Ik heb over dit alles even
uitgeweid, om het volgende te kunnen zeggen: Wat hier plaats vond op een
vrij laag en vrij klein plan _geschiedt altijd in een kunstwerk_. En
kunst blijkt hier weer scherp tegengesteld aan wetenschap te zijn.
Slaagt de wetenschap alleen door bewijzen en redeneeringen er in, u van
de waarheid harer beweringen te overtuigen, de kunst kan [p.286]
bewijzen en redeneeringen missen, zij overtuigt u van de waarheid harer
voorstellingen reeds door ze te stellen alleen! Wie kan geloof weigeren
aan de waarachtigheid van Shelley's liefde of wie vermag te twijfelen
aan de levensechtheid der menschelijke monsters door Zola gebeeld?!
Begrijpt ge dit, dan ziet ge ook nu wel in, dat kunst onder alle
levensverschijnselen een van de meest verhevene is, want haar is de
macht gegeven, het menschdom te overtuigen van de waarheid harer
uitingen _zonder hen te bewijzen_. En zij is in dit opzicht met een van
die zeldzame menschen te vergelijken, wier adeldom zoo sterk uit hun
heele wezen en al hun daden en woorden spreekt, dat hen te hooren,
tévens hen onwankelbaar gelooven is.
* * * * *
Er zou nu nog veel over vele figuren in onzen roman geschreven kunnen
worden. Over _Pieternelletje Degelijk_, dat prachttype van een
ouderwetsche meid; over juffrouw _Hartog_, die kostelijk-typische en
innerlijk verdorven blauwkous, met 'r venijnige lastertong en 'r malle
inbeelding; over Cornelis Edeling den advocaat; over den geleerden en
braven _Helmers_; over _Lotje Rien du Tout_[54], dat prachtbeeld van
onbenulligheid; over _Stijntje Doorzicht_, die verpersoonlijking van
aangeboren wijsheid en deugd; over _Anna Willis_, de min of meer
verwaande, zurige, al te bedilzieke en soms sentimenteele vriendin van
_Saartje_. Maar ik zal over al die schitterende mensch-beeldingen niet
schrijven, zelfs niet over de laatste, al heb ik dat beloofd. (Gij zoudt
niet gelooven, dat mijn belofte te houden regel bij mij is, zoo ik dien
regel niet ereis door eene uitzondering bevestigde!) Want hoe zou ik
eindigen, en aan wat nieuws zoudt gij beginnen, wanneer ge daar straks
zelf den roman ter hand neemt. Ik had ook graag nog wat over _Mevr.
Buigzaam_ en over het sentimenteele element, in dit werk, in het midden
gebracht. Maar wat 't laatste betreft bepaal ik mij er nu alleen toe te
zeggen, dat het mij onjuist toeschijnt een auteur, die een sentimenteel
[p.287] tijdperk herschept, sentimentaliteit te verwijten, omdat hij
sentimenteele menschen ten tooneele brengt.
* * * * *
In het volgende hoofdstuk hoop ik met de behandeling der figuur van _R_.
en der beide schurkachtige "fijnen," mijn Sara-Burgerhart-artikelen te
beëindigen.--