't Is wonderlijk, maar ik heb den moed niet, om u mondeling te
zeggen, dat ik u bemin: telkens als ik dit meende te doen,
weerhield mijn eerbied voor u mijn voornemen. Gij zijt zoo minzaam,
en tegelijk zoo spottig, dat ik waarlijk niet weet, hoe dit aan te
vangen; of hoe het na te laten. Hemel, ma chère[43], wat wilde ik
zeggen? Maak ik niet een zot figuur in uwe oogen? Ik bemin u! ik
adoreer[44] u! gij zijt nooit uit mijne gedachten, en zoo gij mij
niet te veel zult uitlachen, dan zal ik er bijvoegen, dat ik nooit
een eenig goudbeursje zal knoopen, dan voor u, chère âme de ma
vie![45] O, wij zouden een recht charmant paar zijn, en ik twijfel
niet, of mijnheer uw voogd zal onze teedere amour
applaudisseeren[46]. Ik ben wel geen man van vermogen, maar gij
denkt zeker te subliem[47] om u daaraan te bekreunen; en 't is
waarschijnlijk, dat ik eerlang een [p.283] beter ambt zal krijgen.
En vérité, mon amie,[48] men heeft bekwame jongelieden noodig, en
men kent mijne mérites.[49]
Op mijn persoon denk ik niet, dat gij iets te zeggen hebt: ik
coiffeer en kleede mij comme il faut.[50] _'t Is waar, dat uwe
conquête_[51] _vele schoone wangen zal doen gloeien van spijt. De
dames zijn mal met mij. Wat kan ik eraan doen?_ Mijn hart wil dat
ik u uitkies. Indien gij mij de gelukkigste der mannen maakt, kunt
gij verzekerd zijn van uw volstrekte vermogen over mij; uw wil zal
mijn wet zijn: ik zal uwe wenschen voorkomen, en wij zullen zoo ras
wij getrouwd zijn, een Brabantsch reisje doen. Enfin, ma chère,
alles zal naar uw zin gedaan en gelaten worden door uwen aanbidder,
J. Brunier.
Dit briefje is weer een van die meesterstukjes onzer beide groote
schrijfsters, waarin zij er op volmaakte wijze in geslaagd zijn, iemand,
onbewust ervan dat hij 't doet en dus geheel natuurlijk, zijn wezen te
doen blootleggen. Het dwaze fatje staat er, ten voeten uit, in. Men
lette op het potsierlijke verwaandheidje en tevens domme slimmigheidje
in den door mij gecursiveerden zin. Men lette op z'n stapel Fransche
woordjes! Waarachtig: zoo iemand is toch nog lastig zelfs 'n honderd
jaar na zijn dood! Hij heeft mij, wel geteld, de moeite van een tiental
vertalende nootjes gekost. Maar neen, hij is niet dood, hij zal langer
leven dan wij....
Ik zou een zekere zijde van _Saartjes_ persoonlijkheid: haar zeer
gerechtvaardigd gevoel van eigenwaarde en ook, en voornamelijk, een
diep-indringend psychologisch vermogen welks zekerheidsbewustzijn zich
aan haar stijl mededeelt, niet voldoende voor u belicht hebben, zoo ik
hier niet ten minste een stukje van haar antwoord aan Brunier afdrukte.
Als ge haar zoogenaamde "ontdekkende preeken" aan haar vriendin _Anna
Willis_ leest--_want ik hoef er toch niet aan te twijfelen, dat ge het
boek lezen zult, anders baat mijn geschrijf u niets_--moet ge eens op
dat psychologisch vermogen acht slaan. Met een zekerheid van zich-zelf
onfeilbaar weten, legt zij daarin haar vriendin dier ware innerlijkheid
bloot. Ik [p.284] zei immers: Saartje heeft wel iets van een
kunstenares. (Ongetwijfeld is dan ook ten deele in haar figuur de figuur
van Betje Wolff zelf gebeeld.) Ziehier:
Vriend Jacob!
Gij durfdet mij dan nog met een half woord vragen "of gij u niet
mocht vleien met eenig antwoord op uwe _missive_?" Want zoo noemt
gij dat fraaie billet, dat gij mij deedt ter hand komen. Om uw
eigen fatsoens wille, wenschte ik wel, dat gij er geen woord van
gekikt hadt; dan kon ik ook dit zot stukje op de groote lijst uwer
overige beuzelarijen hebben aangeteekend, en, omdat ik niet
gemelijk van aard ben, het u gunstig vergeven hebben.
....................................................................[52]
Ik zeg niet gaarne onaangename waarheden, en vooral niet aan
zulken, die ik, 't zij dan ook om wat reden, in zekeren zin wel
lijden mag. Zoolang ik u slechts voor een vrij geschikt en goed
soort van jongen hield, had uwe zuster weinig werks om mij te
beduiden, dat ik u als haar broeder behandelde, en in de
gelegenheid stelde om ons eenige uitspanningen te bezorgen; maar nu
ik merk, dat gij eenige oogmerken omtrent mij hebt, waarvan ik u
nooit verdacht hield, zoo moet ik u openhartig zeggen, dat gij mij
meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te
kunnen krijgen.
Hoe, mijnheer, heb ik u de minste aanleiding gegeven om zulke
gedachten in u te doen oprijzen? _Hoe weinig kent gij mij! Hoe dood
vreemd zijt gij omtrent u zelven! Ik moet of boos op u worden, en
dat bevalt mij niet; of ik moet u hartelijk uitlachen. Nooit zeker
las men zoo een ongevallige mengeling van zotteklap en dwaze
inbeelding, op zeer twijfelachtige verdiensten, dan dat geschriftje
bevat. Dit van stukje tot beetje aan te toonen, is beneden mijn
aandacht_. Ditmaal vergeef ik u alles, op deze voorwaarde: "dat gij
mij hierover nooit meer spreekt;--zelfs verbied ik u, mij voor deze
gekheden excuus te vragen; en dat gij, is 't mogelijk, door dit
geval poogt wijzer te worden, _en wat beter uw eigen waarde te
berekenen_."
........................................................................
Uwe zuster is mijne lieve vriendin, maar zij zoowel als ik,
begrijpt, dat dit geen reden kan zijn, waarom ik zoude moeten
geplaagd worden door een borstje, dat geen geest genoeg heeft, om
mij met zijne missives ook slechts te diverteeren.[53] Spreek dus
nergens van, en ik zal alles vergeten: want, zoo gij in dit [p.285]
opzicht maar wijzer wordt, zijt gij een vrij draaglijk heertje; "ai
ik geef de hoop nog niet op om mij eens met meer reden te kunnen
noemen, uwe genegen vriendin,