Mon Ange![42]

't Is wonderlijk, maar ik heb den moed niet, om u mondeling te

zeggen, dat ik u bemin: telkens als ik dit meende te doen,

weerhield mijn eerbied voor u mijn voornemen. Gij zijt zoo minzaam,

en tegelijk zoo spottig, dat ik waarlijk niet weet, hoe dit aan te

vangen; of hoe het na te laten. Hemel, ma chère[43], wat wilde ik

zeggen? Maak ik niet een zot figuur in uwe oogen? Ik bemin u! ik

adoreer[44] u! gij zijt nooit uit mijne gedachten, en zoo gij mij

niet te veel zult uitlachen, dan zal ik er bijvoegen, dat ik nooit

een eenig goudbeursje zal knoopen, dan voor u, chère âme de ma

vie![45] O, wij zouden een recht charmant paar zijn, en ik twijfel

niet, of mijnheer uw voogd zal onze teedere amour

applaudisseeren[46]. Ik ben wel geen man van vermogen, maar gij

denkt zeker te subliem[47] om u daaraan te bekreunen; en 't is

waarschijnlijk, dat ik eerlang een [p.283] beter ambt zal krijgen.

En vérité, mon amie,[48] men heeft bekwame jongelieden noodig, en

men kent mijne mérites.[49]

Op mijn persoon denk ik niet, dat gij iets te zeggen hebt: ik

coiffeer en kleede mij comme il faut.[50] _'t Is waar, dat uwe

conquête_[51] _vele schoone wangen zal doen gloeien van spijt. De

dames zijn mal met mij. Wat kan ik eraan doen?_ Mijn hart wil dat

ik u uitkies. Indien gij mij de gelukkigste der mannen maakt, kunt

gij verzekerd zijn van uw volstrekte vermogen over mij; uw wil zal

mijn wet zijn: ik zal uwe wenschen voorkomen, en wij zullen zoo ras

wij getrouwd zijn, een Brabantsch reisje doen. Enfin, ma chère,

alles zal naar uw zin gedaan en gelaten worden door uwen aanbidder,

J. Brunier.

Dit briefje is weer een van die meesterstukjes onzer beide groote

schrijfsters, waarin zij er op volmaakte wijze in geslaagd zijn, iemand,

onbewust ervan dat hij 't doet en dus geheel natuurlijk, zijn wezen te

doen blootleggen. Het dwaze fatje staat er, ten voeten uit, in. Men

lette op het potsierlijke verwaandheidje en tevens domme slimmigheidje

in den door mij gecursiveerden zin. Men lette op z'n stapel Fransche

woordjes! Waarachtig: zoo iemand is toch nog lastig zelfs 'n honderd

jaar na zijn dood! Hij heeft mij, wel geteld, de moeite van een tiental

vertalende nootjes gekost. Maar neen, hij is niet dood, hij zal langer

leven dan wij....

Ik zou een zekere zijde van _Saartjes_ persoonlijkheid: haar zeer

gerechtvaardigd gevoel van eigenwaarde en ook, en voornamelijk, een

diep-indringend psychologisch vermogen welks zekerheidsbewustzijn zich

aan haar stijl mededeelt, niet voldoende voor u belicht hebben, zoo ik

hier niet ten minste een stukje van haar antwoord aan Brunier afdrukte.

Als ge haar zoogenaamde "ontdekkende preeken" aan haar vriendin _Anna

Willis_ leest--_want ik hoef er toch niet aan te twijfelen, dat ge het

boek lezen zult, anders baat mijn geschrijf u niets_--moet ge eens op

dat psychologisch vermogen acht slaan. Met een zekerheid van zich-zelf

onfeilbaar weten, legt zij daarin haar vriendin dier ware innerlijkheid

bloot. Ik [p.284] zei immers: Saartje heeft wel iets van een

kunstenares. (Ongetwijfeld is dan ook ten deele in haar figuur de figuur

van Betje Wolff zelf gebeeld.) Ziehier:

Vriend Jacob!

Gij durfdet mij dan nog met een half woord vragen "of gij u niet

mocht vleien met eenig antwoord op uwe _missive_?" Want zoo noemt

gij dat fraaie billet, dat gij mij deedt ter hand komen. Om uw

eigen fatsoens wille, wenschte ik wel, dat gij er geen woord van

gekikt hadt; dan kon ik ook dit zot stukje op de groote lijst uwer

overige beuzelarijen hebben aangeteekend, en, omdat ik niet

gemelijk van aard ben, het u gunstig vergeven hebben.

....................................................................[52]

Ik zeg niet gaarne onaangename waarheden, en vooral niet aan

zulken, die ik, 't zij dan ook om wat reden, in zekeren zin wel

lijden mag. Zoolang ik u slechts voor een vrij geschikt en goed

soort van jongen hield, had uwe zuster weinig werks om mij te

beduiden, dat ik u als haar broeder behandelde, en in de

gelegenheid stelde om ons eenige uitspanningen te bezorgen; maar nu

ik merk, dat gij eenige oogmerken omtrent mij hebt, waarvan ik u

nooit verdacht hield, zoo moet ik u openhartig zeggen, dat gij mij

meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te

kunnen krijgen.

Hoe, mijnheer, heb ik u de minste aanleiding gegeven om zulke

gedachten in u te doen oprijzen? _Hoe weinig kent gij mij! Hoe dood

vreemd zijt gij omtrent u zelven! Ik moet of boos op u worden, en

dat bevalt mij niet; of ik moet u hartelijk uitlachen. Nooit zeker

las men zoo een ongevallige mengeling van zotteklap en dwaze

inbeelding, op zeer twijfelachtige verdiensten, dan dat geschriftje

bevat. Dit van stukje tot beetje aan te toonen, is beneden mijn

aandacht_. Ditmaal vergeef ik u alles, op deze voorwaarde: "dat gij

mij hierover nooit meer spreekt;--zelfs verbied ik u, mij voor deze

gekheden excuus te vragen; en dat gij, is 't mogelijk, door dit

geval poogt wijzer te worden, _en wat beter uw eigen waarde te

berekenen_."

........................................................................

Uwe zuster is mijne lieve vriendin, maar zij zoowel als ik,

begrijpt, dat dit geen reden kan zijn, waarom ik zoude moeten

geplaagd worden door een borstje, dat geen geest genoeg heeft, om

mij met zijne missives ook slechts te diverteeren.[53] Spreek dus

nergens van, en ik zal alles vergeten: want, zoo gij in dit [p.285]

opzicht maar wijzer wordt, zijt gij een vrij draaglijk heertje; "ai

ik geef de hoop nog niet op om mij eens met meer reden te kunnen

noemen, uwe genegen vriendin,

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 57 / 78 题