III

_Jan Edeling_ wordt--in tegenstelling met _Abraham Blankaart_--door

zijne mede-romanmenschen en dus ook door de schrijfsters precies voor

den man versleten, dien ook wij, de lezers, in hem zien: een brompot,

een koppige kerel, maar, alles in hem welbeschouwd, 'n goed mensch

tevens en wel zulk een, die te duidelijk eigen gebreken ziet, om zich,

gelijk _Blankaart_, op zijn deugden te laten voorstaan. Ziehier een

zijner brieven, waarin hij tegelijkertijd een groote mate van

zelfkennis, eerlijkheid en goedheid toont. (Edeling bericht daarin zijn

zwager, den geestelijke _Everard Redelijk_, dat hij in het huwelijk van

_Hendrik_ en _Saartje_ heeft toegestemd. Ook _Redelijk_, zeer verlicht

en ruimvoelend mensch als hij is, heeft namelijk _Edeling_ daartoe pogen

te overreden).

Waarde Broeder!

Lach me nu eens helder uit, Pastoorsche,[40] gij hebt gelijk: maar

ik zal uw man de heele zaak vertellen. Zoudt gij ooit geloofd

hebben, dat Jan Edeling, die, hetgeen hij ééns begreep, om lief

noch leed losliet; die van geen Christenmensch op de heele wereld

tegenspraak dulden wilde, dan van u; dat Jan Edeling, zeg ik, door

Blankaart zoodanig overhoop gegooid is, dat ik, met mijn hoed onder

den arm, zijne pupil voor onzen [p.280] Hendrik ten huwelijk

gevraagd heb? en 't geen nog meer zegt, dat ik zeer met dit door

mij gedaan verzoek in mijn schik ben? Die Bram! Zoo een man leeft

er niet meer. Hij heeft mij zoo vast gezet en zoo ouwerwetsch mijn

zaligheid gezegd, dat ik boos op mijzelf werd: want er is wat aan

Pastoor: ik ben nooit een vriendelijk man, of een minzaam vader

geweest: 't wil maar van hem gezegd worden; 't is een raar mensch!

Om de waarheid te zeggen, Pastoor, uwe rede en die van Hendrik

hadden mij al lang overtuigd, dat ik ongelijk had; doch ik kon niet

besluiten om te toonen, dat ik verkeerd gedaan had. Nu, het kost

wat voor een man, die zooveel jaren altoos zijn hoofd volgde, te

zeggen: ik heb ongelijk; en dat nog erger is, dit tegen zijn eigen

kinderen te zeggen.

Gij weet het immers, als mijn jongens mij iets vragen, en mij

beduiden wilden, dat zij 't noodig hadden, dat zij 't nooit, juist

omdat die lekkers[41] mij iets beduiden wilden, kregen; doch 's

dags daaraan, gaf ik hun, uit mijn eigen zin tienmaal zooveel. Dit

zijn evenwel satansche nukken; en uwe zuster, mijne zalige vrouw,

had, dat zie ik nu, maar al te veel reden om mij, schoon lachende,

_Meffert Luim_ te noemen. Had ik haar maar weer! Zij zou een beter

man aan mij hebben; maar dat is nu te laat.

Ik zou 't mogelijk nog niet opgegeven hebben: doch mijn arme jongen

zag er uit, of hij uit een gieter gedronken had: en toch, ik houd

veel van den knaap; hij heeft mij altoos zoo op mijne gedachten

gediend. Met Kees heb ik nog wel zoo eens een aardigheidje gehad;

maar Hendrik was altoos, zooals ik (tusschen ons) in zijne jaren

niet was. Hij is geheel zijns moeders kind; week gebakken! Hij kan

geene moeite verdragen; met een benauwd hart ging hij op reis (ik

kan op hem af) en heeft alles in zoo korten tijd afgedaan, dat het

zoo niet te zeggen is. Kort gezegd, het mannetje van binnen klopte

zoo verbruid bij mij aan, dat ik besloot om den jongen zijn zin te

geven; en nu is hij zoo dankbaar en luikt zoo op, dat mijne oogen

overloopen.

Nu, Pastoorsche, dat 's weer een ankertje Rijnsch in jou kelder! en

ik nooi u beide te bruiloft: ik zal eene partij geven, die klinkt

als een klok. Want gierig ben ik, Goddank! niet, ik durf wel wat

geven; _maar ik ben er niet achter om het met gratie te doen. Ik

tast in mijn zak en zeg, hou daar, en loop ten eerste weg._ Nu, ik

groet u van harte en blijf

Uw toegenegen Broeder, Jan Edeling.

In deze laatste, door mij gecursiveerde zinnen teekent die [p.281] man

zich uitstekend. Dit niet "met gratie" kunnen geven, dit "wegloopen"

zoodra hij iets gegeven heeft, kenschetst een groot deel en wel het

edelste, zijner persoonlijkheid. Want dat niet met gratie kunnen geven

en dat wegloopen is heel vaak juist den besten menschen eigen. Het wordt

bij hen geboren uit het onbewuste voelen, dat den gever geen dank voegt,

want dat geven een grooter geluk is dan te ontvangen en dat daarom

eigenlijk de gever den ontvanger danken moet, omdat deze hem in staat

stelt zijn medemensch een genoegen, een weldaad te bewijzen, en dus

zich-zelf in waarheid te verrijken door goed te doen. En omdat dit

voelen nu zoo sterk in hen is, worden zij bedremmeld en links, zoodra

zij iemand een genoegen of weldaad bewijzen: zij zien het aankomen, dat

de begiftigde hen wil danken en ziedaar: nu gaat dat onbewuste voelen

zich in hen openbaren als een weerzin tegen bedankt te worden; zij geven

daarom hun gift haastig, bij het ruwe af, en maken zich gauw uit de

voeten. Hiermee wil niet gezegd zijn, dat degeen, die hoffelijk geeft en

vriendelijk den dank van den begiftigde aanvaardt, beneden iemand als

Edeling zou staan. Het _kan_ zijn, dat hij beneden hem staat: indien hij

namelijk zoo hoffelijk en vriendelijk is, omdat hij nooit dien weerzin

tegen bedankt te worden gevoeld heeft. Maar het kan ook zijn, dat hij

boven hem staat: hij heeft dien weerzin wel gevoeld, maar wijl hij de

oorzaak weet--in tegenstelling met iemand als Edeling die deze niet

kent--en er dus verder over kan nadenken en in ander verband bezien,

heeft hij begrepen dat hij hem moet onderdrukken. Want: een weldoener te

bedanken is een hoogstaand geestelijk genot, ja zelfs is dank de eenige

betaling die een arme begiftigde zich veroorloven kan. Bedwingt de gever

zijn weerzin dus niet, dan berooft hij den begiftigde niet alleen van

een veredelend genot, maar ook van de mogelijkheid zich, zij 't een

ietsje, minder zijn schuldenaar te voelen! Stappen wij nu van _Edeling_

af en gaan we, zij 't alleen maar, om te bewijzen, dat de uitersten

elkander--in dit artikel tenminste--raken, _Cootje Brunier_ bekijken.

Immers, vertegenwoordigen _Edeling_ en _Blankaart_ het Hollandsch-stoere

[p.282] element in den roman, _Cootje_ doet 't het opgeprikte

saletjonkerschap van den pruikentijd. Hij is op-end' op een

petit-maître, zooals men zoo iemand noemde, maar een van de fatsoenlijke

soort. Als zijn hoogste levenstaak beschouwend: mooi gekleed te gaan,

den dames hupsche lievigheidjes te zeggen, aardige dingsigheidjes voor

ze te knutselen en boodschappen voor ze te bezorgen, verlaagt hij zich

nimmer tot gemeene praktijken. Het ergste wat men van hem zeggen kan is

dat hij een geestelijk-onbeteekenend mensch is, maar dat hij een "goed

hart" en "goede gronden" heeft, zooals _Edeling_ en _Blankaart_ van hem

getuigen, zal zelfs de grootste vijand van het fattendom moeten

toegeven. _Cootje Brunier_ is de broer van _Letje_, de vriendin en het

medecommensalesje van _Saartje_ bij _Mevrouw Buigzaam_. Als zoodanig

komt hij daar dikwijls aan huis. En door de snakerijen van _Saartje_,

die hem eeuwig en altijd, zonder dat hij dat merkt, op de hak neemt, in

den waan gebracht, dat hij haar als echtgenoot niet ongevallig zou zijn,

schrijft hij haar het volgend briefje:

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 56 / 78 题