_Jan Edeling_ wordt--in tegenstelling met _Abraham Blankaart_--door
zijne mede-romanmenschen en dus ook door de schrijfsters precies voor
den man versleten, dien ook wij, de lezers, in hem zien: een brompot,
een koppige kerel, maar, alles in hem welbeschouwd, 'n goed mensch
tevens en wel zulk een, die te duidelijk eigen gebreken ziet, om zich,
gelijk _Blankaart_, op zijn deugden te laten voorstaan. Ziehier een
zijner brieven, waarin hij tegelijkertijd een groote mate van
zelfkennis, eerlijkheid en goedheid toont. (Edeling bericht daarin zijn
zwager, den geestelijke _Everard Redelijk_, dat hij in het huwelijk van
_Hendrik_ en _Saartje_ heeft toegestemd. Ook _Redelijk_, zeer verlicht
en ruimvoelend mensch als hij is, heeft namelijk _Edeling_ daartoe pogen
te overreden).
Waarde Broeder!
Lach me nu eens helder uit, Pastoorsche,[40] gij hebt gelijk: maar
ik zal uw man de heele zaak vertellen. Zoudt gij ooit geloofd
hebben, dat Jan Edeling, die, hetgeen hij ééns begreep, om lief
noch leed losliet; die van geen Christenmensch op de heele wereld
tegenspraak dulden wilde, dan van u; dat Jan Edeling, zeg ik, door
Blankaart zoodanig overhoop gegooid is, dat ik, met mijn hoed onder
den arm, zijne pupil voor onzen [p.280] Hendrik ten huwelijk
gevraagd heb? en 't geen nog meer zegt, dat ik zeer met dit door
mij gedaan verzoek in mijn schik ben? Die Bram! Zoo een man leeft
er niet meer. Hij heeft mij zoo vast gezet en zoo ouwerwetsch mijn
zaligheid gezegd, dat ik boos op mijzelf werd: want er is wat aan
Pastoor: ik ben nooit een vriendelijk man, of een minzaam vader
geweest: 't wil maar van hem gezegd worden; 't is een raar mensch!
Om de waarheid te zeggen, Pastoor, uwe rede en die van Hendrik
hadden mij al lang overtuigd, dat ik ongelijk had; doch ik kon niet
besluiten om te toonen, dat ik verkeerd gedaan had. Nu, het kost
wat voor een man, die zooveel jaren altoos zijn hoofd volgde, te
zeggen: ik heb ongelijk; en dat nog erger is, dit tegen zijn eigen
kinderen te zeggen.
Gij weet het immers, als mijn jongens mij iets vragen, en mij
beduiden wilden, dat zij 't noodig hadden, dat zij 't nooit, juist
omdat die lekkers[41] mij iets beduiden wilden, kregen; doch 's
dags daaraan, gaf ik hun, uit mijn eigen zin tienmaal zooveel. Dit
zijn evenwel satansche nukken; en uwe zuster, mijne zalige vrouw,
had, dat zie ik nu, maar al te veel reden om mij, schoon lachende,
_Meffert Luim_ te noemen. Had ik haar maar weer! Zij zou een beter
man aan mij hebben; maar dat is nu te laat.
Ik zou 't mogelijk nog niet opgegeven hebben: doch mijn arme jongen
zag er uit, of hij uit een gieter gedronken had: en toch, ik houd
veel van den knaap; hij heeft mij altoos zoo op mijne gedachten
gediend. Met Kees heb ik nog wel zoo eens een aardigheidje gehad;
maar Hendrik was altoos, zooals ik (tusschen ons) in zijne jaren
niet was. Hij is geheel zijns moeders kind; week gebakken! Hij kan
geene moeite verdragen; met een benauwd hart ging hij op reis (ik
kan op hem af) en heeft alles in zoo korten tijd afgedaan, dat het
zoo niet te zeggen is. Kort gezegd, het mannetje van binnen klopte
zoo verbruid bij mij aan, dat ik besloot om den jongen zijn zin te
geven; en nu is hij zoo dankbaar en luikt zoo op, dat mijne oogen
overloopen.
Nu, Pastoorsche, dat 's weer een ankertje Rijnsch in jou kelder! en
ik nooi u beide te bruiloft: ik zal eene partij geven, die klinkt
als een klok. Want gierig ben ik, Goddank! niet, ik durf wel wat
geven; _maar ik ben er niet achter om het met gratie te doen. Ik
tast in mijn zak en zeg, hou daar, en loop ten eerste weg._ Nu, ik
groet u van harte en blijf
Uw toegenegen Broeder, Jan Edeling.
In deze laatste, door mij gecursiveerde zinnen teekent die [p.281] man
zich uitstekend. Dit niet "met gratie" kunnen geven, dit "wegloopen"
zoodra hij iets gegeven heeft, kenschetst een groot deel en wel het
edelste, zijner persoonlijkheid. Want dat niet met gratie kunnen geven
en dat wegloopen is heel vaak juist den besten menschen eigen. Het wordt
bij hen geboren uit het onbewuste voelen, dat den gever geen dank voegt,
want dat geven een grooter geluk is dan te ontvangen en dat daarom
eigenlijk de gever den ontvanger danken moet, omdat deze hem in staat
stelt zijn medemensch een genoegen, een weldaad te bewijzen, en dus
zich-zelf in waarheid te verrijken door goed te doen. En omdat dit
voelen nu zoo sterk in hen is, worden zij bedremmeld en links, zoodra
zij iemand een genoegen of weldaad bewijzen: zij zien het aankomen, dat
de begiftigde hen wil danken en ziedaar: nu gaat dat onbewuste voelen
zich in hen openbaren als een weerzin tegen bedankt te worden; zij geven
daarom hun gift haastig, bij het ruwe af, en maken zich gauw uit de
voeten. Hiermee wil niet gezegd zijn, dat degeen, die hoffelijk geeft en
vriendelijk den dank van den begiftigde aanvaardt, beneden iemand als
Edeling zou staan. Het _kan_ zijn, dat hij beneden hem staat: indien hij
namelijk zoo hoffelijk en vriendelijk is, omdat hij nooit dien weerzin
tegen bedankt te worden gevoeld heeft. Maar het kan ook zijn, dat hij
boven hem staat: hij heeft dien weerzin wel gevoeld, maar wijl hij de
oorzaak weet--in tegenstelling met iemand als Edeling die deze niet
kent--en er dus verder over kan nadenken en in ander verband bezien,
heeft hij begrepen dat hij hem moet onderdrukken. Want: een weldoener te
bedanken is een hoogstaand geestelijk genot, ja zelfs is dank de eenige
betaling die een arme begiftigde zich veroorloven kan. Bedwingt de gever
zijn weerzin dus niet, dan berooft hij den begiftigde niet alleen van
een veredelend genot, maar ook van de mogelijkheid zich, zij 't een
ietsje, minder zijn schuldenaar te voelen! Stappen wij nu van _Edeling_
af en gaan we, zij 't alleen maar, om te bewijzen, dat de uitersten
elkander--in dit artikel tenminste--raken, _Cootje Brunier_ bekijken.
Immers, vertegenwoordigen _Edeling_ en _Blankaart_ het Hollandsch-stoere
[p.282] element in den roman, _Cootje_ doet 't het opgeprikte
saletjonkerschap van den pruikentijd. Hij is op-end' op een
petit-maître, zooals men zoo iemand noemde, maar een van de fatsoenlijke
soort. Als zijn hoogste levenstaak beschouwend: mooi gekleed te gaan,
den dames hupsche lievigheidjes te zeggen, aardige dingsigheidjes voor
ze te knutselen en boodschappen voor ze te bezorgen, verlaagt hij zich
nimmer tot gemeene praktijken. Het ergste wat men van hem zeggen kan is
dat hij een geestelijk-onbeteekenend mensch is, maar dat hij een "goed
hart" en "goede gronden" heeft, zooals _Edeling_ en _Blankaart_ van hem
getuigen, zal zelfs de grootste vijand van het fattendom moeten
toegeven. _Cootje Brunier_ is de broer van _Letje_, de vriendin en het
medecommensalesje van _Saartje_ bij _Mevrouw Buigzaam_. Als zoodanig
komt hij daar dikwijls aan huis. En door de snakerijen van _Saartje_,
die hem eeuwig en altijd, zonder dat hij dat merkt, op de hak neemt, in
den waan gebracht, dat hij haar als echtgenoot niet ongevallig zou zijn,
schrijft hij haar het volgend briefje: