NOTEN:

[25] Schrijver van een gebedenboek. (Zie de aanteekeningen van Prof.

Knappert.)

[26] Daar begint de bijtende ironie al: _juffrouw Hofland_ is oud en

leelijk, zooals je verderop zien zult.

[27] "Broer" Benjamin, zoo had juffrouw Hofland in haar brief aan

Blankaart verteld, was gewoon koning David "de Heilige Sukkelaar" te

noemen! Het is een van de vele zotheden, die de "fijnen" over den bijbel

ten beste gaven.

[28] Poesten = blazen. Poestig-zijn zal dus wel zoo ongeveer beteekenen:

in staat zijn uit boosheid iemand aan te blazen (als een nijdige kat.)

[29] Konkels = oorvegen.

[30] Verspild.

[31] _Tante Hofland_ had namelijk in haar brief beweerd, dat de

Franschen het "teeken des beestes" op het voorhoofd dragen!

[32] "Paulus, moet je weten," zegt Blankaart elders, "is mijn man en

Salomo die van Saartje." Hij kan dus allerminst dulden, dat _tante

Hofland_ diens woorden citeert.

[33] Weer een steek voor tante Hofland: ze is immers zoo bar gierig.

[34] Een echte koopmansgeestigheid. Uitstekend van de schrijfsters!

[35] Een _regel_ puntjes beteekent overal, dat er een stukje tekst is

overgeslagen.

[36] "Broer" Benjamin.

[37] Ontmaak, enz. = onterf haar.

[38] "Om peper moet," het land verlaten en dienst nemen b.v. bij de O.I.

Compagnie (Knappert).

[39] "Zijn korentje groen at," niet wachten tot het rijp is, gezegd van

lichtmissen, die hun kapitaal opeten. In Zuid-Nederland nog: van de hand

in de tand leven (Stoett, spreekwoordenboek, no. 1062) (Knappert.)

* * * * *

HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN

[p.279]

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 55 / 78 题