I.

Is het voor den lezer en bespreker van de _Historie van Mej. Sara

Burgerhart_ ongetwijfeld immer een voorrecht dezen roman-in-brieven in

de uitgave van de W.B. voor zich te hebben, in deze warmte vooral voelt

men 't als een onschatbaar genot, dank zij den heer Prof. Knappert, die

het werk van eene inleiding en verklarende aanteekeningen heeft

voorzien, niet genoodzaakt te zijn, om, bibliotheek in, bibliotheek uit,

naar de beteekenis van verouderde uitdrukkingen te speuren, of te

beproeven zich zelfstandig in 't historisch milieu te orienteeren.

Bedoelde inleiding en aanteekeningen maken al een zeer sympathieken

indruk, niet alleen door den zoo duidelijk blijkenden ernst en de

nauwgezetheid, waarmede zij zijn samengesteld, maar óók door het feit,

dat de heer Knappert in een zeer gewichtige aangelegenheid zijn eigen

weg is gegaan en zich niet door den beroemden _Busken Huet_ een dwaalweg

heeft laten inloodsen. Anders dan deze, die eene der boezemvriendinnen,

en wel Agatha Deken, het mede-auteurschap der, naar beider

ondubbelzinnige verklaring, _gezamenlijk_ geschreven romans ontzegt,

verklaart onze geleerde en scherpzinnige commentator: "Maar haren roem

danken Betje en Aagje terecht aan haar _wezenlijk gezamenlijk_

geschreven romans." Om met den gullen Abraham Blankaart, Saartje's voogd

te spreken: "Dat klinkt je wat anders voor den snoet" dan de

quàsie-vernuftige [p.252] critische bewering van Huet. 't Is waarlijk

geen gering vergrijp op zoo wankele gronden[1] als door deze voor zijn

meening kunnen worden aangevoerd, het niet alleen aan te durven, deze

vrouw, die zich niet verdedigen kan, van haar roem bij het nageslacht te

berooven, maar ook de moreele smet aan te wrijven, dat zij zich eer en

lof heeft laten aanleunen, die haar niet toekwamen en letterlijk op de

talenten van haar weldoenster en hartsvriendin zou hebben geparasiteerd.

Want Huet moge daar luchtigjes overheen redeneeren en, de kool en de

geit pogend te sparen, het als iets loffelijks in Aagje voorstellen, dat

zij niet weigeren wilde, Betje's roem te deelen, in waarheid zou zulk

een handelwijze niet anders gequalificeerd kunnen worden, dan ik heb

gedaan. En het schenkt mij dan ook niet geringe voldoening en vreugde,

dat de heer Knappert anders oordeelt. Intusschen, hoe gaarne ik langer

over diens bijzonder [p.253] waardevollen arbeid zou uitweiden, we

zullen nu maar eens aan den roman-zelf onze aandacht geven. Al lezend

zullen wij gelegenheid te over hebben, door van de inlichtingen van

onzen gids gebruik te maken, hem de beste hulde te brengen, die iemand

gebracht worden kan.--

Ziehier de zeer kort saamgevatte "inhoud": _Sara Burgerhart_, eene wees,

'n zeer begaafd, zeer geestig en bevallig kind van 'n jaar of twintig,

is bij een oude, kwezelachtige tante in huis, _Juffrouw Hofland_, die

zich te goeder trouw bij de zoogenaamde "fijnen" aangesloten hebbend,

hun dupe wordt. (Bij dat woord "fijnen" hièr moet ge niet denken aan een

zeker soort van vrome menschen, die, ofschoon lastig en onverdraagzaam

voor hunne omgeving, toch deugdzaam zijn en hunne godsdienstigheid

oprecht meenen, neen, déze "fijnen" zijn integendeel doortrapte

huichelaars, die, onder den schijn van streng godsdienstig te zijn, de

meest schurkachtige daden bedrijven!) Het arme kind wordt echter zoo

door die tante en haar verfoeilijk gezelschap, _"Broeder" Benjamin_ en

_"Zuster" Slimpslamp_, benevens 'n dronken tobbe van 'n dienstmeid,

_Brecht_, genegerd en geplaagd, dat ze met toestemming van haar

uitmuntenden voogd, _Abraham Blankaart_, die haar vaders boezemvriend

was, ontvlucht en haar intrek neemt bij een waarlijk verstandige en

deugdzame vrouw, _de Wed. Buigzaam_. Daar wint zij niet alleen de

vriendschap van haar hospita en, op één enkele uitzondering na, die van

de bij deze inwonende jonge dames, maar zij leert er ook den man kennen,

die haar echtgenoot wordt: _Hendrik Edeling._ Voor zij echter trouwt, is

zij door haar sterken zin voor uithuizige vermaken en het argeloos

vertrouwen van haar jong, rein hart, bijna het slachtoffer geworden van

een adellijken losbol en gewetenloozen meisjesverleider, _den heer

R_.[2]

* * * * *

Ook deze roman is een _realistisch_ werk. En ik geloof [p.254] het

daarom niet te onpas eens even vluchtigjes te onderzoeken in welke

verhouding de innerlijkheid van dit werk en de fundamenteele geaardheid

zijner auteurs staan tot die van de beide andere, in deze serie[3] reeds

behandelde boeken en schrijvers: Hildebrand met zijn _De Familie Kegge_,

Multatuli en zijn _Woutertje Pieterse._ Zou men aanvankelijk geneigd

zijn te beweren, dat Wolff en Deken in hun Hollandsche degelijkheid en

de geschiktheid van hun roman "voor den Meridiaan des Huiselijken

levens," meer overeenkomst vertoonen met den kalmen aspirant-burger-

huisvader Hildebrand, dan met den geweldigen Multatuli, den afbreker,

den spotter en de schrik van alle brave huisvaders en afgebakende-

levensweggetjes-bewandelenden--men komt al heel spoedig van die meening

terug. Zooals Hildebrand wel schijnbaar, en ten deele met Multatuli

overeenkomt in het gering achten van eigen [p.255] kunst en artistieke

vermogens--de eerste, zooals wij indertijd gezien hebben, vindt zijn

schetsen-schrijven een jeugdspel, dat den rijperen leeftijd niet meer

voegt, terwijl de laatste voor niets grooter angst schijnt te hebben,

dan om zijn schrijfkunst bewonderd te worden--maar inderdaad in de

oorzaken dier geringschatting hemelsbreed van hem verschilt--want ten

eerste mag men met grond beweren, dat Multatuli meestentijds niets van

dit geringschatten meende, maar ten tweede: dat, ten tijde dat hij 't

wèl meende, die meening in hem geboren werd _uit zijn ontzaglijk

revolutionnair sentiment_, terwijl zij bij Hildebrand voortkwam juist

uit het _tegenovergestelde_: het begrip van eigen waardigheid en fatsoen

als dienaar van den godsdienst, d.i. van het overgeleverde, het, in zijn

oogen, _vaststaande en blijvende_: een fundamenteel onderscheid

dus!--zoo komen, oppervlakkig beschouwd, Betje en Aagje wel met

Hildebrand overeen in den eerbied voor een werkelijk godsdienstig leven;

in de voorkeur voor het beelden van echt vaderlandsche tooneelen, en

zelfs in het verliefd zijn op enkele der door hen geschapen figuren,

maar dat alles spruit bij hen uit geheel andere motieven voort dan bij

hem. De eerbied voor den werkelijk godsdienstigen en braven mensen maakt

zich bij Hildebrand zelden los van de wetenschap, dat ook hij zulk een

mensch is, in één woord: hij blijkt soms saamgeweven met eene ergerlijke

zelfverheerlijking en zelfverheffing, bij onze Wolff en Deken is daar

geen sprake van. Beeldt Hildebrand zich in _De Familie Kegge_--herinnert

ge 't u?--als den onfeilbaar-wijze en den reddenden engel, Betje

daarentegen stelt zich-zelf ten toon--ongetwijfeld zich bewust, dat men

dit zal begrijpen--als de zeer zeker begaafde, zeer zeker brave en

sympathieke, maar niet minder lichtzinnige _Saartje Burgerhart_, die

niet alleen geen anderen redt, maar er rond voor uit komt, dat ze 't

alleen God heeft te danken, dat ze niet door een schurk voor haar

geheele leven ongelukkig is gemaakt, terwijl Aagje er niets op tegen

schijnt te hebben, zich-zelf als de bedilzieke en overijld naar den

schijn oordeelende _Anna Willis_--vriendin van _Saartje_--te teekenen!

[p.256] En ongetwijfeld: de liefde voor het schetsen van het

vaderlandsche milieu is zoowel bij Hildebrand als bij onze schrijfsters

zeer sterk, maar welk verschil in omvang en rijkdom hunner

menschenwereld! Waardeert men bij Hildebrand een sterk _novellistisch_

talent, in het werk van Wolff en Deken voelt men den adem der groote,

heele menschengroepen omvattende epica. En welk een onderscheid ook in

de weergave dier wereld! In hoeveel grootere mate dan bij Hildebrand

spreken hier de struische Hollanders de stoere Hollandsche taal. Neen,

men ziet het: dit is onovertrefbaar: deze menschen kunnen niet anders

spreken, dit is het woord, waarin zij-zelf léven, het woord soms hoekig

als hun vierkantig gezicht, hun zware lijf, soms rond als hun kaaskop,

maar altijd helder-gewasschen als hun grijze en blauwe kijkers....

Ook de verliefdheid op de eigen kunstfiguren is bij Hildebrand iets

geheel anders dan bij Betje en Aagje. Bij den eerste wordt zij niet

zelden door kleine en uiterlijk-maatschappelijke motie ven beheerscht,

bij de laatsten is dit vrijwel nooit het geval: zij zijn op sommige

hunner figuren verliefd, omdat die hun de personificaties zijn van

_zekere kenmerkende en uitstekende eigenschappen van hun eigen ras en

volk_, of van _het edele in 't algemeen_. Maar die soort van

kruiperigheid jegens de "hoogere" standen, zooals die zich bij

Hildebrand uit in de _Baron van Nagel_- en _Freule Constance_-

beflikflooiïng, is in de _Sara Burgerhart_ al evenmin te vinden als zijn

beschermheerachtige neerbuigendheid jegens de "lagere" assen. Meer

wezenlijke overeenkomst vertoonen zij met Multatuli. Betje vooral is een

allergeestigste spotvogel en wat 't glazeningooierig-kwajongensachtige

en 't geestig-moedwillig op den hak nemen betreft, gaat--intrinsiek--de

geest van Bekker dien van Dekker niet zooveel uit den weg. 't Verschil

in dit opzicht lijkt grooter dan het is, omdat de eerste tot alles wat

zij doet geïnspireerd wordt door haar onuitdoofbaren levenslust en

blijmoedige guitigheid, de laatste daarentegen door zijn bitterheid,

gekwetst rechtsgevoel, haat en teleurstelling. En is er al een

onverevenbaar verschil tusschen [p.257] Multatuli en de beide vriendinnen

op 't stuk van bijbel-geloof en godsdienstigheid, zij geven hem niets in

heftigheid toe, als het geldt de huichelaars en valsche vromen te lijf te

gaan, en--overtreffen hem daarbij in menschscheppend talent. Want kan men

den dronken huisdominee in _Woutertje Pieterse_, trots al het vernuft--en

wellicht juist òm dat vernuft--aan zijn uitbeelding ten koste gelegd,

niet anders dan een charge[4] noemen, _Broeder Benjamin_ en _Cornelia

Slimpslamp_, de twee huichelachtige "fijnen" en doortrapte schurken in

onzen roman, léven, vòlmáákt, en daarmee is het allerbeste gezegd wat men

van een literatuurbeeld zeggen kan. Dit leven, deze menschelijkheid-van-

vleesch-en-bloed, zij zijn des te meer opmerkelijk, omdat hier niet maar

bloot 'n paar huichelachtige menschen zijn geheeld, máár: personificaties

van het allerinnigste wezen der huichelarij en valsche vroomheid. Men

denkt geen oogenblik als bij Multatuli's _huisdominee_: "hoe geestig

geschreven" en: "hemeltje lief wat moet ik daarom lachen," maar alleen:

"hoe ontzagwekkend gebeeld, wat 'n brok innig doorschouwd leven, hoe waar

en hoe echt is dit."

Mijn lezers zullen waarschijnlijk nu al gemerkt hebben, dat ik onze

Wolff en Deken grooter artisten acht dan èn Hildebrand èn Multatuli. En

zeer zeker: _dat is mijn meening._ Ik aarzel ook niet te zeggen dat zij

een veel juister _bewust_ begrip hadden van het _wezen_ van literaire

kunst dan dezen hebben bezeten. De wetten der kunst zijn al evenzeer

onwrikbaar en onveranderlijk als die der natuur, en dit spreekt ook van

zelf, want al is natuur geen kunst, kunst is m.i. wel degelijk

natuur.[5] Het kind dat niets van de wetten der laatste kent, verbrandt

zich of valt, of iets dergelijks, en het groote kind, de niet voldoende

inzichtsvolle mensen, die de wetten der kunst niet kent, schrijft een

slecht boek, [p.258] of vindt, lezend, een slecht boek mooi en een mooi

boek leelijk. Nu meen ik te mogen zeggen, dat voor den _scheppenden

kunstenaar_ de _intuïtieve_ kennis dier wetten het ééne noodige is, want

als _kunstenaar_ schrijft hij niet zonder "geïnspireerd" te zijn, en

zoodra hij dit is, is ook die intuïtieve kennis in hem. Maar indien zulk

een scheppend kunstenaar nu meent, dat hij op grond van dat _intuïtief

vermogen_, ook spreken kan _over_ kunst, als hij _niet_ geïnspireerd is,

dan vergist hij zich leelijk en dat blijkt zoowel bij Multatuli als bij

Hildebrand. Daarvoor moet men voor altijd in zich bewust geworden kennis

hebben, kennis dus, waarover men _beschikken kan wanneer men wil, welks

omvang, en hoofdzakelijken inhoud men-zelf volkomen beheerscht_. En het

is deze kennis, die Wolff en Deken bóven Hildebrand en Multatuli

bezaten, en het gevolg daarvan is, dat als zij een eenvoudig stukje

schrijven buiten hun scheppenden arbeid om, waarin zij sommige principes

uiteenzetten, door welke zij zich bij het wrochten hunner romans lieten

leiden, zij duidelijk blijken wáárheden omtrent kunst te kennen, die

niet van hun tijd, en niet van dezen tijd alleen, maar 't spreekt van

zelf, van alle tijden zijn! Een paar citaten uit de voorredenen van den

eersten en tweeden druk zullen ongetwijfeld voldoende zijn, om dit mijn

beweren te bewijzen. Ziehier:

Men heeft in bedenking gegeven, of de twee allerslegtse karakters

niet te sterk, te overdreven geschildert zijn; men heeft gevraagt:

_zijn_[6] er zulke menschen; ja, en dat gaat verder, _kunnen_[6b]

er zulke menschen zijn! Wij vonden het niet noodzaaklijk, de eerste

vraag duidelijk te beantwoorden, dewijl wij zeker gerechtvaardigt

zijn, zoo rasch men begrijpt, dat zij er _zijn kunnen_[6c]; méér

hebben wij in dit opzicht niet te bewijzen....

Wij bekennen ook gaarn, dat alles _zeer natuurlijk_[6d] afloopt,

maar begrijpen met een, dat dit, ten minsten de door ons

hoogst-geschatte Lezers, niet kan mishagen. 't Waar ons zeker geen

moeite geweest een Roman te verzinnen, zo samengestelt, zo

ingewikkelt, zo vol episoden, als de door een verwartste [p.259]

Comedie van eenen Spaanschen _Lopes de Vega_. Doch wie, in staat om

over het stuk in verschil te oordelen zal ontkennen, _dat een

karakter, eens gegeven zijnde, moet uitgewerkt worden naar vaste en

onveranderlijke regels_[7a]. Men wil, en dat met reden, dat men het

_ware waarschijnlijk_[7b] make, of men leest zeker niet met zeer

veel deelname....

Daar wordt in dit gehele werk geen Duël gevochten. Eens echter

wordt er een oorvijg uitgedeelt. Er wordt noch geschaakt, noch

vergif gedronken. Ons vernuft heeft niets wonderbaarlijks

uitgedagt. Alles blijft in het natuurlijke; _de uitvoering zal

alles moeten goed maken_[7c].

Het zijn geen andere waarheden, zooals de trouwe lezer mijner artikelen

wel bemerken zal, dan die ook door de moderne literatoren verkondigd

worden. En ofschoon het begrijpen van het ware in alle tijden geschieden

kan en we dus dwaas en kinderachtig zouden doen met ons erover te

verwonderen, dat "reeds" Wolff en Deken dit alles zoo duidelijk voor den

geest stond--hunne beteekenis en de eerbied, die wij hebben voor hunne

persoonlijkheid en wijsheid, winnen er ontzaglijk door.--

Ook het _genre_: de roman-in-brieven is een geheel ander, dan wij tot nu

toe in deze kolommen hebben behandeld en dus wel een oogenblik bekijkens

en besprekens waard. En als we dat zoo doen, dan blijkt ons toch wel,

dat het gevleugeld woord: "alle genres, behalve het vervelende zijn

goed" meer geestig dan waar is. Hoe uitmuntende en bewondering

afdwingende resultaten onze schrijfsters, en waarlijk niet zij alleen,

er ook mee bereikt hebben, er is en er blijft een zekere onnatuur aan

verbonden èn het levert moeilijkheden op--althans in een werk van langen

adem, waar allerlei soorten van situaties kunnen voorkomen--die het

grootste epische en dramatische talent niet dan door kunstgreepjes

overwinnen kan. Ten eerste schijnen alle in zulk 'n roman optredende

personages min of meer aan schrijfwoede te lijden, en dit maakt al 'n

vrij onnatuurlijken indruk, zij 't dan ook dat de roman, als in dit

geval, [p.260] "speelt" en dus de correspondentie plaats vindt in 'n

tijd, dat brieven-schrijven als 'n prettige en "fashionable" bezigheid

werd beschouwd en de welopgevoede heeren en dames er een eer in stelden,

het goed te doen. Toch, dit feit kan als niet meer dan een "verzachtende

omstandigheid" worden aangemerkt, en zelfs die verzachtende

omstandigheid valt weg in een geval als dat van _Hendrik Edeling_, die,

wanneer _Saartje_, die hij zoo zielslief heeft, door den verleider _R._

is meegetroond, en hij verteerd wordt van wanhoop, jalousie en

ontzetting, een brief gaat zitten schrijven aan zijn broer over het

geval! Waarlijk, men moet zonderling in elkaar zitten, om in zulke

oogenblikken, zóó vol van afgrijzen en wanhoop, het vreeselijke te gaan

zitten uitpluizen in een brief, _terwijl het schrijven daarvan toch

geenerlei gunstige wending in de zaak zal kunnen brengen en dus niet uit

een energisch willen ingrijpen kan worden verklaard_.

Onnatuur is 't ook, dat al die lieden, op 'n enkele uitzondering na,

zulk een welversneden pen hebben. Ja zeker, wij merken, al lezend, op,

dat hoe minder ontwikkeld zij zijn, hoe meer zij schrijven precies

zooals zij spreken. Maar juist dit is onnatuur, want de ervaring leert,

dat hoe onontwikkelder een mensch, hoe eerder hij geneigd is, wanneer

hij schrijft, zich in "boekentaal" en "hoogdravend" uit te drukken!

Te schrijven, zooals men spreekt, is inderdaad voor iemand, die geen

bijzonderen aanleg heeft, zéér moeilijk. En dit moet men in het oog

houden: het is onnatuur, die _onafscheidelijk_ aan het genre is

verbonden: de romancier, die in dat genre werkt, kan er niet buiten.

Want liet hij de menschen niet schrijven zooals ze spreken, dan zouden

we zelden of nooit de gebeelde figuur als echt kunnen voelen en

dóórvoelen, tenzij zij in een brief aan een andere figuur sprekend wordt

opgevoerd, 't geen natuurlijk niet altijd kan en wanneer het kan, ons

meestal, weer op 'n andere wijs, op 't onnatuurlijke van het genre

opmerkzaam maakt. Want, om een ander, waarlijk levend, in 'n brief te

beelden, om diens dialoog waarlijk levend te doen zijn, moet

noodzakelijkerwijs de briefschrijver _kunstenaar_ zijn! Is de

briefschrijver [p.201] ons echter niet als zoodanig voorgesteld en

bereikt hij dat alles toch in zijn brief, dan vinden we zijn figuur

onecht, dan is deze niet meer dan een marionet, die door den

romanschrijver in beweging wordt gezet. Bereikt de briefschrijver dat

alles echter niet, dan vinden wij zijn figuur wèl echt, maar welke

schade lijden we niet doordat we den levenden dialoog van de in zijn

brieven ten tooneele gevoerde personen en dier levensechte,

plastisch-goede uitbeelding moeten missen!--En ook z'n onafscheidelijke

en onvermijdbare moeilijkheden heeft het genre: wanneer er een of ander

gewichtig voorval plaats vindt, waarbij het door de compositie van den

roman noodzakelijk wordt alle met elkaar in correspondentie zijnde

hoofdpersonen _aanwezig_ te doen zijn, dan blijft er niemand over, aan

wien een brief geschreven kan worden, die over dat voorval handelt! En

die brief _moet_ toch geschreven, anders komt _de lezer van den roman_

het voorval niet aan de weet! Zulk een moeilijkheid moet dus overwonnen

worden en zij wordt het dan ook, maar--door een kunstgreep. Als _Hendrik

Edeling_ ten slotte met zijn aangebeden _Saartje_ trouwt, dan laten onze

schrijfsters de aanstaande schoonmoeder van _Cornelis Edeling_ ziek

worden, opdat haar dochter niet op de bruiloft zal kunnen zijn _en dus

die 'r aanstaande de gelegenheid zal hebben, haar een brief te

schrijven, waarin hij over de bruiloft verslag uitbrengt!_

Maar nu basta! We hebben genoeg getheoretiseerd. Mijn aangebrande soep,

mijn belegen grutterswaar, mijn blauwige aardappels zijn op; nu komen de

sappige vruchten van het werk zelf!--

* * * * *

In den nu hier volgenden brief door _Sara Burgerhart_ geschreven aan

_Aletta Brunier_, een schoolvriendin, die zij weer eens toevallig

ontmoet heeft en op wier raad zij weldra bij de _Wed. Buigzaam_ in huis

zal gaan, vertelt zij iets van haar leven bij haar lief tantetje

_Hofland_. Het is een buitengewoon geestig en guitig stukje. En ge leert

er niet alleen de drie fijnen en het schattige Brechtje--je weet wel die

[p.202] dronken tobbe--in kennen, maar ook de schrijfster-zelve: onze

_Saartje_. En als ge nu na het lezen den indruk krijgt: ja maar die

Saartje moet dan toch iets van een kunstenaar in zich hebben, om zóó te

kunnen schrijven, dan zult ge in dit geval _niet_ bedrogen uitkomen.

_Saartje's_ figuur is allervoortreffelijkst gecomponeerd en alles wat

zij doet, schrijft of zegt, vloeit volmaakt-zuiver uit haar eens gegeven

persoonlijkheid voort. Men kan zonder bezwaar haar als een zeer begaafde

beschouwen.

Ziehier den brief:

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 51 / 78 题