[1] Voor 't eerst gepubliceerd als inleiding tot de literatuur-afdeeling
van den boekerij-catalogus van den A.N.D.B.
[2] Op dit laatste: het innig-doorvoeld hebben van de eenheid van het
zijnde berust dit, wellicht edelste, vermogen van den literairen
kunstenaar: het maken van treffende vergelijkingen (het "scheppen van
beelden"). Want dit _is_ niet anders dan het weten der eigenschap, die
overigens uiteenloopende dingen gemeen hebben.
[3] Zie, _na dit geheele betoog ten einde te hebben gelezen_, de noot op
blz. 216.
[4] Zie hierin tevens het bewijs en de verklaring van de stelling (zie
pag. 211) waarom noodzakelijk elke weergave-in-kunst schoonheid is.
[5] Ik heb vermeden, 't geen ik nu zeggen ga, in het voorafgaande betoog
op te nemen, om eenigen niet ervaren lezer het verstaan niet noodeloos
te bemoeilijken en hem van den hoofdweg af te leiden. Nu moge het echter
tot juister en vollediger begrip hier een plaats vinden. Overal, waar in
het betoog sprake was van "objectiviteit" bij het waarnemen en
weergeven, werd dit _nimmer in absoluten zin bedoeld_. Het is bijna
onnoodig te zeggen, dat _onze subjectiviteit altijd waarneming en
weergave kleurt_. "Objectieve waarneming en weergave" wil dus, zoo kort
mogelijk gezegd, hier niet anders beteekenen dan die waarneming en
weergave, waarin geen enkel ander element van subjectiviteit aanwezig
is, dan hetgeen _onvermijdelijk_ voortvloeit uit den aard der
_natuurlijke individualiteit_ van den waarnemer en weergever.
[6] In _Het Jonge Leven_ was een Hildebrand-artikel aan dit opstel
voorafgegaan.
[7] De moeite van dit "losmaken" werd mij intusschen bespaard door de
voortreffelijke uitgave van _Woutertje Pieterse_ der _UitgeversMij.
Elsevier_.
[8] Verwekt dus ook de _goede_ romantiek soms in den daarvoor
ontvankelijken lezer, een overdreven voorstelling van de
werkelijkheid,--de _slechte_ romantiek _is_ die "overdrijving" _in
zich-zelf_. _Zij_ vervalscht den _gewonen middelslag-mensch_ tot een
_grooten_ mensch, groot zoowel in het goede als in het kwade, doet hem
leven in omstandigheden, waarin zulk een mensch _niet_ leeft en laat hem
daden verrichten, die zulk een mensch _niet kan_ verrichten.--
[9] Hier volgde in het oorspronkelijk artikel het schitterende "Avondje
bij juffrouw Pieterse." Slechts één door mij bij het citeeren gemaakte
opmerking--de andere zijn voor een algemeen publiek te weinig
belangrijk--zij hier herhaald: De dialoog in dat gedeelte van ons boek,
staat slechts _ten deele_ in _dialect. Multatuli_ achtte zich na het
toonen van een staaltje daarvan, ontheven van den _kunstenaarsplicht_,
den dialoog aldus weer te geven. _Zeer onjuist_ èn jammer ook, omdat nu
iets van de _groeps_-karakteristiek verloren gaat.
[10] Hier: blz. 211 en 214.
[11] De voorstelling van een begrip, een zaak, als persoon.
[12] Causaliteit = oorzakelijkheid, het verband tusschen oorzaak en
gevolg. (Denk aan het fransche _cause_ = oorzaak). Het is hier
natuurlijk de plaats niet om uitteweiden over alles wat hieraan vast
zit. Genoeg zij 't, dat Multatuli tot die wijsgeerig-denkenden behoorde,
die meenen, dat elke oorzaak _noodwendig_ het gevolg heeft, dat eruit
voortspruit, m.a.w.: zij had nimmer een ander gevolg kunnen hebben.
Waarom hij dan ook aan de causaliteit den naam _Fancy_ geeft, zal u nu
wel duidelijk zijn. Immers: het kunstvoortbrengen, zegt hij, is niet
iets willekeurigs, dat hij doen of laten kan wanneer het hem belieft,
maar hij doet het slechts, wanneer hij door zijn innerlijken drang ertoe
wordt gedwongen. Die drang is de resultante, het uitvloeisel van de
factoren, die te zamen den mensch Multatuli vormen. Hij is dus een
gevolg, een werking van de causaliteit, van al de _oorzaken_ namelijk,
die den mensch Multatuli en zijn denken en doen tot noodwendig _gevolg_
hadden. En, zegt hij óók, _Fancy_ inspireert, fluistert hem zijn
scheppingen in. _Fancy_ is dus één met de causaliteit, een
personificatie ervan.--
[13] Multatuli-zelf ziet deze kinderlijkheid wel als een gebrek. Het
eenige wat ik daarvan zeggen kan is--dat de vader hier zijn eigen kind
niet goed gekend heeft! 't Geen niet behoeft te verwonderen. De
verklaring ligt voor de hand, waarom dit verschijnsel juist bij gróóte
schrijvers voorkomt. De voortreffelijke G.K. Chesterton geeft er in zijn
onlangs verschenen _Criticisms and appreciations of Charles Dickens'
Works_ eenige aardige bij Dickens voorkomende staaltjes van. Tusschen
haakjes: ik kan den Engelsch-kennenden onder mijne lezers, dit luchtig
en geestig geschreven en zooveel juist inzicht bevattend werk warm
aanbevelen.--
[14] Menigeen zal het gek vinden, dat ik zoo voortdurend van _Pastoor
Jansen_ als van een werkelijk geleefd hebbende persoon spreek. Maar men
bedenke, dat het 't _levensware_ is, dat iets geschikt maakt er
_levenswaarheden_ aan te demonstreeren, en dat is evenzeer bij een door
_de Kunst_ als door de Natuur _geschapen_ mensch aanwezig.--
* * * * *
HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN
[p.251]