Je suis enragé[9] op het oud wijf,--op mijne tante; ik wil geen
week langer blijven; 't is of ik in de hel woon. Mijn tante heeft
zeer veel van zijn Satansche Majesteits karakter; en Brecht
verdient wel een schoonen dienst in zijn onderaardsch rijk.... Ja!
bons wat aan; ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet open doen.
Sus! daar hompelt zij, al grommende, den trap weer af. Goeie reis
naar beneden! Ik moet, ma chère,[10] u eens een scène teekenen, die
u niet zal uit de hand vallen.
Woensdagvoormiddag raasde zij als een bezetene, omdat ik eenige
nieuwe aria's speelde (Dat's een wijf ook?). Zij werd geholpen door
haar hottentot van een meid, die mij dorst zeggen, dat zij ook
danig ontsticht was.
Dit trekje is goud waard! Men _ziet_ het gemeene vrouwmensch, die,
zoolang haar meesteres rijk is, haar naar den mond praat en haar
later, als ze arm is geworden, brutaliseert en in den steek laat,
hier met schijnheilig gezicht meepraten van dat ze "ontsticht" is.
Zij, die natuurlijk te dom, te ongevoelig en te beestachtig is, om
hetzij gesticht of ontsticht door muziek of door wat ook, te kunnen
worden. 't Is van een buitengemeen komische kracht!--Heb jelui ook
wel opgelet wat een uitstekend beeldend woord dat "hompelen" is?
Mét wordt er gebeld. Brecht, die volmaakt een zog van een
bollebuisjeswijf[11] gelijkt, waggelde naar voor, en tante gaf
[p.263] mij een verbruide[12] oorveeg, omdat ik bleef spelen.
"Juffrouw, daar is Sinjeur Benjamin." "Wel hede, laat broeder maar
achter komen." Daar kwam broeder, een luie zuipzak van een kerel,
in een paarschen japon;[13] (men zou wel zeggen, wie of zoo een
verloopen slagersknecht, toch een japon heeft leeren dragen.)
"Welkom, broertje, wel hoe is het nu nog al met je?"
--"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"
--"Wel dat is droevig, maar je vergt je ook wat veel."--"Ja, 't is
mijn ambtsbezigheid; en hoe vaart zuster? Je schijnt wel wat
onthutst."--"Ja, dat ben ik ook, 't is niet altijd het effen wegje,
broertje." (Tegen Brecht): "Ei meid, is er niet wat? dan zou
broeder hier maar familiaar blijven." (Tegen mij): "Toe lieve
Saartje" (was dat uit te staan, lieve Saartje, en mijn wang gloeide
nog van den slag) "bak jij nou eris schielijkjes wat dunne
pannekoekjes, broeder lust ze zoo graag."
Dit stuk dialoog is alleruitmuntendst! Het is zóó voortreffelijk, dat
men de woorden lezend, ook onmiddellijk de gebaren der sprekers, hun
lichaamshouding, hun gelaatsuitdrukking erbij ziet en men dus de hier
ontbrekende plastische uitbeelding van dit alles door de auteurs,
heelemaal niet mist. Voelt ge het quasi-zachtmoedige, wee-zoetsappige
van al die verkleinwoordjes: "broert_je_," "weg_je_," "schielijk_jes_."
Je _ziet_ daardoor de "peulemondjes," de zalvend-vromig half
neergeslagen oogleden, het dierbaar-goedige glimlachje!
Ik sloot mijn clavier en zei: 't is wel, tante. Ik ging naar de
keuken en bakte helder[14] door; maar-ik-at-die-al-bakkende-zelve-op.
Die in den bouw van dit zinsdeel wel wat vreemd uitziende
verbindingsstreepjes, hebben, naar ik vermoed, ten doel nadrukkelijk aan
te geven, dat de beide handelingen van bakken en opeten, zoo haastig, en
als 't ware ongescheiden, verricht werden, dat ze tot één handeling
werden. Deze streepjes beoogen en bewerken dus een zuiver artistiek
effect: _'t duidelijker aan den lezer voor oogen stellen van wat er
gebeurt_, 't geen hier inderdaad het guitige en lachwekkende zeer
verhoogt. En in zooverre is deze plaats dus als een voorloopster [p.204]
te beschouwen van het gebruik van verbindingsstreepjes in de moderne
literatuur, waar het ook vaak dient ter versterking of fijne nuanceering
van gevoelsverwoording, plastische uitbeelding, enz.--
Dat is de eerste trek, dien ik haar speelde, hoe zelden ik mijn
genoegen krijg.
Ik moet hier alles doen, want Brecht is een lomp schepsel en snuift
sterk. Toen ging ik, terwijl Brecht in huis klungelde, de tafel
dekken. Brecht eet met ons, want het is zuster[15] Brechtje, moet
je weten, Letje. Tartuffe[16] zou een goed woord spreken, maar de
vent bad (zoo noemen zij dat gehuilebalk) wel een kwartier lang.
Hetgeen hij jankte, geleek veel meer naar het morrend gegnor van
ondankbaar vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, 'tgeen
zijnen God looft.
Ik kreeg, à l'ordinaire[17] eten op mijn bord. Twee schepjes
groente met een flenter vleesch van daags te voren. Ik spelde mijn
servet voor: "als ik gelijk een kind eten krijg, moet ik ook zien,
dat ik mij niet bemors." "Och, of gij een kind waart!" zei de
smulpaap, die onderwijl met zijn duim en vinger de boter van de
robe de chambre eener cotelette aflikte. "Dat zou heuchelijk zijn!"
zei tante. "Ja wel heuchelijk!" zei zuster Bregitta.[18] Toen kreeg
ik nog wat bijeengeschraapte spinasi en een stuk cotelet. Zuster
Santje[19] en broeder namen onderwijl eens in. Ik krijg nooit wijn;
tante zegt, dat het niet goed is voor mij, en dat kan wel zijn,
want ik ben jong en gezond. "Kom, Saartje, neem nou maar af;
Brechtje is wat vermoeid; de sloof wordt oud." Ik deed zoo; zette
het dessertje op. "Waar bennen de flensjes, Saartje?"--"Die bennen
in mijn maag, tante." Snap, mijn servet neergegooid (bij ongeluk
tegen broeders palmhouten[20] pruik) en het onweer op mijn kamer
ontweken. [p.265] Gij weet ik ben tamelijk vlug, dat mij toen te
pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de hottentot met een
stuk brood en een glas zuur bier, er bij voegende: "dat ik het
nooit kon verantwoorden, zooals ik een vroom mensch evel plaagde."
--"Scheer je van mijn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit.
Het brood (het was goed op de flensjes) at ik op. Het bier gooide
ik weg, en dronk eens uit mijne caraffe: ging vroeg naar bed en
sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een
kom tee, dat wel omspoelsel lijkt. Tante gaat uit, en wil mij voor
hare oogen niet zien. Zoo zitten nu de zaken. Mogelijk geef ik u
dezen wel in eigen handen, mogelijk niet: 'k weet niet, hoe 't zal
uitkomen. Vast kom ik; de brief van de goede weduwe heeft mij in
mijn voornemen gesterkt. Ik zou al bij u geweest zijn[21], maar ik
wacht op een brief; die brief komt niet[22]. Ik zal, voor ik dit
huis verlaat, aan haar, die ik bedoel, nog eens schrijven ... doch
dat kan ik bij u even goed doen.
Ja, lieve meid, gij hebt wel kostelijk gelijk! Men moet maar wèl
doen en vroolijk leven. He wat? op die fijnen is toch geen staat te
maken; echter zijn er (of jij 't niet geloofde) zulke vrome zielen
onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zoo goed
georganiseerd als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zijn ...
enfin, kort gezeid, Letje, Salomon, de wijze koning, is mijn man:
_men moet het goede genieten van zijn leven ende van zijn
arbeid_;--maar daarmede is dat maar uit, en afgedaan....
Heeft men in het eerste deel van dezen brief Saartje leeren kennen als
een guit en 'n katje, dat niet zonder handschoenen is aan te pakken, dit
laatste deel toont haar ons niet alleen als het gezond-levenslustige,
maar ook het brave en gewetensvolle kind, dat de menschen, van wie zij
niet houdt, toch niet ongunstiger wil voorstellen dan zij hen werkelijk
gelooft te zijn. Voor dezen keer nu nog even 'n stukje uit den brief van
_Saartje_ aan haar voogd, _Abraham Blankaart_, waarin zij hem-heel
openhartig meldt, dat zij ontvlucht is:
[p.266] Gistermiddag ging tante uit eten. Ik kleedde mij aan, stak
wat linnen bij mij, ook mijne juweelen, die ik van u gekregen heb
vóór gij naar Frankrijk ging, doch die ik nooit heb aan gehad, met
een weinig gelds (want zij geeft mij niets,--geen duit). Brecht had
de stoutheid mij te vragen: "waar ga _jij_ heen?"--"Dat raakt
_jou_ niet."--"Dan zal _je_ ook thuis blijven."--"Heb _jij_ 't hart
en belet mij dat eens." Ik kan wel boos worden, maar niet kijven;
en ziende dat Brecht haar talent te werk stelde, bedacht ik mij:
"Brecht," zei ik, "heeft tante je die orders gegeven, dan moet ik
haar de reden vragen als zij thuis komt; wat zullen wij
eten!"--"Kliekjes," zei zij.--"Goed ik heb honger, maar wij zullen
tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een flesch
wijn, jij hebt zeker den sleutel."--Ik doe niet, juffrouw Saartje
(nu 'k van putten[23] sprak, kreeg ik aanstonds dezen titel!") "Jij
jokt, Brecht; als tante er van spreekt, zal ik haar den wijn
betalen."--"Je tante heeft altoos den sleutel; maar als de juffrouw
mij niet beklappen zou, ik kan er toch wel bij."--"Ik je beklappen!
wel, dan moest ik wel gek zijn; krijg maar, toe, schielijk." Zij
ging. Ik had al lang gemerkt, dat zuster Brechtje aan de fep
was;[24] ik tastte haar dus van de zwakke zijde aan. Doch pasjes
was zij in den kelder, of ik, flink de deur in slot, en de grendels
erop. Toen ging ik het huis uit, en haalde de huisdeur achter mij
toe. Hoe het verder met de zuster gegaan is, weet ik niet....
Allerbest en toch zoo eenvoudig verteld, hé; in dien laatsten zet van:
"met de _zuster_", nog even een echtSaraBurgerhartsche guitige
spotternij! Voor dezen keer stop ik en al geloof ik wel, dat na wat ik
jelui nu van het werk heb laten zien, je al heel verlangend zult zijn
het te lezen, ik ben mij bewust, je toch nog maar een tè klein deeltje
van zijn groote schoonheid in karakter-uitbeelding, taalrijkdom,
wijsheid en naïeve bekoorlijkheid te hebben getoond, dan dat ik mij
daarop met volslagen zekerheid--ik ken immers mijn Pappenheimers--zou
mogen verlaten. In het volgende hoofdstuk dus zullen wij enkele der
figuren; met wie jelui nu reeds kennis hebt gemaakt, wat nader bekijken
en eenige nieuwe aan jelui voorstellen, daarna.... Maar waarom zou ik
zoo dwaas zijn om alles bij voorbaat uit de school te klappen!