IV.

De maatschappij waarin wij leven, die anarchistische dooreenstrengeling

van ongebreidelde, niet-geleide of slecht geleide krachten--een kluwen

zóó verward en zóó langzaam zich ontwarrend, dat we wel zeker weten, dat

niet meer bij òns leven de Tijd een schoon weefsel ervan spinnen

zal--die maatschappij van de mededinging, van de afgunst, van den haat

maakt ons allen, in haar levenden, tot slechter menschen, dan we

tengevolge van onzen natuurlijken aanleg, te midden eener betere

samenleving, zouden zijn geweest. Want zij is 't, die de edelste

neigingen ver doet terugkrimpen in 't meest verborgene van 't hart, om

daar een kwijnend bestaan te leiden, ja, dikwijls, te sterven, wijl er

voor hen in 't wijd-open, gemeenschappelijk menschen-leven geen

voedingsbodem, geen ontwikkelingsruimte is. En zij is 't alweer, die de

onedele driften oproept, hen laat treden en werken in der edele plaats,

hun dier naam, gewaad en aanzien geeft--zoodat de waanzinnige

angst-wreedheid van, het doodelijk gevaar tegemoet gejaagde, soldaten,

na zich de trekken te hebben kalm-gehuicheld en zich de handen te hebben

gewasschen van 't bij 't "neerleggen" vergoten bloed, den naam en de eer

van den heldenmoed uit de handen van vrome regeerders ontvangt; zoodat

de sluwheid, noodig, om in de hijgende jacht naar winst, anderen te doen

vallen en hen dan voorbij te rennen, als wijsheid en schoone

behendigheid wordt [p.237] geprezen; het huwen-om-geld liefde wordt

genoemd en als zoodanig zalvend door geestelijken wordt be-zegend; de

zucht tot uitbuiting van vreemde landen en volken zich kan vermommen als

brengster van wetenschap en klaarder godsbegrip....

En geen andere dan zij is 't dus, die ons gemoed, onze ziel aan een

veronachtzaamd huis gelijk maakt, waaruit de meesters zijn vertrokken en

waarin het brooddronken knechtenpak het bezit dier meesters in

liederlijke moedwilligheid vervuilt en verbrast, zich op hun plaatsen

zet en hun manieren grijnzend nabootst. Zoo komt het, dat wij aan het

bestaan van een volkòmen eerlijk, volkomen deugdzaam mensch nauwelijks

meer gelooven. Ja, wij _wenden voor_ aan zulk een nog zekerlijk te

gelooven, doen zelfs soms, om onze eigen onschuldige braafheid maar te

toonen, alsof we zoo iemand iets heel gewoons en "normaals" vinden, doch

óók die veinzerij is--een van dat knechtenpak: zij is de lage naäapster

van den sinds lang vertrokken meester: het geloof in elkaars goedheid,

dat menschen hebben, die niet door de maatschappij tot elkanders

roofzuchtige vijanden zijn gemaakt. En zoo gebeurt het, dat, ontmoeten

wij een uitmuntend mensch in 't léven, we ons onmiddellijk afvragen:

"Zou die man nou wel ècht zoo zijn; heeft-ie met al die goedheid niet de

achterbaksche bedoeling zijn eigenbelang te dienen?" En allicht is onze

conclusie: "nee die is mij te braaf, die is mij te fijn!" En ontmoeten

we zulk een figuur, de beelding van zoo'n edel mensch, in een boèk, o

dàn is 't heelemaal mis, dan áárzelen we zelfs niet, dan veroordeelen

we, bijna immer, dadelijk. "Wat zoetig," meenen we, "wat overdreven

braaf, hoe opgesierd, 'n echte boek-held." Ja, dit spreekt van zelf: wij

zijn te zeer aan het onedele gewend, we zijn te zeer gewoon het onedele

't masker van 't edele te zien dragen, dan dat wij nu zouden kunnen

gelooven dat edele in waarheid voor ons te zien. Toch, waar er echte,

waar er gróóte kunst is, daar worden we gedwòngen te gelooven, want deze

maakt haar beelding als ware 't doorzichtig, wij zien niet langer met

ònze oogen, wij zien niet langer alleen het uitwendige van een [p.238]

figuur noch behoeven ons dus met onze gissingen en twijfelingen te

behelpen, máár wij zien met de oogen van dien grooten kunstenaar, wij

zien het uiterlijk-en-innerlijk als één klare, geheimloos openliggende

_waarheid_, en gissing noch twijfel kùnnen meer in ons opkomen. Zulk een

kunstenaar nu was onze Multatuli, toen hij de _Pastoor-Jansen_-figuur

schiep, en aan zulke groote en echte kunst had hij toen het

overgelukkige voorrecht, het aanzijn te geven. Het kost mij moeite,

mijne bewondering voor deze voortreffelijke schepping, en mijn diepe

liefde voor haar schepper, niet zoo te uiten als ik ze gevoel. Maar dit

moet nu eenmaal achterwege blijven, want hoofddoel blijft toch, die

bewondering en liefde op _u_ te doen overgaan, en dat lijkt mij

vooralsnog alleen te bereiken door kalme beschouwing en ontleding.

Welnu dan: _waardoor_ is de auteur erin geslaagd, de in hèm levende en

klaar-opene visie van dien nobelen mensch ook òns zoo overtuigend-waar

voor oogen te stellen, voor ons zoo "doorzichtig" te maken? Heeft de

schrijver dit bereikt door, in groote mate en zeer nauwkeurig, sommige

middelen der realistische persoonsbeelding aan te wenden, d.w.z. heeft

hij deze figuur zekere telkens terugkeerende gebaren, kleine

eigenaardigheden en haar alleen eigen spreekwijzen--die alle dan

natuurlijk in logisch verband staande met haar innerlijk--verleend,

zoodat wij daardoor _verleid_ worden, óók den haar eigen buitengewonen

adeldom van ziel als waar aan te nemen, ofschoon wij _dien_ eigenlijk

_onwaarschijnlijk_ achten? Neen, dit is niet zoo, de trekjes van deze

soort zijn nauwelijks aanwezig, bovendien, wij erkennen _juist dien

adeldom_ als echt. Of zou 't dan wellicht komen, doordat wij de

kinderlijkheid van _Pastoor Jansen_, die _kinderlijkheid_ in een

_volwassen_ mensch, als een _gebrek_ beschouwen en dit _gebrek_ dezen

mensch genoegzaam _on_volmaakt in onze oogen maakt, om ons

zijn--volmaaktheid aannemelijk te maken? Neen, ook dit kan de oorzaak

niet zijn, want een _gebrek_, en dan nog wel een geestelijk gebrek, kan

nimmer zulk een _hart-veroverenden, behoorlijken_ indruk wekken als deze

[p.239] kinderlijkheid van _Pastoor Jansen_ doet.[13] Máár de oorzaak

is, dat de kinderlijkheid van dien mensch hem als met een glans van

aandoenlijke en nederige heiligheid omgeeft, die ons stil maakt, zoodra

we in zijn nabijheid komen, ons zacht doet treden, wijl we voelen op,

door hem, geheiligden grond te staan en ons in die klare stemming van

begrijpen-door-liefde brengt, die alles doorzichtig en hel-doorlicht

maakt. _Die kinderlijkheid is 't, die al zijn woorden, al zijn daden,

die dragers van zijn noblesse, als een phosphoresceerende, hen

belichtende vloeistof drenkt_. Maar niet alleen aldus zien wij haar,

doch--wel verre van haar als een gebrek te beschouwen!--zien we 'r

integendeel ook als een heerlijke gave, dezen mensch verleend, om zijn

blanke reinheid onbezoedeld door het leven te brengen, en zoo--terwijl

zij ons de op zich-zelf schoone schrijn blijkt, die het juweel zijner

goedheid behoedt--denken wij, aldoor dieper overtuigd wordend: hoe

waardevol moet deze laatste zijn, dat de Natuur het noodig vond haar zoo

sterk-beveiligend te omhullen! En ofschoon wellicht buiten het kader

dezer beschouwingen vallend, wil ik niet nalaten, hier nog aan toe te

voegen, dat uit die gedachte onmiddellijk bij mij deze voortkwam: hoe

blijkt ook hier weer de wijsheid, dat alles vereenende, dat alles aan

elkaar dienstbaar makende, dat met één middel véél bereikende der

Natuur, want door die kinderlijkheid de prachtige ziel van dezen mensch

_sluitend_ voor het _kwade, opent_ zij haar tevens voor het _goede_.

(Immers, door die kinderlijkheid hebben wij haar volledig begrepen,

daardoor zijn wij van haar waar- en echt-zijn overtuigd geworden,

dáárdoor zijn we dus in staat gesteld, van haar te genieten en te

[p.240] leeren. En dit is het goede. En zoo heeft dus de Natuur twéé

groote doelen met één middel bereikt....)[14]

En nu ga ik een stuk tekst afdrukken, dat, met mijn tusschengevoegde

ontledingen, u veel van het zooeven gezegde ongetwijfeld duidelijker

maken zal.

_Pastoor Jansen_ en _Wouter_ zijn op weg naar Haarlem. _Pastoor Jansen_

is aan 't woord:

"Maar ik zou je wat van die _kyrie_ (een katholiek gebed. v.C.)

zeggen. Als Koens hem zingt.... O! (_Koens_ is pastoor van dezelfde

kerk als _Jansen_ en woont naast deze. v.C.) In z'n kamer, meen ik,

want in de kerk doet-i 't niet graag. Stijn (_Jansen's_

huishoudster, v.C.) heeft ervan gehuild, want het is heel gehoorig

bij ons, we kunnen elkaar best hooren zuchten ... maar ik zucht

nooit. Waarom zou ik zuchten?

Hierin ligt al, zoowel het maar naïef-weg babbelen, als de blijmoedigheid

van 'n kind.

Nu, Stijn huilde, en ik kreeg kippevel. En weet je wat ik erbij

dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik 'n prul bij pastoor Koens!"

"Hé, m'nheer!"

"'t Is de waarheid! Maar ik van mijn kant ben weer veel sterker van

bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor

ondankbaarheid. Als m'n vader me op z'n smederij gedaan had, zou ik

net zoo sterk geworden zijn als m'n broer, maar de theologie maakt

'n mensch 'n beetje lebberig, vind je niet?

Prachtig! Iemand als Jansen houdt er geen bijzondere deftige of

edel-klinkende termen op na, als hij over God of godsdienst spreekt:

zijn reinheid maakt hem, onbewust, als 't ware met God gemeenzaam en

vertrouwd.

En toch ... verbeeldje, ik heb thuis 'n _Vulgata_ (de door de

katholieke kerk aangenomen latijnsche bijbelvertaling, v.C.) Daar

staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in 't vierkant, en

in leer gebonden ... 'n heele vracht! En er zijn sloten aan, ook.

Stijn schuurt ze alle weken blank. (Merk nu die onschuldige [p.241]

en naïef geuite trots van het groote, lieve kind, omdat ie zoo

sterk is! v.C.) Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m'n

pink, en Stijn zegt _Paters_ (het _Pater Noster_ = 't _Onze Vader._

v. C.) op, en ik houd m'n _Vulgata_--altijd met die ééne pink, moet

je denken--tot quotidianum (= dagelijksch, voorkomend in den zin:

"geef ons heden ons dagelijksch brood." v.C.) van de derde. En

Stijn is niet eens heel vlug met 'r _Paters_. Als ik ze zelf zei,

bracht ik 't zeker tot _remitte_ (voorkomend in den zin: "en

vergeef ons onze schulden," v.C.) van de vierde, of misschien wel

tot _amen_. Maar ik moet je 'r bijzeggen, dat wij katholieken geen

kracht, macht en heerlijkheid hebben. (Het Katholieke _Onze Vader_

eindigt met: "Maar verlos ons van den booze." Het protestantsche

heeft nog dezen zin erbij: "Want U is het koninkrijk, en de kracht,

en de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen." _Jansen_ zou dus een

sterker krachttoer doen als-ie de _Vulgata_ aan z'n pink liet

hangen gedurende 4 protestantsche Pater Nosters dan nu hij 't doet

gedurende 4, kortere, katholieke! v.C.) Dat scheelt altijd 'n

beetje. En ... er is niets apocriefs in de _Vulgata_ (De z.g.

apocriefe boeken: toevoegingen van later datum aan het Oude, zoowel

als het Nieuwe Testament, die niet hetzelfde gezag als deze hebben

en er niet mee op een lijn worden gesteld. De Vulgata is dus minder

_zwaar_ dan een protestantsch bijbel-boek waarin die apocriefen wel

zijn af gedrukt. De goeie man vertelt dat allemaal, om zich niet

"grooter voor te doen dan hij is"! v.C.) Met een protestantschen

bijbel zou ik 't wel laten, dat vat je wel." Neen, Wouter vatte het

niet! of althans hij begreep niet _alles_. Maar de conclusie nam-i

goedig aan. Hij hield zich overtuigd dat pater Jansen bijzonder

sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood

gegaan zijn.

"Ja, 't is 'n heel ding niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer

niet. Zoo zieje dat God altijd ieder 't zijne geeft. _Maar ik heb

Stijn verboden 't hem te zeggen. Hij mocht eens verdrietig worden

omdat-i 't me niet na kan doen_, en dit hoeft niet, want _zulke

dingen komen toch in ons vak maar zelden te pas_.

Uit het _eerste_, door mij gecursiveerde, deel van dezen zin blijkt u

_Jansen's_ goedheid, maar het wekt tevens de hinderlijke gedachte bij u

op: hij zelf vertelt het, hij pronkt ermee, en daardoor gaat ge

twijfelen aan het echt-zijn dier goedheid I Maar het _tweede_ is van

zulk een bekoorlijke naïefheid--vooral dat "vak"!--dat ge inziet, dat

hij 't niet vertelt om ermee te pralen, maar uit louter onbewuste,

kinderlijke openhartigheid! _Gij hebt hier dus voor u een sterk bewijs

voor de [p.242] waarheid van wat ik hierboven zei: die kinderlijkheid

drenkt en belicht zijn zedelijke schoonheid, en door de eerste erkent ge

de laatste als echt_.

Maar eens toch heb ik er echt schik van gehad ... niet van die

_Vulgata_, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hij

doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! Verbeeldje,

ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n'n boer in de buurt, 'n

rijke boer. Hij heette Koremans, maar hij was heel rijk, en hij had

veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal

boerenmenschen, dat begrijp je wel. Een van de meiden heette

Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was, maar och, ik

heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. (Jelui zult later wel

merken waarom, v.C.) Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n'n

ander stukje, iets van hèm, van pastoor Koens. Dàt moet je hooren!"

't Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen

eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n

boeremeisje. Hij was in de jaren que tout ce qui porte jupon

intéresse; (= dat alles wat 'n japon draagt, belang inboezemt,

v.C.) en in z'n verbeelding vertaalde hij elk onbekend

vrouwspersoon in "Femke" of ... iets als Femke, (het meisje, waarop

hij "verliefd" is. v.C.) Maar hij begreep toch dat-i den goeden

Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hij

luisterde zoo aandachtig mogelijk.... (Wij doen dit _niet_, om

--ruimte te winnen, en luisteren pas weer, als Wouter aandringt de

geschiedenis van Trineke te hooren. v.C.)

"Maar, m'nheer, wat was er met die Trineke?"

"Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten

noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood."

"Wat had-i gedaan met die Trineke?"

Uit dat _gedaan_, blijkt dat het romantische Woutertje op zijn minst aan

'n half dozijn onteeringen of iets dergelijks denkt!

"Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit

over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jij 't

vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist

niet minder dan andere boeren, en daarom zou 't me leelijk staan

z'n naam te bekladden, maar waar is waar! Hij was héél rijk, en

goed voor de kerk, o best! In onze kapel--want we hadden 'n kapel

in 't Simmenarie--hing 'n geelkoperen _Sebastiaan_ ('n heiligbeeld.

v.C.) met z'n lijf vol pijlen, wel duizend pond zwaar ... nu, die

was van hèm. En opschepperig [p.243] was-i als we hem bezochten,

goedgeefs ... je hebt er geen begrip van! Aan brood of kaas of

karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n twintigen ... net

'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozijnen op brandewijn, en

daar dronken wij simmenaristen van dat het 'n aard had. Maar dat

kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of

zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen--'t was al de

derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze hebben--en

wij kwamen gelukwenschen en werden best onthaald, maar de bruid

keek sip, (je zult later wel zien, waarom! v.C.) en we dronken

brandewijn op rozijnen, en er was 'n pret van belang ... op de

bruid na! Maar op eens ... och, jongeheer, ik had 't je eigenlijk

niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je er nooit

over spreken zult?"

"Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!"

"Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg."

Dat "op m'n woord van eer" van Woutertje, die zich voortdurend een

ridder of zoo iets droomt, is kostelijk. Maar nog kostelijker is Jansens

verbaasde "Wat?" daarop, en allerbest dat hij in z'n eenvoud heelemaal

niet begrijpt, dat Woutertje daar iets heel plechtigs mee bedoelt,

integendeel, hij schijnt het iets minder dan een gewone, eenvoudige

verzekering te achten, maar enfin, denkt hij, hoe gek ook, hij hééft 't

beloofd, dat is genoeg!

Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult

hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens

terdeeg uitgegroeid. Je begrijpt, 'n jongen in _theologie-tweede_

is anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou

gedanst worden ook. Dit mocht eigenlijk niet, en als 't in 'n ander

huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maar

_Rector_ zag wat door de vingers als 't bij Koremans gebeurde, om

dien _Sebastiaan_, weet-je, en ook omdat-i weleens in z'n wagen

naar stad reed en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen ... in dien

tijd. Nu zou 't niet meer staan! En ik zou dansen met de bruid, die

ik graag lijden mocht ... vroeger.

Hier _schijnt_ onze groote kunstenaar "er even uit." Immers dat

"vroeger" beteekent: nu ik priester ben, zou mij dat _niet_ geoorloofd

zijn "haar graag te mogen lijden." Welnu als dit een soort liefde was,

die hem als priester niet geoorloofd is, dan was het hem, den hoogreine,

ook niet geoorloofd, terwijl hij zich van _die_ liefde _bewust_ was, met

Lies te dansen. [p.244] Neen, hij was toen nog geen priester, máár: hij

zou 't worden èn _zij was immers met een ander verloofd_. Jansen, mag,

wil zijn figuur volmaakt gaaf blijven, niet geweten hebben dat zijn

liefde een "zondige" was, en Multatuli laat het hem klaarblijkelijk wèl

weten. Maar begrijpen we 't goed: _nu_ weet ie-'t, _toen_ wist hij 't

_niet_. Men zie mijne ontleding van de geheele figuur aan 't eind van

dit hoofdstuk.

En ze hield van mij ook wel, dat weet ik zeker.

Dit is schitterend. Jansen blijkt hier duidelijk de naïef-reine, tot

wien het heelemaal niet is doorgedrongen zelfs op dit oogenblik, dat

Liesje niet alleen "van hem hield" maar dat zij hem liefhad als een

vrouw een man.

Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik, dat Trineke er niet was

en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altijd bij,

net als de andere knechts en meiden, maar nu was zij er niet. En

dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans zelf.

Lies was de bruid, weet-je, die met me dansen zou, en wel 't

allereerst, omdat ik 'n weddingschap van haar vrijer had gewonnen

... ook al over sterkte. "Trien is ziek," zei Koremans, "en ga nu

je gang maar met Lies." "Is Trineke ziek," vroeg ik, "en waar is ze

dan?" Want dàt wou ik weten. "En," zei ik, "ik ga nu me gang met

Lies niet, voor ik weet waar Trineke is."

...................................................................

"Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed

doet...."

"Ik zal er heusch niet over spreken," beloofde Wouter, die meende

dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg en bang was dat

Jansen 't verhaal afbreken zou.

"O, _dit_ mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't

weet. Ik wou je dan zeggen--maar 't spijt me toch--dat de boeren

... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...."

"Hé?"

Wouter krijgt 'n slag op z'n hart, nu hij hoort, dat Trineke _oud_ was.

Hij had van een of andere romantische geschiedenis van een jong,

natuurlijk "beeldschoon" boerinnetje gedroomd. Prachtig is dat weer, hoe

Multatuli _Woutertje_ doorvoeld heeft!

... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had [p.245]

al meer gemerkt, dat men haar achteraf-zette en wegdeed als er wat

vroolijks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was,

en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want

toen ik den vorigen keer bij Koremans was, had ik al gemerkt dat ze

erg hoestte, en nog kaduker was dan gewoonlijk. Ze was 'n beetje

mank ook, maar ze had altijd braaf gewerkt.... O, bij Koremans z'n

ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was. "Ze is op 'r bed," zei

Lies, "en ik begrijp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe

mensch. Kom dans maar!" En ze wenkte den speelman dat-i beginnen

zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof

God me ingaf--dit gebeurt soms--dat ze slecht behandeld werd. En

Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje

denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou dat ik

Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want ...ze lag in den

stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet--dat

begrijp je wel--maar 't was of God 't me ingaf. En ik stond vóór

den stal, en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet

antwoorden, en Lies riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe

mensch?" Maar ik zei: "met jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen

vroeg ik aan Koremans of-i de deuren van den stal wou openen?

"Neen," zeid-i, "en ze is er niet!" En ik zei dat ze er wel was, en

vroeg 't hem nòg eens, want men moet 'n mensch altijd tijd laten om

zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hij zei weer neen, en Lies

wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m'n schouder

tegen de staldeur dat ze kraakte, en ... ik was erin, hoor! Vindt

je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.

"En Trineke, m'nheer?"

"Welzeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't

Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer

geleefd, maar ... ze is toch behoorlijk gestorven op 'n kristelijk

bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik

je!"

...................................................................

"En Liesje, m'nheer?"

"Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen

Trineke op 'n bed lag, vroeg ze-n of ik nu met haar dansen wou?

Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineke een glas brandewijn met

rozijnen en krentenkoek, dat heel versterkend is bij de boeren, en

toen vroeg ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar

zonder veel pleizier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en

Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelijk uitstellen, maar

Koremans was er kwaad om, en haar vrijer ook. Ik geloof dat-i me

niet lijden mocht ... zeker om die weddenschap."

[p.246] Let op de gedachtenverbinding bij _Jansen_. Hij vertelt dat

Liesje's vrijer boos was, omdat zij het huwelijk wilde uitstellen, en

dadelijk daarop zegt hij: "Ik geloof" enz. Daarmee verklapt hij

onwillekeurig, zich ervan bewust te zijn, dat de vrijer Liesje's plan

haar huwelijk uit te stellen, weet aan iets, dat in verband stond met

Jansen's persoon, maar dat _niet_ de Trineke-geschiedenis was! Hij

bemerkt echter onmiddellijk, dat hij zich verklapt heeft en om Wouter op

een dwaalspoor te brengen, voegt hij er gauw bij: "zeker om die

weddenschap."

Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten

minder vroolijk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze maar

zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier."

Een toespeling op Jansen's verhaal van hoe hij met Liesje danste na de

Trineke-geschiedenis. Deze toespeling heeft dus de waarde van een

voortreffelijke vergelijking, een mooi "beeld," en geeft hetzelfde

genot!

Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man

aantezetten tot wat gehuppel. Ja zelfs hij verwachtte een flinken

sprong, 'n _saut périlleux_ (= 'n gevaarlijke sprong, v.C.). De

onkunde der jeugd is wreed--_cet âge est sans pitié_, (= deze

leeftijd kent geen medelijden, v.C.) zei de fabeldichter--en Wouter

wist niet wat-i deed, toen hij vroeg: "En is Liesje met haar vrijer

getrouwd, m'nheer?"

Immers deze vraag moet _Jansen_, die Liesje op 'n heel andere manier

heeft liefgehad, dan hij zelf _indertijd_ wist, schrijnende pijn doen.

...................................................................

"En, m'nheer, bezocht u Liesje niet? (Nadat ze getrouwd was en

"bleek en verdrietig en ziek was geworden." Ze leefde ook niet lang

meer. v.C.) Neen, want haar man was niet heel vriendelijk als ik

naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou

brengen, dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje ... kijk de

zaak was zóó. (Jansen ziet in, dat hij tegenover Wouter zich niet

langer van het voorwendsel van die weddenschap kan bedienen! v.C.)

In 't dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander had, als ze 't maar

had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander

van de kerk was. Ja, ja, ik weet wel wie 't was, ook!"

"Hé?" vroeg Wouter die 't ook meende te weten.

[p.247] Wouter denkt, zeer terecht, dat 't Pater Jansen zelf was.

Vandaar z'n verbaasd "Hé?" nu hij gaat inzien dat de Pater meent, dat 't

een ander was.

"Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op

de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk

kwamen, stond zij aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra

we naderbij kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand, die niet

weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zijn de meisjes, en dit wist

ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als

op 'n Simmenarie."

Dit is heerlijk.' Humor van de allerbeste soort. Op 't zelfde oogenblik,

dat hij blijk geeft zoo onschuldig te zijn als 'n pasgeboren kind, zegt

hij, zooveel menschenkennis op 't Simmenarie te hebben opgedaan!

Nu, dat ze-n-altijd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten,

besten jongen!

O, hoe prachtig is dit: met dit "'n besten, besten jongen!" verdedigt

Jansen zijn vriend tegen eigen innerlijk misprijzen, 't Beteekent zoo

iets als: Neen, ik _wil_ geen kwaad van hem denken.

En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger

geweest zijn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat

zou ik ook misschien wel eens gedaan hebben, want Kruger was m'n

beste vrind, en hij hield _bijna net zooveel_ van Liesje als ik. O,

heel veel!

In dat "bijna net zooveel" ligt een wereld! Pater Jansen moge zich-zelf

onder bedwang hebben, hij moge z'n afkeurende gedachten over 'n vriend

het zwijgen opleggen, hij make zich-zelf diets, dat pastoor Koens zoo'n

beste jongen was--wij weten en hij weet o.a., dat jonge fatsoenlijke

meisjes niet graag bij hem biechten gingen!--als hij denkt aan zijn

eigen liefde voor Liesje, dan is het met dat zich-diets-maken uit. Hij

ziet plots de smetteloos reine verschijning _zijner_ liefde, en

daarnaast, daar ver onder: de waarschijnlijk zinnelijke, oppervlakkige

van Pastoor Koens. En wilde hij ze al gelijk stellen, het woord besterft

hem op de lippen. Hij voelt dat dat heiligschennis wezen zou en hij mòet

't zeggen, dat [p.248] heerlijke, ook ter wille van Liesje: dat zijn

liefde grooter was. Maar in 'n laatste poging zich-zelf neer te buigen

en z'n vriend omhoog te tillen, verkleint hij den afstand tusschen beide

liefden: "_bijna net zooveel_." O, het is om te schreien en te juichen

tegelijk....

Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelijkheden, toen 't

paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen

van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden

door een der hoofdpersonen zelf.

Immers Liesje was op _Jansen_ verliefd en deze denkt dat ze 't op

_Kruger_ was.

Hij voelde wel dat Jansen eigenlijk meer verteld had dan-i zich

veroorloofde te weten. Of _wist_ hij meer?

Er zit hier een moeilijkheid. We moeten daar even bij stilstaan. Indien

men zegt dat iemand meer vertelt dan hij zich veroorlooft te weten, dan

beteekent dit ongetwijfeld, dat het juist heel zeker is dat die

verteller het weet, maar dat hij eigenlijk zich-zelf of anderen niet

bekennen wil dàt hij 't zéker weet. Daarna dan bij wijze van

tegenstelling te vragen: "of wist hij meer?" heeft geen zin. Wij moeten

dus aannemen, dat Multatuli tegen het gewone spraakgebruik in met dat

"meer dan-i zich veroorloofde te weten," bedoelde: meer dan-i werkelijk

_wist_. (Dus ironisch. In den zin van: meer dan-i zich de weelde

veroorloofde te weten.) En dáárop volgt dan logisch: "Of wist hij meer?"

Het antwoord wordt in het volgend stukje tekst te _gissen_ gegeven.

Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man

gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf

dreunde en 't spreken moeilijk maakte, was daarvan zeker de

oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen

over den vreeselijken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had.

"Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben

moe ook."

Jelui zult al wel begrepen hebben, dat hij geschreid en dáárom ook niet

gesproken heeft.--En nu het antwoord op de vraag, _of hij meer wist_?

Dit antwoord moet m.i. aldus [p.249] luiden: In zijn jeugd, _terwijl de

geschiedenis met Liesje voorviel_, dacht hij, dat Liesje niet hem, maar

Kruger liefhad. Zoowel zijn naïveteit als zijn zelf-geringschatting

verklaren dit voldoende. Trouwens, ware het anders, dan zou deze

smetteloos-reine toch onmiddellijk den omgang met Liesje afgebroken

hebben om haar liefde niet aantewakkeren. Vandaar dan ook, dat hij zegt,

dat hij _misschien_ Kruger wel eens zou meegenomen hebben. D.w.z. hij

zou misschien toegegeven hebben aan den aandrang van den vriend, om hem

mee te nemen, maar met zijn volle instemming zou hij dat niet gedaan

hebben. Immers hij was natuurlijk van meening, dat Kruger haar liefde

niet mocht aanwakkeren. En dit is dan ook de reden hier, waarom hij,

zooals we merkten, innerlijk Kruger _geen_ "beste jongen" vindt. Daarna,

bij 't klimmen der jaren echter, zijn hem, in zijn stil peinsleven, de

oogen opengegaan. Hij heeft toen begrepen, dat Liesje _hem_ heeft

liefgehad. Maar dan, om zijn gemoedsrust te bewaren en de nijpende smart

om het verloren geluk tot zwijgen te brengen, is hij zich gaan _diets

maken_, wat hij _eerst_ in wáárheid geloofde, nml. dat zij Kruger

liefhad. Als men weet hoe gemakkelijk menschen langzamerhand in de

waarheid van eigen vaak herhaalde onwaarheden gaan gelooven, dan

begrijpt men zeker, hoe betrekkelijk licht dit ook dezen _priester van

een suggestief wondergeloof_, in zijn _lang leven_ moet gelukt zijn. Op

't oogenblik dus, dat hij Wouter vertelt, dat Liesje Kruger liefhad,

vertelt hij geen _bewuste_ onwaarheid. Maar dan weer, door de

aandoenlijkheid van zijn verhaal--bij dat _bijna net zooveel_--uit zijn

zelf-gesuggereerde denk-sleur geheven, staat plotseling één vreeselijk

oogenblik, de lang weggeduwde, de diep verborgen waarheid, groot en

ontzettend voor zijn oogen, en in de duisternis van de poort snikt hij

zijn wee uit, om 't verloren heil ... de nutteloos uitgebloeide

liefde....

Hiermede zij de behandeling van _Woutertje Pieterse_ beëindigd.

En nu een bekentenis: vóór het schrijven heb ik altijd een zekeren

angst, dat ik mijn onderwerp niet voldoende recht [p.249] zal doen

wedervaren, of, op deze plaats, te moeilijk zal zijn, daarnà--zelden het

gevoel geslaagd te zijn....

Wat zal jelui na het lezen hebben? Mag ik mij vleien, dat het de

begeerte zal wezen, zelf het kunstwerk in z'n geheel te genieten?

* * * * *

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 49 / 78 题