De maatschappij waarin wij leven, die anarchistische dooreenstrengeling
van ongebreidelde, niet-geleide of slecht geleide krachten--een kluwen
zóó verward en zóó langzaam zich ontwarrend, dat we wel zeker weten, dat
niet meer bij òns leven de Tijd een schoon weefsel ervan spinnen
zal--die maatschappij van de mededinging, van de afgunst, van den haat
maakt ons allen, in haar levenden, tot slechter menschen, dan we
tengevolge van onzen natuurlijken aanleg, te midden eener betere
samenleving, zouden zijn geweest. Want zij is 't, die de edelste
neigingen ver doet terugkrimpen in 't meest verborgene van 't hart, om
daar een kwijnend bestaan te leiden, ja, dikwijls, te sterven, wijl er
voor hen in 't wijd-open, gemeenschappelijk menschen-leven geen
voedingsbodem, geen ontwikkelingsruimte is. En zij is 't alweer, die de
onedele driften oproept, hen laat treden en werken in der edele plaats,
hun dier naam, gewaad en aanzien geeft--zoodat de waanzinnige
angst-wreedheid van, het doodelijk gevaar tegemoet gejaagde, soldaten,
na zich de trekken te hebben kalm-gehuicheld en zich de handen te hebben
gewasschen van 't bij 't "neerleggen" vergoten bloed, den naam en de eer
van den heldenmoed uit de handen van vrome regeerders ontvangt; zoodat
de sluwheid, noodig, om in de hijgende jacht naar winst, anderen te doen
vallen en hen dan voorbij te rennen, als wijsheid en schoone
behendigheid wordt [p.237] geprezen; het huwen-om-geld liefde wordt
genoemd en als zoodanig zalvend door geestelijken wordt be-zegend; de
zucht tot uitbuiting van vreemde landen en volken zich kan vermommen als
brengster van wetenschap en klaarder godsbegrip....
En geen andere dan zij is 't dus, die ons gemoed, onze ziel aan een
veronachtzaamd huis gelijk maakt, waaruit de meesters zijn vertrokken en
waarin het brooddronken knechtenpak het bezit dier meesters in
liederlijke moedwilligheid vervuilt en verbrast, zich op hun plaatsen
zet en hun manieren grijnzend nabootst. Zoo komt het, dat wij aan het
bestaan van een volkòmen eerlijk, volkomen deugdzaam mensch nauwelijks
meer gelooven. Ja, wij _wenden voor_ aan zulk een nog zekerlijk te
gelooven, doen zelfs soms, om onze eigen onschuldige braafheid maar te
toonen, alsof we zoo iemand iets heel gewoons en "normaals" vinden, doch
óók die veinzerij is--een van dat knechtenpak: zij is de lage naäapster
van den sinds lang vertrokken meester: het geloof in elkaars goedheid,
dat menschen hebben, die niet door de maatschappij tot elkanders
roofzuchtige vijanden zijn gemaakt. En zoo gebeurt het, dat, ontmoeten
wij een uitmuntend mensch in 't léven, we ons onmiddellijk afvragen:
"Zou die man nou wel ècht zoo zijn; heeft-ie met al die goedheid niet de
achterbaksche bedoeling zijn eigenbelang te dienen?" En allicht is onze
conclusie: "nee die is mij te braaf, die is mij te fijn!" En ontmoeten
we zulk een figuur, de beelding van zoo'n edel mensch, in een boèk, o
dàn is 't heelemaal mis, dan áárzelen we zelfs niet, dan veroordeelen
we, bijna immer, dadelijk. "Wat zoetig," meenen we, "wat overdreven
braaf, hoe opgesierd, 'n echte boek-held." Ja, dit spreekt van zelf: wij
zijn te zeer aan het onedele gewend, we zijn te zeer gewoon het onedele
't masker van 't edele te zien dragen, dan dat wij nu zouden kunnen
gelooven dat edele in waarheid voor ons te zien. Toch, waar er echte,
waar er gróóte kunst is, daar worden we gedwòngen te gelooven, want deze
maakt haar beelding als ware 't doorzichtig, wij zien niet langer met
ònze oogen, wij zien niet langer alleen het uitwendige van een [p.238]
figuur noch behoeven ons dus met onze gissingen en twijfelingen te
behelpen, máár wij zien met de oogen van dien grooten kunstenaar, wij
zien het uiterlijk-en-innerlijk als één klare, geheimloos openliggende
_waarheid_, en gissing noch twijfel kùnnen meer in ons opkomen. Zulk een
kunstenaar nu was onze Multatuli, toen hij de _Pastoor-Jansen_-figuur
schiep, en aan zulke groote en echte kunst had hij toen het
overgelukkige voorrecht, het aanzijn te geven. Het kost mij moeite,
mijne bewondering voor deze voortreffelijke schepping, en mijn diepe
liefde voor haar schepper, niet zoo te uiten als ik ze gevoel. Maar dit
moet nu eenmaal achterwege blijven, want hoofddoel blijft toch, die
bewondering en liefde op _u_ te doen overgaan, en dat lijkt mij
vooralsnog alleen te bereiken door kalme beschouwing en ontleding.
Welnu dan: _waardoor_ is de auteur erin geslaagd, de in hèm levende en
klaar-opene visie van dien nobelen mensch ook òns zoo overtuigend-waar
voor oogen te stellen, voor ons zoo "doorzichtig" te maken? Heeft de
schrijver dit bereikt door, in groote mate en zeer nauwkeurig, sommige
middelen der realistische persoonsbeelding aan te wenden, d.w.z. heeft
hij deze figuur zekere telkens terugkeerende gebaren, kleine
eigenaardigheden en haar alleen eigen spreekwijzen--die alle dan
natuurlijk in logisch verband staande met haar innerlijk--verleend,
zoodat wij daardoor _verleid_ worden, óók den haar eigen buitengewonen
adeldom van ziel als waar aan te nemen, ofschoon wij _dien_ eigenlijk
_onwaarschijnlijk_ achten? Neen, dit is niet zoo, de trekjes van deze
soort zijn nauwelijks aanwezig, bovendien, wij erkennen _juist dien
adeldom_ als echt. Of zou 't dan wellicht komen, doordat wij de
kinderlijkheid van _Pastoor Jansen_, die _kinderlijkheid_ in een
_volwassen_ mensch, als een _gebrek_ beschouwen en dit _gebrek_ dezen
mensch genoegzaam _on_volmaakt in onze oogen maakt, om ons
zijn--volmaaktheid aannemelijk te maken? Neen, ook dit kan de oorzaak
niet zijn, want een _gebrek_, en dan nog wel een geestelijk gebrek, kan
nimmer zulk een _hart-veroverenden, behoorlijken_ indruk wekken als deze
[p.239] kinderlijkheid van _Pastoor Jansen_ doet.[13] Máár de oorzaak
is, dat de kinderlijkheid van dien mensch hem als met een glans van
aandoenlijke en nederige heiligheid omgeeft, die ons stil maakt, zoodra
we in zijn nabijheid komen, ons zacht doet treden, wijl we voelen op,
door hem, geheiligden grond te staan en ons in die klare stemming van
begrijpen-door-liefde brengt, die alles doorzichtig en hel-doorlicht
maakt. _Die kinderlijkheid is 't, die al zijn woorden, al zijn daden,
die dragers van zijn noblesse, als een phosphoresceerende, hen
belichtende vloeistof drenkt_. Maar niet alleen aldus zien wij haar,
doch--wel verre van haar als een gebrek te beschouwen!--zien we 'r
integendeel ook als een heerlijke gave, dezen mensch verleend, om zijn
blanke reinheid onbezoedeld door het leven te brengen, en zoo--terwijl
zij ons de op zich-zelf schoone schrijn blijkt, die het juweel zijner
goedheid behoedt--denken wij, aldoor dieper overtuigd wordend: hoe
waardevol moet deze laatste zijn, dat de Natuur het noodig vond haar zoo
sterk-beveiligend te omhullen! En ofschoon wellicht buiten het kader
dezer beschouwingen vallend, wil ik niet nalaten, hier nog aan toe te
voegen, dat uit die gedachte onmiddellijk bij mij deze voortkwam: hoe
blijkt ook hier weer de wijsheid, dat alles vereenende, dat alles aan
elkaar dienstbaar makende, dat met één middel véél bereikende der
Natuur, want door die kinderlijkheid de prachtige ziel van dezen mensch
_sluitend_ voor het _kwade, opent_ zij haar tevens voor het _goede_.
(Immers, door die kinderlijkheid hebben wij haar volledig begrepen,
daardoor zijn wij van haar waar- en echt-zijn overtuigd geworden,
dáárdoor zijn we dus in staat gesteld, van haar te genieten en te
[p.240] leeren. En dit is het goede. En zoo heeft dus de Natuur twéé
groote doelen met één middel bereikt....)[14]
En nu ga ik een stuk tekst afdrukken, dat, met mijn tusschengevoegde
ontledingen, u veel van het zooeven gezegde ongetwijfeld duidelijker
maken zal.
_Pastoor Jansen_ en _Wouter_ zijn op weg naar Haarlem. _Pastoor Jansen_
is aan 't woord:
"Maar ik zou je wat van die _kyrie_ (een katholiek gebed. v.C.)
zeggen. Als Koens hem zingt.... O! (_Koens_ is pastoor van dezelfde
kerk als _Jansen_ en woont naast deze. v.C.) In z'n kamer, meen ik,
want in de kerk doet-i 't niet graag. Stijn (_Jansen's_
huishoudster, v.C.) heeft ervan gehuild, want het is heel gehoorig
bij ons, we kunnen elkaar best hooren zuchten ... maar ik zucht
nooit. Waarom zou ik zuchten?
Hierin ligt al, zoowel het maar naïef-weg babbelen, als de blijmoedigheid
van 'n kind.
Nu, Stijn huilde, en ik kreeg kippevel. En weet je wat ik erbij
dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik 'n prul bij pastoor Koens!"
"Hé, m'nheer!"
"'t Is de waarheid! Maar ik van mijn kant ben weer veel sterker van
bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor
ondankbaarheid. Als m'n vader me op z'n smederij gedaan had, zou ik
net zoo sterk geworden zijn als m'n broer, maar de theologie maakt
'n mensch 'n beetje lebberig, vind je niet?
Prachtig! Iemand als Jansen houdt er geen bijzondere deftige of
edel-klinkende termen op na, als hij over God of godsdienst spreekt:
zijn reinheid maakt hem, onbewust, als 't ware met God gemeenzaam en
vertrouwd.
En toch ... verbeeldje, ik heb thuis 'n _Vulgata_ (de door de
katholieke kerk aangenomen latijnsche bijbelvertaling, v.C.) Daar
staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in 't vierkant, en
in leer gebonden ... 'n heele vracht! En er zijn sloten aan, ook.
Stijn schuurt ze alle weken blank. (Merk nu die onschuldige [p.241]
en naïef geuite trots van het groote, lieve kind, omdat ie zoo
sterk is! v.C.) Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m'n
pink, en Stijn zegt _Paters_ (het _Pater Noster_ = 't _Onze Vader._
v. C.) op, en ik houd m'n _Vulgata_--altijd met die ééne pink, moet
je denken--tot quotidianum (= dagelijksch, voorkomend in den zin:
"geef ons heden ons dagelijksch brood." v.C.) van de derde. En
Stijn is niet eens heel vlug met 'r _Paters_. Als ik ze zelf zei,
bracht ik 't zeker tot _remitte_ (voorkomend in den zin: "en
vergeef ons onze schulden," v.C.) van de vierde, of misschien wel
tot _amen_. Maar ik moet je 'r bijzeggen, dat wij katholieken geen
kracht, macht en heerlijkheid hebben. (Het Katholieke _Onze Vader_
eindigt met: "Maar verlos ons van den booze." Het protestantsche
heeft nog dezen zin erbij: "Want U is het koninkrijk, en de kracht,
en de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen." _Jansen_ zou dus een
sterker krachttoer doen als-ie de _Vulgata_ aan z'n pink liet
hangen gedurende 4 protestantsche Pater Nosters dan nu hij 't doet
gedurende 4, kortere, katholieke! v.C.) Dat scheelt altijd 'n
beetje. En ... er is niets apocriefs in de _Vulgata_ (De z.g.
apocriefe boeken: toevoegingen van later datum aan het Oude, zoowel
als het Nieuwe Testament, die niet hetzelfde gezag als deze hebben
en er niet mee op een lijn worden gesteld. De Vulgata is dus minder
_zwaar_ dan een protestantsch bijbel-boek waarin die apocriefen wel
zijn af gedrukt. De goeie man vertelt dat allemaal, om zich niet
"grooter voor te doen dan hij is"! v.C.) Met een protestantschen
bijbel zou ik 't wel laten, dat vat je wel." Neen, Wouter vatte het
niet! of althans hij begreep niet _alles_. Maar de conclusie nam-i
goedig aan. Hij hield zich overtuigd dat pater Jansen bijzonder
sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood
gegaan zijn.
"Ja, 't is 'n heel ding niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer
niet. Zoo zieje dat God altijd ieder 't zijne geeft. _Maar ik heb
Stijn verboden 't hem te zeggen. Hij mocht eens verdrietig worden
omdat-i 't me niet na kan doen_, en dit hoeft niet, want _zulke
dingen komen toch in ons vak maar zelden te pas_.
Uit het _eerste_, door mij gecursiveerde, deel van dezen zin blijkt u
_Jansen's_ goedheid, maar het wekt tevens de hinderlijke gedachte bij u
op: hij zelf vertelt het, hij pronkt ermee, en daardoor gaat ge
twijfelen aan het echt-zijn dier goedheid I Maar het _tweede_ is van
zulk een bekoorlijke naïefheid--vooral dat "vak"!--dat ge inziet, dat
hij 't niet vertelt om ermee te pralen, maar uit louter onbewuste,
kinderlijke openhartigheid! _Gij hebt hier dus voor u een sterk bewijs
voor de [p.242] waarheid van wat ik hierboven zei: die kinderlijkheid
drenkt en belicht zijn zedelijke schoonheid, en door de eerste erkent ge
de laatste als echt_.
Maar eens toch heb ik er echt schik van gehad ... niet van die
_Vulgata_, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hij
doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! Verbeeldje,
ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n'n boer in de buurt, 'n
rijke boer. Hij heette Koremans, maar hij was heel rijk, en hij had
veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal
boerenmenschen, dat begrijp je wel. Een van de meiden heette
Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was, maar och, ik
heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. (Jelui zult later wel
merken waarom, v.C.) Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n'n
ander stukje, iets van hèm, van pastoor Koens. Dàt moet je hooren!"
't Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen
eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n
boeremeisje. Hij was in de jaren que tout ce qui porte jupon
intéresse; (= dat alles wat 'n japon draagt, belang inboezemt,
v.C.) en in z'n verbeelding vertaalde hij elk onbekend
vrouwspersoon in "Femke" of ... iets als Femke, (het meisje, waarop
hij "verliefd" is. v.C.) Maar hij begreep toch dat-i den goeden
Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hij
luisterde zoo aandachtig mogelijk.... (Wij doen dit _niet_, om
--ruimte te winnen, en luisteren pas weer, als Wouter aandringt de
geschiedenis van Trineke te hooren. v.C.)
"Maar, m'nheer, wat was er met die Trineke?"
"Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten
noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood."
"Wat had-i gedaan met die Trineke?"
Uit dat _gedaan_, blijkt dat het romantische Woutertje op zijn minst aan
'n half dozijn onteeringen of iets dergelijks denkt!
"Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit
over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jij 't
vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist
niet minder dan andere boeren, en daarom zou 't me leelijk staan
z'n naam te bekladden, maar waar is waar! Hij was héél rijk, en
goed voor de kerk, o best! In onze kapel--want we hadden 'n kapel
in 't Simmenarie--hing 'n geelkoperen _Sebastiaan_ ('n heiligbeeld.
v.C.) met z'n lijf vol pijlen, wel duizend pond zwaar ... nu, die
was van hèm. En opschepperig [p.243] was-i als we hem bezochten,
goedgeefs ... je hebt er geen begrip van! Aan brood of kaas of
karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n twintigen ... net
'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozijnen op brandewijn, en
daar dronken wij simmenaristen van dat het 'n aard had. Maar dat
kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of
zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen--'t was al de
derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze hebben--en
wij kwamen gelukwenschen en werden best onthaald, maar de bruid
keek sip, (je zult later wel zien, waarom! v.C.) en we dronken
brandewijn op rozijnen, en er was 'n pret van belang ... op de
bruid na! Maar op eens ... och, jongeheer, ik had 't je eigenlijk
niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je er nooit
over spreken zult?"
"Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!"
"Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg."
Dat "op m'n woord van eer" van Woutertje, die zich voortdurend een
ridder of zoo iets droomt, is kostelijk. Maar nog kostelijker is Jansens
verbaasde "Wat?" daarop, en allerbest dat hij in z'n eenvoud heelemaal
niet begrijpt, dat Woutertje daar iets heel plechtigs mee bedoelt,
integendeel, hij schijnt het iets minder dan een gewone, eenvoudige
verzekering te achten, maar enfin, denkt hij, hoe gek ook, hij hééft 't
beloofd, dat is genoeg!
Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult
hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens
terdeeg uitgegroeid. Je begrijpt, 'n jongen in _theologie-tweede_
is anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou
gedanst worden ook. Dit mocht eigenlijk niet, en als 't in 'n ander
huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maar
_Rector_ zag wat door de vingers als 't bij Koremans gebeurde, om
dien _Sebastiaan_, weet-je, en ook omdat-i weleens in z'n wagen
naar stad reed en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen ... in dien
tijd. Nu zou 't niet meer staan! En ik zou dansen met de bruid, die
ik graag lijden mocht ... vroeger.
Hier _schijnt_ onze groote kunstenaar "er even uit." Immers dat
"vroeger" beteekent: nu ik priester ben, zou mij dat _niet_ geoorloofd
zijn "haar graag te mogen lijden." Welnu als dit een soort liefde was,
die hem als priester niet geoorloofd is, dan was het hem, den hoogreine,
ook niet geoorloofd, terwijl hij zich van _die_ liefde _bewust_ was, met
Lies te dansen. [p.244] Neen, hij was toen nog geen priester, máár: hij
zou 't worden èn _zij was immers met een ander verloofd_. Jansen, mag,
wil zijn figuur volmaakt gaaf blijven, niet geweten hebben dat zijn
liefde een "zondige" was, en Multatuli laat het hem klaarblijkelijk wèl
weten. Maar begrijpen we 't goed: _nu_ weet ie-'t, _toen_ wist hij 't
_niet_. Men zie mijne ontleding van de geheele figuur aan 't eind van
dit hoofdstuk.
En ze hield van mij ook wel, dat weet ik zeker.
Dit is schitterend. Jansen blijkt hier duidelijk de naïef-reine, tot
wien het heelemaal niet is doorgedrongen zelfs op dit oogenblik, dat
Liesje niet alleen "van hem hield" maar dat zij hem liefhad als een
vrouw een man.
Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik, dat Trineke er niet was
en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altijd bij,
net als de andere knechts en meiden, maar nu was zij er niet. En
dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans zelf.
Lies was de bruid, weet-je, die met me dansen zou, en wel 't
allereerst, omdat ik 'n weddingschap van haar vrijer had gewonnen
... ook al over sterkte. "Trien is ziek," zei Koremans, "en ga nu
je gang maar met Lies." "Is Trineke ziek," vroeg ik, "en waar is ze
dan?" Want dàt wou ik weten. "En," zei ik, "ik ga nu me gang met
Lies niet, voor ik weet waar Trineke is."
...................................................................
"Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed
doet...."
"Ik zal er heusch niet over spreken," beloofde Wouter, die meende
dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg en bang was dat
Jansen 't verhaal afbreken zou.
"O, _dit_ mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't
weet. Ik wou je dan zeggen--maar 't spijt me toch--dat de boeren
... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...."
"Hé?"
Wouter krijgt 'n slag op z'n hart, nu hij hoort, dat Trineke _oud_ was.
Hij had van een of andere romantische geschiedenis van een jong,
natuurlijk "beeldschoon" boerinnetje gedroomd. Prachtig is dat weer, hoe
Multatuli _Woutertje_ doorvoeld heeft!
... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had [p.245]
al meer gemerkt, dat men haar achteraf-zette en wegdeed als er wat
vroolijks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was,
en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want
toen ik den vorigen keer bij Koremans was, had ik al gemerkt dat ze
erg hoestte, en nog kaduker was dan gewoonlijk. Ze was 'n beetje
mank ook, maar ze had altijd braaf gewerkt.... O, bij Koremans z'n
ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was. "Ze is op 'r bed," zei
Lies, "en ik begrijp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe
mensch. Kom dans maar!" En ze wenkte den speelman dat-i beginnen
zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof
God me ingaf--dit gebeurt soms--dat ze slecht behandeld werd. En
Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje
denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou dat ik
Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want ...ze lag in den
stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet--dat
begrijp je wel--maar 't was of God 't me ingaf. En ik stond vóór
den stal, en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet
antwoorden, en Lies riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe
mensch?" Maar ik zei: "met jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen
vroeg ik aan Koremans of-i de deuren van den stal wou openen?
"Neen," zeid-i, "en ze is er niet!" En ik zei dat ze er wel was, en
vroeg 't hem nòg eens, want men moet 'n mensch altijd tijd laten om
zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hij zei weer neen, en Lies
wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m'n schouder
tegen de staldeur dat ze kraakte, en ... ik was erin, hoor! Vindt
je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.
"En Trineke, m'nheer?"
"Welzeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't
Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer
geleefd, maar ... ze is toch behoorlijk gestorven op 'n kristelijk
bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik
je!"
...................................................................
"En Liesje, m'nheer?"
"Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen
Trineke op 'n bed lag, vroeg ze-n of ik nu met haar dansen wou?
Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineke een glas brandewijn met
rozijnen en krentenkoek, dat heel versterkend is bij de boeren, en
toen vroeg ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar
zonder veel pleizier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en
Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelijk uitstellen, maar
Koremans was er kwaad om, en haar vrijer ook. Ik geloof dat-i me
niet lijden mocht ... zeker om die weddenschap."
[p.246] Let op de gedachtenverbinding bij _Jansen_. Hij vertelt dat
Liesje's vrijer boos was, omdat zij het huwelijk wilde uitstellen, en
dadelijk daarop zegt hij: "Ik geloof" enz. Daarmee verklapt hij
onwillekeurig, zich ervan bewust te zijn, dat de vrijer Liesje's plan
haar huwelijk uit te stellen, weet aan iets, dat in verband stond met
Jansen's persoon, maar dat _niet_ de Trineke-geschiedenis was! Hij
bemerkt echter onmiddellijk, dat hij zich verklapt heeft en om Wouter op
een dwaalspoor te brengen, voegt hij er gauw bij: "zeker om die
weddenschap."
Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten
minder vroolijk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze maar
zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier."
Een toespeling op Jansen's verhaal van hoe hij met Liesje danste na de
Trineke-geschiedenis. Deze toespeling heeft dus de waarde van een
voortreffelijke vergelijking, een mooi "beeld," en geeft hetzelfde
genot!
Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man
aantezetten tot wat gehuppel. Ja zelfs hij verwachtte een flinken
sprong, 'n _saut périlleux_ (= 'n gevaarlijke sprong, v.C.). De
onkunde der jeugd is wreed--_cet âge est sans pitié_, (= deze
leeftijd kent geen medelijden, v.C.) zei de fabeldichter--en Wouter
wist niet wat-i deed, toen hij vroeg: "En is Liesje met haar vrijer
getrouwd, m'nheer?"
Immers deze vraag moet _Jansen_, die Liesje op 'n heel andere manier
heeft liefgehad, dan hij zelf _indertijd_ wist, schrijnende pijn doen.
...................................................................
"En, m'nheer, bezocht u Liesje niet? (Nadat ze getrouwd was en
"bleek en verdrietig en ziek was geworden." Ze leefde ook niet lang
meer. v.C.) Neen, want haar man was niet heel vriendelijk als ik
naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou
brengen, dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje ... kijk de
zaak was zóó. (Jansen ziet in, dat hij tegenover Wouter zich niet
langer van het voorwendsel van die weddenschap kan bedienen! v.C.)
In 't dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander had, als ze 't maar
had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander
van de kerk was. Ja, ja, ik weet wel wie 't was, ook!"
"Hé?" vroeg Wouter die 't ook meende te weten.
[p.247] Wouter denkt, zeer terecht, dat 't Pater Jansen zelf was.
Vandaar z'n verbaasd "Hé?" nu hij gaat inzien dat de Pater meent, dat 't
een ander was.
"Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op
de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk
kwamen, stond zij aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra
we naderbij kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand, die niet
weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zijn de meisjes, en dit wist
ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als
op 'n Simmenarie."
Dit is heerlijk.' Humor van de allerbeste soort. Op 't zelfde oogenblik,
dat hij blijk geeft zoo onschuldig te zijn als 'n pasgeboren kind, zegt
hij, zooveel menschenkennis op 't Simmenarie te hebben opgedaan!
Nu, dat ze-n-altijd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten,
besten jongen!
O, hoe prachtig is dit: met dit "'n besten, besten jongen!" verdedigt
Jansen zijn vriend tegen eigen innerlijk misprijzen, 't Beteekent zoo
iets als: Neen, ik _wil_ geen kwaad van hem denken.
En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger
geweest zijn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat
zou ik ook misschien wel eens gedaan hebben, want Kruger was m'n
beste vrind, en hij hield _bijna net zooveel_ van Liesje als ik. O,
heel veel!
In dat "bijna net zooveel" ligt een wereld! Pater Jansen moge zich-zelf
onder bedwang hebben, hij moge z'n afkeurende gedachten over 'n vriend
het zwijgen opleggen, hij make zich-zelf diets, dat pastoor Koens zoo'n
beste jongen was--wij weten en hij weet o.a., dat jonge fatsoenlijke
meisjes niet graag bij hem biechten gingen!--als hij denkt aan zijn
eigen liefde voor Liesje, dan is het met dat zich-diets-maken uit. Hij
ziet plots de smetteloos reine verschijning _zijner_ liefde, en
daarnaast, daar ver onder: de waarschijnlijk zinnelijke, oppervlakkige
van Pastoor Koens. En wilde hij ze al gelijk stellen, het woord besterft
hem op de lippen. Hij voelt dat dat heiligschennis wezen zou en hij mòet
't zeggen, dat [p.248] heerlijke, ook ter wille van Liesje: dat zijn
liefde grooter was. Maar in 'n laatste poging zich-zelf neer te buigen
en z'n vriend omhoog te tillen, verkleint hij den afstand tusschen beide
liefden: "_bijna net zooveel_." O, het is om te schreien en te juichen
tegelijk....
Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelijkheden, toen 't
paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen
van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden
door een der hoofdpersonen zelf.
Immers Liesje was op _Jansen_ verliefd en deze denkt dat ze 't op
_Kruger_ was.
Hij voelde wel dat Jansen eigenlijk meer verteld had dan-i zich
veroorloofde te weten. Of _wist_ hij meer?
Er zit hier een moeilijkheid. We moeten daar even bij stilstaan. Indien
men zegt dat iemand meer vertelt dan hij zich veroorlooft te weten, dan
beteekent dit ongetwijfeld, dat het juist heel zeker is dat die
verteller het weet, maar dat hij eigenlijk zich-zelf of anderen niet
bekennen wil dàt hij 't zéker weet. Daarna dan bij wijze van
tegenstelling te vragen: "of wist hij meer?" heeft geen zin. Wij moeten
dus aannemen, dat Multatuli tegen het gewone spraakgebruik in met dat
"meer dan-i zich veroorloofde te weten," bedoelde: meer dan-i werkelijk
_wist_. (Dus ironisch. In den zin van: meer dan-i zich de weelde
veroorloofde te weten.) En dáárop volgt dan logisch: "Of wist hij meer?"
Het antwoord wordt in het volgend stukje tekst te _gissen_ gegeven.
Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man
gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf
dreunde en 't spreken moeilijk maakte, was daarvan zeker de
oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen
over den vreeselijken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had.
"Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben
moe ook."
Jelui zult al wel begrepen hebben, dat hij geschreid en dáárom ook niet
gesproken heeft.--En nu het antwoord op de vraag, _of hij meer wist_?
Dit antwoord moet m.i. aldus [p.249] luiden: In zijn jeugd, _terwijl de
geschiedenis met Liesje voorviel_, dacht hij, dat Liesje niet hem, maar
Kruger liefhad. Zoowel zijn naïveteit als zijn zelf-geringschatting
verklaren dit voldoende. Trouwens, ware het anders, dan zou deze
smetteloos-reine toch onmiddellijk den omgang met Liesje afgebroken
hebben om haar liefde niet aantewakkeren. Vandaar dan ook, dat hij zegt,
dat hij _misschien_ Kruger wel eens zou meegenomen hebben. D.w.z. hij
zou misschien toegegeven hebben aan den aandrang van den vriend, om hem
mee te nemen, maar met zijn volle instemming zou hij dat niet gedaan
hebben. Immers hij was natuurlijk van meening, dat Kruger haar liefde
niet mocht aanwakkeren. En dit is dan ook de reden hier, waarom hij,
zooals we merkten, innerlijk Kruger _geen_ "beste jongen" vindt. Daarna,
bij 't klimmen der jaren echter, zijn hem, in zijn stil peinsleven, de
oogen opengegaan. Hij heeft toen begrepen, dat Liesje _hem_ heeft
liefgehad. Maar dan, om zijn gemoedsrust te bewaren en de nijpende smart
om het verloren geluk tot zwijgen te brengen, is hij zich gaan _diets
maken_, wat hij _eerst_ in wáárheid geloofde, nml. dat zij Kruger
liefhad. Als men weet hoe gemakkelijk menschen langzamerhand in de
waarheid van eigen vaak herhaalde onwaarheden gaan gelooven, dan
begrijpt men zeker, hoe betrekkelijk licht dit ook dezen _priester van
een suggestief wondergeloof_, in zijn _lang leven_ moet gelukt zijn. Op
't oogenblik dus, dat hij Wouter vertelt, dat Liesje Kruger liefhad,
vertelt hij geen _bewuste_ onwaarheid. Maar dan weer, door de
aandoenlijkheid van zijn verhaal--bij dat _bijna net zooveel_--uit zijn
zelf-gesuggereerde denk-sleur geheven, staat plotseling één vreeselijk
oogenblik, de lang weggeduwde, de diep verborgen waarheid, groot en
ontzettend voor zijn oogen, en in de duisternis van de poort snikt hij
zijn wee uit, om 't verloren heil ... de nutteloos uitgebloeide
liefde....
Hiermede zij de behandeling van _Woutertje Pieterse_ beëindigd.
En nu een bekentenis: vóór het schrijven heb ik altijd een zekeren
angst, dat ik mijn onderwerp niet voldoende recht [p.249] zal doen
wedervaren, of, op deze plaats, te moeilijk zal zijn, daarnà--zelden het
gevoel geslaagd te zijn....
Wat zal jelui na het lezen hebben? Mag ik mij vleien, dat het de
begeerte zal wezen, zelf het kunstwerk in z'n geheel te genieten?
* * * * *