VERTALINGEN BIJ "BRIEVEN OVER LITERATUUR'[p.93]

Blz. 7 _Sogar_:

Zelfs echter onder het kleine aantal schrijvers, die werkelijk, ernstig

en vooraf denken, bevinden zich slechts uiterst weinige, die over de

_dingen-zelf_ denken: de overige denken uitsluitend over _boeken_: over

datgene wat reeds door anderen is gezegd. Zij hebben namelijk, om te

kunnen denken, de meer nabijë en sterkere opwekking van anderer

gedachten noodig.... De eerstgenoemden daarentegen worden door de

_dingen-zelf_ tot denken geprikkeld.... En onder dezen zijn alleen zij

te vinden, die beklijven en onsterfelijk worden.

Blz. 17 _Vague Thoughts on art_: vage gedachten over kunst.

Blz. 17 _Art is_:

Kunst is de verbeeldingsvolle uitdrukking van menschelijke energie,

welke ernaar streeft, door technische vertastbaring van gevoel en

waarneming, het individu, doordat zij een onpersoonlijke ontroering in

hem verwekt, in harmonie met het universeele te brengen.

Blz. 17 _Impersonal emotion_: onpersoonlijke ontroering.

Blz. 17 _If I stand_:

Indien ik, een voorwerp beschouwend, word ontroerd door den aanblik

zijner kleur en van zijn vorm, zij 't in nog zoo geringe mate en voor

nog zoo korten duur en daarbij vrij blijf van eenige bepaalde,

feitelijke gedachte--in die mate en gedurende dien tijd heeft het mij

aan mij-zelf ontrukt en zich-zelf daarvoor in de plaats gesteld; heeft

het mij aan het universeele verbonden, door mij het individueele in mij

te doen vergeten....

Blz. 19 _For religion_:

Voor godsdienst zijn alle menschen gelijk, op dezelfde wijze als alle

munten gelijk zijn: hun aller waarde bestaat uitsluitend daarin, dat zij

het beeld des Konings dragen.

Blz. 19 _He longed to go to school_:

Hij verlangde hevig naar school te gaan (een zonderlinge wensch), de

universiteit te bezoeken, zich een naam te maken, [p.94] en hij

verlangde niet slechts deze dingen, maar van het meerendeel hunner

verwachtte hij stellig, dat zij ook zouden gebeuren. Hij beschouwde

zich-zelf als een kind van goeden stand, aan het begin van een

voorspoedig leven. Hij beschouwde zijn tehuis en familie als een heel

goede springplank, van waar hij zich omhoog kon zwaaien naar de

posities, die hij wenschte te bereiken. En bijna juist toen hij op 't

punt stond te springen, _brak de heele stellage onder hem in elkaar en

hij en al de zijnen verdwenen in een duistere diepte_.

Blz. 20 _Dickens went_:

Dickens ging in de Pickwick-club om te spotten, maar bleef er ten slotte

om te bidden.

Blz. 20 _The modern Shocker_:

De moderne sensatieroman is, op zijn allerbest, _een tusschenspel in 't

leven_, maar in die dagen, dat Dickens' werk in afleveringen verscheen,

spraken de menschen erover _alsof het werkelijke leven een tusschenspel

tusschen een aflevering van "Pickwick" en de volgende was_.

Blz. 20 ... _his Christmas sentiment_:

... zijn kerstmis-sentiment. Het heeft die zich verkneuterende, warm

beveiligde knusheid, dat zich op z'n gemak voelen, _die afhankelijk zijn

van het bewustzijn, dat buiten hun begrenzing slechts ongemak is_. Het

heeft sympathie met den arme, in 't bijzonder met de buitensporigheid

van den arme, met datgene wat men zijn tijdelijke weelde noemen kan. Het

heeft het sentiment van den haard, dat is: _het zien van het open

haardvuur als het roode hart van de kamer_. Dat open haardvuur is het

heilige vuur van Engeland, _nog brandend gebleven te midden eener

slaafsche beschaving van kachels_.

Blz. 21 _But considered poetically_:

Maar uit een poëtisch oogpunt beschouwd is de Londensche mist niet

onverdienstelijk. In onze groote steden hebben wij de zuivere en gezonde

duisternis van het land voor goed onmogelijk gemaakt. _Wij hebben Nacht

vogelvrij verklaard, haar in onbewoonde streken te zwerven gezonden, en

ten afweer harer weerkomst eeuwig brandende wachtvuren ontstoken_. Een

nieuw heelal hebben wij geschapen, bij gevolg ook onze eigen zon en

sterren. En dus ook, en welverdiend, was het ons opgelegd, onze eigen

duisternis te moeten scheppen. Precies zoo als elke lamp een warme,

menschelijke maan is, zoo is iedere fabrieks-dampige mist een rijke,

menschelijke avondval. Ware het niet door dit mystiek gebeuren, wij

zouden nimmer de duisternis zien, en hij die nooit duisternis zag, zag

nooit de zon.

Blz. 21 _This life of grey studies_:

Dat leven van grijze studies en halve tonen, welks afwezigheid in

Dickens ge zoozeer betreurt, is slechts het leven zooals het [p.95]

wordt _gezien_. Dit leven van helden en misdadigers is het leven, zooals

het wordt _geleefd_. Het leven dat een mensch het innigst kent, is juist

het leven, dat hij het volst van wreede zekerheden en gevechten tusschen

goed en kwaad ziet--_zijn eigen leven._ O, zeker, het leven waarmee wij

niets hebben te maken kan ons makkelijk een psychologische comedie

lijken, het leven van andere menschen: menschelijk studie-materiaal;

maar een mensch zijn eigen leven, dat is altijd een melodrama.

Blz. 60 _Cette dernière allusion_:

Deze laatste toespeling op een weinig aesthetischen rabbijnschen ritus

(het dragen der gebedsriemen, v.C.) waaraan door de traditie veel

gewicht wordt gehecht, bedoelt den nadruk te leggen op het contrast

tusschen de schoonheid der Grieksche cultuur en het gebrek aan smaak der

rabbijnen.

Blz. 60 _Toutes ces belles choses_:

Al deze schoone zaken, welke door krachtlooze mannen, verdorven, vuige

en aan het leven vijandige wezens ontroofd zijn aan Shadai-God-Rots

(Shadai, een hebreeuwsch woord, beteekent Almachtige, v.C.)--deze

ondoordringbare godheid van de woestijn, die de daden van Kanaän's

veroveraars bestuurde--en die door hen in het leder der gebedsriemen

werden vastgesnoerd.

Blz. 61 _Allusion à_:

Toespeling op een talmudische passage, welke dengeen, die stilstaat om

"een mooien boom of een schoon veld" te beschouwen, verfoeilijk acht.

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 20 / 78 题