Blz. 7 _Sogar_:
Zelfs echter onder het kleine aantal schrijvers, die werkelijk, ernstig
en vooraf denken, bevinden zich slechts uiterst weinige, die over de
_dingen-zelf_ denken: de overige denken uitsluitend over _boeken_: over
datgene wat reeds door anderen is gezegd. Zij hebben namelijk, om te
kunnen denken, de meer nabijë en sterkere opwekking van anderer
gedachten noodig.... De eerstgenoemden daarentegen worden door de
_dingen-zelf_ tot denken geprikkeld.... En onder dezen zijn alleen zij
te vinden, die beklijven en onsterfelijk worden.
Blz. 17 _Vague Thoughts on art_: vage gedachten over kunst.
Blz. 17 _Art is_:
Kunst is de verbeeldingsvolle uitdrukking van menschelijke energie,
welke ernaar streeft, door technische vertastbaring van gevoel en
waarneming, het individu, doordat zij een onpersoonlijke ontroering in
hem verwekt, in harmonie met het universeele te brengen.
Blz. 17 _Impersonal emotion_: onpersoonlijke ontroering.
Blz. 17 _If I stand_:
Indien ik, een voorwerp beschouwend, word ontroerd door den aanblik
zijner kleur en van zijn vorm, zij 't in nog zoo geringe mate en voor
nog zoo korten duur en daarbij vrij blijf van eenige bepaalde,
feitelijke gedachte--in die mate en gedurende dien tijd heeft het mij
aan mij-zelf ontrukt en zich-zelf daarvoor in de plaats gesteld; heeft
het mij aan het universeele verbonden, door mij het individueele in mij
te doen vergeten....
Blz. 19 _For religion_:
Voor godsdienst zijn alle menschen gelijk, op dezelfde wijze als alle
munten gelijk zijn: hun aller waarde bestaat uitsluitend daarin, dat zij
het beeld des Konings dragen.
Blz. 19 _He longed to go to school_:
Hij verlangde hevig naar school te gaan (een zonderlinge wensch), de
universiteit te bezoeken, zich een naam te maken, [p.94] en hij
verlangde niet slechts deze dingen, maar van het meerendeel hunner
verwachtte hij stellig, dat zij ook zouden gebeuren. Hij beschouwde
zich-zelf als een kind van goeden stand, aan het begin van een
voorspoedig leven. Hij beschouwde zijn tehuis en familie als een heel
goede springplank, van waar hij zich omhoog kon zwaaien naar de
posities, die hij wenschte te bereiken. En bijna juist toen hij op 't
punt stond te springen, _brak de heele stellage onder hem in elkaar en
hij en al de zijnen verdwenen in een duistere diepte_.
Blz. 20 _Dickens went_:
Dickens ging in de Pickwick-club om te spotten, maar bleef er ten slotte
om te bidden.
Blz. 20 _The modern Shocker_:
De moderne sensatieroman is, op zijn allerbest, _een tusschenspel in 't
leven_, maar in die dagen, dat Dickens' werk in afleveringen verscheen,
spraken de menschen erover _alsof het werkelijke leven een tusschenspel
tusschen een aflevering van "Pickwick" en de volgende was_.
Blz. 20 ... _his Christmas sentiment_:
... zijn kerstmis-sentiment. Het heeft die zich verkneuterende, warm
beveiligde knusheid, dat zich op z'n gemak voelen, _die afhankelijk zijn
van het bewustzijn, dat buiten hun begrenzing slechts ongemak is_. Het
heeft sympathie met den arme, in 't bijzonder met de buitensporigheid
van den arme, met datgene wat men zijn tijdelijke weelde noemen kan. Het
heeft het sentiment van den haard, dat is: _het zien van het open
haardvuur als het roode hart van de kamer_. Dat open haardvuur is het
heilige vuur van Engeland, _nog brandend gebleven te midden eener
slaafsche beschaving van kachels_.
Blz. 21 _But considered poetically_:
Maar uit een poëtisch oogpunt beschouwd is de Londensche mist niet
onverdienstelijk. In onze groote steden hebben wij de zuivere en gezonde
duisternis van het land voor goed onmogelijk gemaakt. _Wij hebben Nacht
vogelvrij verklaard, haar in onbewoonde streken te zwerven gezonden, en
ten afweer harer weerkomst eeuwig brandende wachtvuren ontstoken_. Een
nieuw heelal hebben wij geschapen, bij gevolg ook onze eigen zon en
sterren. En dus ook, en welverdiend, was het ons opgelegd, onze eigen
duisternis te moeten scheppen. Precies zoo als elke lamp een warme,
menschelijke maan is, zoo is iedere fabrieks-dampige mist een rijke,
menschelijke avondval. Ware het niet door dit mystiek gebeuren, wij
zouden nimmer de duisternis zien, en hij die nooit duisternis zag, zag
nooit de zon.
Blz. 21 _This life of grey studies_:
Dat leven van grijze studies en halve tonen, welks afwezigheid in
Dickens ge zoozeer betreurt, is slechts het leven zooals het [p.95]
wordt _gezien_. Dit leven van helden en misdadigers is het leven, zooals
het wordt _geleefd_. Het leven dat een mensch het innigst kent, is juist
het leven, dat hij het volst van wreede zekerheden en gevechten tusschen
goed en kwaad ziet--_zijn eigen leven._ O, zeker, het leven waarmee wij
niets hebben te maken kan ons makkelijk een psychologische comedie
lijken, het leven van andere menschen: menschelijk studie-materiaal;
maar een mensch zijn eigen leven, dat is altijd een melodrama.
Blz. 60 _Cette dernière allusion_:
Deze laatste toespeling op een weinig aesthetischen rabbijnschen ritus
(het dragen der gebedsriemen, v.C.) waaraan door de traditie veel
gewicht wordt gehecht, bedoelt den nadruk te leggen op het contrast
tusschen de schoonheid der Grieksche cultuur en het gebrek aan smaak der
rabbijnen.
Blz. 60 _Toutes ces belles choses_:
Al deze schoone zaken, welke door krachtlooze mannen, verdorven, vuige
en aan het leven vijandige wezens ontroofd zijn aan Shadai-God-Rots
(Shadai, een hebreeuwsch woord, beteekent Almachtige, v.C.)--deze
ondoordringbare godheid van de woestijn, die de daden van Kanaän's
veroveraars bestuurde--en die door hen in het leder der gebedsriemen
werden vastgesnoerd.
Blz. 61 _Allusion à_:
Toespeling op een talmudische passage, welke dengeen, die stilstaat om
"een mooien boom of een schoon veld" te beschouwen, verfoeilijk acht.