[1] 1 Febr. 1912.
[2] Ter nadere opheldering van dezen thans wellicht minder
begrijpelijken zin diene, dat bij de eerste publicatie dezer "Brieven"
paragraaf-teekens werden gebruikt.
[3] Cursiveering overal van mij.
[4] "Ik mag zoo niet fratsen in mijne brieven," zeg ik met Abraham
Blankaart, anders schrapte ik zoowel deze, zij 't ook goedmoedige,
spotternijen, als de aan hen verwante, aan het eind dezer critiek
voorkomende beweringen. Thans laat ik ze maar staan. Een
criticus--iemand, die anderen steeds bedilt!--lijkt mij trouwens wel het
allerminst gerechtigd, bij een herdruk van zijn werk vroegere _foutieve
meeningen_ te verdonkeremanen. Maar wel moge ook hier thans de
rectificatie volgen, die ik drie maanden na het verschijnen van dezen
"Brief," in hetzelfde maandschrift--_De Boekzaal_--deed afdrukken. Men
zal daaruit zien, dat ik mijne gevolgtrekkingen uit _zeer onjuiste_
premissen had afgeleid:
"Rectificatie.--Zoo heb ik dan nu tot mijn genoegen de gelegenheid een
misslag te herstellen, waarvan het inzien mij weer eens heeft doen
voelen, dat de criticus, hij moge pogen zoo conscientieus te zijn als
hem mogelijk is, hierin de onfortuinlijke lotgenoot van den
schoolmeester is, dat hem het onweersproken-blijven door degenen, die
hij op de vingers tikt en bedilt, op den duur wat autoritair maakt en
zijn gewaande rechtvaardigheid, door een soort van loszinnigen overmoed,
in het tegendeel doet verkeeren! Men zal zich herinneren, dat ik, in
mijn derden _Brief_ het door mij geprezen werk _De Vreemde Heerschers_
besprekend, den heer en mevrouw Scharten-Antink meende te moeten
verwijten, dat zij "fournisseurs de la cour" waren en dáárom moedwillig
de ruwste zijden van het in hun werk uitgebeelde boerenleven zouden
hebben verdoezeld, terwijl ik hen ook, na hun Parijsche en Italiaansche
romans, geloofde te moeten rangschikken onder degenen, die den prikkel
van het uitheemsche behoeven, om tot scheppen te kunnen komen. Welnu,
kort daarna ontving ik een brief van den heer Scharten, waarin hij,
sprekend op zóó objektieve wijze over de gebreken, die zijn eigen werk
in zijn oog aankleven, als ik slechts zelden heb waargenomen en die hem
tot eer verstrekt, tevens verklaarde van deze mijne beide beweringen
gemakkelijk de onjuistheid te kunnen aantoonen. En ik betuig hier gaarne
en openlijk, dat dit inderdaad op overtuigende wijze gebeurd is. Wat het
vermeende verdoezelen van zekere ruwe levenszijden aangaat, werd mij
door het helder voor oogen stellen van 't natuurlijke en ekonomische
milieu, waarin de Italiaansche boeren _aan de meren_ leven--wel te
onderscheiden van bijv. de Italianen uit Toscane en vooral de
Napolitanen--benevens door de mededeeling van verschillende persoonlijke
ervaringen van de auteurs onbetwijfelbaar aangetoond, dat _hier niets te
verdoezelen viel_. Het leven dier boerenbevolking verschilt _inderdaad_
hemelsbreed van dat der door Zola en Querido beschreven boeren. En
ofschoon men kan zeggen, dat het boek zóó geschreven had moeten zijn,
dat het niet-verdoezelen _daaruit_ bleek, het is duidelijk dat dit
niet-blijken evenzeer aan den recensent als aan den schrijver liggen
kan, en men hierbij het gebied der subjektieve kritiek betreedt, welke
een heel ander iets is dan het vermeend-feitelijke waarop ik mijn
beschuldiging grondde, en welke alleen dan ook nimmer uitgangspunt van
zulk een beschuldiging mag zijn. Terwijl wat mijn bewering betreft, als
zou uit een soort van artistieke onmacht, het vaderlandsche te
doorvoelen, het uitheemsche door deze auteurs worden _opgezocht_, mij
ter weerlegging de redenen van hun buitenslands vertoeven werden
medegedeeld, die mij bleken _niets_ met eenig literair streven te maken
hebben, zoodat men inderdaad in deze schrijvers een nog meer volslagen
uitzondering dan, maar toch van dezelfde soort als Van Oordt, heeft te
zien, die immers ook door omstandigheden, welke grootendeels van
niet-artistieken aard waren, er toe geleid werd, zijn onderwerpen wel
niet in een vreemd land maar vroegeren tijd te zoeken.--Ten slotte:
indien ik met zooveel genóegen mijne vergissing hier herstel en zelfs
den heer Scharten gaarne voor zijne opmerkingen mijn dank betuig, dan is
dit omdat die opmerkingen geuit werden op dien toon van waardeering en
onvertroebelde erkenning, welke een persoonlijk ongekwetst-zijn en
daarmee tevens een persoonlijk-hoogstaan van den opmerker aan den dag
legt." Juni, 1912.
[5] 1912.
[6] Alle cursiveeringen zijn van mij, indien niet het tegendeel wordt
aangegeven.
[7] Cursiveering van de schrijfster.
[8] Cursiveering van de schrijfster.
[9] Herdrukt in mijne _Schetsen en Critische Opstellen_, blz. 150.
[10] Deze meening heb ik in _Het Jonge Leven_ van September 1912 aldus
nader gemotiveerd:
Het schijnt mij toe, dat de benaming _roman_ voor dit boek zeer ten
onrechte is gekozen.
Men kan namelijk een boek als dit, waarin een sterke concentratie
ontbreekt; waarin levensbrokken van tallooze menschen, die weinig of
niets met het leven der meest vooraanstaande figuren hebben uit te
staan, zoo fel en zoo uitvoerig worden uitgebeeld, dat zij qua
uitbeelding bijna dezelfde belangrijkheid hebben bereikt als die der
meest vooraanstaande figuren, moeilijk een roman heeten, tenzij men het
òf als zoodanig ondeugdelijk gecomponeerd wilde noemen, òf bereid was af
te zien van alle compositorische eischen, die men tot heden gewend was
aan een roman te stellen. Met zulke compositorische eischen bedoel ik:
dat er een _kern van handeling_ en een _kern van persoonlijkheid_ zij,
maar dat er _buiten die kern_ slechts handeling en persoonlijkheden
aanwezig zijn, voor zoover zij de _hoofd_handeling en de
_hoofd_persoonlijkheid moeten _belichten_, en in onverbrekelijk
boek-organisch verband daarmee. Daarvan is hier echter geen sprake. Wij
zouden ongetwijfeld geen der in het boek optredende figuren hebben
willen missen, want met _elk_ zulk een figuur, ook de schijnbaar
vluchtig-aangegevene, ook de minst belangrijke, zouden wij tevens een
_rijk doorvoelde menschbeelding_ gemist hebben, maar allerminst kan men
zeggen, dat ieders aanwezigheid ter belichting der _meer op den
voorgrond tredende_ figuren _noodzakelijk_ is. Doch er is nog een andere
eisch aan een roman te stellen, die door dit werk _niet_ vervuld wordt,
te weten, dat er een zekere feitelijke of psychologische of dramatische
_toestand_ in heersche, die _aanvange_, zich _ontwikkele_ en zijn
_ontknooping_ of _eindpunt_ bereike, maar óók en vóóral, dat dit
_eindpunt_ tevens een punt van _samenvloeiing_ is. Met dit laatste
bedoel ik dit: een _roman_ zij in den aanvang eene _verscheidenheid_,
welke bij het einde tot een _eenheid_ blijkt vervloeid, niet alleen in
hooger-geestelijken maar ook in bloot-compositorischen zin. Een roman
zij als het samenstroomen van vele beken die zich vereenen tot een
machtige rivier, waarop al verder varende, de reiziger, genietend van de
gezichten op haar oevers, van haar zonweertinteling en watergeur, weet,
dat aan het eind der reize hem geen gering genot nog wacht: _het
uitrustende verpoozen in de fraaie stad_, welke _zij_ rijk en groot
heeft gemaakt, die inderdaad de _rivier_stad is, waarin alles van háár
spreekt, alles van háár leeft en die daarom wel de _meest geëigende
plek_ mag heeten, om zich nog eens herinnerend voor den geest te halen,
al wat haar wateren en haar oevers hebben geboden op den tocht.--En nu
is dit werk wel een machtige stroom en zelden of nooit heeft
verscheidenheid mij zulk een gevoel van eenheid-der-dingen geschonken
als die van dit boek, doch deze is de hierboven geschetste eenheid van
een romangeheel niet, zij is de door geen _enkele_ grens gehinderde
eenheid van het boek met het omringende leven, juist dus het
_tegenovergestelde_ van de eenheid eener roman, die immers _een tot
geheel geworden_ deel van, _gesneden uit_ het omringende leven is!
[11] Het _essentiëele_, de respectieve waarden aanwijzend en belichtend
onderscheid tusschen het niet geheel de objectieve werkelijkheid dekkend
gevoel-van-eigenwaarde van een geniaal mensch en het eveneens niet de
objectieve werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een maniak,
is niet zoozeer van quantitatieven aard, niet zoozeer een kwestie van
meer of minder.--Mij lijkt het te liggen in het feit, dat zulk een
maniak het beeld der hem omringende werkelijkheid in zijn geest moest
_vernietigen_, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen _redden_,
terwijl zulk een geniale mensch het beeld dier werkelijkheid in zijn
geest niet het geringste geweld behoeft aan te doen, om zijn gevoel van
eigenwaarde te kunnen laten bestaan. De verhouding van het gevoel van
eigenwaarde tot de werkelijkheid is bij den _eerste: die van iemand die
zijn mededinger doodt, omdat hij voelt, dal deze machtiger is_, bij den
_tweede_ echter: _die van iemand, die in het sterke bewustzijn van eigen
kracht, niet alleen den mededinger naast zich dulden, maar zelfs
liefhebben kan!_
[12] Ik bedoel dit: (Balzac, Facino Cane,) "Chez moi, l'observation
était déjà devenue intuïtive, elle pénétrait l'âme sans négliger le
corps; ou plutöt elle saisissait si bien les détails extérieurs, qu'elle
allait sur-le-champ au delà; _elle me donnait la faculté de vivre de la
vie de l'individu sur laquelle elle s'exerçait, en me permettant de me
substituer à lui comme le derviche des Mille et une Nuits prenait le
corps et l'âme des personnes sur lesquelles il prononçait certaines
paroles_." Interessant ter vergelijking met de wijze, waarop Querido
zijn _Jordaan_-Studies maakte is het onmiddellijk aan het geciteerde
voorafgaande stukje: "_Aussi mal vêtu que les ouvriers, indifférent au
decorum, je ne les mettais point en garde contre moi; je pouvais me
mêler à leurs groupes, les voir concluant leurs marchés et se querellant
à l'heure où ils quittent le travail_."
[13] Alle cursiveeringen zijn van mij. v.C.
[14] Later herdrukt in mijn _Schetsen en Critische opstellen_.
[15] _De Boekzaal_, waarin deze "Brieven" voor het eerst werden
gepubliceerd.
* * * * *