Blz. 61 _Fils de l'homme:_

Menschenzoon.... Sta op en ga naar de stad der slachting. Treed er de

huizen binnen, om met uw oogen te zien en te tasten met uwe handen, het

bloed gestold, het hersenmerg hard geworden op de hagen, de boomen, en

het cement der muren.... Daarna zult gij de ruïnen gaan zien, de bressen

overspringen, u een weg banen door doorboorde muren en verbrijzelde

ovens, daar waar de doorbraak het wijdst, de gaten het grootst zijn. Zij

gelijken de gapende openingen van vervuilde wonden, waarvoor geen enkel

middel, geen genezing meer bestaat. Uwe voeten zullen er verzinken in de

veeren en stooten tegen de scherven van verbrijzelde voorwerpen, tegen

de overblijfselen van boeken en perkamenten, te loor geganen rijkdom, de

vrucht van bovenmenschelijke inspanning en arbeid.

Maar houd u niet te lang bij die ruïnen op en vervolg uw weg.... En de

geur der acacias zal u tegemoet komen, dringen in uwe neusgaten....

En als ware 't om U nog dieper te bedroeven, zal hun vreemde geur, der

lente frischheid spreiden in uw hart, en gij zult het verdragen! En de

zon zal U raken met myriaden gouden pijlen, [p.96] die op elke

ruitscherf de zeven blijde kleuren van uw ongeluk zullen spiegelen....

Want Jehova riep de lente en de slachting tezelfder tijd. De zon

straalde, de acacia ontlook en de beul sloeg neer....

Blz. 62 _Dans ce sanglot_:

In dezen oppersten wanhoopssnik van een denken, dat zich vastklemt aan

het leven, schoon het begrip van het Einde het nimmer loslaat, komt een

levende en sympathische gevoeligheid aan het licht, die door onze eeuw

van tot het uiterste opgevoerd egoïsme en positivisme verdient te worden

gekend.

Blz. 61 _La chose_: Het Iets.

Blz. 62 _Car une chose_:

Want Iets heeft zich in ons midden geopenbaard, maar niemand weet wat

het beduidt.

Is het de Opgang of Ondergang eener zon? En zoo het een Ondergang is, is

het er eene voor eeuwig?

Want de Chaos die ons omringt is onafzienbaar. Hij is vreeselijk deze

chaos, een toevlucht wordt niet in hem gevonden.

En zoo wij al te midden der duisternissen wilden smeeken, ons overgeven

aan het gebed, welk oor zou ons hooren?

Of zelfs zoo wij uitbraken in Godslasteringen, op welk hoofd zouden zij

neerkomen?

Of indien wij tandenknarsend, in woede de vuist zouden heffen, welken

nek zou zij treffen? De Chaos, de wind, zij zouden het alles meevoeren

zonder een spoor achter te laten.

Er is nergens een rustpunt, nergens een steun, nergens een weg. De

hemelen zwijgen.

Zij weten hoezeer misdadig zij jegens ons zijn; het helsche hunner

misdaad kennen zij en in stilte dragen zij hun last.

Open dan uw mond, o Propheet van het Einde, en zoo ge iets te zeggen

hebt spreek!

Ware uw woord zoo bitter als de dood, ware het dood-zelf, spreek, zeg

het!

Waarom zouden wij den dood vreezen, daar reeds zijn engel onzen rug

berijdt en het gebit klemt in onzen mond?

En terwijl de hymne der wedergeboorte op onze lippen zingt, in de

hoogste extase der vreugd van te leven, snellen wij naar het graf.

Blz. 63 ... _C'est la vie réelle_:

... Het is het werkelijke leven, de krachtsinspanning, die de dichter

den ontaarden zonen van het Ghetto predikt.

Zelf overvloeiend van levens- en arbeidslust, oefent hij daardoor een

des te grooter invloed op de lezers, zijn eigen lotgenooten uit.

Hij is zich bewust van zijn rol als vernieuwer en herschepper. Hij is

even mild, even gul als de natuur het voor hem-zelf is.

[p.97] Blz. 63 _débordant de joie de vivre_: overvloeiend van de

blijdschap van te leven.

Blz. 63 _Mais non_:

Maar neen! Zij sterft niet, de poëzie! Zij sterft nimmer. Zelfs ten dage

dat de mensch-worm er in zal slagen zijn heerschappij over de domeinen

van den hemel en den afgrond uit te strekken, den donder en bliksem te

temmen, en met zijn klaarheden de duisternissen van den poolnacht te

verjagen, sterft zij niet.... Midden de omlijstingen van zuiver goud en

uit de halssnoeren der rijmen zal opgaan de geestdrift van de

dichterziel, màchtig, als het trots gegrom van de zee. Verwijlend bij de

heugenis der daden, in verleden tijden door de vaderen volbracht, en in

de onmetelijke gelukzaligheid der komende eeuwen, sterft zij niet, zal

zij nimmer sterven!...

Blz. 65 _Lesen kann ich gar nicht_:

Lezen kan ik heelemaal niet en schrijven maar weinig. Sedert een jaar is

een oog geheel dicht, het andere zeer zwak en 2/3 van het gelaat, de

mond daarbij inbegrepen, is verlamd. Daarbij komt, dat ik levenslustig

ben gebleven en heelemaal geen trek heb mij kalmpjes onder de voet te

laten loopen. Integendeel, de teenen jeuken mij en God zij het zitvlak

genadig, dat zij eerstdaags zullen schoppen.

Blz. 65 _Im Laufe des Gespraches_:

In den loop van het gesprek nam ik een fransche krant op en nadat ik

vluchtig den inhoud had doorgezien, vroeg ik Heinrich zijn meening over

de publieke personen in Frankrijk, "Och," zei bij, "daar moet ik je 't

zelfde op antwoorden, als wat die oude Fransche wachtmeester zei, toen

de leverancier Lewi zijn ossen afleverde. Dit vond plaats op het

marktplein van een klein stadje, waar de Staf, voor wie de ossen werden

voorbijgedreven, om geteld te worden, stond opgesteld. De heer von Lewi

had de verplichting op zich genomen 300 ossen te leveren, maar had er nu

slechts 100 tot zijn beschikking. Hij liet daarom de ossen stuk voor

stuk voorbijdrijven, en richtte het zoo in, dat de gekeurde ossen door

zijn knechten vlug de eene poort uit, stadje om en door de andere poort

weer naar binnen werden gedreven, zoodat ten slotte door den Staf een

bewijs van ontvangst van 300 ossen werd afgegeven. Maar een oude

wachtmeester, die erbij stond, schudde verwonderd 't hoofd en merkte op:

het kwam hem voor, dat het voortdurend dezelfde ossen waren

geweest.--Ja, beste broer," besloot Heinrich, "ook mij wil het

voorkomen, dat 't nog altijd dezelfde ossen zijn."

Blz. 66 _Bruder, du warst_:

Broer, je was verstandiger dan ik, je koos je het kleinste der kwaden.

[p.98] Blz. 68 ... _les lettres hébreux_:

.... de hebreeuwsche letterkundigen hielden ervan hun toevlucht te nemen

in de romantische gevoeligheid, die hen voor een scherpe waarneming der

werkelijkheid vrijwaarde.

Blz. 77 _Chez moi_:

Bij mij was het opmerken intuïtief geworden, het drong door tot in de

ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter gezegd: het

doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook onmiddellijk hun

keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen om zelf het leven van het

individu te leven, met wien het zich bezighield, door mij te veroorloven

mij in zijn plaats te stellen, zooals de dervisch der Duizend en een

Nacht lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn

tooverformulier uitsprak.

Blz. 77 _Aussi mal vêtu_:

Even slecht gekleed als de werklieden, en mij gedragend als zij, zorgde

ik ervoor dat zij niet voor mij op hun hoede waren; ik kon mij mengen in

hun groepen, hen hun handeltjes zien bedisselen en met elkaar twisten,

als ze het werk verlieten.

* * * * *

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 21 / 78 题