Annemie lachte mee en de andere wijven ook.--

Neel verknutterde zich in zijn warme, zangerige stem.--Nog 'n ander

slag man dan haar suffe Stijn.--Maar Annemie voelde haar buurt

bekeven.

--Alleminse ... wét bi jei grausig....

--Ja mins, as 'n roer goed is ken je teuge 'n raauw weertje ... ik

ben d'r lieferst op de oceaan as hier onder de walm.... Nou beste

siele ... ik licht me anker ... ajusies.... Annemie ... de vijf!...

En heeft men ook op het fraaie door mij gecursiveerde beeld gelet? Munt

het niet uit door een prachtige waarachtigheid?--

Ongetwijfeld vormt de beelding van het moederschap van de diep-nobele

_Neel Burk_, die de mogelijkheid van blind-worden trotseert, om haar

kind te kunnen zoogen, en haar eindelijke, door een eigenaardige--met

diep mystisch begrip [p.87] door den auteur doorvoelde--zekerheid in

haar-zelf vóórzegde, triomf, een van de meest lichtende gedeelten van

het boek, maar toch: grooter vreugde schonk mij het gemoeten van dat

vrijwel nieuwe element in Querido's werk: het beelden van het

kinderleven. En zoo er ooit sprake mocht zijn van een coup d'essai, die

een coup de maître was, dan is het hier:

Siempie, die bij Mientje geslapen had, klom stiekem naar de

spelenden over. Maar Daantje duwde hem heftig bij zijn blond kopje

terug.--Zacht begonnen weer de stemmetjes òp te giebelen. Daantje

krabbelde Koentje in zijn hals; Pietje sprong dwars over Sientje en

Siempie pakte de beenen van Pietje, die in de lucht zwalkten, met

de, er los bij bengelende kousen vol gaten. Weer probeerde Siempie

in te klimmen.--

Nei!... hield hardnekkig Daantje vol ... jei, jei ... bin nie

trônke ... jei nie ... jei kè nie ... swaaije....

--Mò je eirst slokkies kaupe ... doar ... wees Pietje met haar

klein armpje langs Stijn heen, naar een hoek bij de tafel.

--Die heb nog nie aupe ... verdedigde zich Siempie, rillend van

kilte in zijn onderbroekje.

--Kaup se den bei maan ... slokkies?... hoefeul?... gierde Pietje,

doende alsof ze inschonk.

De zusjes en broertjes gilden en tierden weer als vóór Neels

waarschuwenden snauw, die ze even zoo plotseling had stil

gemaakt.--Jansie, éérst het bezonnen en bedillende kind-moedertje,

had langzamerhand al haar waardigheid ingeschoten, lachte en

stoeide nu zelf om 't hardst mee. Ze verdubbelde zelfs de rollen,

morrelde er een heele comedie omheen.

--Nou mot jei.... Siempie ... schobber uytjouwe ... hitste ze naar

Sien,... en jei ... leileke neitekles! roepe ... en den.... sèl

ikke.... sie je.... sèl ikke je arrestere.... bei Swèrte Jèns haur

... ikke bin peliesies.... Enne ... enne ... jei bin auk peliesies

... haur!... stookte ze Siempie op.

Maar dan vooral dit (Pietje, het kleine dochtertje van Stijn en Neel,

mist de jonge poesjes, die verdronken zijn):

Maar Pietje bleef heel angstig en huilde met zachte snikjes.

Werendig moedertje,... suste Neel,... de poessies binne femorrege

gehoald, faàn!... mit sau'n hauge figelènte ... se wasse siek....

0! sau siek! liefeling, en nou ... nou binne se ... in 't

kètte-gèsthuys....

--Enne ... enne ... vroeg blond Pietje met goddelijke

onschuld-oogjes er tegenin ... 'k hèp 't nie gehaurd?...

As jei sloap kè je ommers nie haure,... moedertje,... [p.88] se

legge àllegoar in faàne mandjes ... maor nie oks! deigelik woar ...

moedertje ... asse beiter binne ... mèg je se weir sien....

Pietje liet haar wit, versmoezeld boezelaartje van de huiloogjes

zakken en snikte verstild in smart, nog maar kleintjes met enkele

schouder-schokjes.--

--Enne poes ... dèn? vroeg ze weer met aarzelend stemmetje, zich

omweven voelend van onbekende dingen, alle gebeurd in haar donkeren

slaap.--

Neel keek Stijn aan, lachte verborgen naar een buurvrouw, die net

inkwam om een half pond zout. Dadelijk greep Neel naar haar, om

steun.

Niet tènte Truy?... binne de poesies femorrege nou niet afgehaold?

Achter Pietje draaiend, maakte ze naar buurvrouw een inlichtend

grimas....

--Nou!.... zei die, óver-geloofwaardig haar, "nou" beklemtonend,

zonder te weten, waarover 't eigenlijk ging.

--In 'n figelènte nie?...

--Sau mit raud fleweil!... pronkte buurvrouw erbij.

--En binne se niet naor 't kètte-gèsthuys gebracht?

--Sèlf meigereije!...

Pietje keek heel angstig-onderzoekend nu, achter 't toonbankje

staand, de lichtblauwige oogen volgestroomd met goudglans van het

gas, dàn naar buurvrouw, dàn naar moeder op.

Ja, ze geloofde nu alles plechtig. Poesies ... waren ziek, lagen in

't gasthuis. En werden teruggebracht als ze beterden.

--En toen ze nu, even in de winkelstilte, weer het klaag-miauwen

van de gejaagd rondsnuffelende kat hoorde, in 't gangetje, holde ze

op een drafje van de toonbank weg naar het dier en riep met

troostend, fijn vlei-stemmetje:

--Stil poessie ... stil moar ... je kindertjes binne siek ... se

komme t'rug asse beiter binne....

Neen, dit kan niet overtroffen worden, daar voel ik mij zoo zeker van

als van het feit, dat wanneer geslacht na geslacht telkens en telkens

weer dit onsterfelijke boek zal lezen, dit boek, dat zonder den

geringsten opzettelijken tendenz van even groot sociaal als literair

belang is, en een twijfel in zich mocht voelen opkomen aan de dan

verdwenen werkelijkheid van die poel van ellende en verwording, waarin

een groot deel van Amsterdams hardst-ploeterend volk aan het begin van

de twintigste eeuw nog verzonken lag--dat dan zelfs één klein stukje als

het zooeven door mij aangehaalde [p.89] voldoende zal zijn om elken

twijfel te smoren: een klaar en zuiver gelaat gelijk, tot een duldenden,

zekeren, wijzen glimlach bewogen, zal de diepe menschelijkheid van dit

boek den twijfelaar aanzien, en deze, het hoofd buigend, zal, blijde en

veilig in het geluk van dit visioen, zacht tot zichzelf zeggen, dat zulk

een menschelijkheid niet anders dan wáárheid kan zijn....

[ELSE JERUSALEM: HET ROODE HUIS.]

Mag men ook het machtige boek van _Else Jerusalem_, Het Roode Huis, als

een symptoom van het krachtig opgestane epische genie der Joden

beschouwen? Wat mij betreft, aarzel ik geen oogenblik die vraag

bevestigend te beantwoorden: het is bijna onmogelijk, dat de

schrijfster, alles in aanmerking genomen, geen Jodin is! Ook in dit werk

is het heerschersbewustzijn aanwezig, maar gedeeltelijk, niet zoo

volkomen alles doorstralend als bij _Querido_. Deze bordeelroman, een

aanklacht als nauwelijks een andere tegen onze samenleving en tevens zoo

fel en scherp een beeld ervan, dat wij als plots met een schok van

ontzetting doorvoelen, dat het gelaat harer misdadigheid, zooals wij,

lichtgeloovigen, dat kenden, slechts een welgelukte grime is, die

oneindig satanischer en meer verworden trekken moet verhullen--deze

prachtig-zuiver geschreven, van alle pornografische effekten en lagere

bedoelingen ver gehouden roman, kan ongetwijfeld, wat sociale

belangrijkheid betreft, naast _De Jordaan_ worden gesteld. En ook wat

_dramatisch_ inzicht betreft. Niet licht zal men de moeder vergeten, die

in haar kind vrijwel niets anders ziet dan middel tot wraak op den

vader, die haar en met haar, onwillens het kind verstooten heeft. Niet

licht ook de duldende _Janka_--de nicht van den verleider, den "prins,"

den schatrijken heereboer--die met de verstooten moeder en het kind is

weggevlucht en zich met hen in een bordeel heeft laten opnemen, niet

alleen uit liefde tot de verstootene, maar ook uit een soort van duister

gevoel dat zóó, door zelf met de in het verderf gestorten te lijden, de

schuld van haar verwant, den verderver en verleider, door haar gedelgd

en van het geslacht kan worden afgewenteld. [p.90] Maar wat de

psychologie betreft--schoon nu en dan de hoogste voortreffelijkheid

rakend, soms ook rhetorisch-oppervlakkig en vaag--en wat de dialoog

aangaat--vaak veel te redevoeringachtig-opzettelijk--en vóóral de

beschrijvingskunst--heel vaak _vieux jeu_--staat het ònder Querido's

werk. Compositorisch is het echter weer uitmuntend. Dat het

_heerschersbewustzijn_, zooals ik reeds opmerkte, niet overal in

voldoend-sterke mate aanwezig is, zou men kunnen demonstreeren o.a. aan

de figuur van _Madame Goldscheider_, de gewikste waardin, tegen wie nu

en dan, zeer ten onrechte, door de schrijfster wordt opgezien, en die

door haar merkbaar wordt _overschat_. Doch dat alles neemt niet weg, dat

het werk als geheel straalt van een groote epische genialiteit, een

onverschrokken eerlijkheid, een ontembare kracht en een psychisch geluk

om eigen vast en zeker kunnen. Het is als een geweldige kerel, die,

opduikend uit een moerassig water, handen en gelaat beslijkt, de kleeren

gescheurd, maar de oogen stralend van triomf, met een bijna-verdronkene

in de armen, den oever bespringt. Mevrouw _Barentz-Schönberg_, die het

prachtige boek op de haar eigen uitmuntende wijze vertaalde, heeft

daarmee een goed werk gedaan, niet alleen, omdat zij daardoor den der

duitsche taal onkundige de lezing van een sterken kunstarbeid mogelijk

heeft gemaakt; niet alleen, omdat zij ons weer eens heeft doen gevoelen,

dat de modderige stroom onzer maatschappij zijne groenende en reddende

oevers der toekomst heeft, maar vóóral, omdat ons met dit

maatschappelijk beeld van elders een waarschuwing bereikt, welke

allerminst onder de aanstaande heerschappij onzer gebenedijde

"Zedelijkheids"-wetten overbodig heeten mag!--En om dit alles nu kan ik

dan ook dit boek mijnen lezers niet sterk genoeg aanbevelen.

[L. SIMONS: STUDIES EN LEZINGEN.]

En wat is nu naast zoo machtige werken de beteekenis van een schrijver

als de heer _Simons_? Wat ook mijne bedoeling en rechtvaardiging met en

van de opname zijner figuur in dit opstel over _joodsche_ schrijvers?

[p.91] Wat betreft het antwoord op de eerste vraag, behoeft, dunkt mij,

niemand lang in het duister te tasten. Zijn werk heeft, im grossen

ganzen, de beteekenis, die de arbeid van elk niet geniaal, maar

talentvol en scherpzinnig commentator naast dat van geniale

menschenscheppers en critici heeft: geringer doch onmisbaar wijl nuttig,

maar toch ook dit niet alleen: óók aandoening van schoonheid gevend!

Doch dit slechts ervan te zeggen, zou zijn het onrecht doen. Want er

zijn drie dingen, die het tot nog iets beters en meer bijzonders maken,

dan werk van een talentvol en scherpzinnig commentator. Die zijn: ten

eerste: de stijl van zijn opstel over den _Gijsbreght van Aemstel_. Het

archaïsch karakter daarvan, volgens des schrijvers eigen verklaring,

door hem aangenomen, om zijn opstel in het kader der in 1893 door de

_Erven Bohn_ uitgegeven foliant te doen passen, was dus geheel

_willekeurig_, uit _wenschelijkheid_, en niet uit _innerlijke

noodzakelijkheid_ geboren. Met andere woorden: ware het daarbij

gebleven, dan zou dit geheele opstel geen _kunst_ maar _kunstenmakerij_

zijn geworden. Maar het is daarbij _niet_ gebleven. Uitgegaan om een

paar ezelinnen te zoeken, vond ook de heer Simons een, zij 't klein,

koninkrijk. Het is n.l. duidelijk, dat, zoodra hij aan het schrijven was

gegaan, het schrijven-in-dien-stijl, in den stijl des tijds van zijn

groot onderwerp, wel degelijk een groeiende noodzakelijkheid, want een

onvermoed en, eens gesmaakt, zelfs onontbeerlijk gelukgevend scheppen

werd. _Het moet hem een zeker zoet genot van grooter eenheid met zijn

verheven onderwerp hebben geschonken_. Hij moet ook iets als het

_feestelijk_ gevoel gehad hebben--ik ga iets subtiels zeggen en het moet

subtiel verstaan worden ook--_van een kind dat onder de oogen en den

lieven glimlach van Vader, in het boek en met de pen van Vader schrijven

mag_. Hij heeft namelijk de gewaarwording gehad, een liefhebbende,

nederige en eerlijke _Vondel_-bewonderaar te zijn, schrijvend als onder

de oogen en glimlach van _Vondel_, in de taal-nuance van _Vondel's_

tijd. En daarom is het geen kunstenmakerij, maar een kunstwerkje van

gewilde maar toch òngewilde stijlnabootsing, het product eener

noodzakelijkheid, wier bijkomstige en overigens onbelangrijke [p.92]

eigenschap het was parallel te loopen met eens menschen wil.

Het tweede van den trits, waarvan ik sprak is dit: het werk is van een

placide, bijna stugge, rimpellooze eerlijkheid. Het is alsof de

schrijver, wijl hij niets te verbergen heeft, en als wilde hij je in de

gelegenheid stellen, zijn gelaatstrekken zoo lang te doorvorschen als

je-zelf het noodig vind, je klaar en vast aanziet en zijn blik niet

neerslaat, vóór je de joue afwend; precies dus het tegenovergestelde van

de glibberige, vèrvloèkte, slag-om-den-arm-houdende schrijfwijze van

sommige andere critici. En, ten derde, is er het prachtig-bevoegde

didactische van den geboren onschoolvossigen leeraar in.

Wat nu het antwoord op mijn tweede vraag betreft: inderdaad, zelfs

uitgezonderd zijn origine, en zelfs afgezien van het feit, dat _die

origine voor mij het beslissende moment is_, bestaat er een zeer

gewichtige reden hem in een opstel over _joodsche_ schrijvers op te

nemen, want in de geheelheid zijner figuur vertoont hij juist eene

persoonlijkheid, eene vereeniging van eigenschappen, zooals die vroeger

zeer frequent was in en tot groot sieraad van het joodsche volk strekte:

die van koopman of werkman, tevens kunstenaar en geleerde, wiens

geleerdheid en kunstzinnigheid hem niet verhinderden een practisch en

scherpzichtig koopman of deugdelijk arbeider, en wiens koopman- of

arbeider-zijn hem niet verhinderde, een ijverig geleerde of gevoelig

kunstenaar te zijn. Een levende herinnering dus aan een glorierijk

verleden, herrezen in een samenleving, welke toonde deze gelukkige

vereeniging van eigenschappen dankbaarder te waardeeren dan die van

eertijds. En met de onbescheiden-geuite voldoening over dit alles,

zij--om het slot niet te doen uitmunten boven het geheel!--dit

alleronbescheidenst, mijn eigen ras verheerlijkend opstel besloten, een

besluit, dat, althans voorloopig, tevens, tot mijn leedwezen, het einde

mijner medewerking aan dit Maandschrift[15] moet zijn.

Juni 1912.

* * * * *

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 18 / 78 题