Met 'n gullen lach sprong hij bij en drukte zwaar haar handen.--

Neeltje lachte tegen den knappen matroos, die er zoo frisch

uitlichtte met zijn blauwe jas, gouden knoopen en witten

braniekraag.

Al de vrouwen verbabbelden nu wat met Teun van den Haarlemmerdijk,

prettig beroerd door z'n volle stem en z'n zeemansgullen

lach.--_Hij lei iets zonnigs open in hun hart, als zomervruchten in

een ziekenkamer_. Het was altemaal open leven, frisch en frank.--

--Het is hier nog desellefde saaite ... verlachtte zwaar z'n stem

weer; ... voor 'n bloote riksdaalder sou ik hier nie weer terug

wille.... De wind komp hier dwars op je af ... je ruikt hier niks

as bakolie ... en fan bove en van beneje hoor je niks as geroep en

gekakel.... Dan lieferst an de Suidsei stijf....

Hij lachte en zijn oogen vonkten van de pret.

Over literatuur Critisch en didactisch · 第 17 / 78 题