Neeltje lachte tegen den knappen matroos, die er zoo frisch
uitlichtte met zijn blauwe jas, gouden knoopen en witten
braniekraag.
Al de vrouwen verbabbelden nu wat met Teun van den Haarlemmerdijk,
prettig beroerd door z'n volle stem en z'n zeemansgullen
lach.--_Hij lei iets zonnigs open in hun hart, als zomervruchten in
een ziekenkamer_. Het was altemaal open leven, frisch en frank.--
--Het is hier nog desellefde saaite ... verlachtte zwaar z'n stem
weer; ... voor 'n bloote riksdaalder sou ik hier nie weer terug
wille.... De wind komp hier dwars op je af ... je ruikt hier niks
as bakolie ... en fan bove en van beneje hoor je niks as geroep en
gekakel.... Dan lieferst an de Suidsei stijf....
Hij lachte en zijn oogen vonkten van de pret.