Helaas, datgene, wat ik, schoon wellicht geheel ten onrechte, de
noodwendigheid mijner uitingen zou willen noemen, dwingt mij nu, reeds
bij den aanvang van dit schrijven den gemoedelijken en
kalm-vriendelijken lezer te irriteeren en wellicht af te schrikken met
een zoo paradoxaal-klinkende bewering als deze: _De alomtegenwoordigheid
in de een of andere durende relatie, gesteld nu eens, dat een
niet-bovenmenschelijk wezen alomtegenwoordig kòn zijn, zou dat wezen
onverbiddelijk verhinderen, roem, waardeering of zelfs genegenheid te
verwerven_.
Gij, die dit mocht betwijfelen of ontkennen--terwijl ik spreek, keer tot
u-zelf in. Luister naar mij en luister naar u-zèlf, te eigener ure....
Ge zult zien dat u dit niet moeilijk vallen zal, want mijne woorden,
vertrouw ik, zullen niet anders dan de bewust-makende _parafrase en
verduidelijkende begeleiding ùwer gedachten_ zijn.
Dus: _waarom_ dan zoude de alomtegenwoordigheid haren grooten, niet
bovenmenschelijken bezitter verhinderen roem, waardeering en genegenheid
te verwerven? Gij weifelt: omdat de nijd ... maar waarmee gij--en hier
ziet gij oprecht vragend op--toch waarlijk _niet_ behept zijt?!... Och
neen, en ge weet het nu zelf op dezen oogenblik: zijn wij niet _ook_
liefdevoller dan wij-zelf meestal denken?... O, het is iets veel ergers
dan de nijd! En voeldet ge niet al het weten, [p.55] wàt het is,
naderen, toen ik zei, dat wij _ook_ liefdevoller zijn dan _wij-zelf_
denken?... Het is: _omdat er zelfgeringschatting ligt op den grond onzer
zielen_! Neen, dàt wisten we nooit of zelden, en hoe zouden wij ook? Wij
_wilden_ het immers niet weten. Hadden ook onze moralisten ons niet
altijd geleerd--ons daardoor steunend in het al meer ònbewust wordend
zelfbedrog--dat hoogmoed en zelfoverschatting de vergiften zijn, die
ons verwoesten? Hoe zouden wij dan het weten vermeesterd hebben, dat
integendeel zelfgeringachting het lijkig-blauwende aardgas is, dat
opstijgend de plantwortels in onze landen vermoordt, zoodat we van
koren, bloemen noch geuren genieten! Want geen andere dan
zelfgeringschatting is het, die ons twijfelend laat staan tegenover een
groote van _onzen_ tijd, van _ons_ land, die ons de handen smachtend
naar _andere_ tijden en _andere_ landen laat strekken. En geen andere
dan diezelfde geringschatting ontneemt ons het heerlijke geloof, dat in
_onzen_ tijd, in _ons_ geslacht, in _ons_ land, als een evenmensch met
_ons_ verkeerend, een _Groote_ leven kan. _Daarom_ is het spreekwoord:
Geen profeet wordt in zijn eigen land geëerd, een waarheid: De
_zelfgeringschatting_ staat niet toe te gelooven, dat het _eigen_ land
een profeet _kan_ voortbrengen! En _daarom_ zou een _alomtegenwoordige_
Groote _nergens_ worden geëerd!
Maar hier ziet gij op, schudt het hoofd en beduidt mij niet onduidelijk,
dat _indien_ al de bijkomende overwegingen niet van eenige waarde
ontbloot mochten zijn, mijne primaire bewering, schoon tevens
beargumenteerde conclusie geworden, geenerlei _practisch_ belang heeft,
want er bestaat geen niet-bovenmenschelijk wezen, dat alomtegenwoordig
zou zijn!
Maar ach, dit is 'n schromelijke vergissing van u, mijn waarde lezer! Is
het u dan nooit opgevallen, dat het Joodsche Volk, dat een Groote is,
tevens zulk een alomtegenwoordig wezen is? Trek alle landen door en
overal zult ge het ontmoeten, en wat er ook verwaasd moge zijn, uit alle
historische tijden zien u zijn zelfde zorgenvolle oogen en verweerde
gelaat aan.... Israël is ieders tijd- en ieders landgenoot.... _Daarom_
is het nergens en nooit geëerd en geliefd met de liefde en den [p.56]
eerbied, die hem toekomen. En wat hem daarvan onthouden wordt, daar
minder, ginds weer meer, wat iéderen Groote, in welken tijd en in welk
land ook levend, daarvan in dien tijd en in dat land onthouden wordt--is
_altijd evenredig aan het gebrek aan zelfachting en zelfvertrouwen van
hen, die hem moesten eeren en liefhebben_. Want luister! Zooals de
betrekkelijk schaarsche bewondering voor tijd- of landgenootelijke
Grooten niets anders is, in zekeren zin, dan de veruiterlijking der
innerlijke zelfhoogachting, het _kunnen-gelooven aan met hen verwante
grootheid_ der schaarsche hoogstaanden, zoo is de cynische twijfel
tegenover die Grooten niets anders dan de weerspiegeling van de
zelfgeringschatting der middelmatigen, het _twijfelen aan de
mogelijkheid van bestaan van aan hen verwante grootheid,_ en zóó, ten
slotte, is de _haat_ tegen en _verachting_ van zulk een Groote--en ge
ziet in het antisemitisme van het hooligan-type het zuiverst beeld van
zulk een haat!--anders dan de uitgebraakte _zelfverachting_ der
verdierlijkten, _het onmogelijk kunnen gelooven aan op eenigerlei wijze
met hen in aanraking zijnde grootheid_, en het dáárom tegelijkertijd
haten èn verachten als _gehuichelde en geüsurpeerde_ meerderheid, 't
geen inderdaad _werkelijke_ en _rechtmatige_ meerderheid is, en die zij
_als zoodanig_ doorvoeld, _alleen_ geháát zouden hebben.
De Literatuur, we weten het, heeft wonderen van vlijm-hoonende ironie,
van monsterlijk-groteske, in den snik-lach om zich-zelf zich
schaamteloos-wentelende gedrochten voortgebracht, máár--het allerbeste
behield de Natuur zich-zelf ten dienste harer onmiddellijke scheppingen
voor: deze antisemieten van het hooligan-type vooral, maar niet alleen,
zij zijn onovertrefbaar van gedrochtelijkheid, een charge lijken zij,
een overdrijving, zij zijn onwaarschijnlijk en onwezenlijk van
alleruitmuntendste wezenlijkheid! En die heele bende pogromhelden, deze
Kischinewsche en Homelsche vrouwenwurgers en kinderverkrachters, met den
allerchristelijksten Czaar-paus-vredestichter tot beschermheer, die hun
slachtoffers _verachten_ en niet weten, dat zij niet anders dan
_zelfverachting_ braken!... Dàt staat hoog boven alles uit, pràchtig
[p.57] stinkend-van-walgelijkheid en oogenvonkelend, snoet-roodend en
wijdmuilend van bestiaal-zinnelijke, hik-lachende belachelijkheid.
Gij, _Hollander_, zult niet vragen, schaamteloos-onverschillig als de
zonen van menig ander volk, waarom ik ú dit vertel; gij, die slechts aan
zelfgeringschatting lijdt en geen zelfverachting voelt noch behoeft te
voelen; gij, landgenoot van Surenhuys en Basnage en die bevallige
Joffers en edele Heeren, die uit een zachte liefde jegens de oude
cultuur eener groote natie, de Hebreeuwsche literatuur vereerden, o ik
weet het en wensch hun sentiment te onder- noch te overschatten: zoo
ongeveer wellicht op dezelfde wijze, waarop een Fransch edelman de
verweeuwde vriendin zijner jeugd nog elken dag bezoekt en weemoediglijk
zacht causeert en haar lieve en bevallige geschenkjes met bescheiden
glimlach en hoofsche buiging biedt. Al weet ik óók: die tijd is lang
voorbij, en al is het mij niet verholen, dat gij, hun nakomelingen, niet
vrij zijt, hier en daar, van een zeker ras-antagonisme.... En bovendien:
hoe ver staat gij in uw modern leven van al die speelsche
bevalligheidjes af: een Tesselschade aardige klassiek-Hebreeuwsche
briefjes aan hare vriendinnen over het huishouden en de edele kookkunst
schrijvend!... Maar toch, wat ook gij wel weet en van welk weten gij u
naar ik hoop niet ver zult houden, is: dat Spinoza uw grootste wijsgeer,
Israëls een uwer grootste schilders, en Querido thans, onbetwijfelbaar,
uw grootste epicus is en dus.... Neen, zeker ... ik ben overtuigd, gij
hebt aandachtig geluisterd, terwijl ik u sprak van dat volk, dat u
zooveel heeft geboden, en zult voortgaan met niet minder aandachtig te
luisteren, al spreek ik dezen keer over niets anders dan over werk van
zonen van dat volk.
Het literaire genie der Joden schijnt mij tot voor betrekkelijk weinig
decenniën overheerschend meditatief-lyrisch te zijn geweest; hun episch
vermogen--de tijdvakken, die den Bijbel uit zich hebben omhoog gestuwd,
buiten beschouwing gelaten--vrij wel latent; hun plastiek niet sterk,
zelfs de plastiek [p.58] van Salomo's onvergelijkelijk _Lied der
Liederen_ wordt geschaadt en ernstig verzwakt door de tendentieuse
beeldvorming eener bedoelingsvolle allegoriek. En ik heb zoo'n stil
vermoeden, voor 't eerst nu ruchtbaar gemaakt, dat Mozes, behalve een
geniaal wetgever, ook een uitstekend kunst-beoordeelaar bleek te zijn,
toen hij het gouden kalf verbrandde! Maar, helaas, welk een
onvoorzichtigheid tevens beging hij daar mee. Het schijnt of men maar
geen vrede met dit genadeloos afbrekend oordeel hebben kon! Men moest en
zou bewijzen wel degelijk in staat te zijn gouden kalveren van de
allerbeste kwaliteit en natuur-getrouwe allure voort te brengen.... En
met welk een succes!... De Rotschilds en de Hirschen, wie zou het hoofd
niet voor hen buigen, zelfs nadat ze door de Morgans, de Rockefellers en
hoe al die andere onbaatzuchtige artiesten verder mogen heeten,
overvleugeld zijn. En wat zeg ik: overvleugeld! Dat zit nog! Denk eens
aan die prachtige groep: _Het Gouden Kalf bevuilend zijn eigen Stal_,
eenige jaren geleden door een russophil, joodsch bankier, in vrije
uurtjes van kunstlievigheid en inspiratie gewrocht.... O, dat was om op
de knieën te vallen!... Och, of Mozes nog geleefd hadde! Zoude hij
ditmaal instede van het kunstwerk niet den kunstenaar hebben verbrand,
om voor goed te verhinderen, dat deze zich wellicht in de toekomst aan
een noodzakelijk-mindere, hem-zelf en zijn werk schadende herhaling zou
te buiten gaan? Inderdaad, ik mag zeggen, dat het antwoord zoo makkelijk
te geven als de vraag te verstaan is! Maar Mozes leeft niet meer, en
welbeschouwd is dat ook goed, want het moet niet aangenaam zijn, een
groot man iets overbodigs te zien doen. Want nu in ernst, zoo blijde,
als deze scherts bitter was: dat uitschot van mijn volk--maar ik wensch
nu verstaan te hebben, dat ik hier alleen spreek van die tijdens de
jodenvervolgingen en revolutie aan Rusland geldschietende Joodsche
ellendelingen--deze verkoopers van hun broers, verloochenaars van hun
ras, deze verzwijnden in den afval der vreemde maatschappijen, hoe zijn
zij weggedrongen door de kinderen der Jesaja's en Jeremia's, door de
nieuwe profeten zoowel van de vertroosting als het leed! Er is in de
jonge Joden, [p.59] in deze geheele, nu opgebloeide generatie van jonge
dichters en schrijvers, met de melancholie van het ghetto of de hoop op
renaissance--meest met beiden!--in hun hart, geen eerbied meer voor het
geld om het geld, geen eerbied ook meer voor autoritaire tradities: van
een heilige aandacht vol, hebben zij zich diep gebogen over de natuur,
hun volk en hun ziel, en zoo zij hun blikken wenden van deze trits, het
is alleen om in een óver-huiverend gevoel van geluk te zien naar de
wondere Aronsstaf in hun hand, die, voorlang tot 'n dor hout geworden,
nu in geurende bloemen ontluikt. Want ze weten het, zij zijn het, die
hem doen bloeien, daar de mystieke zegen der natuur èn van hun volk èn
van hun eigen ziel, hem uit hun handen en gelaat bestraalt. Die
Aronsstaf, mijn lezer--gij zoudt het reeds begrepen hebben, zoo ge het
boek van _Dr. Slousch_, waarover ik nu ga spreken, gelezen hadt--die
Aronsstaf is de verjongd-uitbottende _Hebreeuwsche taal_!
[DR. SLOUSCH: LA POÉSIE LYRIQUE HÉBRAÏQUE.]
Het, de nieuwe Hebreeuwsche lyriek (1882--1910) behandelende, boek van
dezen geleerden, met een zeer fijne critische intuïtie begaafden
Sorbonne-docent, waardeer ik niet zoozeer om eenige bijzondere kwaliteit
der literaire analyse, die te zeer op het tweede plan teruggedrongen is,
om een definitief oordeel over het analytisch vermogen van den auteur
mogelijk te maken, maar voornamelijk om de volgende redenen: het
meesterschap over de stof, het met strak en vast gebaar aangeven van de
groote ontwikkelingslijn, en het aanwenden van meer moderne
literair-critische methoden op eene literatuur, die zelden of nooit door
een beoordeelaar zonder religieuzen bril bekeken is. Dat vooral maakt
een alleraangenaamsten, buitengewoon prettigen indruk. Máár--volkomen
geëmancipeerd van alle kerkelijke gedachten-dwang als Slousch mij lijkt,
is hij dan ook aan de dezen geestestoestand soms begeleidende euvelen
niet ontkomen. Een enkel maal is hij "erge" nieuwlichterlijkheid
schromelijk onjuist en onrechtvaardig. Zoo, sprekend van den door hem
als groot geprezen Saül Tchernikhovsky, zegt hij:
[p.60] Cette dernière allusion à un rite rabbinique peu esthétique
(het dragen der gebedsriemen, v.C.) auquel la tradition attache
beaucoup d'importance, doit accentuer le contraste entre la beauté
du culte grec et le manque de gout des rabbins.
Ten eerste is deze ritus niet "rabbijnsch" maar vloeit onmiddellijk uit
een bijbelsch gebod voort! Het ware de taak van den analytischen
criticus hier geweest, op te merken, dat als Tchernikhovsky toornt:
Toutes ces belles choses, que des hommes sans vie, que des êtres
pourris, vils et rebelles à la vie (Men merkt: eenzelfde verwijt
als reeds zoo vaak het Christendom getroffen heeft, treft hier het
rabbijnsche Jodendom! v.C.) ont enlevées a Shadaï-Dieu-Roc (cette
divinité impénetrable du désert, qui présidait aux actes des
conquérants de Chanaan) et qu'_ils ont enchainées dans les cuirs
des philactères_,
hij tegen den verkeerde toornt, want dat dit "ketenen in het leder der
gebedsriemen" een gebod van "Shadaï-Dieu-Roc" zelf is. _Niet_ dus van
"Adonaï, le Dieu pacifique et ritualiste des rabbins," maar wel degelijk
van: "Jehova-Zebaoth, le dieu guerrier et vengeur des Hébreux." Instede
van hem den dichter te doen bijvallen, hadde dus deze plaats Dr. Slousch
tot een schoon voorbeeld kunnen dienen van wat hij-zelf het "souvent
plus oratoire que sincère" in Tchernikhovsky's poëzie noemt! Maar ten
tweede zal het wel iedereen, behalve Slousch, onmogelijk zijn in te
zien, waarin het "onaestetische" van dezen ritus steekt! Integendeel, ik
herinner mij levendig uit mijn jeugd, welke aan het extatische grenzende
momenten ik doorleefd heb, door die "kroon op mijn hoofd" en dat "zegel
op mijn arm" en ook--hoe rijk is een kind!--hoe ik midden in het
ochtendgebed en mij alleen in de kamer wetend, plotseling, door de
invallende gedachte opgewonden, nerveus maar toch glimlachend van
voorvoeld genot voor den spiegel trad, om, terwijl ik het tallith--den
gebedsmantel--op z'n schilderachtigst om mijn lijf drapeerde, te zien
of mij de hoofdgebedsriem nu waarlijk als de vorstelijke diadeem stond,
die ik mij altijd op 't hoofd droomde.... Helaas! hoe kan men zoo dalen:
niet alleen dat ik niet meer taal naar een kroon, maar ik ben zelfs met
een stoffigen hoed tevreden!... [p.61] Maar dus: "onaestetisch"!... ik
begrijp er niets van! Een andere onjuistheid van dien aard is de
volgende. Na een citaat uit denzelfden Tchernikhovsky, zegt onze auteur:
Allusion à un passage talmudique qui exècre celui qui s'arrête à
contempler "un bel arbre ou un beau champ."
Men zou dus hieruit gevoegelijk de enormiteit kunnen afleiden, dat deze
passus het bewonderen van natuurschoon verbiedt!! Daar is natuurlijk
niets van aan! In werkelijkheid luidt bedoelde sententie, in getrouwe
vertaling, aldus:
Die ten wege gaat _en over gewijde onderwerpen méditeert en zijn
meditatie afbreekt_, om te zeggen: hoe schoon is deze boom, hoe
schoon deze akker, hem beschouwt de Schrift als een die _zich
schuldig maakt jegens eigen ziel_.
Ik zal dit niet nader behoeven te analyseeren, om den lezer, die op het
door mij gecursiveerde let, te overtuigen, dat hier noch van een verbod
om natuurschoon te bewonderen noch van iemand "verfoeien" sprake is!
Maar--en spreekt dit trouwens niet van zelf?--het opmerken dezer kleine
vlekjes kunnen de wijde en diepe dankbaarheid niet verminderen, die ik
als een warme liefde in mij voel voor dit boek en zijn schrijver. Bij de
geestelijke gestalten der daarin behandelde dichters, dezer vergeefs
vervolgde, ontembare en van levenskracht stralende helden, wat zijn wij,
Westersche Joden, daar Jood_jes_ bij. Van hen allen schijnt _Bialik_ mij
de allergrootste. Men leze dit door Slousch aangehaalde kleine fragment
uit het gedicht _Massa Nemirow,_ "une description réaliste du pogrome de
Kichenev."
Fils de l'homme ... lève-toi et va vers la ville de la Tuerie. Tu
visiteras les maisons pour voir de tes yeux et pour palper de tes
mains le sang figé et les cervelles durcies sur les haies, sur les
arbres et sur le cement des cloisons.... Puis, tu iras voir les
ruines, en franchissant des brèches, en passant par des murs troués
et par les fours brisés, la où les entailles sont les plus larges,
où les trous sont les plus grands, où la pierre noire est denudée
et la brique arrachée.... Elles sont pareilles aux bouches beautés
des plaies sordides pour lesquelles aucun moyen, aucun remède n'est
plus efficace. Tes pieds s'enfonceront dans les plumes et buteront
contre les décombres des objets brisés, [p.62] contre les restes
des livres et des parchemins, biens perdus, produit des peines et
des labeurs surhumains....
Cependant, tu ne t'attarderas point sur ces ruines et tu
continueras droit ton chemin.... Et l'odeur des acacias viendra à
ta rencontre, et leur parfum pénétrera dans tes narines et leurs
fleurs qui sentent le sang....
Et comme pour te contrister, leur senteur étrange répandra dans ton
coeur la fraîcheur du printemps, et tu le supporteras! Et le soleil
te percera de myriades de flèches dorées qui refléteront sur chaque
fragment de vitre sept rayons joyeux de ton malheur....
_Car Jehova fit appel au printemps et à la tuerie à la fois. Le
soleil rayonnait, l'acacia s'épanouissait et le bourreau
abattait_....
Door het cursiveeren van den laatsten zin, in zijn poignante
tegenstellingen vol van een magistrale, zwaar dreunende zeggingskracht,
toont _Slousch_ wel duidelijk, welk een bevoegd docent zijn discipelen
in hem bezitten. Jammer, dat door de ontstentenis van den oorspronkelijken
Hebreeuwschen tekst den lezer van dit boek de mogelijkheid wordt onthouden,
ook zijn vertaal-talent te waardeeren. Een ander gedicht: _La Chose
(Dabar)_ van denzelfden dichter ontlokt onzen auteur deze opmerking:
Dans ce sanglot de désespoir suprême d'une pensee qui s'obstine à
vivre, bien qu'elle soit hantée de l'idée de la Fin, s'affirme une
sensibilité vivante et sympathique, qui mérite d'être connue de
notre siècle d'égoïsme et de positivisme à outrance.
En overtuig u hoezeer hij gelijk heeft: (Ik citeer slechts een klein
gedeelte.)
Car _une chose_ s'est declarée chez nous et personne ne sait ce
qu'elle signifie.
Est-ce un Lever ou un Coucher de soleil? Si c'est un Coucher,
est-ce pour jamais?
Car le Chaos qui nous entoure est grand. Il est terrible ce chaos,
et n'offre aucun refuge.
Et alors même que nous voudrions implorer dans les ténèbres, nous
livrer aux prières, quelle oreille nous écouterait?
Même si nous blasphémions, sur quelle tête retomberaient nos
blasphèmes?
Et lors même que nous grincerions des dents, que nous lèverions le
poing de colère, quelle nuque en serait atteinte? Le Chaos, le vent
emporterait tout sans laisser des traces.
[p.63] Plus de point d'appuis, plus de soutien, plus de chemin. Les
cieux se sont tus!
Ils savent combien ils sont criminels envers nous, et combien leur
crime est infernal, et ils portent silencieusement le poids de leur
faute.
Ouvre donc ta bouche, ô Prophète de la Fin, et si tu as quelque
chose à dire, dis-le!
Dût ta parole être amère comme la mort, dût-elle être la mort
elle-même, parle, dis-la!
Pourquoi craindrions-nous la mort, puisque déjà son ange chevauche
sur notre dos et met le mors dans notre bouche?
_Et en plein hymne de Renaissance chantant sur nos lèvres, en plein
délire de joie de vivre, nous galopons vers la tombe_....
En hoe val ik Slousch bij als hij van dien anderen groote,
Tchernikhovsky, zegt:
(Wat hij in zijn verzen geeft) c'est la vie réelle, l'effort que le
poète prêche aux fils degénerés du ghetto.
Débordant lui-même de la joie de vivre et d'agir, il exerce une
action d'autant plus grande sur le lecteur, ses propres collègues.
Il a conscience de son rôle de régénérateur. Il est aussi large,
aussi prodigue que la nature l'est pour lui-même.
Ja, inderdaad: "débordant de joie de vivre!" Luister slechts, ten slot,
naar dit:
Mais non! Elle ne mourra pas la Poésie! Elle ne mourra jamais! Même
le jour où l'homme ver parviendra à étendre son règne sur les
domaines du Ciel et des abîmes, à dompter les tonnerres et le feu,
et à jeter des clartés sur les ténèbres de la nuit polaire, elle ne
mourra point.... Dans les cadres d'or pur, dans les colliers des
rimes, l'enthousiasme de l'âme du poète jaillira puissant comme le
grondement superbe de la mer. Aux souvenirs des actes accomplis par
les pères aux temps passés et dans la félicité sans bornes des
siècles à venir, elle ne mourra pas, elle ne mourra jamais!...
Bialik en Tchernikhovsky! De een, de sterke, mannelijke drager en
bepeinzer van het schrijnende leed van millioenen, de ander de bazuin
van hun onverwoestbaar geloof in het leven en in de toekomst, beiden te
zaam een beeld van die edele revolutionnaire kracht, in welke de felle
en vernuftig-ondermijnende haat van het _intellect_ tegen het
verfoeielijk maatschappelijk _systeem_, zich heeft gepaard aan de
erbarmingsvolle [p.64] zachtheid van de _ziel_ jegens de _menschen_; een
beeld in één woord der revolutionnaire kracht van het stam-volk van
_Marx en Lassalle_!--Maar terwijl ik dit neerschrijf wordt weer het oude
en schaamtevolle betreuren in mij wakker. Mijn liefde voor de Bialik's
en Tchernikhovsky's, zij wijkt bleek en huiverend terug, gelijk een
hooghartig geweigerde liefde. En het is mij of dat rechtvaardig is, en
ik geen broederlijk deel aan noch recht op hen heb. Hoe bitter is dit:
dat ik in de maatschappij, waarin _ik_ leef, niets van het leven, het
denken, het voelen dier sterken en vurigen en in mijn eigen trekken noch
in die mijner westersche en vooral hollandsche stamgenooten gelijkenis
met hun geestelijk gelaat herken.
[DR. KARPELES: HEINE-RELIQUIEN.]
En dat kàn niet aan mijn blik liggen. Want denk ik daarentegen aan dat
andere, door mij nu te behandelen boek, het nog niet sinds lang
uitgegeven werk van Dr. Gustave Karpeles: _Heine Reliquien_, dan zie ik
daarin niet één mensch, hij zij Ariër of Semiet, of ik vind het meest
karakteristieke zijner wezenheid in de mij omringende menschen terug:
_Salomon Heine_, de man van de quasi-luidruchtigheid en jovialiteit,
welke zijn grimmig sarcasme moeten bedekken tot den tijd, dat het vlug
de venijnige nagelklauwtjes uitschiet, de man wiens diepste wezensaard
is: een onder zijn joodsch-bankiers-cynisme voortsmeulende en er
lichtelijk door gedompteerde vettige zinnelijkheid; _Gustave Heine_, de
gedistingeerde, veradellijkte cavallerie-officier, met zijn literaire
aspiraties en talentjes, met een manusje-van-alles-achtigheid in zich,
een aanpassingsvermogen, een abiliteit om zijn cocon op het juiste
tijdstip als glanzend vlindertje, de vleugeltjes beladen met stofgoud,
te kunnen verlaten, die buitengewoon zijn; de _Baron de Custine_, met
zijn verliefdheid op den Heiniaanschen geest; Varnhagen en Immermann,
"die hun best deden als ze aan Heine schreven, even geestig als hij te
zijn." ("Hoe dat uitviel is een andere zaak," voegt Karpeles er schalk
bij.) O, al die menschen ken ik empirisch èn intuïtief door en door!
Doch hoe veel beter ware het mij, als ik de Bialik's aldus kende! Maar
toch: niet alleen als vergelijkingsmateriaal [p.65] met het zoo oneindig
belangrijker werk van _Slousch_, is het boek interessant. Het is het
vooral om de figuur van den grooten Heinrich. Die blijkt ook hier weer
enorm! Luister even, bid ik u: 1 Febr. 1846 schrijft hij:
Lesen kann ich gar nicht, schreiben nur wenig. Ein Auge ist seit
einem Jahr ganz geschlossen, das andre sehr matt, und 2/3 des
Gesichtes, inclusive den Mund sind gelähmt. Dabei bin ich
lebensmuthig geblieben, und habe gar kein Lust mich ruhig mit
Füssen treten zu lassen. Im Gegentheil mich jucken die Fuszspitzen
und Gott sei genädig dem Hintern, den sie nächstens treffen.
Men ziet het: de verlamde en den dood zich nabij wetende Heine heeft
niets van zijn trotsche en vreeslooze strijdvaardigheid ingeboet. Ook
niets van zijn beroemde geestigheid! In die geestigheid had de
_Jiddische Witz_ zijn culminatiepunt gevonden. Moest ik deze laatste
karakteriseeren--en dit is wellicht tegenover den niet-joodschen lezer
niet ongewenscht--ik zou willen beweren: het is de geestigheid van een
gemoedelijken, uiterst _ervaringrijken_ en scherpzinnigen _grijsaard_,
een grijsaard, die ook die meest gewone eigenaardigheid van den ouderdom
vertoont, dat hij het innerlijk meer dan het uiterlijk zoowel van zijn
persoon als zijne uitingen verzorgt. En wat is trouwens natuurlijker dan
dat ook de geestigheid van 'n volk met een geschiedenis van 'n 4000
jaren, het karakter van die eens over-ervaringrijken, een weinig
sceptischen ouden drage?! Een aardig staaltje nu van dien geest, máár:
ver-Heiniaand, d.i. dus culmineerend, is dit: (Gustave Heine bezocht
zijn grooten broer aan diens ziekbed en vertelt ons daarvan het
volgende):
Im Laufe des Gespraches nahm ich ein französiches Journal zur Hand,
und nachdem ich seinen Inhalt überflogen, fragte ich Heinrich, was
er von den öffentlichen Personen Frankreichs halte. "Ach," sagte
er, "da musz ich Dir dieselben Worte sagen, die der alte
Französische Wachtmeister äusserte als der Lieferant Lewi seine
Ochsen ablieferte. Dieses geschah auf dem Marktplatze eines kleinen
Städtchens wo der Etat-Major stationirte, vor dem jedesmal die
Ochsen vorbeidefiliren mussten, um gezahlt zu werden. Hr. von Lewi
hatte versprochen 300 Ochsen zu liefern, hatte aber nur 100 Ochsen
zu seiner disposition. [p.66] Er liess deshalb die Ochsen einzeln
vor dem Etat-Major voorbeitreiben, und richtete es so ein, dass die
gemusterten Ochsen von seinen Knechten schnell zu dem einen Thore
hinaus, um die Stadt herum zu dem anderen wieder herein
getrieben wurden, so zwar, dass endlich von dem Etat-Major die Zahl
von 300 Ochsen richtig bescheinigt wurde. Nur ein alter
Wachtmeister der dabei war, schüttelte den Kopf mit Verwunderung
und bemerkte: Es käme ihm vor, als seien es immer dieselben
Ochsen."--"Ja lieber Bruder," schloss Heinrich, "auch mir wil es
vorkommen, als seien es immer dieselben Ochsen."
Maar Heine was wel voor een groot deel Jood, maar voor een ander deel
had hij niet alleen het essentiëele der Westersche beschaving in zich
opgenomen doch schijnt bovenal zijn elegant-amoureuse wezen doordrenkt
te zijn geworden van de geuren harer wellicht schoonste bloem, inderdaad
haar _fine fleur_: de frànsche cultuur. Want is in den volgenden bon-mot
niet vooral de geest belichaamd van het ridderlijk volk, wien geen
enkele omstandigheid, zij 't de ontzettendste ziekte of wreedst-
aangluipende dood, de schoone geste, den Meester-lijken glimlach en de
fijn-geslepen scherts zijner courtoisie kan verhinderen of doen tanen?
Kort voor Heine's sterven, maakt hij aan zijn ziekbed kennis met zijn
schoonzuster, Gustave's vrouw; hij licht, om haar te kunnen aanzien, met
de eene hand zijn verlamde ooglid op, vat met de andere _haar hand_
en zegt tot _Gustave_:
Bruder, Du warst klüger als ich, Du nahmst Dir von den Uebelen das
kleinste."
Men begrijpe mij wèl: ik beweerde niet dat Heine's figuur ook in dit
boek enorm blijkt, omdat ik dergelijke speelsche geestigheden als de
hier geciteerde bij tientallen er in vind, neen, ik beweerde het, omdat
hij, _lijdend aan tabes dorsalis, en gedurende een zevental jaren
slechts eenmaal zijn kamer voor het balcon verlaten hebbend_, ze kon
zeggen! Want Multatuli vergiste zich, toen hij de Gnomen, die een mensch
uitkleeden tot op het bloote lijf, tot hij niets meer is dan hij _is_,
ònder den grond meende te wonen, zij leven _daarboven_: zij heeten:
_eenzaamheid, ziekte, gedwongen lediggang_!
[BONN: EEN BONTE VLUCHT VAN VERZEN.]
In 't algemeen zou het een studie overwaard zijn, eens na
[p.67] te gaan, in welk een sterke mate Heine de moderne dichters en
vooral die van joodschen stam beïnvloed heeft en nog ten huidigen dage
beïnvloedt. Voor Nederland echter zou het resultaat vrij pover zijn. Om
ons nu tot de joodsche auteurs te bepalen, lijkt mij _Josef Cohen_ wel
de eenige, die aan het vervaardigen van Heiniaantjes doet, of deed; _van
Collem_ is daar ongetwijfeld, blijkens zijn zeer raak typeerende
wrang-joodsche schertsdichtjes te oorspronkelijk voor; _de Haan_ veel te
zwaar, te onspeels-ernstig en vooral in zijn stijl-natuur te
van-Deysseliaansch-afgemeten en niet-uit-de-plooi-komend. En de Haan
heeft waarlijk ook wel iets beters te doen, dan een ander bewust na te
volgen. Zijn joodsche _Liederen_, in _De Gids_ van 1910 verschenen, zijn
van een zeldzame voortreffelijkheid. Het zijn juweeltjes van stemming en
zich-in-liefde-herinneren. Het zijn verzen-met-geloken-oogen, in een
diep-innerlijken droom verzonken en er zich niet van bewust dat hun
droom uitspreken, en gehoord worden buiten zich. Het aan _Het Joodsch
Nationaalfonds_ gewijde gedicht in _De Beweging_ van deze maand lijkt
mij niet zoo uitmuntend. Het is dunkt mij te onvrij van min of meer
cerebrale, bedàchte, alledaagsche motieven van nationalen trots en
Zionistische toekomsthoop, _die niet in de dichterlijke conceptie en
uiting verbijzonderd en verindividualiseerd zijn_. Is deze, mijns
inziens beste onder de joodsch nederlandsche dichters, tegelijkertijd 't
innigst joodsch-gevoelig, _Bonn_, wiens bundel _Een Bonte Vlucht van
Verzen_ hier voor mij ligt, lijkt mij heelemaal geen Jood meer, maar op
end' op een hollandsch-socialistisch dichter uit, het zij zonder zweem
van geringschatting gezegd, de Nieuwe-Tijd-kweekerij, d.w.z. wat een
groot deel van zijn onderwerpen-keus en gedachten-objecten betreft:
_arbeiders en het socialisme_, en dan verder: hollandsche weidjes;
hollandsche koetjes; huiselijk leven--heel innig!--. Maar zijn
levend-rythmische zangerigheid is van hem-zelf en ook zijn buitengewone
gedachten-ònbelangrijkheid. En--'t zal u zoo op het eerste gehoor wat
vreemd lijken!--niet alleen de aanwezigheid van de eerste maar ook van
de laatste _naast de eerste_, laat weten, dat hij een echt dichter is,
al moet [p.68] ik hem tegelijkertijd den ernstigen raad geven niet met
die onbelangrijkheid (= "eenvoud") te gaan coquetteeren, want dan zou
dàt een maniertje, zijn werk rhetorisch en hij zelf een rijmelaar
worden! Maar nú zij het volmondig gezegd: Wie zulke niemendalletjes tot
zoo betrekkelijk schoone verzen--men weet, ik doe te dezer plaatse niet
aan eigenlijke détailkritiek--weet om te vormen, dat is een dichter.
Om nu echter nog even tot den stralenden lichttoren zelf onze aandacht
te bepalen, nadat we wat vogels hebben nageöogd, die zich neerzetten op
zijn transen of er in slaagden den invloed zijner glans te ontkomen en
hem voorbij te varen in hun vlucht: Heine bedoelde ongetwijfeld iets
dergelijks als dit laatste wat ik opmerkte omtrent Bonn, toen hij zei,
dat ieder dichterlijk aangelegde wel 'ns een episch of andersoortig
gedicht kon schrijven, maar dat _de_ toetssteen voor den dichter het
_lied_ was; doch zoo men het al niet uit zijn geheele oeuvre wist, zijn
inkleeding van die meening laat sterk voelen hoe door en door een
lyricus ook hij was; neen, zeker, ook in Heine's genie was nagenoeg
niets episch. En indien we nu zoowel naar _Bialik_ zien, die een poëem
schrijft, waarin hij naar _Slousch's_ getuigenis, de Kischinewsche
gruwelen haarfijn beschrijft, als naar Heine, die ten deele de kracht
zijner felle satyre ontleende aan het scherp zien der realiteit, dan
wordt het duidelijk, dat men ter verklaring waarom zich bij de Joden het
naturalistisch-episch genie niet ontwikkeld heeft, zich niet van hetgeen
_Slousch_ opmerkt bedienen kan. Deze zegt nml.: ... "les lettres hébreux
aimèrent à se refugier dans la sensibilité romantique, qui écartait
d'eux une perception trop nette de la réalité."
Neen, de oorzaak moet elders gezocht worden! En mij lijkt zij geen
andere dan dat de Joden, verdrukt en vervolgd of slechts geduld als zij
worden en waren, niet langer _als heerschers_ tegenover het hen
omringende leven konden staan, dat het _heerschersbewustzijn, ook in de
besten hunner, door reeksen van vertrapte en duldende geslachten
ondermijnd, niet leven kon_, en--de lezer herinnert zich wellicht dat ik
in mijn opstel over _H. Roland Holst_ reeds zeer nadrukkelijk op dit
[p.69] feit heb gewezen en er de oorzaak van heb verklaard:[9]--_dit
heerschersbewustzijn is onontbeerlijk voor den objectieven menschschepper
bij uitstek, die de naturalistische epicus moet zijn_, en het is, dunkt
mij, dan ook door den meest botte niet langer een toeval te heeten--immers
men noemt een toeval datgene waarvan men de gebeurenslogiek, de
noodwendigheid _niet ziet_--dat juist in ons Holland niet alleen een
van joodsche geboorte zijnde naturalistische dramaturg van enorme
verdienste en productiviteit, _Heijermans_, is opgestaan, maar ook
een groot naturalistisch epicus, voor de allereerste maal van joodschen
stam en de evenknie in mensch-scheppend genie der groote epici van de
andere natiën: _Is. Querido_.
[IS. QUERIDO: DE JORDAAN.]
Met Querido's jongste werk, mag men zonder vrees voor gegronde
tegenspraak beweren, blijkt voor de allereerste maal een groot joodsch
epicus te kunnen bestaan. Alle filosofische, lyrische en didactische
bijmengsels, tot nu toe in zóó sterke mate in epiek van Joden aanwezig,
dat zij hoofdbestanddeel werden en de epiek in hen verzonk, zijn hier
weggevallen. Hier is door het Joodsche genie dan eindelijk de macht tot
de naakte, pure en in geenerlei opzicht versierde of opgesmukte
menschbeelding veroverd. En dit ten-slotte-bereiken na eeuwen
worsteling, dit vermeesteren na het opstormen als een zee tegen een
onwrikbare weer van rotsen, na het terugdeinzen dan weer èn opstormen
opnieuw, en de ééuwen door, dag na dag en nacht na nacht, tot het
onverwrikbare verwrikt, verpoeierd en vermolmd en een der, meestal
onbewuste, levens-doelen bereikt is--dat is iets wat het Joodsche ras
zeer eigen is, dit onverbrekelijke, nederige èn trotsche ras, dat ras
van schuimende dondering en vleiïg gefluister, dat opgolft tot de
hemelen en neerzinkt tot in den afgrond; een "halsstarrig volk"
inderdaad, dat door alle vervolging en alle verdrukking heen--om
_Slousch's_ woorden te gebruiken--: ne cessa d'évoluer, de se
transformer et de s'impregner du génie de toutes les races, de toutes
les civilisations, pour aboutir de nos jours à l'éclosion d'une
littérature [p.70] moderne. Het kan lang duren vóór een der doelwitten
van zijn onbewusten levenswil is bereikt; het kan middelerwijl
tienduizenden zijner zonen door moordenaarshanden zien slachten, en
millioenen zijner kinderen verliezen in de corrompeerende verlokkingen
der vreemde maatschappijen; het kan neergeslagen, verjaagd, geminacht,
bespot en bespogen worden; dat alles deert zijn kernwezen niet, ja het
lijkt wel of het trotsche woord van zijn God voor hem-zelf was
geschreven: "Zij kunnen mij vertragen noch verhaasten": onverzettelijk
blijft het streven naar het vitale doel. Die stroom van menschelijke
energie, hij holt langzaam maar onvermoeid,--zóó klaar zie ik geen
ander beeld--den rots der weerstreving uit. Om zich sterk tot dien
arbeid te maken en de geweldig aandonderende stuwkracht zijner golven te
behouden, stroomt hij een langen, langen weg door vele wereldrijken. En
hij heeft dan ook vele der schepen aangevoerd, die den volkeren het
voedzaamst koren, de geurigste specerij en de stralendste kostbaarheden
brachten.... Maar óók altijd door blijft het zijn bestemming, als
tartend, door zijne kracht- en glanzingen-zelf te vragen: Wordt een
wereldstroom verontreinigd, doordat er drek in wordt uitgestort?... Kan
men hem afdammen en versmoren, zonder dat de dam vergruizeld wordt?...
Kan men hem berooven van de zon-beglinstering, of hem afdekken opdat de
regen, hem verrijkend, zich niet met hem vereene?... Kan men een volk of
zelfs een enkeling afhouden van zijn vitale doel?... Zou men voor eeuwig
het heerschersbewustzijn kunnen dooden in iets wat leeft, en dat toch
òmdat het leeft, tot het bereiken van het goddelijk- en heerscher-zijn
blijkt bestemd?...--Tot hij na de schemer-duistere seizoenen weer lente
en zomer gemoet en de stralen der Scheppende Natuur zijn kracht en zijn
glanzingen niet langer een tartende vraag laten zijn, maar tot een
openfonkelend antwoord doen òpschitteren.... Dit boek van Querido is
zulk een antwoord.
In één scheppingsdrift, en meer ontbloot van alle bijoogmerken en
bewuste tendenzen, dan sommige Zolaïstische [p.71] werken; naakter van
romantiek en brillante combinaties in de compositie of geestige
subtiliteitjes in de dialoog--men achte dit een fout dan wel een deugd,
ik vermeld het hier als een natuurlijke, dat is dus logische eigenschap
van het werk, en dus een deugd--dan de Balzac niet alleen, maar zelfs
dan Zola, is dit boek één geweldige visie van het volksleven, in
koortsende opwenteling en afdeinzing naar en van een onbegrepen doel, in
de koude en de hitte, in het leed en de vreugde der aan- en weg-rollende
dagen, zonder begin, en zonder einde, zooals er bij mijn weten nog niet
bestond. Men voelt in dit werk een onstilbaar verlangen, een brandenden
hartstocht, primitief-natuurlijk en vurig-dorstend als lijfelijke
parensdrang, naar het herscheppen van de "doode" en de "levende" Natuur,
een onverzadigbaar begeeren naar het doorvoelen en scheppen van
menschen, aldoor meer en nooit genoeg, ménigten van menschen, de
oogenglinsters van den een weg-duisterend achter de naar voren dringende
lijven der anderen, een gaan en verdwijnen van aldoor nieuwe wezens,
toch nóóit een verdwijnen, vóór, in een stralende doorlichting, het
kernwezen zich heeft getoond. Deze roman is niet wat men een roman
pleegt te noemen, het doet geen poging dan--helaas!--in den titel, iets
dergelijks te schijnen[10]. Ook [p.72] wil dit werk niet geestig, niet
vernuftig, niet humoristisch zijn; het wil alleen het essentiëele van
een zeker levensonderdeel wezen, maar juist _omdat_ het dit alléén wil
zijn en is, bezit het al de zooeven genoemde eigenschappen mede. _Want
er is geen essentieel leven, dat niet geestig, vernuftig en humoristisch
zou zijn_. Men vindt, compositorisch gesproken, geen begin of einde aan
dit boek, schoon hier wel een zwakke daling en ginds weer een zwakke
climax. _Aan weerszijden_ van het werk, tijdelijk en ruimtelijk, lijdt,
zwoegt, overwint en wordt overwonnen hetzelfde leven. Hoe langer wij
zien naar deze schepping, hoe meer wij er van worden bewust: dit is een
brok uit het levensgeheel, waarop wij zoo dikwijls gestaard hebben met
onze weenende en lachende, met onze moede en sterke oogen, dit is een
land als een ander, midden de oneindige levensrijken, het leven hier is
als het leven daar, [p.73] maar zie: _dit_ land met al zijn wezens
straalt van één klaarheid en raadsellóósheid: _het licht eener
verhelderende, scheppende genialiteit is erover opgegaan_, en terwijl we
op de ermee verbonden levensrijken het leven in-duister-en-onbegrepen-zien,
worden we hier verrukt door het begrijpen en doorvoelen, dat een groot
kunstenaar voor zichzelf maar ook voor ons gedaan heeft. _Daarom_ is het
zóó één met het leven, dat men nauwelijks te voelen waagt, dat het kùnst
is, maar _daarom tevens_ straalt het zoo _verklaard_ en _verhelderd_ òp
uit het leven, dat men aan niets anders dènken kàn, dan dat het kunst
is, tot, ten slotte, het oog gewend en het verstand zich bezinnend, men
in een hooger doorvoelen de beide gewaarwordingen vereent en begrijpt
dat deze stralende top op den donkeren berg van geen ander graniet dan
de berg-zelf is, dat dit hel-lichtende veld midden de naar den donkeren
einder wegduisterende avondlanden geen ander land dan deze is, maar dat
het 't stralende licht is dat _voor ons_ zoowel dien bergtop als dit
veld iets anders doet zijn; dat het dit dóórlichtende licht is, dat dit
boek, zoo één met het al-leven, _voor ons_ toch nog iets anders dan dat
al-leven doet zijn, want òns nu _doorvoeld, verklaard_ leven is
geworden.
Men zal hier van mij geen detailleerend exposé van den inhoud verlangen.
Niet alleen, dat dit bij een werk, dat in één week tijds, zijn tweeden
druk en vijfde duizendtal bereikt en dus wel verondersteld mag worden,
in de handen aller ontwikkelden te komen, wel een weinig overbodig
heeten mag, maar het heeft ook nauwelijks zin bij een epos van de
_massa_ als dit, al is het tevens--en dit is een zijner schoonste
triomfen!--een epos van de _individuën_, die de massa samenstellen. Want
het maatschappelijk leven der massa, die men gewoon is ter
onderscheiding van burgerij en hoogere standen, het "volk" te noemen,
verschilt hierin van dat dier burgerij en hoogere standen, dat het voor
alle individuën in hoofdzaak vrijwel gelijk is. Jenever, krotten,
ontbering en uitbuiting, ziehier het maatschappelijk beeld in ruwe
trekken, van dat levensgeheel. En zoodra ge dit [p.74] kent, begrijpt
ge, dat binnen de grenzen daarvan nagenoeg geen ruimte voor
uitzonderlijke maatschappelijke stijgingen of dalingen van individuën
is, geen ruimte ook voor "zaken," intrigues en sociale avontuurlijkheden,
die gij het naproeven waard zoudt kunnen vinden. Met andere woorden: het
verhaal van de levensomstandigheden eens ministers, eens bankiers kan
zeer wel van een uiterste belangrijkheid zijn, óók al kent gij de
levensomstandigheden van twintig andere ministers en bankiers en ook al
_onthoudt het verhaal u alle wetenschap van de psychische reacties van
dien minister of bankier op zijn levensomstandigheden_, maar zoodra ge
de levensomstandigheden van één _Jordaner_ kent, kan alléén de
benieuwdheid naar de _individueele_ psychische reacties u bewegen, ook
van de, immers _niet-individueele_, levensomstandigheden van een twééden
_Jordaner_ kennis te nemen. Want--ik herhaal het--de
_levensomstandigheden-zelf_ van den tweeden lijken, als twee druppels
water op elkaar, op die des eersten, en al zal er ongetwijfeld verschil
bestaan, dat verschil is in ons _oog_--en op _ons_ oog komt het hier
voornamelijk aan--even microscopisch als tusschen die twee druppelen
water. _Dàt_ proletariërsleven ... dan een beetje méér, dan een beetje
minder misère--wij huiveren èn van het meerdere èn van het mindere; het
blijft voor ons hoogere-standsgevoel één pot viezig nat! En nu begrijpt
ge meteen wel, waarom ik het ontbreken van zekere brillante combinaties
en subtiliteiten een logische eigenschap en dus een deugd van dit werk
noemde--immers dergelijke combinaties en vervlechtingen zouden hier niet
meer of minder dan een soort levens-vervalsching zijn geweest!--zooals
ge tevens begrijpt in hoe hooge mate het een proefsteen voor den
menschschepper en psychologischen doorgronder is, daar het uitteraard
alléén zijn blijvende belangwekkendheid ontleenen kon--gelijk we reeds
gezien hebben--aan de weergave der _individueele psychische_ reacties
naast die van de _psychologie_ der massa, al zal menigeen het zijn
_begonnen_ te lezen uit nieuwsgierigheid--en nog wat!--naar dat hem
onbekende, duister-broeiende leven....--En welk een belangrijkheid bezit
het [p.75] door die weergave! Hoezeer kan het alle intrigue, en wat dies
meer zij, missen!... Eén stróóm van lichtende menschelijkheid bestraalt
ons en maakt ons tot verklaarden, en nimmer heeft het aanzien der
_verscheidenheid_ mij zulk een _gevoels_-begrip van _eenheid_ geschonken
als het beschouwen der machtige verscheidenheid in dit werk.
Het is het _heerschersbewustzijn_ van den auteur, dat
bestaansmogelijkheid scheppende oorzaak is--gelijk ik reeds aanduidde
--van al het voortreffelijke in dezen arbeid en tevens zelf het
voortreffelijkste kan worden genoemd, zóó als de aarde en het zonlicht
het voortreffelijkste in een tuin van zelfs alleredelste bloemen zijn.
Hoe langer ik dit werk, ook in verband met vroegeren arbeid van
denzelfden auteur, overdenk, hoe duidelijker ik voel, dat hij
vermoedelijk nog nooit iemand in zijn leven ontmoet heeft, of diep in
z'n hart heeft hij zich psychisch diens meerdere geweten. Zijn
subjectieve meerderheidsgevoel, dat hem tevens heerschersnatuur doet
zijn, maakt zijn essentiëele grootheid uit. En het doet tot die
grootheid weinig toe of af, of dat subjectieve gevoel al dan niet gehéél
met een "objectieve" werkelijkheid overeenkomt.[11] Men zegge niet, dat
het zich-meerdere-gevoelen door den auteur tegenover de "onontwikkelde"
en "laag-staande" menschen van dit boek een zonderlinge grond is [p.76]
voor de conclusie, dat hij zich meerdere van vrijwel iedereen zou
gevoelen. Want: deze _verstandelijk_ onontwikkelden zijn dat _psychisch
niet_, en _op dit laatste komt het aan_. Want wat het laagstaan dier
menschen betreft: vraag, lezer, u zelf eens af, of gij u licht op dit
oogenblik kunt voorstellen te leven een _psychisch_-frisschere en ook
sterkere figuur dan _Neel Burk_; een _psychisch_-reinere, dan _Huib
Kilometerboekje_--welk een prachtig mystisch-diep begrip van de waarde
en de beteekenis der aangeboren, door het tijdelijk _persoons_-leven niet
meer te deren zielseigenschappen toont hier de schrijver!--een
_psychisch_ meer bijzondere en reinere dan de tooverkol en schijnbaar
belachelijke Tante Antje met haar _aandoenlijke onbaatzuchtigheid_--en
men heeft in het feit, dat de schrijver niets gedaan heeft om die
uiterlijke belachelijkheid en abjectheid te verminderen, weer een
prachtig bewijs van het passief blijven zijner lagere persoonlijkheid!
--maar, vóór u zelf, lezer, deze vragen te stellen, zie toch nog eens
duidelijk in, hoe weinig _psychische_ begaafdheid met _verstandelijke_
ontwikkeling en begaafdheid _behoeft_ te maken te hebben. Onderscheid
goed den _uiterlijken_ glans van den _innerlijken_ glans. En overweeg
eens, waardoor het mogelijk wordt, dat bijvoorbeeld een analfabetische
daglooner, iets in zijn blik, zijn gelaat, zijn stem kan hebben, dat een
zeer voornaam, zeer geleerd, zeer wijs en zelfs zeer goed mensch plots,
in een oogenblik van hèl-lucide erkenning, zijn minderheid kan doen
gevoelen. Zou dat niet zijn, omdat in zulk een oogenblik voor het oog
van de ziel, alle tijdelijke, geestelijke zoowel als stoffelijke,
uiterlijkheid is weggevallen en _ziel_ slechts _ziel_ ziet?
Indien men de aanwezigheid van het machtige heerschersbewustzijn in
onzen auteur door ontleding van zijn werk wilde _bewijzen_, men zou dit
reeds alleen door de analyse van de figuur _Stijn Burk_ afkunnen. Niet
alleen, omdat het dan reeds voor ieder duidelijk zou worden, dat een
dergelijke allerwonderlijkst gecompliceerde en in de diepte en hoogte
zeer ver uitgegroeide persoonlijkheid niet te begrijpen is [p.77] zonder
haar te beheerschen, maar vooral, omdat men zou inzien, dat met geen
mogelijkheid zulk een mensch--allerteederste vader, schuchter man met
sterk plichtsgevoel, vriend bij voorkeur van misdadigers en toch zelf
niet bij machte ooit iets baatzuchtig-misdadigs te doen en daarmee weer
schijnbaar contrasteerend: een dronkaard van duivelsch-kouden moordlust
doorkild--zóó doorgrond, zóó in zijn componeerende elementen herleid en
toch zoo intact, zoo fel-lévend kon gehouden worden als hij is, door
observatie _van buiten af_, maar dat hiervoor onontbeerlijk was een
_onderduiken_, beter wellicht een tijdelijk opgaan te noemen, van den
auteursgeest in dien zijner figuur.[12] En dit nu, dit tijdelijk zich,
zonder eigen bewustheid te verliezen, opgaan in het bewustzijn van een
ander, is alleen den _heerscher_ ten opzichte van den
_absoluut-beheerschte_ mogelijk, den veel grootere tegenover den
kleinere--precies dus het tegenovergestelde van de analoge stoffelijke
verhouding, waarbij slechts het kleinere het grootere kan
binnengaan--nimmer echter den geringere ten opzichte van den machtiger.
En, het zij hier terloops gezegd: ik geloof dat _de_ grond-oorzaak dier
onmogelijkheid is de _psychische vrees voor het onbekende_, die, om zoo
te zeggen, de acute vorm is van de chronische psychische schuchterheid
van hen, die zich in den loop van hun leven vaak en van velen de mindere
moeten voelen, en die het daarom bij al hun waarnemingen nooit verder
dan tot _benaderen_ brengen, alles slechts van den _buitenkant_
angstvallig betasten en nooit iets durven _binnentreden_.
[p.78] Er is zelfs in dit werk een taalkundige eigenaardigheid aan te
wijzen, die duidelijk belicht, dat dit "onderduiken" in het leven zijner
figuren, bij wijle zoo sterk bij dezen schrijver was, dat hij zelfs
eigen bewustheid tijdelijk verloor, d.w.z. zich dan niet duidelijk
rekenschap van zijn artistieke handelingen kon geven. Ik bedoel met die
eigenaardigheid het waarlijk overbluffend veelvuldig gebruik van het
voorzetsel "ver" bij werkwoorden, ongetwijfeld een geniale vondst in
zich-zelf, en als zoodanig ook vaak geniaal te pas, maar vaker grovelijk
te onpas aangewend. Waarom dit echter, zooals ik zei, óók het opgaan van
den auteur in het leven zijner figuren belicht, ziet men duidelijk op
blz. 337, waar, onmiskenbaar, in de uitdrukking: "Sau f'rtrippele se 't
op 't teneil nie...." die "ver"-spreek-wijze aan de taal der Jordaners
zelf blijkt ontleend!
Maar is Querido's machtig heerschersbewustzijn ten opzichte zijner
scheppingen, zoowel als de onontbeerlijkheid daarvan voor het welslagen
als episch auteur, aan _Stijn Burk_ en al de andere prachtig _geslaagde_
figuren te demonstreeren, die onontbeerlijkheid alleen zou men ook
vrijwel kunnen aantoonen, door de aandacht te vestigen op die ééne
minder geslaagde in het geheele boek--ofschoon ook die zeer zeker een
waarlijk-levend mensch is gebleven--jegens wien hem grootendeels het
heerschersbewustzijn ontbroken heeft: _Karel Burk_, den begaafden _Don
Juan_ van de _Jordaan_. Men merkt dit ontbreken aan het feit, dat,
zoodra het Karel Burk geldt, _persoonlijke_ liefde, d.i. liefde jegens
die figuur, in de plaats treedt van de onpersoonlijke
_menschheids_liefde. Want waar dit _psychische_ heerschersbewustzijn
is--het hoogste waarschijnlijk, dat een mensch bezitten kan, en dat men
vooral niet moet verwarren met allerlei lagere verwante vormen, zooals
heerschzucht, bazigheid, enz.!--daar is die _menschheids_liefde en
omgekeerd, maar waar, daarentegen, genegenheid voor een _persoon_
optreedt, daar wordt het heerschersbewustzijn ten opzichte dier persoon
gebroken. _De heerscher laat den schepter vallen, wijl hij zijn
onderdaan omhelzen wil_.
[p.79] De reden, waarom dit juist bij deze figuur is gebeurd, ligt m.i.
open en bloot. In _Karel Hurk_, den _buitengewoon-intuïtieven
psychologischen doorgronder_; den _artistieken waaghals en bereiker_,
die de moeielijkheden zoekt, om ze te overwinnen, in wiens, vooral om
die halsbrekende moeilijkheden zoo zeer geliefde, en telkens
prachtig-op-het-kantje-af, meesterlijk-gratieus uitgevoerde
dans-bewegingen, zijn vermetele en rijk-begaafde ziel pas goed tot
uiting komt; in _Karel Burk_, den muzikaal hevig gevoelige; de, kortom,
_zéér artistieke heerschersfiguur_, ligt, op een veel lager plan, een
flink brok van Querido's eigen kunstenaarsnatuur getransponeerd. En dit
transponeeren moge bewust of onbewust geschied zijn, het feit was
voldoende, om des schrijvers heerschersbewustzijn te verlammen, want
Querido is een van de weinigen, wellicht de eenige, tegenover wien
Querido--en dit spreekt m.i. van zelf--zich, in den boven aangegeven
zin, geen heerscher voelt.
Men lette er ook op, dat in dit boek--en wat ik nu zeggen ga, bied ik
niet aan als een _bewijs_ mijner bewering, maar slechts als een
_ondersteuning_ ervan--vol van allerprachtigste dialoog, vol van
uitstekende beheersching en te-pas-brenging van het Jordaansche
taaleigen ook in de meditatie der figuren (in zijn enormen rijkdom aan
volksuitdrukkingen en de meesterlijke aanwending daarvan overtreft het
zelfs _Wolf_ en _Deken_, en dàt wil wat zeggen!) dat in dit boek, juist
bij _Karel Burk_ een uit-den-toon-vallen plaats vindt:
Wat was 't toch 'n fijn gezicht, zóó van het glinsterende en
vonkende water òver de dwarsbruggen de lucht in te _koekeloeren_,
tot je in de verte het torenhaantje in de hoogte zag blinken als
een gloeiende, _trillend-gouden wiek van een stil-drijvenden vogel
in het starre blauw_.
Uit het woord "koekeloeren" blijkt duidelijk, dat de bedoeling was de
gewaarwordingen van _Burk_ in _Burksch_ dialect te geven en die dus niet
in Queridoïaansche zegging om te zetten, maar uit het laatste door mij
gecursiveerde zinsdeel blijkt even duidelijk, dat het Querido-brok in
_Burk_, Querido, den schepper van _Burk_ hier de baas was!
[p.80] Ik zei straks, dat, compositorisch gesproken, er begin noch einde
aan het boek is. Voor wie meenen mocht, dat ik dit een fout in het werk
acht, zij onmiddellijk verklaard, dat ik dit integendeel, _hier_, een
schitterende deugd vind. Een lastig probleem en een zeer groote
moeilijkheid werden hierdoor volkomen opgelost en overwonnen. Bedoeld
was m.i. namelijk _niet_ in de _allereerste_ plaats een beeld te geven
van het leven van zekere _individuën_, van een leven dus, welks
eng-begrensde duur zijn vast en duidelijk begrip in onzen geest heeft,
máár, in de _allereerste_ plaats, van een brok _volks_leven, d.w.z.: een
leven, welks begin en einde ver buiten onze _onmiddellijke perceptie_
liggen. Want is onze indruk van een _persoonlijk_ bestaan die van iets
eindigs, onze _gevoels_indruk van het _maatschappelijk_, van het
_massa_-leven is daarentegen die van iets _on_eindigs. Doch, een brok
massa-leven, zóó meesterlijk, zóó boordevol vitaliteit te geven als in
dit boek, is niet mogelijk, zonder de samenstellende deelen van dat
leven: de individuën, alleruitstekendst te beelden, maar zoodra dit
gebeurt--_en dit is de moeilijkheid, waarvan ik hierboven sprak_--dreigt
de daardoor ontstaande indruk van het _begrensde_ en _eindige_, te
verhinderen, dat zijn tegendeel: de gevoelsindruk van het
_oneindige_--welke we immers van het _massa_-leven, _als geheel_,
behooren te krijgen--bij ons ontstaat. Om de bovenstaande bedoeling dus
te verwezenlijken; te zorgen dat de tegenstrijdige indrukken zóó worden
te weeg gebracht, dat zij elkaar niet vernietigen en dus: ons het
oneindige te laten voelen van een zeker levens_geheel_, naast de een
_eindigheidsindruk_ verwekkende uitbeelding der _eindige deelen_, moest
naar het hulpmiddel van een zekere wijze van componeeren worden
gegrepen, ten eerste: het geven van een nagenoeg climaxloozen
verhaalgang--_want stijging, daling en, in een woord, wisseling in een
geheel, versterken den eindigheidsindruk_--en, ten tweede, het als 't
ware doen voortloopen van het tafereel tot buiten het kader, waardoor we
de gewaarwording krijgen, alsof de begrenzing is aangebracht, alleen ter
tegemoetkoming aan òns niet oneindig ver dragend perceptievermogen, en
_niet_ omdat het [p.81] gebeelde leven hierin werkelijk kon omraamd, en
zoodat het ons is alsof ons wierd gezegd: zoo uwe oogen het toelaten,
zie dàn verder, hoe eindeloos het leven blijft, blijft doorvloeien,
ééuwig voort.--Door dit alles dus verkregen we een meesterstuk, welks
felle uitbeelding van het eindige leven ons gevoel, dat wij hier ook het
oneindige zagen, niet schaden kon.
Maar ook in ander opzicht blijkt het compositorisch-geniale van onzen
auteur: in zijn aanwending van nevens elkander gestelde contrasten. Men
lette eens op de impressie, welke de prachtig geschreven terugblik op
het leven van _Neel Burk_ met haar eersten man, den zachten _Gronjee_
maakt, te midden van de beelding van haar leed-en-angst-bestaan, nu zij
getrouwd is met den onberekenbaren _Stijn Bark_: of, en dat brengt mij
meteen ertoe te spreken van de prachtige beschrijvingen in dit boek, men
zie eens naar de neven-elkander-stelling van deze contrasteerende
stad-en-land uitbeeldingen:
't Had rauw geklonken door de buurt, al om vier uur vroeg.
--Luilèk ... biddesèk, stoat om neige ure op ... neige of
hèlleftien.... hep je de Luilèk nauit gesien?--Een donkere worp van
doode ratten en katten, weken lang al vooruit in de polders als
prooi beloerd, was dof néérgebonkt op ruiten en ramen van
beluilakte buurtgenooten, die woedend met bedreigingen losschoten,
zonder iets te durven doen.--Een paar dagen later hadden diezelfde
kinderen zich de morsige handen koel afgespoeld in de buitensche
slootjes en gezocht naar de rose-witte en hel-gele, stralende
pinksterbloemen en de zalm-roode klaproos.--Met land- en grasgeurig
doorzwoelde bouquetten, vol koekoek en gele lisch, met vetglanzende
boteren paardebloemen, waren zij komen aanzwalken bij troepjes van
Amstelveen, Ringdijk, Ouderkerk, Rietlanden en Watergraafsmeer. De
morsige handjes hadden bij duizenden rondgestrooid àl wat de gouden
zomer liet bloeien aan slootkanten, op wei en veld. _De kinderen
hadden in driftigen lente-roes, de kleurige en riet-bepluimde
oevertjes van Amsterdamsen buiten geplunderd, struiken en halmen
vertrapt en afgerukt, voor bemachtiging van ooievaarsblom en
waterranonkel. De handjes hadden wild gegraaid tusschen blonde
sterre-bloempjes fijnstraal, en plompen, soms terugschrikkend voor
een graspieper, ze langs 't gezicht fladderend, of weggelekt door
een flonkervleugels-vertrillende [p.82] libel, die dronken om het
vanielje-geurige zoet van witte orchideeën heen-kringde._[13]
Zoo hadden de kinderen geplukt, geplukt, en de verbrokkelde en
geknauwde armoe-buurten van de Jordaan, voor eenige uren òpgetooid
met 't geel-goud, purper en wit gebloemt van buiten.--_Uitgesleten,
kist-donkere en lood-rechte slingertrapjes, waren oversmakt van
stervende ruikertjes. Op vunzige stoepjes en in duister-verhulde
kelders, waar altijd de goot borrelde of stonk, was bloemsap
gedruppeld, rookten geuren nà van klaver en iris, waterbezie en
bitterzoet_.--Even maar hadden de kinderen, rondslenterend in hun
vacantie, in hun sjofele plunje meegedragen naar de gore stegen en
walmende straten, lucht van oevergras en versch hooi, _dadelijk
weer gedoofd door bak-stank van visch-stalletjes, die, in goedkoop
oliedrenksel, scholletjes en botjes in steen-glazuren kommen voor
de gulzige Pinkster-smakkers gereed hielden._--_Want dwars tusschen
het zomerig zoeken der kinderen naar de blank-blauwe lucht van het
wijde landschap, naar den koelenden watergeur, en 't loeren op 't
geheimzinnig stekeltjes- en torren-gekrioel in de
hemel-verspiegelende slootjes_,--_gierde het luidruchtig vertier
der volwassenen. In potwagens, bonte Jan Pleziers, open bakken en
hooge tent-karretjes, zwijmden dronken stelletjes van vier, zes,
acht en twaalf soms, bijeengeperst in de gloeihitte, verzweet en
opgewonden_.--_De keien hadden geschud van de ratelende en rollende
vigelant-wielen. Tot 's avonds bonkerden ze door, als de roode zon
al verwilderenden weerschijn op de zatte en afgestompte tronies
vlamde_.
Vormen deze tegenstellingen niet een compositorisch schoon? En zijn de
beschrijvingen-zelf niet van een verrukkelijke vorm-, geur- en
atmosfeergeving? Maar toch, ware het niet geweest om daarmee mijne
bewering betreffende de compositie te ondersteunen, ik zou verkeerd
gedaan hebben met dit te citeeren, terwijl ik al dat andere minstens
even mooie niet aanhalen kan: de prachtig-uitgebeelde dansen, de
machtig-gegeven vechtpartijen, zooals die op de Aal-markt, in het
magistrale eerste hoofdstuk, en het bijna-doodtrappen door _Stijn Burk_,
in zijn dronkenschap en daardoor ontstanen koud-duivelschen moordlust,
van zijn zwangere vrouw, met op het einde, als Stijn onder de macht der
hem in bedwang houdende kerels in een algeheele ontreddering bewusteloos
is neergezonken, dat _prachtig-bescheiden-nauwelijks-symbool [p.83] van
Stijns eigen lijdensleven_, dat lijdensleven van hem die door zijn
drinkhartstocht, welke hij toch zóó gaarne zou willen bedwingen, elken
dag gekruisigd wordt:
Hij stortte als een bewustelooze ineen, met zijn gezicht op den
grond, de armen wijd uit, _gelijk een menschelijk kruis_.
Of: heel die ruzie in de _Wijde Gang_ met die Danteske visie:
Traag, tegen de grauwe muren, _kroop de donkerende en grillige
middagschaduw als een uit de aarde groeiende schim_, 't heele
Gang-brok omgrijpend in scheemrende versombering.
Met zijn ook Danteske beeldingen van gedrochtelijke verwringingsstanden
van de kijvende buurvrouwen uit de bovenvensters. Of: de tocht op de
Zuiderzee; de Hartjesdag; het zwoegen van de sjouwers aan de
Wester-Suikerraffinaderij, en vooral niet te vergeten dat juweeltje, dat
prachtige, dof-avondlijke idylletje van de kanaries langs Gijs'
kroeggevel. Maar jawel, zoo zou ik wel kunnen doorgaan!...
Laat ons liever even de psychologie in het boek van nabij bekijken: In
de analyse van Stijn Burk is waarlijk het onovertreffelijke gebeurd.
Deze in zichzelf onwaarschijnlijk gecompliceerde mensch, is door de
beelding tot een persoonlijkheid geworden, wier leven je niet alleen
voelen en tasten _kan_, maar wier leven je voelen en tasten _moet_ en
dat je obsedeert als een onwegduwbare, ontzettende _werkelijkheid_ van
den allereersten rang; dat niets onberoerd in je laat; afgrijzen èn een
wijd erbarmen, haat en liefde, alles, àlles in je òproept. Want men zie
eens dezen woesteling, die bijna zijn zwangere vrouw doodtrapt, zijn
kleine kindje naar bed brengen:
Reeds vroeg in den avond zat Sientje op zijn schoot, al zette hij
haar telkens op 't stoofstoeltje wanneer er volk inkwam. Met kleine
ronde slaapoogjes speelde ze, maar tuimelde telkens tegen de
uitgelegde koffiela van den molen, in slaap.
--Mot Siennetje soà ... pies goan?
--Nei ... nei ... drensde ze, terwijl ze weer knikkebolde.
Langzaam ontkleedde Stijn 't kind, nadat hij Koentje ook naar bed
had gedragen, met 'n verzoend bakkesje.--Hij was bang dat ze,
verveelderig, tusschen slapen en waken zou gaan drenzen. Heel
omzichtig moest hij te werk gaan.--Bij elk [p.84] kleedingstuk, dat
hij loshaakte of uittrok, verzong z'n zware stem een mal zinnetje.
(Ik sla hier een stukje over v.C.)--Nou ... 't jukkekie ... zong
Stijn, omzichtig half-slapende Sientje uit haar rokje werkend ...
en nou ... 't siemesetje.... Sau fraàfe de férkies ... de
snoetjes!... rrr!... rr!... nou ... 't hàlshempie ... toktoktok ...
hòat! sie!... wècht! stoute fliegie ... mô jèi bromme ... in 't
auretje fèn liefe Siennie!... Nou ... 't boaije rokkie ... mit 't
laàfie!... sss!... sss!... sòejessssse!!... sss ... sss!...
hoal-àufer!... nou 't witte rokkekie ... soe ... je ... soe ... je
hoal-àufer!... nou 't broekekie ... hoal-àufer!.... en Siennetje is
'n soete schèt!...
--Fèn sau'n mèskeroade hep ikke nie terug ... lachte Neel om Stijns
kunstig zoethouden van Sien.--Bij Lien, Mien of Jansje griende ze
altijd, in slaap-gestoorde kribbigheid. En nu had ze zich door
Stijns zachte deuntjes-stem heelemaal laten omzingen. Zonder een
knorretje was bleek Sientje knikkebollend op zijn arm ingeslapen en
droeg hij haar de duffe achterkamer in. Muis-stil hipte Stijn in 't
alkoofje terug en luisterde of ze drenzen ging zoodra ze vader niet
meer tegen zich op voelde.
Men peile ook de diepte van deze analyse van Neel's zuster, de perverse
Dien:
Dien was niet alleen jaloersch op haar man, maar werd gepijnd van
afgunst op àlle voorspoedige en gelukkige dingen in 't leven van
anderen. Dit had ze van moeder Scheendert, hèt stuk chagrijn
vroeger van de buurt. Dien leek met gegiste moedermelk
grootgebracht. Het twistzieke, humeurig omkantelende van haar wezen
las ieder dadelijk van haar gezicht. En liegen, schel en roekeloos
liegen kon ze met strakke koon-effenheid, als de wijzerplaat van
een kaduuk weegtoestel. (_Welk een prachtig beeld is dit, en zoo
voortreffelijk passend in den toon van het beschrijvingsgeheel!
v.C._) Allerlei vurige en fantastische uitdenksels kon ze met zoo'n
hartstochtelijke, bijna boosaardige driftigheid vertellen, dat zij
ze zèlf gelooven ging en niet meer vermocht te leven zonder die
schielijke leugenarij; voor haar waàrder dan de nijpendste
werkelijkheid. Ze hield van 't liegen òm 't liegen. Het werd haar
een fel, brandend genoegen te jokken. _Ze kreeg zoo'n angstige
vreemdigheid over haar wezen als ze loog en later betrapt werd_.
(Ik oversla een klein stukje, v.C.) Ze kòn nooit iets vertellen,
zooals 't gebeurde. _En wanneer zelfs haar leugen werd aanvaard als
'n feit, morrelde ze dat den volgenden dag weer los, omdat 't dàn
te waar geworden was_.
Zooals meermalen in het boek, doch veel minder dan in [p.85] des
schrijvers vroegere werken, is er ook hier in het door mij overgeslagen
gedeelte als een herhaling, een overtolligheid, maar het is en blijft
voor mij de vraag, of die herhalingen en overtolligheden van een hooger
plan dan het gewoon-zinsbouwkundige beschouwd, wel overtolligheden zijn.
Men vergelijke hierover mijn artikel over de _Studies_ van dezen auteur,
in _De Ploeg._[14] Maar bovendien: nimmer heb ik indringender analyse
gelezen, vooral dat laatste door mij gecursiveerde....
Wil men een staaltje van wat ik zou willen noemen: plastische
psychologiek? Ziehier dan iets over het Jordaansche volk (de verklaring
hunner saamhoorigheid, van het niet dulden van vreemde invloeden in hun
kringen):
Ze waren van één ras, eene klasse, _door eenzelfden levensgolf
rondgezwabberd, naar vóór gestooten, naar achter gekanteld op één
plek grond_.
Of betreffende de waarzeggende "_Tante Antje_":
Ze waren waarlijk bang voor die vreemde, strak-starende, _meer
luisterende dan kijkende oogen_.
Of wenscht men een enkel bewijs voor mijne bewering, zoowel dat de
dialoog in dit boek zoo voortreffelijk is als dat het zulk een rijkdom
aan kernige volksuitdrukkingen bevat? Laat mij dan even dit citeeren:
--Vijf van de tien ... vroeg kort-krachtig 'n lichtmatroos, even de
sabelbeenen uitgebogen.--
--As je blief Teun....
Vriendelijk hielp Neel nu en vroeg of hij weer honk had.
--Soo je siet moeder....
Zijn stem zong zwaar en vol in 't zonnige winkeltje.
Twee vrouwen loerden uit, bekeken den frisschen, kraakzindelijken
matroos-eerste-klas.
Sèl ik stikke.... d'r hei je Teun fèn de Hoarlemmerdaik,... seg
ouwe robbeklopper ... wèt bi jei grausig ... jei hep ereis auk wel
ereis slinger gefreite!... je laikt me wel 'n kesse-me-jeu....
De matroos keek beduusd, zocht naar naam en wijf in zijn
herinnering.
[p.86]--Nei,... dèt ken ik nie kroppe.... Wèt heb ik nou èn de
hènd!... kè je Annemie niet meir.... Annemie uyt de
Orènjestroat?... noù, diè kachel brent ... segge d'r seife stomme
te g'laàk!... kaàk saàn is kaàke!... goa ik 'r àn?
Plots schoot bezinning bij den matroos terug.
--Nou hep ik je mins!...
--Hou fèst ... spotte een uitdraagster met 'r handen op 'r heupen,
de armen als hengsels.
--Annemie van Arie-stront-an-'t-sweepie.... Nou hep ik je ...
f'rdikt ... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie
weg....