In de coupés zitten blanken, creolen, mulatten en negers broederlijk

bijeen. Onder de reis worden u door kooplieden fransche romans ter

lezing aangeboden, en aan de stations, waar de trein stilhoudt,

wordt men overvallen door troepen kleine negerjongens met couranten,

bananen, chinaasappelen, suikerriet, mango's, meloenen, kokosnoten,

geconfijte vruchten, guava-gelei, koekjes, verfrisschende dranken van

allerlei kleur, die _gaseoza_ worden genoemd, en cigaren; dikwijls

ook bontgekleurde vogeltjes, en bouquetjes gardenias. Intusschen

vallen bedelaars u lastig met hun gejammer, en als er dan nog muziek

bijkomt, is het aan de stations een leven als een oordeel. Daar het

reizen per spoor zeer duur is (14 centimes per kilometer) doet men

het verstandigst, zich, als het maar eenigszins kan, van een ander

vervoermiddel te bedienen.

Gelukkig doen de stoombooten te Cuba de meeste belangrijke plaatsen

aan. Op de lijst der stoomvaartmaatschappijen staan aangegeven:

1. Twee wekelijksche diensten naar de noordelijke en zuidelijke havens

der westelijke provincie.

2. Twee wekelijksche diensten naar de noordelijke havens der

oostelijke provinciën.

3. Een wekelijksche dienst, en een andere, tweemaal per week, naar de

zuidelijke havens der oostelijke provinciën.

Er zijn vijf stoomvaartmaatschappijen, twee cubaansche, een spaansche,

en twee amerikaansche. Zeer druk is het verkeer met de Vereenigde

Staten; dagelijks varen stoombooten naar Keywest; om den anderen dag

naar Tampa en Mobile; tweemaal 's weeks naar New-York; viermaal 's

weeks naar Jamaica; tweemaal in de maand naar Haïti en Porto-Rico;

en eens per maand naar Frankrijk, Spanje en Duitschland; terwijl

Liverpool wordt aangedaan door de koopvaardijstoomschepen.

Nog slechts voor kort zijn nauwkeurige kaarten vervaardigd van

het uitgestrekte eiland. De verbindingen met het binnenland waren

gebrekkig, en de bewoners kenden zelf de grenzen niet van hun

eigendom. Onder het spaansche bewind vergenoegden zich de beambten

met een bepaald punt op het papier vast te stellen, en daaromheen een

willekeurige oppervlakte te teekenen van eigen vinding. Zoodoende

ontstond een denkbeeldige verdeeling van den grond, die in de

verte niet met de werkelijkheid overeenkwam, waardoor natuurlijk

herhaaldelijk processen ontstonden, die thans nog voortduren. In

1898 werd voor het eerst, door toedoen van Amerikanen, een kaart van

het geheele land gepubliceerd, op een schaal van 1/500 000; nadat

reeds een uitvoerig ontwerp was verschenen op 1/132 500, vervaardigd

door den Cubaan Pichardo, die het werk van een honderdtal landmeters

had verzameld en geschift. Thans zal binnenkort een volledige kaart

verschijnen, opgemaakt door de cubaansche regeering naar gegevens,

haar verstrekt door ambtenaren van de afdeeling publieke werken, aan

wie de kadastrale opmeting van den bodem is opgedragen. Langzamerhand

worden, met behulp van ingenieurs van alle nationaliteiten, de vroeger

begane fouten verbeterd. Indertijd vond men het voldoende, alleen de

kustlijn getrouw weer te geven, en de opmeting van het binnenland aan

onbevoegden over te laten; hoewel toch de oudste eigendomsconcessie

reeds van 1514 dateerde.

Het eiland Cuba heeft een oppervlakte van 118 832 vierkante kilometer,

een lengte van bijna 1230 en een breedte van 40 tot 200 kilometer. De

bevolking bedroeg in 1775, 171 620 zielen; in 1841, 1 007 624, in

1887 1 631 687, in 1899 1 572 797, in 1903 1 653 486, en dit getal

is thans nog aangroeiend.

Deze bevolking bestaat uit 1 052 497 blanken, 505 443 negers of

mulatten, en 14 857 chineezen. De verhouding tusschen beide seksen

is ongeveer gelijk. Slechts 40 percent der bewoners leven van

handenarbeid. Zij zijn verdeeld over 83 gemeenten, gelegen in zes

provinciën, waarvan de kleinste, maar dichtstbevolkte Havanna is.

De provincie Havanna is ongeveer 57 kilometer breed en 107 kilometer

lang. De helft van deze oppervlakte, 't zij heuvelachtig of vlak,

is met bosch bedekt.

Op mijn eerste uitstapje buiten de stad in oostelijke richting,

vertrok ik van het station Villanueva. De trein stoomde langzaam door

een drukbevolkte wijk, en daarna sneller langs den botanischen tuin

en de Quinta de los Molinos. Weldra bespeurden wij aan de verspreide

palmen en het dichte struikgewas, dat wij de stad achter ons hadden

gelaten, en kort daarna hielden wij stil, eerst bij het vroolijke

dorp Campo Florido, en toen te San Miguel, een plaatsje waar zeer veel

suikerriet wordt verbouwd. Jaruco, dat van het begin der vorige eeuw

dagteekende, is sedert den 18den Februari 1896, toen de opstandelingen

er 136 huizen verwoestten, eigenlijk een bouwval gebleven. Doch de

heerlijke omstreken, waar cactus, palmen en kokosboom welig tieren,

zullen wel weder nieuwe bewoners lokken naar het plaatsje, dat nu

slechts 1700 inwoners telde. Verder spoorden wij langs het dorp Bainoa,

met zijn houten kerkje, gelegen te midden van bananenplantages en

suikerrietvelden, en daarna volgde Aguacate, een aardig plaatsje van

6000 inwoners. Aan den horizon zagen wij thans lage heuvels verrijzen,

en door fraaie bosschen en langs begroeide hellingen zetten wij onzen

tocht voort naar Madruga, liet einddoel van dit uitstapje, op 87

kilometer afstand van Havanna gelegen, een allerbekoorlijkst plaatsje

met zijn hellende straten, zijn square, en het hoog gelegen hotel,

waar men van de veranda een uitzicht heeft als op een belvedère. De

2000 inwoners beklagen zich zeer over het nadeel, dat de oorlog hun

heeft toegebracht. Zij zouden echter een aanzienlijk voordeel kunnen

trekken uit een minerale bron van een temperatuur van 27°, die hier

in de nabijheid ontspringt en in 1866 het eigendom van de gemeente

is geworden; terwijl een heuvel, vlak daarbij gelegen, de Jiquima,

zeer geschikt zou zijn voor de oprichting van een Sanatorium. Men

heeft van daar een prachtig uitzicht op de heuvels van Grillo en

Industria. Op de Jiquima was ook een monument opgericht voor 46

Cubanen, die hier waren gesneuveld.

Bij het volgende uitstapje, dat ik maakte, ditmaal in een zuidelijke

richting, van Havanna uit, maakte ik gebruik van de guagua, en had

door dit vervoermiddel gelegenheid, beter al de bijzonderheden van

een der schoonste wegen op Cuba te kunnen waarnemen. Eerst kwamen

wij door het dorp Luyano, omringd door weiden met grazend vee;

daarna bereikten wij door een boschrijke vallei het dichtbelommerde

San Francisco de Paula, en vervolgens een tweede dorp, Cotorro. Na

het verrukkelijk gelegen gehuchtje Cuatros Caminos liep de weg twee

uren lang tusschen de prachtigste laurierboomen, terwijl aan beide

zijden een heerlijk landschap zich uitstrekte van lachende velden

en weelderig groen. Wij kwamen hier veel karretjes met melk en

bananen tegen. Wel honderdvijftig van die voertuigjes, elk beladen

met tweeduizend liter melk, of groote hoeveelheden bananen, komen

elken morgen aan in Havanna, na van het dorp José de las Lajas een

nachtelijken tocht te hebben volbracht van 26 kilometer. Ik rustte uit

van den langen rit in een zeer goede herberg te Campamento Cubano,

een plaatsje van twee duizend inwoners, dat een zeer welvarenden

indruk maakte. Om zes uur begaven wij ons weer op weg, en trokken door

velden van bananen, suikerriet, maïs en tabak naar Loma Candela, een

plateau, waar men een uitzicht heeft over een twintig kilometer breede

vruchtbare vallei, die zich uitstrekt tot aan de zee, welke men van

hier flauw kan onderscheiden. Guines, het volgende plaatsje waar wij

stilhielden, scheen mij een modelstadje toe. Ik vernam, dat een der

bewoners, Francisco Arango y Parreno, er twee en dertig scholen had

opgericht. Dat getal scheen wel wat groot voor een kleine stad, doch de

toedracht der zaak werd mij duidelijk, toen ik hoorde, dat gebrek aan

de noodige ruimte de oorzaak was geweest, dat de leerlingen in een zoo

groot aantal verschillende lokalen werden geborgen. De vruchtbaarheid

van den bodem is hier verbazingwekkend. Geregeld tweemaal in het jaar

wordt er geoogst. Vooral tomaten worden hier in groote hoeveelheid

verbouwd, en jaarlijks worden 200 000 kisten van deze vruchten

verzonden. Zestig van Cuba's grootste grondeigenaren zijn Amerikanen,

die een levendig handelsverkeer onderhouden met de Vereenigde Staten,

al laten zij inlandsche arbeiders werken op hun bezittingen. Door

de toenemende belangrijkheid van dit bloeiende plaatsje scheen er

sprake van te zijn, dat het door middel van een kanaal met de zee zou

worden verbonden. Van het goedgebouwde station ging hier een lijn naar

het zuidwesten, door suikerrietvelden en palmbosschen, waartusschen

witte huisjes lagen verstrooid, naar de dorpen San Nicolas, Vegas en

Palos. Toen wij dertig kilometer van Guines en honderdtwee kilometer

van Havanna waren verwijderd, moesten wij terugkeeren, als wij ons

vooraf vastgesteld reisplan wilden volgen en nog eenige van de mooiste

punten in oogenschouw zouden nemen. Meer en meer bespeurden wij, dat

wij ons van de beschaafde streken verwijderden, de omgeving werd steeds

schilderachtiger, maar ook landelijker, tot wij eindelijk ophielden

in het armoedige plaatsje San Felipe, waar ik een onrustigen nacht

doorbracht, daar een luidruchtige troep acrobaten van een reizend

circus den geheelen nacht aan het rumoer maken was in een aangrenzend

vertrek, zoodat ik geen oog dichtdeed.

Toch vertrok ik reeds weder den volgenden dag, na mijn terugkomst

te Havanna, van het station Villanueva, om thans een tocht naar het

noordwesten te ondernemen, waar ik de suikerrietvelden en de fabriek

van Toledo bezichtigde, en het hospitaal van Mazorra, waar ook

krankzinnigen worden verpleegd. Door de vlakte van Rincon spoorden

wij verder langs San Antonio, een plaatsje van 8178 inwoners, dat

een kerk met twee torens, een grot, en een badinrichting rijk was,

Ceiba, een middelpunt voor verschillende culturen, en Guanajay,

een schilderachtig stadje met oude huizen, waarvan echter ook vele

in den vrijheidsoorlog waren verwoest.

Thans bleef mij nog slechts een laatste onderzoekingstocht over,

ditmaal naar het zuiden. Weer strekten zich naar alle zijden de velden

uit van tabak en suikerriet, maïs, mango- en banaanboomen, tot wij

stilhielden bij den heuvel van Cacahual, waar Maceo en Gomez begraven

liggen. Béjucal, het volgende plaatsje, heeft rechte, breede straten

en een aardig marktplein met palmen beplant, waarop een standbeeld van

de Gerechtigheid prijkt. In de gezellig ingerichte club, het Liceo,

woonde ik een zeer merkwaardige vertooning bij. Een der inwoners,

een dokter, die veel artistieken aanleg bezat, had een ballet laten

instudeeren door zestien jongens en zestien meisjes, de eerste,

verkleed als russische soldaten, met hun sabels manoeuvreerende, en

de laatste als japansche geisha's, zwaaiend met haar parasols. Het

stadje, dat slechts zesduizend inwoners telt, bloeit zeer door de

tabaksfabrieken en kweekerijen van vruchtboomen.

Te midden van de liefelijkste natuurtooneelen zette ik mijn tocht

voort tot aan het eindpunt, dat ditmaal aan zee was gelegen, Batabano

Surgidero, een plaatsje van vierduizend inwoners, dat voornamelijk

zijn welvaart te danken heeft aan de visscherij, vooral van sponzen,

die hier in groote menigte worden aangetroffen.

De geheele kust van Cuba, zoowel in het noorden als in het zuiden,

is verbazend rijk aan verschillende sponzensoorten.

Daar men vroeger bij de vangst zonder eenigen regel of overleg te werk

ging, en hierdoor veel voordeel liet verloren gaan, is thans bepaald,

dat op de Noordkust de visscherij van 1 Maart tot 31 Mei moet worden

gestaakt tusschen Cardenas en Nuevitas, en op de Zuidkust tusschen

San Antonio en Cienfuegos. Op de ondiepe plaatsen worden sponzen

gevonden van acht centimeter doorsnede, doch op twintig meter diepte

treft men kolossaal groote exemplaren aan, soms wel tot een doorsnede

van vijfenzeventig centimeter.

Om de sponzen los te maken, begeven zich twee personen in een kleine

boot, een van de twee ligt plat op den buik in den achtersteven en

heeft in de linkerhand een emmer met doorzichtigen bodem, die de

weerkaatsing van het water in de diepte laat waarnemen, en in de

rechter een langen stok met een haak, waarmede hij de sponzen van

den bodem losmaakt, en naar boven haalt. Deze visscherij kan slechts

plaats hebben bij stil weer, wat trouwens regel is te Cuba, waar de

zee slechts bewogen wordt door zuidwestewinden en door stroomingen,

veroorzaakt door rivieren die zich in zee uitstorten.

Honderdvijftig booten worden voor deze visscherij gebruikt. Zij doen

tochten van veertig dagen en zijn bemand met zeven matrozen, terwijl

ook een of meerdere eigenaars zich aan boord bevinden. Gemiddeld brengt

de vangst van elk dezer booten omtrent 2500 francs op, waarvan een

vierde het onderhoud der bemanning bekostigt, en de helft besteed

wordt aan hun loon. Het overblijvende vierde deel is de winst van

den eigenaar.

De tien of vijftien opkoopers (_compradores_) verdienen ongeveer

800 francs in de maand. Zij hebben hun eigen lokaal, waar de sponzen

worden gekeurd en geprijsd, en dikwijls ziet men 's morgens tusschen

halfzeven en tien een geheele straat vol liggen met partijen sponzen

van 50 tot 200 dozijn, die van 150 tot 2000 francs waard zijn. Drie

dagen worden de sponzen in de zon gedroogd, en dan weggeborgen, om

naar grootte en kwaliteit te worden gesorteerd. De natuurlijke gaan

naar Engeland en Frankrijk; in Amerika, Spanje, Rusland en Griekenland

geeft men aan de gebleekte de voorkeur. Vele handelshuizen verzenden

jaarlijks voor 130 000 tot 780 000 francs aan sponzen, terwijl de

prijzen sedert 1903 nog voortdurend stijgende zijn.

In een kleine havenplaats aan de zuidkust van het eiland begaf ik mij

op een morgen aan boord van een wit stoombootje, dat zachtjes door het

stille water gleed. Voor ons strekte zich de effen, zonnige zeespiegel

uit, hier en daar zoo doorschijnend helder, dat men diep tot op den

bodem kon zien. Voor drie kwart is Cuba omringd door een zeer ondiepe

zee, tot op vijfentwintig, of zelfs vijftig kilometer van de kust.

Rondom het groote eiland liggen dan ook een buitengewoon groot

aantal kleinere; in 't geheel ongeveer 950; waarvan 230 tegenover

het midden der kust aan de noordzijde liggen. Vier daarvan, Romano,

Coco, Turiguano en Guajaba zijn zeer langgerekt van vorm. Vijftig

andere eilandjes, die te samen de Colorados genoemd worden, bevinden

zich aan de westkust. Aan de zuidkust liggen tweehonderd eilanden,

die twee groepen vormen, het Perk der Koningin en het Labyrinth der

twaalf Mijlen genoemd. Toen wij een nauwen doorgang waren doorgevaren,

tusschen de eilandjes Mal Païs, Buena Vista, Redondo en Cruz, kwamen

wij eindelijk in open zee, en kregen anderhalf uur geen land in het

gezicht. Daarna echter rezen opnieuw groene kusten op, en wij naderden

een archipel van tachtig kleine eilanden. Weldra zagen wij een in

nevelen gehulde lage bergreeks verrijzen, waarin zich langzamerhand

zes toppen duidelijker afteekenden. Daarvoor strekte zich een vlakte

uit. Dit was het Pijnboomeneiland. In negen uren hadden wij den

overtocht van 142 kilometer afgelegd. Onze boot voer een rivier

met dichtbegroeide oevers op, en legde aan bij een oud gebouwtje,

het station Jucaro.

Het Pijnboomeneiland is 52 kilometer lang, van het noorden naar het

zuiden gemeten, en 72 kilometer van het oosten naar het westen. 't

Is een zeer merkwaardige streek. Het landschap, de bewoners, alles

droeg er een eigenaardigen stempel. De bodem is er schraal en vertoont

weinig plantengroei op zijn zandige en steenachtige vlakten, waaruit

zich hier en daar kalkrotsen verheffen. Op sommige plaatsen worden

marmeraderen aangetroffen, en uit diepe grotten ontspringen bronnen,

die rijk zijn aan ijzer en magnesiumzouten.

Twee kleine heuvelreeksen, die evenwijdig loopen, doorsnijden het

eiland, en enkele toppen daarin bereiken een hoogte van vierhonderd

meter. De lucht is er zuiver en droog, en vol van den heerlijken geur

der dennenbosschen, en de temperatuur is er zeer gematigd.

Verbazend veel Amerikanen komen zich hier metterwoon vestigen. Ik

hoorde, dat in den laatsten tijd 3000 nieuwe bewoners naar deze

streken waren verhuisd.

De havenplaats en meteen de miniatuurhoofdstad van het eilandje

is Nueva Gerona, met een kerk en een goed hôtel, dat echter niet

druk bezocht was. De gezonde ligging en de nabijheid van een warme

alkalische bron, die magnesiumzouten bevat, zullen het aantal inwoners,

dat thans 500 bedroeg, wel spoedig doen stijgen. De verkoop van

het land in kleine stukken trekt ook veel vreemdelingen naar deze

streken. Stukken grond van 13 1/2 H.A. zijn verkocht voor honderd

dollars, als de bodem schraal was; voor tweehonderd, tot soms duizend

dollars, waar het vruchtbare plekken gold, in de buurt van rivieren en

heuvels gelegen. Een vereeniging "the Isle of Pines Company", die een

trust heeft gevormd met de "Fruit and Vegetables growing Association"

heeft voor twee millioen dollars zich het bezit der beste stukken

gronds verzekerd. Ik hoorde, dat een kooper, een voormalig directeur

van een amerikaansch blad, een concessie had verworven van negenhonderd

hectaren grond voor ooftkweekerij.

Een ander voorbeeld kan den lezer een denkbeeld doen vormen van de

uitgaven, die een bescheiden onderneming van dien aard vereischt,

en de winst, die zij kan afwerpen. Ik bezag o.a. een bezitting, 13

1/2 H.A. groot, waarvan de eigenaar 28 bijenkorven hield, jaarlijks

3000 ananassen en 7000 tomaten oogstte, en een kweekerij bezat van 300

grootere en 2500 jonge oranjeboomen, welke laatste weldra vrucht zouden

dragen. Hij was een flinke, voortvarende man, die na drie jaren arbeids

de gemaakte onkosten, op 3650 francs na, reeds had teruggewonnen.

Zijn honig had hem 1040 francs opgebracht, zijn ananassen 1560 francs,

de tomaten 8320 fr., en een paard, dat hij kon missen, had hij verkocht

voor 520 francs. Zijn inkomsten hadden dus in die drie jaren 11 440

francs bedragen.

Daartegenover stonden de uitgaven, die in het geheel beliepen 15

090 francs. Hiervan waren besteed: 130 francs voor onkosten van

aankoop, 21 francs belasting, 520 fr. voor den grond; 1560 francs

aan ijzerdraad voor omheiningen, 1560 fr. arbeidsloon; 780 fr. voor

werktuigen; 625 fr. voor twee wagens; 1040 fr. voor twee paarden;

2490 fr. voor het onderhoud dezer dieren; 520 fr. aan hout; 260

fr. voor meubels en gereedschappen; 40 fr. voor correspondentie;

52 fr. voor een keukenkachel; 3754 fr. en 156 fr. respectievelijk

voor voedsel en kleeding van twee personen.

In het volgende, dus het vierde jaar, zou nu voor het eerst de

eigenlijke verdienste beginnen. Toch had de eigenaar zelf zijn huis

gebouwd, zoowel als de bijgebouwen en den put, en zijn vrouw hielp hem

naar haar beste vermogen. Zij waren erop bedacht, zoo zuinig mogelijk

te zijn; en toch waren geen van beiden aan dit soort leven gewend,

want hij was décorateur en stoffeerder geweest in Boston, en zij was de

weduwe van een duitsch officier. Zij werkten verbazend hard en pakten

bijv. zelf hun tomaten in, in den maneschijn. De vrouw bakte n. b. ook

nog brood en koekjes, die veel aftrek vonden in de buurt, en hielp

zoodoende nog hun inkomsten vergrooten. Nadat ik die aardige kleine

kolonie, Riverside genaamd, had bezichtigd, vond ik geen der andere

bezittingen, die ik later in oogenschouw nam, zoo aantrekkelijk meer.

Santa Fé, een dorp van 400 inwoners, bezit twee ijzerhoudende bronnen,

een alkalische en een warme bron van 32°. In zijn omlijsting van

mangoboomen en altijd groene dennen maakte het een schilderachtigen

indruk. Voor kort was er dan ook een soort van winterverblijf

opgericht, en in de omstreken woonden wel 600 Amerikanen, die hierheen

waren gekomen na het tractaat van Parijs, waarbij het eilandje als

amerikaansch grondgebied was verklaard, hoewel het later weder aan Cuba

werd afgestaan. Zoolang niet beslist was, aan wien het zou toebehooren,

was het kleine Pijnboomeneiland er treurig aan toe, daar de uitvoer

van zijn producten door deze onzekerheid werd belemmerd. Sedert

het Congres besliste dat het aan Cuba zou worden afgestaan, bleven

de amerikaansche kolonisten er wel gevestigd, doch hun uitvoer naar

de Vereenigde Staten is nog niet zoo aanzienlijk, als zij wel zouden

wenschen. En toch is het een bij uitstek gunstig gelegen plekje gronds,

waar ooftbouw en veeteelt kunnen bloeien, terwijl er marmer, mahonie-

en ebbenhout gevonden wordt.

Naar Havanna teruggekeerd, was ik zeer tevreden over den uitslag

van mijn bezoek aan dit eilandje, dat aangename herinneringen

achterliet. Ik bleef ditmaal trouwens slechts een nacht in de stad

en ging den volgenden morgen reeds weer op reis. Van het station

Cristina vertrok ik per trein naar Jesus del Monte, in de westelijke

provincie gelegen.

Bij Calabazar reden wij over een hooge spoorbrug. Het volgende

station, Santiago de las Vegas, is een der middelpunten van de

tabaksindustrie. De stad telt 7151 inwoners. Ik zag in 't voorbijgaan

de kerk met twee torens, en aardige huisjes met verandas. Daarna

spoorden wij door een vlakte, beplant met maïs, tabak, suikerriet

(voor de fabriek Fajaldo) en prachtige palmen, onder welker schaduw

de liefelijke dorpjes Guira en Alquizar waren gelegen. Daarop volgde

dicht struikgewas, waartusschen zware ceiba's verspreid stonden, en

een bosch van slanke palmen. Wij waren hier 71 kilometer verwijderd

van Havanna, aan het begin van de groote landtong, die in het Spaansch

Vuelta Abajo (Lage Bocht) heet, en die aan liefhebbers van rooken

waarschijnlijk bij name bekend is.

De Vuelta Abajo is 38-75 kilometer breed en 265 kilometer lang. De

lichte, roodgekleurde bodem is er kiezelachtig, met kwarts en ijzer

vermengd. In het zuiden is de grond vlak, in het noorden verheffen

zich heuvels tot op een hoogte van omtrent 300 Meter. Zij is omgeven

door een dertigtal rivieren, waarvan de grootste, de Cuyaguateje,

honderd kilometer lang is. De zeekust is er vol diepe inhammen, behalve

aan de uiterste punt van het schiereiland, Guanacahabibes, waar de

kust moerassig en onbewoonbaar is. De bewoners zijn meerendeels

veefokkers; 18,000 stuks vee zijn hier uit Amerika ingevoerd, en

bovendien verbouwen zij tabak, waarvan de opbrengst jaarlijks 25 828

038 kilos bedraagt, een waarde vertegenwoordigend van 132 474 004

francs. Het klimaat is er vochtig en warm; de temperatuur tusschen 25°

en 33°. Onder de bevolking zijn vele vreemdelingen, doch de eigenlijke

inlanders zijn arbeidzaam, ernstig en doortastend van aard. In de

provincie Pinar del Rio zijn gedeelten, die vroeger aan Frankrijk

hebben behoord, en nog fransche namen dragen, als Souchet, Charron en

Lemasne. Eertijds waren daar koffie- en suikerplantages, oranjeboomen

en prachtige koningspalmen, welke onderhouden werden door uitgewekenen

uit St. Domingo, die later zijn verjaagd, als wraakneming over een

besluit van Napoleon, dat de spaansche kolonisatie belemmerde. Van die

voormalige fransche bewoners vond ik thans geen afstammelingen meer.

Zes maanden op Cuba—Havana De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 3 / 4 段