Werkelijk trof men niet ver van daar het bedoelde kamp aan. Er werden

eenige geweerschoten gewisseld, en de Cubanen, die voor de overmacht

moesten wijken, lieten enkele dooden op het veld achter. Toen eene van

de vrouwen, die in een gesneuvelden soldaat haar eigen man herkende,

zich onder tranen van wanhoop op zijn lijk wierp, liet de luitenant

alle twaalf vrouwen oogenblikkelijk fusilleeren, en moet zich zelf

later over deze daad van ruw geweld hebben verhoovaardigd. Ook uit

dezen tijd dateert de moord der acht studenten in de medicijnen,

wier grafteeken ik zag op het kerkhof bij San Ambrosio. Zij hadden

planten gezocht op een begraafplaats te Havanna, en werden zonder

den minsten grond beschuldigd het graf te hebben ontwijd van een

journalist, een voormalig aanhanger der spaansche partij, die in een

duel met een Cubaan was gedood. Zonder nader onderzoek werden deze

jongelieden ter dood gebracht, waarvan de oudste nog slechts twintig en

de jongste niet meer dan zestien jaren telde. Ondanks dit alles wisten

de opstandelingen zich niet alleen staande te houden, maar wapenen en

zelfs kanonnen te verschaffen, die zij, zooals Cespedes had voorspeld,

op den vijand veroverden. Ook uit Amerika werden wapens gezonden,

maar vele Cubanen bedienden zich van pieken en de _machete_, een

inheemsche sabel. In kleine troepen bestookten zij den vijand, dien

zij bij voorkeur aanvielen van uit een hinderlaag, terwijl zij in de

dichte bosschen een voor vreemden bijna ontoegankelijke schuilplaats

vonden. De kleine, sterke en vlugge cubaansche paarden, waarmede zij

volkomen waren vertrouwd, bewezen hun hierbij goede diensten.

Er was een tijd, dat het leger der opstandelingen uit 45 000

welgewapende soldaten bestond, terwijl niet minder dan 150 000 sterke

mannen, vol toewijding voor de zaak der vrijheid, bereid stonden

om de gevallenen te vervangen. Tien volle jaren hielden zij zich

tegenover Spanje staande. Al spoedig hadden zij besloten, zich te

vereenigen onder een geregeld bestuur, met een wetgevende kamer van

afgevaardigden, een uitvoerend bewind, en een rechterlijke macht. In

de hoop de Vereenigde Staten gunstig voor zich te stemmen, volgden

zij in de regeling van hun bestuur het voorbeeld der groote republiek.

Den 10den April 1869 kwam de volksvertegenwoordiging van Cuba bijeen

te Guaimaro, een plaatsje in het binnenland.

Haar eerste werk was de afkondiging der federale republiek, waarna

beraadslaagd werd over de wetten volgens welke het land gedurende

den vrijheidsoorlog zou worden geregeerd, en Carlos Manuel Cespedes

als president der republiek gekozen.

Reeds hadden Peru, Chili, Bolivia en Mexico Cuba als een zelfstandige

mogendheid erkend, doch het was voor de Cubanen van het grootste

belang, dat ook de Vereenigde Staten hen als zoodanig zouden

beschouwen, zoowel wegens den zedelijken steun, dien zij hierdoor

zouden ontvangen, als om de materieele hulp, die zij uit Amerika

konden verwachten. De buitengewone gezant der nieuwe republiek, Moralès

Lemus had meermalen een onderhoud met president Grant te Washington,

doch stuitte steeds op onoverkomelijke bezwaren. Spanje had zich aan

het gezag van Isabella II onttrokken, en met de liberale regeering te

Madrid stonden de Vereenigde Staten op vriendschappelijken voet. Toch

veronderstelde men te Washington, dat Spanje wel bereid zou zijn van

Cuba afstand te doen tegen een som van honderd millioen piasters.

Spanje onttrok zich echter aan de onderhandelingen, hoewel het bij de

vergeefsche pogingen om den opstand op Cuba te dempen, reeds 100 000

man verloren had. Al kon dus Amerika niet rechtstreeks ingrijpen,

noch het Congres, noch het volk verborgen hun sympathie voor de

zaak der opstandelingen. Te New York vormde zich zelfs een comité,

dat wapenen en munitie naar Cuba zond, leeningen sloot, en ijverig

opkwam voor de belangen der Cubanen.

Deze "junta" bezat o. a. haar eigen schepen, die de waakzaamheid

moesten verschalken van het spaansche eskader, als zij de

opstandelingen wapenen wilden verschaffen; 't geen des te moeilijker

was, daar de rebellen slechts meester waren van een gedeelte van

het binnenland.

In 1873 werd een dezer schepen, de _Virginius_, door een Spaanschen

kruiser vermeesterd, nadat het reeds zijn geheele lading wapens

in zee geworpen had. Ondanks deze voorzorg werd de bemanning, 61

man sterk, tot den laatste toe gedood. Stervende riepen zij nog:

Leve het vrije Cuba! Hun bloedige hoofden werden op pieken door de

straten van Santiago rondgedragen.

Al wekte deze gruweldaad een storm van verontwaardiging in Amerika,

nog achtte de regeering het tijdstip niet gekomen om tusschenbeide te

treden. Eerst het verlies van het amerikaansche pantserschip Maine in

1898 werd de aanleiding tot den Spaansch-amerikaanschen oorlog, waaruit

de republiek Cuba zegevierend te voorschijn trad. Zooals bekend is,

trad de nieuwe republiek in 1902 onder de bescherming harer machtige

naburen op, aanvankelijk onder gunstige voorteekenen; doch spoedig

maakten inwendige verdeeldheden een nieuwe tusschenkomst van Amerika

noodzakelijk, thans niet tusschen Spanje en Cuba, doch tusschen de

cubaansche regeering en het volk, dat zij vertegenwoordigde.

De republiek Cuba wordt bestuurd door een president, een vice-president

en zes ministers. De wetgevende macht is toevertrouwd aan 24 senatoren

en 64 afgevaardigden, die in April en November telkens veertig

dagen zitting houden. De rechterlijke macht berust bij een hoogst

gerechtshof te Havanna, en dertien gerechtshoven in de provinciën. Ook

staat onder haar beheer de stedelijke politie, en op het land de

guardia rural, die 4000 man telt, benevens 800 artilleristen. Deze

gewapende macht staat ook ter beschikking van 83 gemeentebesturen

en zes provinciale gouverneurs. Het geheele regeeringssysteem staat

(krachtens het amendement Platt) onder de gewapende bescherming van

twee amerikaansche kuststations.

In den beginne scheen alles zeer goed te zullen gaan; de Kamers legden

hare wetsvoorstellen voor aan den President, die zijn veto mocht

uitbrengen, tenzij eene wet een meerderheid verkreeg van twee derde

der stemmen van de volksvertegenwoordiging. Dank zij de gelukkige

samenwerking van het hoofd van den Staat met hen, die hem ter zijde

stonden, werd veel goeds tot stand gebracht; zoowel door maatregelen

tot bevordering van de volksgezondheid, en door de instelling van een

sanitaire- en veiligheidspolitie, als door de oprichting van nieuwe

scholen, het aanleggen van wegen (in 14 jaren breidde zich het net van

wegen over het eiland uit van 590 tot 4053 K.M.), en de verbetering

van den post- en telegraafdienst. Ook werden met het buitenland

voordelige tractaten gesloten. Zoo werd een overeenkomst aangegaan met

de Vereenigde Staten, waarbij producten uit Cuba in de amerikaansche

havens werden ingevoerd met 20 percent reductie, op voorwaarde, dat

de amerikaansche waren in Cuba een reductie van 30 percent zouden

genieten. Door deze overeenkomst, aangegaan voor den tijd van vijf

jaren, nam de invoer van amerikaansche waren in Cuba verbazend toe,

zonder dat daardoor de handel van Cuba met Europa schade leed.

Een leening van 175 millioen francs werd gesloten, om aan 30 000

strijders voor Cuba's vrijheid schadeloosstelling te verschaffen

voor het verlies van hun grond, die gedurende den vrijheidsoorlog

verwoest was. Hierdoor geraakte de landbouw tot vernieuwden bloei;

de levensmiddelen werden goedkooper en bij de algemeene welvaart nam

de bevolking toe, toen helaas aan den politieken hemel zich wolken

vertoonden.

Twee partijen waren allengs ontstaan; ter eener zijde de voorstanders

van amerikaansche denkbeelden en al wat amerikaansch was, en daar

tegenover de liberale partij, die onder de leus "Cuba aan de Cubanen",

Amerika openlijk vijandschap had gezworen. Een heftige pennestrijd

werd van weerszijden gevoerd door bekwame journalisten, waaronder

vooral de mulat Juan Alberto Gomez uitmuntte.

Eindelijk, den 23sten September 1905, moest de verkiezing van

nieuwe kamerleden plaats hebben. Door list en bedrog gelukte het

der gematigde partij een groote meerderheid te verkrijgen, waarop

de liberalen handelend optraden, en onder hun drie leiders, generaal

José Miguel Gomez, senator Alfredo Zayas en Juan Gualberto Gomez naar

Havanna trokken. De regeering, die overrompeld werd en niet voldoende

troepen tot hare beschikking had, wilde geen nieuwe verkiezingen doen

plaats hebben, en moest tegen wil en dank aftreden.

Zonder hoofd kon de republiek echter niet blijven, en toen de pogingen

van president Roosevelt om beide partijen te verzoenen vruchteloos

bleken, maakten de Vereenigde Staten (krachtens het amendement Platt)

gebruik van hun recht om vrede te stichten, en benoemden tot gouverneur

van Cuba den heer Taft, die thans zijn taak aan den heer Magoon heeft

overgedragen. Deze zal waarschijnlijk zijn ambt bekleeden totdat het

opnieuw aan het volk vergund wordt, zijn eigen vertegenwoordigers te

kiezen en zoo in waarheid een republiek te worden. Het is voor Cuba

te hopen, dat de moeilijkheden op vreedzame wijze worden opgelost,

en het land een betere toekomst te gemoet gaat.

Toen Christoffel Columbus Cuba voor het eerst aanschouwde, verklaarde

hij het voor het schoonste eiland, dat hij ooit had gezien. Ik aarzel

niet, die uitspraak van den ontdekker te beamen; ook op mij maakte

het een onuitwischbaren indruk.

De gesteldheid van den bodem is vol afwisseling. In de omstreken

van Havanna grenzen kleine vlakten aan lage heuvels, het vlakke

westelijk deel sluit zich aan bij een hoogen bergketen, die in een

hoogvlakte eindigt; het midden van het land is gedeeltelijk moeras,

gedeeltelijk golvende laagvlakte, waartusschen verspreide heuvelen

verrijzen, terwijl het Oosten gevormd wordt door vlakten, rivieren,

een bergketen en een hoog heuvelland.

Ook de geologische formatie van den bodem is zeer afwisselend. In het

Westen is kalk- en kleigrond; de tabaksplantages liggen op een bodem,

waar kalk, klei, kwarts, kiezel en ijzer wordt gevonden. In het midden

des lands, waar suikerriet wordt verbouwd, is de bodem kalk, vermengd

met klei of ijzer; òf kalk boven een laag zand, twee samenstellingen,

die de roode en de zwarte aarde vormen. In het bergachtige Oosten, waar

zich de uitgestrekte grasvlakten bevinden, op welke het vee graast,

is de bodem een mengsel van kalk, klei en kiezel. In de hoogere streken

is de grond hier en daar vulkanisch, en men ziet er granietvormingen,

waarin marmer, bruinsteen, koper, ijzer, goud, steenkool, lood, zink,

graphiet, en asbest worden aangetroffen. Ook ontspringen hier bronnen,

die ijzer en magnesium bevatten.

De grond is uiterst vruchtbaar. Bijzonder veelvuldig wordt hier een

boom aangetroffen met een lichtgekleurde schors en zware takken;

de _oreodoxa regia_, of roem der bergen, ook bekend onder den

naam Koningspalm. Naast dezen boom, die alleenstaand of in groepen

voorkomt, zag ik ook andere palmsoorten, de kleine _criolla_, die een

fleschvorm heeft; de _coroio_, met een zeer dikken stam, de _hata_, een

gedrongen boom met een breedgespreide kruin, de _cana_, die fier haar

waaiervormige bladertrossen omhoog heft, en een zeer slanke palmsoort,

de _juraguana_, die rank en puntig als een ijzerdraad omhoogschiet.

In de tabaksplantages staan de frischgroene planten in geregelde

rijen geschaard, en daarnaast prijkt het teere lichtgroen van het

suikerriet. Ook maïs en andere graangewassen worden verbouwd, zoowel

als groenten en tomaten. Ik zag ook een groote verscheidenheid van

grassoorten; de _paral_ in de lagere, de _guinea_ in de hoogere

streken; de _millo_, een soort riet en de _pitilla_, een zeer fijn

gras, dat in de savanna groeit.

In de bosschen der laagvlakte tieren ceders, mahonie-, ebbenhout en

campêcheboomen; in de bergen veel varens en bamboesoorten. In het

dichte kreupelbosch vond ik de _cupey_, een soort klimop, terwijl zich

op open plekken hier en daar een zeer merkwaardige boom vertoonde,

de _ceiba_, met een hoogen, effen, gladden stam en een breedvertakte

kruin, die bedekt is met woekerplanten. Zelfs in de dorste streken

groeit struikgewas, zooals de _paratejos_ en _vacabueys_, met stekelige

bladeren. Kokos, mango- en oranjeboom groeien in vruchtbaarder bodem,

terwijl kweekerijen worden aangelegd van ananas, bananen, koffie-

en cacaoboomen, en van geneeskrachtige kruiden.

Die overvloedige plantengroei is niet alleen aan de gesteldheid van den

grond, maar ook aan een uiterst gunstig klimaat toe te schrijven. Ten

eerste valt in October en April rijkelijk regen, en is de lucht in de

andere maanden van het jaar verzadigd van vocht; ten tweede wisselt

de temperatuur in de bergen tusschen 11° en 28°, en in de vlakten

tusschen 13° en 40°. De winter, die van October tot Mei, en de zomer,

die van Mei tot October duurt, verschillen niet veel in warmte. In

het laatste jaargetijde stijgt de thermometer tot ongeveer 33°; doch

des avonds valt dan ook meestal regen, die de lucht afkoelt. Gedurende

den winter waait de wind uit het Noorden, en in den zomer wisselt een

zachte Zuidenwind (_virason_), die van 10 tot 3 uur overdag waait, af

met een lichte bries uit het Noorden (_di tierra_) die des avonds om

acht uur opsteekt en des morgens om drie uur gaat liggen. In December

en Januari daalt de thermometer, bij droog weder, niet onder 9°. Deze

ligging tusschen zeewinden, uit het Noorden en het Zuiden, draagt

ertoe bij, de lucht hier bijzonder gezond te doen zijn. Ook wordt

de zuiverheid der atmospheer bevorderd door de aanwezigheid van een

menigte gieren, zwarte vogels met rooden hals, welke zich voeden met

allen afval, die anders de lucht verontreinigen zou.

De kleine rieten hutjes, die overal in Cuba in het veld verspreid

staan, geven het land een schilderachtig voorkomen. Het boerenhuis,

_bohio_ genaamd, bestaat uit twee vertrekken, die door gevlochten

palmwanden gescheiden zijn; het dak is met bladeren gedekt. Van

buiten ziet zulk een gebouwtje er niet zeer stevig uit; maar van

binnen is het zeer behagelijk ingericht. Al is de keukenhaard wel wat

primitief, in de slaapkamers zijn de muskieten-gordijnen om de bedden

met bevallige zwier geplooid, en in het woonvertrek prijkt dikwijls

een moderne naaimachine. Daar het bouwen van zulk een huisje niet

meer dan 25 pesos, of honderd francs behoeft te kosten, verhuizen de

bewoners zonder veel bezwaar, om zich op een andere plantage opnieuw

in te richten.

De bewoners van het platteland zijn huiselijk van aard; waarschijnlijk

een gevolg van reactie na de lange jaren van onrust en oproer, toen

overal de indringers moesten worden geweerd. Thans genieten deze

lieden dubbel van het rustige besef hunner veiligheid.

Omtrent het begrip arbeid huldigt men hier geheel andere opvattingen

dan in Europa. De bewoner van Cuba werkt niet harder dan volstrekt

noodzakelijk is; en de vruchtbaarheid van den bodem is zoo groot,

dat de landbouwer eigenlijk gedurende acht maanden van het jaar

niets behoeft uit te voeren. Wat hij verbouwt verkoopt hij zelden,

doch indien dit eens gebeurt, weet hij er een aardig voordeeltje

aan te behalen. De verkregen winst is echter spoedig weer gevlogen;

want geld uitgeven en inkoopen doen is de geliefkoosde bezigheid van

mannen en vrouwen beide. Uren brengen de boeren ook door in café's,

waar zij domino, kaart, schaak en biljart spelen, en praatjes maken in

't oneindige. Want de Cubanen zijn eerste babbelaars, en alsof ze voor

tijdverdrijf nog niet genoeg hebben aan het zingen van smachtende

en dartele liedjes, aan guitaar en mandoline, aan wals en danzon,

vullen ze een groot aantal ledige uren met hun aanhoudend gebabbel. De

eindelooze woordenstroom wordt slechts nu en dan afgebroken door de

gebruikelijke uitroepen: _que tal que va, hombre, regular_, en _Ave

Maria purissima_. Tijdens mijn verblijf te Cuba hield de politiek

en de schadevergoeding, uitgekeerd aan de voormalige strijders voor

's lands vrijheid, voornamelijk de gemoederen bezig.

Over geldelijke aangelegenheden maken zij zich uiterlijk nog al warm;

maar in den grond nemen zij die zaken toch niet zwaar op.

Werken is dan ook eigenlijk overbodig voor lieden, die niets noodig

hebben dan een Panamahoed, dien ze jaren achtereen dragen, eenvoudige

linnen kleeding en het voedsel dat hun stukje grond in overvloed

oplevert, terwijl de dagelijksche uitgaven van een geheel gezin niet

meer bedragen dan vier francs. Ik spreek natuurlijk slechts van de

bevolking op het platteland, die een gemakkelijk leventje leidt, nooit

haast heeft, en alles liefst maar uitstelt tot morgen. "Manana!" zeggen

zij.

Van paardrijden houden zij bijzonder veel. Telkens ontmoet men in

't wit gekleede ruiters, met hun Panamahoed en de _guayavera_, een

soort van fijn geplooid hemd, met zakken, dat in geheel westelijk

Cuba gedragen wordt. Zij zitten zeer goed te paard, op hun zadel

met ronden knop, en met de voeten in stijgbeugels, die van voren

met leer zijn bekleed. De paarden hebben een eigenaardigen gang,

die geen draf en geen galop is, maar een geregeld sukkeldrafje,

waarbij ze zich zoo zacht en gelijkmatig voortbewegen, dat de ruiter,

naar men zegt, een vol glas water in de hand kan dragen, zonder een

druppel te storten. Die cubaansche paardjes zien er soms bemodderd

en ontoonbaar uit; maar kunnen verbazend lange afstanden afleggen;

altijd wanneer men ze behoorlijk rust gunt in de stations of herbergen,

die op geregelde afstanden langs de wegen zijn geplaatst.

De meest voorkomende van deze inrichtingen is de _bodega_, een

soort van open tent, met een toonbank, waar wijn, bier, vruchten

etc. te krijgen zijn, en waar men rusten en iets gebruiken kan. Op

de vaste pleisterplaatsen zijn uitgebreider inrichtingen van dien

aard, die _tienda mixta_ heeten, en waar bijv. ook kleedingstoffen

worden verkocht, of zelfs wel meubelen en toilet-artikelen. In het

laatste geval draagt zulk een magazijn den naam van _almacen_; de

klanten zitten er op tabouretten en worden geholpen door bedienden

in hemdsmouwen. Dergelijke winkels vindt men echter alleen in vrij

belangrijke plaatsen.

De steden en dorpen zien er aantrekkelijk uit; de wit en blauw

geschilderde huisjes geven een frisch en levendig aanzien. De

hoofdstraat is meestal een met gras begroeide rechte laan, zonder

plaveisel, en dus, als het regent, onbegaanbaar voor de voetgangers,

die dan maar een heenkomen moeten zoeken onder enkele planken

afdakjes, die ter beschutting zijn aangebracht en behooren tot de

deftigste huizen, welke toch altijd met riet gedekt zijn. Is zulk

een gebouwtje een hôtel, dan staan onder dat afdak gedekte tafeltjes,

dikwijls door wijnvlekken ontsierd, en in de slaapkamers, door lage

beschotten gescheiden, gewone veldbedden met een zeildoek bespannen.

In de kleine steden dragen de rechthoekig elkaar kruisende straten

fraai klinkende namen van vrijheidshelden, Marti, Maceo, Gomez ... Daar

is dan ook de hoofdstraat geplaveid en het marktplein versierd met

palmen en bloemperken. Druk is het in die kleine plaatsjes altijd; over

dag verdringen zich ruiters en rijtuigen, soms met ossen bespannen,

want de bewoners zijn verbazend lui, en zullen geen voet verzetten

als het eenigszins te vermijden is. Des avonds is de straatverlichting

(door gas of electrisch licht) zeer voldoende.

Nog eer de kerkklokken het Angelus hebben geluid, beschouwt men hier

het dagwerk als afgedaan; de heeren liggen languit te rusten in hun

fauteuil; de dames spelen nog een uurtje piano, eer het tijd wordt naar

de komedie te gaan. Want in den schouwburg is altijd iets te zien of te

hooren, dank zij de vele reizende muziek- en tooneelgezelschappen. Ook

trekken wel tien of vijftien circustroepen het land door, die vooral

onder de zwarte bevolking grooten opgang maken. En dan, niet te

vergeten, de steeds zich herhalende bals en danspartijen, waarvan

de jeugd gretig gebruik maakt, en waarbij een menigte billets-doux

worden gewisseld, die na de thuiskomst worden gelezen en genoten.

Op het land echter is men niet zoo afkeerig van zich eens te

verplaatsen, als in de stad. Ondanks het gebrek aan paarden en

muilezels, waarvan het aantal in de jaren van oorlog zeer verminderd

is, doen de Cubanen toch zeer dikwijls lange tochten te paard. Een

vreemdeling kan hier voor een centen, d.i. 26.40 francs, plus omstreeks

zes francs per dag voor voedsel en verzorging, een paard huren.

De weinige wegen, die het eiland doorsnijden, bieden heerlijke,

afwisselende uitzichten aan en zijn beplant met schaduwrijke boomen. De

weg van Cotorro naar San José de las Lajas is bijv. over een lengte

van veertien kilometer door prachtige laurierboomen begrensd. Doch

deze weg is, behalve die van San Cristobal, eigenlijk de eenige in

de provincie Havanna die voor voertuigen berijdbaar is.

Behalve deze schaarsche verkeersmiddelen vindt men in Cuba niet anders

dan de meest primitieve voetpaden, die door velden en akkers, of door

bosch en struikgewas slingeren. Rivieren moet men doortrekken op de

plaatsen waar zij 't gemakkelijkst doorwaadbaar zijn. En de bodem is

natuurlijk, al naar het jaargetij, niet anders dan dik stof, of taai

slijk, om niet te spreken van de plekken, waar scherpe rotspunten

het gaan nog bezwaarlijker maken.

Het is jammer, dat het land in dit opzicht zoo achterlijk is

gebleven. Voor vijf jaren besloeg het net van wegen slechts 256

kilometer, en dat der spoorwegen 1505 kilometer, terwijl verschillende

lijnen, halverwege voltooid, aan hun lot waren overgelaten. Door

tusschenkomst van Amerikanen werden in vier jaren 150 kilometers wegen

hieraan toegevoegd, en bovendien een spoorweglijn van 542 kilometer

aangelegd van Santa Clara naar San Luis.

Maar er blijft nog veel te doen over. Plannen bestaan, om 4053

kilometer wegen te laten aanleggen, die in veertien jaar gereed zullen

zijn. Het werk wordt echter vertraagd door gebrek aan middelen. Het

blijft bij plannen beramen, en misschien zal het nog lang duren, eer

Cuba in het bezit is van behoorlijke verkeerswegen, waarop trouwens

de landelijke bevolking, aan den tegenwoordigen toestand gewend,

niet eens zeer nadrukkelijk aandringt.

Een ouderwetsch vervoermiddel, dat nog in het geheele eiland wordt

gebruikt, is de _volanta_, een houten bak, met laag uitgesneden

zijden, een vertikale voorplank en een lage, breede achterbank,

beschermd door een zware leeren kap. Dat gevaarte is met riemen op

een los onderstel met zeer hooge wielen bevestigd, om zoodoende den

reiziger eenigszins te vrijwaren voor de geweldige schokken, waaraan

het voertuig is blootgesteld door de oneffenheid van den bodem.

De _guagua_ is een lang soort tentwagen, die aan alle zijden goed

overdekt is, en waarin men voor slecht weder dus wel is beschut;

maar men komt er slechts heel langzaam mee voort, ondanks het vijftal

paarden of muilezels, die het toestel trekken.

Men zou de cubaansche spoorwegen te veel eer bewijzen, als men ze met

den naam van spoorwegnet betitelde, want zij beslaan met elkander niet

meer dan 2371 kilometer. Toch behooren zij aan veertien maatschappijen

van verschillende nationaliteit, cubaansche, spaansche, engelsche en

amerikaansche. Tusschen de steden en de omliggende plaatsjes komen

en gaan de treinen omstreeks driemaal per dag, op het land éénmaal

daags, en in het binnenland slechts twee of driemaal in de week. De

locomotieven en spoorwegrijtuigen zijn al zeer primitief, en alleen

op de westelijke lijn, van Pinar del Rio en op de oostelijke, van

Santiago, is voor eenig comfort gezorgd; wat echter nog niet heel veel

wil zeggen. Want op de laatste lijn, die 869 kilometer lang is, staan

in de groote sombere waggons niet anders dan houten of matten stoelen,

en een paar draaibare rieten leunstoelen, waarin men het landschap

op zijn gemak kan waarnemen. Door Havanna, Matanzas, en Santa Clara

rijden bespottelijke ouderwetsche locomotieven, met eertijds roode en

groene, vervelooze kasten van waggons, waarin de reizigers onbarmhartig

worden heen en weergeschud. Komt men in minder dichtbevolkte streken,

dan wordt het nog veel erger; als station doet daar dikwijls een

planken loodsje dienst, of zelfs een oude spoorwegwaggon. Het is

ieder geraden, zijn biljet met amerikaansch geld te betalen; geeft

men spaansche munt, dan krijgt men zijn kaartje eerst na langdurige

berekeningen van den beambte aan het loket.

Zes maanden op Cuba—Havana De Aarde en haar Volken, 1908 · 第 2 / 4 段