Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
ZES MAANDEN OP CUBA.--HAVANNA.
Naar het Fransch van Charles Berchon.
Ik ben verrukt over het land, dat ik thans heb leeren kennen, Cuba,
het grootste en schoonste eiland der Antillen, met zijn weldoenden
zonneschijn en zijn heerlijken blauwen hemel.
Ik kwam er aan op een helderen Decembermorgen, met de uitstekend
ingerichte amerikaansche stoomboot, de _Mexico_, die het anker wierp
in een baai van omstreeks drie mijlen in omtrek, waarvan de ééne,
drassige, oever een diepen inham vormt, tot waar een lage heuvelreeks
oprijst, terwijl de andere, waarop de stad Havanna is gelegen,
in de baai vooruitsteekt als een sierlijk afgeronde kaap. Wat men
het eerst bespeurt van Cuba's hoofdstad, zijn groote, verspreide
gebouwen, waartusschen, tegen den langzaam stijgenden achtergrond,
een ontelbare menigte huizen zijn saamgedrongen, allen van een zelfde
geelachtige kleur. Dat eentonig effen vlak wordt door rechte lijnen
van straten in ruiten verdeeld, 't geen de stad op een reusachtig
dambord doet gelijken.
De eerste wandeling door de stad was alles behalve aangenaam.
Uit het keurige douanenkantoor kwamen wij in een nauwe straat,
tusschen hooge gebouwen ingesloten, als een rotskloof tusschen steile
bergwanden. Het midden werd ingenomen door zware vrachtwagens, met
muildieren bespannen, huurrijtuigen, en een soort van verhuiswagens,
die als omnibussen dienst deden en die, door hun ongeregelden en
slingerenden gang, voor de passagiers zoowel als de voorbijgangers
bepaald gevaarlijk mochten heeten. En als men zich voor die
onberekenbare gevaarten wilde in veiligheid brengen, was er geen
andere toevlucht dan een trottoir van hoogstens 40 c.M. breedte,
waarop de voorbijgangers voortdurend tegen elkander aanbonsden en
ieder, die niet even behendig of brutaal, was als zijzelf, eenvoudig
op de straat duwden, of letterlijk tegen den muur platdrukten. Men
moest dus maar van twee kwaden het beste kiezen; óf zich laten
stompen door de onwellevende voorbijgangers, óf gevaar loopen, te
worden overreden, en daarbij door een dikke laag slijk baggeren, die
slechts wat dunner werd, waar de goten waren overgeloopen. Gelukkig
kwamen wij, na een kwartiertje zoo te hebben voortgesukkeld, aan de
O'Reillystraat, die zindelijker en breeder was. Door de groote vensters
der benedenverdiepingen zag ik hier keurig ingerichte vertrekken, fraai
uitgestalde étalages en uitlokkende café's, waar ik mij voorstelde,
met genoegen te zullen zitten rusten, als ik eerst een geschikt logies
had gevonden. Dit zou misschien niet gemakkelijk in zijn werk gaan
in een stad als deze, waarvan de bevolking in de laatste vijf jaren
met 40 000 zielen is vermeerderd, terwijl het aantal nieuwgebouwde
huizen met dien aanwas geen gelijken tred heeft gehouden. Wel waren
er een voldoend aantal hôtels, en eenige gemeubileerde huizen te huur,
doch naar mijne meening veel te weinig fatsoenlijke pensions, rustige
verblijfplaatsen, die men op een lange reis zeer leert waardeeren. Het
eenvoudigste logies is hier trouwens verbazend duur; voor minder dan 5
francs kan men geen behoorlijke slaapkamer krijgen. Dit zal trouwens
wel veranderen, naarmate de verhouding tusschen vraag en aanbod zich
wijzigt, evenals het schromelijke overvragen der restauratiehouders,
die voor een zeer eenvoudigen maaltijd 4 of 5 francs rekenen, vanzelf
zal ophouden, wanneer zij meer concurrentie hebben te duchten.
De aanmerkelijke toename der bevolking zal op den duur grooter welvaart
scheppen en meer kapitaal in omloop brengen, 't geen wellicht gepaard
zal gaan met meerder eenheid in het muntsysteem, waarin thans de
grootste verwarring heerscht.
Want zoowel spaansch, als mexicaansch, amerikaansch, fransch en
engelsch goud- en zilvergeld is hier in omloop, en met de betrekkelijke
waarde dier verschillende muntstukken wordt op zoo willekeurige wijze
omgesprongen, dat een vreemdeling, die er niet uit wijs kan worden,
zijn geduld erbij verliest.
Eindelijk had ik dan toch een onderkomen gevonden in een particuliere
woning, een eenvoudig benedenhuis, waarvan de voorgevel, die licht
geverfd was, slechts twee groote vensters had, niet met luiken,
maar met zonneblinden gesloten. Deftige huizen hebben in den regel
een portiek of gaanderij met gecanneleerde zuilen, groote lantarens,
en ijzeren hekken met grillige krullen en versieringen. Dit is wel
opmerkelijk in een stad, waar de huizen over 't algemeen arm zijn
aan bouwkunstige versiering of kunstig smeedwerk.
Als ik mijn tijdelijke verblijfplaats binnentreed, kom ik eerst
in de vestibule of _zaguan_, die door een boogvormige deur toegang
geeft tot het eigenlijke woonhuis, dat bestaat uit een langwerpig
vierkant vertrek, de eetzaal of _comedor,_ waarin een tafel en eenige
schommelstoelen staan; verder een salon (_sala_), met een bamboes
ameublement en een piano, en meerdere slaapkamers, waarvan de mijne
gemeubileerd is met een groote kleerkast, een flinke toilettafel en
een breed bed, met springveeren matras. De binnenplaats (het _patio_)
is achter deze vertrekken gelegen, en aan de overzijde daarvan
is de keuken, (_cocina_) waarin zich alleen een groot, gemetseld
fornuis bevindt en een soort van groote, poreuze vijzel, om water te
filtreeren. Alle vertrekken zijn hoog van verdieping, hebben helder
gewitte muren, en zijn meestal met tegels bevloerd. Frissche lucht
is er in overvloed, daar de deuropeningen slechts voor twee derde
worden gevuld door de kleine, niet meer dan manshooge deurtjes,
eigenlijk slechts luiken, van hout of van gekleurd glas. Alleen de
boogopening boven de deur der eetzaal is gevuld met sierlijk gekleurde
glazen ruitjes.
Zeer ingenomen met mijn nieuwe woning, die mij keurig netjes en
zindelijk scheen, begaf ik mij naar een restauratie, waar men, aan
groote ronde tafels gezeten, van acht uur af een ontbijt of _desayuno_
kon krijgen, van tien tot twaalf het tweede ontbijt of _almuzzo_,
en van vijf tot zes het middagmaal, de _comida_. Vlugge kellners,
gekleed in zwarten pantalon en wit of gekleurd hemd, droegen de
schotels aan, en het menu was lang niet verwerpelijk; er was soep,
verschillende visch- en vleeschspijzen, rijst en groente, versche en
ingemaakte vruchten en confituren, guava, ananas, kokosnoten en zelfs
goede kaas. Zeer eigenaardig vond ik sommige nationale gerechten,
zooals bijv. de _patas_, een ragoût van kalfspooten met aardappelen,
olijven en rozijnen, de _ajiaco_, een gerecht van gehakt ossen- of
varkensvleesch, met bananen, kalebas en maïs toebereid, de _tasajo
de Puerto-principe_, een vleeschschotel met schijfjes aardappelen en
citroen; de "gele rijst", vermengd met stukjes varkensvleesch, ham
en mosselen, en eindelijk een zonderlinge vrucht, de _aguacate_, een
soort langwerpige peer, van buiten groen of paarsachtig, en waarvan
het vruchtvleesch, dat zacht en geel was als boter, naar hazelnoten
smaakte. Bij den maaltijd werd bij voorkeur ijswater gedronken;
ik week echter af van dien regel en bestelde een half fleschje zeer
donkergekleurden wijn, Rioja Clarete.
De Obispo-straat, die goed is onderhouden en met asphalt geplaveid,
wordt als een der mooiste straten van Havanna beschouwd. In
elk geval zijn daar de fraaiste winkels, waar allerlei sierlijke
voortbrengselen van fransche kunst en nijverheid liggen uitgestald,
die in het tropische zonlicht goed tot hun recht komen. Andere drukke
winkelstraten zijn die van San Rafael, Neptuno en Galiano; doch de
magazijnen van den groothandel liggen aan de Ricla-straat, waar de
dichte huizen en de afwezigheid van drukte een groot contrast vormen
met het levendig verkeer in de hoofdstraten, waar veel buiten wordt
uitgestald, en bovendien allerlei kooplieden u op karretjes hun waar
aanbieden, of een halven bazar op den rug mededragen.
De eigenlijke markt, Plaza del Vapor genaamd, is een overdekte hal,
waaromheen galerijen zijn gebouwd, en waar een verbazende drukte
heerscht. Om slechts enkele te noemen van de merkwaardige producten,
die hier werden te koop geboden: ik zag bij de afdeeling voor
groenten o.a. meerdere soorten aardappelen, die bij ons niet bekend
zijn; behalve de gewone (_malangua_) waren hier zoete (_boniato_),
langwerpige (_Yuca_) en een kolossaal groote soort (_name_); verder
de _challote_, een groote peulvrucht van vreemd gewrongen vorm, en de
_guimbombo_, een zeer zure augurk met bijzonder spitse punten. Bij de
vruchten vielen mij op: de groene of roode oranje-appelen, de mango's,
de _sapate_, een soort van roodachtig grijze appel, die naar mispels
smaakt, en vol zwarte pitten zit, de _caïmito_, een andere, groote,
paarse appelsoort, waarvan het vleesch vuurrood is en op vijgen
gelijkt; de _mamey_, een kleine donkerroode, zoete meloen, die met
gestampt ijs gebruikt wordt; de _maranon_, die op spaansche peper
gelijkt, maar een zacht, wit vruchtvleesch heeft; de _guanabana_,
in vorm gelijkend op een groote, donkergroene, stekelige aardbei,
zeer verfrisschend en aangenaam van smaak; verder gele of groene
ananassen; kleine pruimensoorten, _manoncillos_ en _hicacos_; de
_guayaba_, een kleine wrange citroen, die geconfijt wordt gebruikt,
tamarinde, granaten, gele en roode bananen, kokosnoten en suikerriet.
Ook op de vischmarkt zag ik allerlei onbekende soorten, vooral
van karpers en kabeljauwen; tong en tarbot worden hier niet veel
gegeten. De afdeeling voor gevogelte was ook goed voorzien; ik stond
verbaasd over die massa's levende kippen, eenden, duiven, kalkoenen
en konijnen.
In de buurt van de markthal zag ik kooplieden, die te paard met hun
gevogelte, of met suikerriet de stad ingingen, om daar hun waar van
de hand te doen. Terwijl ik hier rustig rondwandelde, deed ik een
ondervinding op, die mij er aan herinnerde, hoe ver ik van Parijs was;
een paar straatjongens, die zich vermaakten over mijn hoogen hoed,
begonnen mij met appelen te gooien en riepen, dat ik er een dynamietbom
onder verborgen had. Ik moest mijn blijkbaar aanstootelijk hoofddeksel
dus wel verwisselen voor een Panamahoed, die dan ook in het gebruik
oneindig praktischer bleek.
Eene bijzonderheid springt den reiziger in deze streken aanstonds
in het oog, n.l. dat de bewoners van Cuba, al hebben zij geen
gebrek aan sommige groenten, vruchten en visch, hun koloniale
waren, vleesch in bussen en verduurzaamde groenten uit den vreemde
laten komen. Maandelijks worden 25 000 ton snijboonen, erwten,
meel, rijst, reuzel, ham en gezouten amerikaansch vleesch hier
ingevoerd. In de hoofdstraten ziet men dan ook groote magazijnen
van levensmiddelen, toebehoorend aan handelaars, die te Cuba goede
zaken hebben gemaakt. Zoo belangrijk is deze invoer, dat het noodig
is gebleken een afzonderlijke beurs hiervoor op te richten, la Lonja
de Viveres, die koop en verkoop bespoedigt en vergemakkelijkt. Tegen
een maandelijksche betaling van 5 francs kan elke koopman, 't zij
hij in 't klein of in het groot handel drijft, hier komen kiezen,
vergelijken en koopen; terwijl hij voor de som van 27.50 fr. in
de maand het recht verkrijgt, zijn eigen monsters hier tentoon te
stellen. Deze beurs, die des morgens van 7 tot 10 uur is geopend,
heeft zich in een tijdsverloop van zestien jaren verbazend uitgebreid;
haar aandeelen werpen thans 10 à 12% rente af, terwijl zij bovendien
in staat is geweest, voor liefdadige doeleinden en instellingen van
algemeen belang 148 200 francs te besteden. Er werden dan ook reeds
plannen beraamd, om een prachtig gebouw van vijf verdiepingen te doen
verrijzen op de plek, waar thans in een tamelijk primitieve omgeving
tal van rijke kooplieden hun zaken komen doen.
Uit de drukke handelswijk, waar inderdaad een buitengewone
bedrijvigheid heerschte, begaf ik mij thans naar dat rustiger
gelegen gedeelte der stad, waar de gezeten burgers hun woonplaats
hadden gekozen. Sommige van de deftiger straten hadden bepaald een
aristocratisch karakter, dat op den vreemdeling een aangenamen indruk
maakte; zooals bijv. de Paseo Marti, een lange rij witte gebouwen, voor
het meerendeel smaakvol ontworpen, die uitzien op een plantsoen van
fraaie laurierboomen. Aan het eind van deze laan staat een prachtige
kiosk, waarachter in de verte, aan de overzijde van een zeeinham,
een vuurtoren oprijst. Zoo zijn er nog meer mooie punten, o. a. het
havenplein, met een fontein en een standbeeld van Neptunus, de Malecon,
een wandelplaats langs zee, en de boulevard de l'Indienne, beschaduwd
door hooge boomen, en zoo genoemd naar het marmeren standbeeld eener
indiaansche vrouw, dat een fontein versiert.
Verder zag ik het Columbus-park, waar, in een vijver onder palmboomen,
een familie krokodillen huisde, en de laan van Carlos III, waar,
tusschen eindelooze rijen boomen, een onafzienbare reeks kleine
standbeeldjes prijkte, die mij echter te veel aan pendule-ornamenten
deden denken, om ze veel aandacht waardig te keuren.
Een zeer druk kruispunt van het verkeer is het plein van Muella de
Luz; minder schilderachtig gelegen is dat van San Juan de Dios, een
soort terras, met elzen beplant, van waar de verschillende tramlijnen
uitgaan, naar de deftige stadswijken, en naar de volksbuurten, waar in
wonderlijke blinde sloppen en steegjes de armste bevolking woont. Een
van de zonderlingste straten vond ik de Calzada del Monte, waar als
versiering lange rijen blauwe, paarse, rose en groen geschilderde
zuilen zijn aangebracht, en die uitkomt op een pleintje, waar een
standbeeld staat van den ingenieur Albear, die de waterwerken der
stad heeft aangelegd.
Van daar komt men in het Centrale Park, waar de hoofdstraten der
stad samenkomen, en waar zich een monument bevindt, gewijd aan de
nagedachtenis van den patriot Marti. Hier zijn ook de grootste hotels,
café's, clubs en theaters van Havanna.
Er is alle reden om te verwachten, dat de stad zich nog voortdurend
zal uitbreiden; want er is nog veel onbebouwd terrein, terwijl de
prijzen van den grond steeds stijgende zijn.
Zoo zal een groot stuk grond bij het station Villanueva, waar
thans loodsen en bergplaatsen van spoorwegmateriaal staan, zeer
waarschijnlijk in de toekomst een der fraaiste gedeelten van de
stad worden.
De publieke gebouwen, zooals bijv. het presidentspaleis, zijn over
het algemeen grootsch en indrukwekkend, hoewel sommige steensoorten
veel hebben te lijden door hitte en vocht. De kathedraal, met haar
twee torens, is reeds eenige eeuwen oud en daardoor vervallen; doch
meerdere kerken zijn in zeer goeden staat, zooals die van Los Angeles
en Merced, waar een nabootsing der grot van Lourdes wordt vertoond;
de rijkversierde kerk van Santo Domingo, en andere kapellen, die
slechts bij feestelijke gelegenheden worden geopend, zooals de
Jezuitenkapel van Belem en de Karmelieter kapel van Santo Felipe,
waar een middernachtelijke godsdienstoefening wordt gehouden, met
begeleiding van piano, klarinet, castagnetten, triangel, tamboerijn
en ... hanengekraai. Op den naamdag van den H. Christoforus wordt
in een kleine kapel, El Templete genaamd, eene mis gelezen, ter
herinnering aan de eerste godsdienstoefening, die in 1519 te Cuba
werd gehouden in de schaduw van een katoenboom. El Templete is een
klein marmeren gebouwtje, in Griekschen tempelvorm, dat in 1598 door
Ferdinand VII werd ingewijd. Het is het eenige gebouw, dat herinnert
aan de dagen der stichting van het latere Havanna, dat oorspronkelijk
Port Carenas heette.
Een bekoorlijke, geheel nieuwe voorstad is de Vedado, een reeks fraaie
villa's, aan zee gelegen. Het in de rotsen uitgehouwen badhuis biedt
geschikte gelegenheid tot baden aan. Ook andere buitenwijken zijn zeer
gezond en daardoor gezocht, zooals Cerro, Jesus del Monte, en Regla,
waar echter meer arbeiders wonen.
Voor de openbare veiligheid wordt in Havanna uitstekend gezorgd,
doch de bewoners werken hiertoe van hunne zijde ook krachtig mede. Het
brandweerkorps, dat uit 520 vrijwilligers bestaat, wordt bijna geheel
door particuliere bijdragen in stand gehouden; de kooplieden dragen
hiertoe 3540 francs bij, twintig brandverzekeringsmaatschappijen
samen 39 960 francs; de stad zelf 109 000 francs, en de staat betaalt
slechts 60 000 francs.
Ik hoorde niets dan lof over dit korps, evenals over de politie,
die er in geslaagd is, het aantal gepleegde misdrijven terug te
brengen tot op een vierde van het vroegere getal. En dat nog wel bij
een betrekkelijk geringe politiemacht, slechts elfhonderd agenten,
de geheime politie medegerekend. Hierdoor is de dienst zeer zwaar,
en de diensttijd duurt, drie dagen van de vier, vijftien uren; doch de
agenten vervullen hun taak met buitengewone toewijding en houden nacht
en dag een wakend oog. Van het geringste vergrijp wordt onmiddellijk
per telefoon kennis gegeven aan het hoofdbureau midden in de stad.
De bewoners van Havanna behoeven dus niet beducht te zijn voor hun
persoonlijke veiligheid, als zij zich buitenshuis begeven. Het klimaat
is hiervoor volstrekt geen beletsel, want de warmte is in deze streken
zeer dragelijk. Ook is de temperatuur genoegzaam aan afwisseling
onderhevig, om twee jaargetijden te onderscheiden. In den winter
daalt de thermometer soms tot 9 graden, om in den zomer wel tot 40
te stijgen. Doch over 't algemeen kan men aannemen, dat van October
tot Juni de gemiddelde temperatuur 's morgens 24°, 's middags 28°, en
's avonds 26° bedraagt; terwijl van Juni tot October de temperatuur
wisselt tusschen 26° en 32°. In den nazomer, vooral in September,
wordt de hitte getemperd door een zachten regen, die geregeld des
middags valt, terwijl in den winter het weer warm en droog is. Het
klimaat is hier dus bij uitstek gunstig en aangenaam te noemen.
Voor de openbare gezondheid wordt uitstekend gezorgd en aan
de zuiverheid der atmosfeer streng de hand gehouden, zoo wordt
bijvoorbeeld van eigenaars van tabaksfabrieken geëischt, dat zij de
grootste zindelijkheid betrachten, wat betreft het verwijderen van
het sputum der werklieden; en ook in particuliere woningen wordt
een wakend oog gehouden, en alle sanitaire ongerechtigheid streng
geweerd. Van besmettelijke ziekten moet worden kennis gegeven aan
een inspecteur, die er voor zorgt, dat de patient blijft afgezonderd,
en het huis na zijn herstel of overlijden wordt gedesinfecteerd. Deze
maatregelen hebben natuurlijk de gunstigste gevolgen gehad, terwijl het
verbod, om stilstaand water onbedekt te laten, de muskieten heeft doen
verminderen, en vooral de ontwikkeling heeft tegengegaan van den culex
faciatus, welks steek de gele koorts teweeg bracht. Zoowel de gele
koorts als de tuberculose, welke vroeger vier vijfde van de bevolking
hevig hebben geteisterd, zijn thans zoo goed als verdwenen. Door
het nauwkeurig onderzoek, waaraan de emigranten zijn onderworpen, is
ook de mogelijkheid van overbrenging van besmetting uit den vreemde
grootendeels buitengesloten. De armeren onder de landverhuizers moeten
een quarantaine doormaken in het lazaret Mariel, of vijf dagen onder
observatie blijven te Triscornia.
Al deze uitstekende maatregelen heeft men te danken aan de voorzorgen
van den Algemeenen gezondheidsdienst, die 368 beambten ter inspectie
uitzendt, door geneeskundigen voordrachten over gezondheidsleer doet
houden onder de arbeidende bevolking, en over het geheele eiland
zijn wijs bestuur uitstrekt. Wel worden groote sommen jaarlijks door
dezen tak van dienst verslonden; doch thans kan Cuba dan ook met
voldoening het feit constateeren, dat het van een der ongezondste
verblijfplaatsen ter wereld juist het tegenovergestelde is geworden,
en dat het meerendeel der hospitalen op Cuba zoo goed als leeg staat,
zoodat het niet lang meer zal duren, of de kliniek van San Antonio
voor geheime ziekten, en die van Animas voor de gele koorts, zullen
kunnen worden opgeheven.
Behalve het krankzinnigengesticht van Mazorra en een toevluchtsoord
voor kinderen, la Beneficencia, zijn hier ook vele liefdadige
inrichtingen, die slechts door particuliere bijdragen worden in
stand gehouden. De oudste van deze, de Quinta de Salud Benefica,
is niet groot, maar in deze, evenals in de twee andere dergelijke
inrichtingen, worden de nieuwste methoden gevolgd en is alles op
moderne leest geschoeid. In de Quinta de Salud Covadonga, die in een
fraai eigen park met een kapel is gelegen, worden 200 zieken verpleegd,
terwijl in de Quinta de Salud de la Purissima Concepcion 700 patiënten
van alle natiën gratis verzorging en verpleging kunnen vinden.
De rijke en milddadige leden dezer vereenigingen zijn echter, behalve
door het stichten van hospitalen, ook op allerlei andere wijzen
werkzaam voor het algemeen belang. Zij hebben ook clubs gevormd,
welke zich oorspronkelijk ten doel stelden de spaansche emigranten
onder elkander te verbinden en voort te helpen. Deze vereenigingen
hebben nog slechts vijf en twintig jaren bestaan, en in dien tijd
zeer veel goeds tot stand gebracht. Ze bestaan uit lieden van allerlei
stand en leeftijd.
Zoo is de club van La Quinta Covadonga, die 16 150 leden telt, alleen
open voor kolonisten van spaansche afkomst. Zij bezit een kapitaal van
2 500 000 francs en heeft voor de verbouwing en verfraaiing van haar
Vereenigingsgebouw, dat voor 400 000 francs werd aangekocht, nog 500
000 francs besteed. Deze vereeniging draagt jaarlijks een som van 75
000 francs bij tot het openbaar onderwijs, en besteedt aanzienlijke
sommen voor opleidings-cursussen, waaraan zoowel meisjes als jongens
kunnen deelnemen, en waarin onderricht wordt gegeven in spraakkunst,
aardrijkskunde, geschiedenis, fransch en engelsch, wiskunde,
stenographie, dactylographie, teekenen en handelswetenschappen.
De Club der Quinta Benefica is een vereeniging van Galiciërs,
twaalfhonderd in getal, en rijk genoeg om, tegen een zeer hoogen prijs,
den nationalen schouwburg in eigendom te hebben verworven.
De Club van de Quinta Purissima Concepcion telt haar leden meer onder
jongere en oudere kooplieden en ambtenaren, onverschillig uit welke
provincie van Spanje zij afkomstig zijn. Deze club heeft 20 000 leden
en bezit een fraai nieuw clubgebouw, waaraan een gymnastiekzaal, een
bibliotheek en een leeszaal verbonden zijn, een prachtige feesthal,
3000 vierkante meter groot, en scholen voor de kinderen der leden,
terwijl de vereeniging een dertigtal onderafdeelingen heeft.
Behalve deze grootsche ondernemingen, die opnieuw de waarheid bewijzen
van het spreekwoord "Eendracht maakt macht", is er in Havanna nog een
duitsche club, een artistieke en litteraire vereeniging, l'Aténéo, en
het spaansche casino, waar vreemde talen en teekenen worden onderwezen,
en dat ook in de provincie met vrucht arbeidt. Zelfs de mulatten en
de zwarte bevolking hebben hun sociedades, wel een bewijs, hoe de
bewoners van Cuba, onder alle klassen der bevolking gesteld zijn op
gezelligheid en tijdverdrijf buitenshuis.
De vreemdelingen, die vroeger, ondanks den roep, die van Cuba's
schoonheid uitging, het eiland ontvluchtten, uit vrees voor de gele
koorts, komen thans, nu die verschrikkelijke bezoeking is geweken,
hier in grooten getale vertoeven. Vooral bewoners der Vereenigde
Staten, die de koude willen ontvlieden, komen den winter te Havanna
doorbrengen. Jaarlijks komen omtrent 10000 vreemdelingen naar de
hoofdstad, die meer en meer het Nice van den Atlantischen Oceaan wordt.
Van December tot Maart volgt hier de eene feestelijkheid na de andere,
waaraan zoowel de ingezetenen als de vreemdelingen plegen deel te
nemen; bals en komedievoorstellingen wisselen af met rijtoeren en
muziekuitvoeringen in de open lucht, en nemen den dag zoowel als den
avond in beslag.
De nationale schouwburg, die 4000 plaatsen voor toeschouwers bevat,
en in 1837 werd gebouwd, onder den gouverneur Tacon, wijkt in geen
enkel opzicht af van andere dergelijke gelegenheden in tropische
landen: breede gangen en goede ventilatie weren er de overgroote
hitte. De schouwburgzaal is vrij eenvoudig, en sober wat de versiering
betreft. Er komen veel buitenlandsche sterren van de eerste grootte;
zoo spaansche als italiaansche en fransche, o. a. Guerrero, Tetrazzini,
Reiter, Thuillier, Duse, Coquelin, Réjane en Sarah Bernhardt. Op
zulke avonden betaalt men 10 francs alleen voor entrée, en nog 10 of
15 francs bovendien voor een plaats in de stalles of in een loge.
In een kleiner theater, het Alhambra, worden aardige pittige revues
vertoond, waarin de vaderlandslievende geest der Cubanen ruimschoots
gelegenheid tot uiting vindt.
In het Palatino-park, een zeer aantrekkelijke plaats van bijeenkomst,
waar de jeugd zich gaarne gaat vermaken, wordt in een groote zaal vol
belangstellende en ijverig weddende toeschouwers, Jai Alaï gespeeld,
('t geen "vroolijk spel" beteekent); het is een soort spaansch balspel,
dat veel behendigheid vereischt.
Op een andere uitgestrekte vlakte spelen jongelieden baseball, een
spel van amerikaanschen oorsprong.
Natuurlijk wordt er veel gefietst, ook door negers, en reeds hebben
op den weg van de hoofdstad naar San Cristobal automobielwedstrijden
plaats gehad, die levendige geestdrift wekten; zoodat voor den
eerstvolgenden wedstrijd reeds schitterende prijzen werden uitgeloofd,
vier bekers, meerdere kunstvoorwerpen, en een prijs van de stad
Havanna van 100 000 francs.
Dames nemen aan al deze spelen in de open lucht hier weinig deel,
en spelen zelfs niet geregeld tennis.
Natuurlijk vond ik het verreweg het meest interessant, ook eens
een gezellige bijeenkomst onder de lagere klassen der bevolking
te kunnen bijwonen. Onder deze is men gewoon onderscheid te maken
tusschen negers en mulatten; hoewel het van zelf spreekt, dat zij,
die niet in slavernij geboren zijn, of wier uiterlijk in niet al te
sterke mate het negertype vertoont, zich gaarne bij de laatstgenoemden
scharen, en niet willen toegeven, dat zij zwarten zijn. Zoowel negers
als mulatten hebben hun eigen clubs; in het geheel wel een dertig
in getal. Ik genoot eens het voorrecht, een invitatie te ontvangen
van de Gardenia-club, waar ik aan den ingang door een majestueuze
negerin werd verwelkomd. In een zaal met een uitstekend orkest en een
mooien Pleyel vond ik de heeren in onberispelijke gekleede jassen en
de dames in groot toilet eendrachtig bijeen.
Sommige der donkergekleurde schoonen waren in het rood gekleed, droegen
puntige mutsen, een houten sabel, en een herkenningsteeken, waarop de
naam Jeanne d'Arc stond te lezen; ik kon echter, ondanks mijn herhaald
aandringen, niet van haar gedaan krijgen, mij te vertellen wat dit
beduidde. De avond verliep in de grootste orde, onder dansen, muziek,
en geregelde pauzen, en men beijverde zich blijkbaar, op het punt
van étiquette niet voor het deftigste blanke gezelschap onder te doen.
Men danste de _habanera_ en den _rigodon_; maar ook een amerikaanschen
dans, Two Steps, met begeleiding van de bekende Hiawatha; onze
walsen en de muziek van Strauss worden weinig gedanst en gespeeld;
daar men in dit warme klimaat de voorkeur geeft aan een langzamer
tempo, zooals bij den geliefkoosden _Danzon_. Bij dezen dans
zijn alle bewegingen rustig en ingehouden; een paar polka-passen;
een langzame pirouet, de dansers komen bijna niet van hun plaats,
en men kan gerust tusschen de dansende paren doorwandelen, die met
ernstige gezichten tegenover elkaar hun figuren uitvoeren. De eenige,
curieuse beweging, die dezen overigens vrij plechtstatigen danspas
verlevendigt, is een soort van onverwachte schok met de heupen,
die soms een bijna komischen indruk maakt, vooral daar de muziek,
die dezen dans begeleidt, allerwonderlijkst vreemd en grillig is, en
eigenlijk op een vreemdeling den indruk maakt, alsof ieder instrument
op zijn eigen houtje speelt, met de bedoeling, zooveel leven te maken
als maar eenigszins mogelijk is. Men zou denken dat zij het zoo geen
tien minuten achtereen konden volhouden, en gelukkig namen dan ook
de muzikanten om het kwartier een poos rust. Zij bedienden zich voor
het maathouden van een opzettelijk hiertoe vervaardigd instrument,
de _guïro_, een langwerpige kalebas, aan het eene eind omgebogen,
uitgehold, gedroogd, en in de dwarste geribd door inkervingen, waarover
met een vischgraat, of een ijzeren staafje wordt gestreken. De artist,
die het speeltuig hanteerde, sloeg soms tot afwisseling de maat met
een paar stukken hout; doch keerde dan weer tot zijn instrument terug,
dat een scherp, hortend geluid gaf, en aan een afrikaansche tam-tam
deed denken. De _danzon_, die bij de volksklasse zeer in trek is,
wordt echter in aristocratische kringen niet gedanst.
In het Parque Central en het Malicon komen tweemaal 's weeks
de burgerlieden, zoowel als de meer beschaafden, luisteren naar
de muziekuitvoeringen van het stedelijk orkest; en daar had ik
gelegenheid allerliefste jonge meisjes te zien en mooie gezichtjes
te bewonderen, met groote oogen, fijne trekken, een matte, maar
fluweelige gelaatstint, prachtig zwart haar en een meer gevulde
dan slanke gestalte. Zij droegen gracieuse, lichte toiletjes,
maar in den regel geen hoed. Behalve die twee avonden, waarop zij
zich buitenshuis mogen vermaken, en een enkele maal een wandeling,
blijven zij meestal binnen haar vier muren opgesloten en voeren daar
weinig uit. Het grootste gedeelte van den dag wordt besteed aan in
een makkelijken stoel zitten babbelen, eens in de geïllustreerde
tijdschriften bladeren, of een vertaalden roman lezen van Dumas,
Daudet of de Maupassant.
Tot afwisseling wordt wel eens een half uurtje piano gespeeld,
Strausz-walsen, amerikaansche operettes; zelden een klassiek stuk. Wat
beide haar harten en hoofdjes het meest in beslag neemt en ledige uren
vult, is het opstellen van geheimzinnige briefjes, die aan de hoede
eener in dergelijke zaken bedreven negerin worden toevertrouwd en
mededeelingen bevatten van gelukkig nog al onschuldigen aard. Dikwijls
ook komen de jeugdige aanbidders der schoonen haar een bezoek brengen;
in deftige kringen worden zij dan in den salon ontvangen, onder het
waakzaam oog eener voorzichtige mama, die echter wel eens behoefte
heeft aan een middagslaapje; behoort het paartje tot den burgerstand,
dan wordt het gesprek desnoods gevoerd door de belemmerende tralies
van een of ander achtervenster. Zoo gaan voor de jonge dames van
Havanna de dagen voorbij; zelfs boodschappen doen bezorgt haar geen
afleiding, daar het gewoonte is, alle bestellingen aan huis te laten
bezorgen. Alleen schoolgaande meisjes leiden een vrijer leven, als zij
tenminste niet een der verschillende kostscholen bezoeken. Veel goeds
hoorde ik van een instituut voor jongedames, aan het hoofd waarvan
reeds vijfentwintig jaren een zekere Mme Maria Luisa Dolz had gestaan,
wier zilveren feest juist tijdens mijn verblijf in Havanna luisterrijk
werd gevierd. Een andere inrichting van onderwijs, die ik ook zeer
hoorde prijzen, was die van Mlle Léonie Ollivier, een echte fransche
school, waar aardrijkskunde en geschiedenis in het fransch werden
onderwezen, en waar de leerlingen uitstekend op de hoogte waren van
de fransche litteratuur.
Parijs te zien, was het ideaal van al die cubaansche
jongejuffertjes. In tegenstelling met de amerikaansche en duitsche
inrichtingen van onderwijs, werd hier aan de fransche school ook les
gegeven in Spaansch, en op de mandoline, welk gracieus instrument
door een groepje allerliefste jonge meisjes met veel vaardigheid
werd bespeeld. Jammer vond ik het, dat die aardige schepseltjes zich
niet wat meer in het publiek mochten vertoonen. Op de wandeling in
de parken ziet men hier op de banken niet anders dan mannen zitten
uitrusten en naar de voorbijgaande negerinnen en mulattenvrouwen
kijken. Mocht het maar eenmaal voor de dames van Havanna mode worden,
zich geregeld buitenshuis te vertoonen, dan zou de stad er aan
vroolijkheid bepaald door winnen. Op het gedrag van de fatsoenlijke
meisjes uit den burgerstand valt hier niets aan te merken. Ik
deed moeite om mij hiervan door eigen ervaring te overtuigen;
maar ik bemerkte zeer goed, dat ik mij geen te groote vrijheden
mocht veroorloven. Zij hebben meest allen wel een vriendschappelijke
verhouding met een of ander jongmensch, dat haar het hof maakt; maar
alles gaat in eer en deugd toe, onder het wakend oog van ouders of
verwanten. Onder de arbeidstertjes op de sigarenfabriek maakte ik
aardige kennissen; maar zoodra ik haar met complimentjes aankwam,
wilden zij van die duidelijk uitgedrukte bewondering niets weten. Ze
droegen dan ook allen het portret van haar novio bij zich, meestal
op een der knoopen van haar japon; zoodat ik wel kon nagaan, dat
de kans voor mij verkeken was. Maar ik geloof, dat ik ook bij eene,
wier hart nog vrij was, geen gunstige ontvangst zou hebben gevonden;
want het komt zeer zelden voor, dat een meisje uit Cuba haar land
verlaat, om met een vreemdeling te huwen.
De bewoners van Havanna zijn vriendelijk en voorkomend bij een eerste
kennismaking; zij begroeten u hartelijk en bieden u, altijd in dezelfde
stereotype phrase, hun huis en hun persoon aan, om vrijelijk over
te beschikken. Het spreekt van zelf, dat men al die beminnelijkheid
niet letterlijk moet opvatten. Men doet maar 't best, er niet op te
vertrouwen, en zelfs niet teleurgesteld te zijn, als men, na een
afspraak, die men als een dringende invitatie had opgevat, aan de
deur van de meid hoort, dat het de familie beter zal schikken u morgen
te ontvangen. En wanneer men eindelijk behoorlijk is geïntroduceerd,
smaakt men het genoegen, in een schommelstoel in den salon gezeten,
het eene muziekstuk na het andere te hooren voordragen. Zelden wordt
men toegelaten in den intiemen huiselijken kring en evenmin ten eten
gevraagd. Zelfs bij beschaafde en welopgevoede lieden viel mij dat
stijve en gedwongene in hun houding op; misschien het gevolg van een
natuurlijk wantrouwen jegens vreemdelingen, ontstaan gedurende jaren
van opstand en verzet. Familiebijeenkomsten hebben slechts plaats met
Kerstmis en Nieuwjaar, verder ontmoet men elkaar in den schouwburg,
de club, of bij publieke vermakelijkheden. Overigens wordt in Havanna
veel en flink gewerkt. De omstandigheden zijn in materieel opzicht
veel verbeterd en de jaren van 1896-99 zijn thans vergeten. In
'99 bracht de tabaksoogst zoo goed als niets op en de suiker zeer
weinig; doch om in dien treurigen toestand verandering te brengen,
werd geen moeite gespaard en geen opoffering te groot geacht, zoodat
thans, nadat met verdubbelde kracht is gearbeid, velen in Havanna
schatrijk zijn geworden. De stad telt onder haar inwoners thans wel
dertig millionairs, en daar deze kapitalisten gaarne pronken met hun
groot fortuin, neemt de weelde er meer en meer toe, en wordt door het
ontstaan eener geldaristocratie de kloof, die de maatschappelijke
klassen scheidt, steeds dieper. De stad telt bijna 275 000 zielen;
de verhouding der blanken tot andere rassen is 71.8 tot 28.2 per
cent. Bij de laatste volkstelling zijn opgegeven: 156 102 Cubanen,
7819 Spanjaarden, 12 695 verklaarde vreemdelingen, en 65 389 die niet
als vreemdelingen verklaard zijn, terwijl van een vijftigtal bewoners
de nationaliteit niet was vast te stellen.
Wel een zeer uiteenloopende bevolking, vol tegenstrijdige
denkbeelden, onvereenigbare opvattingen en godsdienstig
meeningsverschil. Zonderlinge sekten worden hier aangetroffen, zooals
het geheime genootschap der nanigos, een soort vrijmetselaars.
Onder de protestanten zijn veel baptisten, ook methodisten en
presbyterianen. De groote massa echter is katholiek.
Het karakter der mannelijke bevolking laat zich niet gemakkelijk met
een paar woorden omschrijven. Lichamelijk zijn de Cubanen in den regel
goed ontwikkeld, en hun voorkomen is eer innemend dan het tegendeel;
doch hun innerlijk wezen is zeer gecompliceerd. Vatbaar voor indrukken,
lichtgeraakt, snel ontvlambaar, en toch weer koel beredeneerd, is de
Cubaan een mengelmoes van tegenstrijdige hoedanigheden, en al wat
hem bezielt, haat of liefde, hoop of teleurstelling, traagheid of
arbeidslust, zoo deugden als ondeugden, schijnt vergroot en overdreven.
Wanneer hij er slechts gelegenheid toe ziet, speelt hij kaart,
domino, of schaak, en zeer dikwijls is hij ook in den schouwburg te
vinden. Wel bestaat er onder de meer ontwikkelden een groep lieden,
die zich bij voorkeur met philosofische studiën bezighouden en de
werken bestudeeren van Ribot, Spencer, Schopenhauer en Leroy-Beaulieu.
Sedert het land een periode van bloei en vooruitgang is ingetreden,
geraken de belangen van het onderwijs zeer op den voorgrond. Aan
het lager onderwijs wordt groote zorg besteed, vooral in eene der
openbare scholen van Havanna, die genoemd is naar den opvoedkundige
José de la Luz. In reuzengroote zalen zag ik daar meer dan
duizend kinderen gymnastiekoefeningen uitvoeren op de maat van het
volkslied, terwijl in den aangrenzenden tuin de kleine kinderen
van de bewaarschool speelden. Het meer uitgebreid onderwijs wordt
gegeven in een fraai ingericht gebouw, met een afzonderlijke zaal
voor het onderwijs in aardrijkskunde, een botanisch museum, en een
uitgebreide bibliotheek. De eenige kostschool, die ik bezichtigde,
was het Jezuiten-college van Belem, met een fraai refectorium, een
teekenzaal, een museum en een meteorologisch observatorium. Aan
verschillende duitsche, spaansche en fransche meisjesscholen
kunnen de leerlingen ook voor de Universiteit worden opgeleid. Het
gouvernement besteedt jaarlijks bijna vier millioen dollars, of 20 800
000 francs aan het onderwijs van 232 000 kinderen, die verdeeld zijn
over zes inrichtingen voor meer uitgebreid onderwijs, en 3600 lagere
scholen in de stad en op het land. De universiteit, waar vooral de
duitsche en amerikaansche wetenschappelijke methoden gevolgd worden,
heeft vijf faculteiten: rechten, medicijnen, pharmacie, letteren en
natuurwetenschappen. Tijdens mijn bezoek studeerden er zeshonderd
jongelieden.
Behalve de universiteit, die op een heuvel is gelegen, van waar
men een prachtig uitzicht heeft, mag ik nog melding maken van een
kunstnijverheidschool, een schilder- en beeldhouw-akademie, twee
muziek-scholen, en een bibliotheek die 1700 boekwerken bevat.
Havanna is trotsch op haar nationale schrijvers, zooals de lyrische
dichter José Maria de Heredia, de tooneelschrijver Milanes, en
schrijfsters als Mmes Avellaneda, Luaces, en Luisa de Zambrana.
Cuba heeft ook zijn musici en componisten, zooals Figueredo,
de componist van het volkslied Bayamès; Sanchez Fuentes, die het
lied la Havanaise heeft gecomponeerd, Espadero en Valenzuela, wier
liederen veel worden gezongen; Villate, die de opera's Zilia,
Czarina, en Balthazar heeft geschreven; de violisten White,
Hasselbrink en Albertini; en voorts Cervantes, Arizti en Maury,
componisten van dansmuziek. Een romanschrijver, Cirilo Villaverde,
die het volksleven schildert, en een letterkundig criticus, Pineyro,
werden met veel lof genoemd. Onder de schrijvers van wijsgeerige werken
noem ik: José de la Luz, Varela, Mestre Bachiller; del Valle, Varona;
als historieschrijvers munten uit: Arrate, Montoro, Vidal Morales,
Carlos de la Torre; allen mannen, die het hunne ertoe bijdroegen om
belangstelling in de dingen van het geestelijk leven op te wekken.
Het revolutietijdperk van veertig jaren geleden schonk vele politieke
redenaars gelegenheid, hun gaven te toonen; ook journalisten van naam
traden in die dagen op den voorgrond, zooals Manuel Sauguily en Juan
Gualberto Gomez. Onder de helden, die de onafhankelijkheid van hun
vaderland dapper verdedigden, noem ik Iznaga, Narciso Lopez, Gomez,
Marti, Cespedes, Maceo en anderen.
Verschillende gedenkteekenen en bouwvallen herinneren nog aan
die treurige dagen, zooals de vesting Fuerza, waarvan de toren als
wachtpost diende, wanneer er zeeroovers op de kust waren; verder zijn
er nog de forten Atares en Morro, die in de 18de eeuw de aanvallen der
Engelschen hadden te doorstaan, en het fort Cabana, aan den voet van
welks hoogen muur tal van vrijheidshelden bezweken onder de kogels der
Spanjaarden. Als herinnering aan die dapperen is hier een bas-relief
van Mercié geplaatst.
Buiten de muren van San Ambrosio, op een plek, waar men Havanna
in de verte ziet liggen, staat een gedenkteeken, opgericht ter
herinnering aan acht studenten, die beschuldigd werden het graf te
hebben geschonden van een zekeren Cartanon, die het blad "de Stem van
Cuba" had opgericht. Hoe nadrukkelijk zij ook hun onschuld betuigden,
zij werden zonder genade ter dood veroordeeld. Niet ver van dit
monument, ontworpen door den kunstenaar Saavedra, staat een vierkante
zuil, ter herinnering aan een ramp, waarbij 28 brandweerlieden en
politieagenten omkwamen, eene ontploffing in een ijzermagazijn,
waar kruit verborgen was.
Meerdere gedenkteekenen, verspreid tusschen schaduwrijke lanen, vormen
hier een soort van kerkhof, dat de herinnering aan droeve tijden wakker
roept. Doch aan al dien treurigen strijd en verwarring heeft Cuba
zich thans ontworsteld. Het land gaat een betere toekomst tegemoet,
en heeft veel te danken aan een vaderlandslievende vereeniging van
500 bekwame mannen "de Sociedad Economica de amigos del Païs", bij
welke de oudste archieven berusten en die het beheer hebben over een
groote bibliotheek van 42 000 boekdeelen.
Thans willen wij in groote trekken den opstand van 1868 beschrijven,
welke door een lange periode van woelingen werd voorafgegaan, tot de
tusschenkomst van Amerika het eiland aan de macht van Spanje ontrukte.
Toen het land in 1492 door Christoffel Columbus was ontdekt, vestigden
zich hier driehonderd Spanjaarden, onder Diego Velasquez, en in 1511
reeds hadden deze kolonisten de oorspronkelijke bewoners grootendeels
verdreven. In 1660 en in 1762 maakten de Engelschen er veroveringen, en
in 1805 vermeesterden zij het geheele eiland, dat van toen af eerst tot
werkelijken bloei geraakte, daar het zijn havens thans voor alle natiën
kon openstellen, en binnen korten tijd zeer rijk werd. Na de herovering
door de Spanjaarden echter werd het door de laatsten slechts beschouwd
als een onuitputtelijke bron van inkomsten, terwijl niet de minste
moeite werd gedaan, om de welvaart waaruit die rijkdommen voortsproten,
in stand te houden en te bevorderen. Het land werd de prooi van een
menigte ambtenaren en fortuinzoekers, die ieder voor zich trachtten,
zooveel voordeel te verwerven als er slechts te halen viel, en zich
van de beste plaatsen meester maakten. De bewoners van Cuba zelf
werden niet alleen op alle mogelijke wijzen uitgezogen en benadeeld;
maar bovendien met de grootste minachting behandeld. Gedrukt door
zware en onrechtvaardige belastingen, en steeds grievend verongelijkt,
begonnen zij de Spanjaarden te haten met een doodelijken haat. Op een
verzoekschrift, door hen aan koningin Isabella gericht, waarin zij
op verbetering van den toestand aandrongen, kregen zij een antwoord,
dat, hoewel in schijn bevredigend, hen in werkelijkheid nog meer
verbitterde, dan een volstrekte weigering zou hebben gedaan. In den
loop van het jaar 1865 vormde zich op het eiland een revolutionaire
partij; onder den onversaagden aanvoerder Carlos Manuel Cespedes,
die op de vraag, met welke wapens men strijden zoude, daar het geld
om ze te koopen ontbrak, ten antwoord gaf: "Met de wapens, die wij
onzen vijanden zullen ontnemen."
Ofschoon hij bevel voerde over ongeoefende troepen, slechts gewapend
met slechte jachtgeweren, trok hij toch, in 1868 naar Santiago,
waar hij twee maanden kampeerde, zonder door de spaansche bezetting
der stad, die niet grooter in aantal was dan de troep opstandelingen
zelf, te worden aangevallen. Doch in het laatst van December 1868,
toen uit Spanje, behalve aanzienlijke versterkingen, een aantal
schepen werd gezonden, dat de kust van het eiland bewaakte, begon een
verschrikkelijke strijd. De uitgestrekte bezittingen van Cespedes
werden verbrand, en dit was het sein tot een reeks van branden en
plunderingen, die de parel der Antillen geheel verwoestten. De Cubanen
wreekten zich, door de haciendas der Spanjaarden in brand te steken,
en van beide zijden woedde de strijd meedoogenloos en verbitterd. De
opstandelingen werden teruggedreven naar de stad Bayamo, waar zij
hun hoofdkwartier hadden opgeslagen; doch liever dan dit plaatsje,
waar hij geboren was, in de handen der Spanjaarden te zien vallen,
stak Cespedes het in brand. Geen nederlaag, geen angst voor de
vreeselijke wraakoefening, gepleegd op de gevangenen die afschuwelijk
werden gemarteld, kon den moed der opstandelingen doen zinken; zij
streden met de vertwijfeling der wanhoop, onder de heldhaftige en
bezielende leiding van mannen als Modesto Diaz, Gomez, Vicente Garcia
en Ignacio Agramonte. Verschil van ras en landaard werd vergeten;
negers en Amerikanen schaarden zich aan de zijde der onderdrukten.
In het begin van den opstand had generaal Lersundi, de gouverneur van
Cuba, bij gebrek aan geregelde troepen, vrijwilligers aangeworven,
zoolang nog geen versterking uit Spanje was aangekomen. Deze lieden,
gerecruteerd uit de laagste klassen der bevolking, waren volstrekt
niet te vertrouwen, en hadden van krijgstucht geen begrip, zoodat
zij voor de regeering eer een nieuw gevaar opleverden, dan dat zij
haar tot steun strekten.
Daar het den Cubanen, die in de steden verblijf hielden, streng
verboden was, zich naar hun landgoederen te begeven, op straffe van
als opstandeling te worden beschouwd en dus gefusilleerd te worden,
hadden de Spaansche vrijwilligers op de haciendas dezer grondbezitters
de handen vrij, en maakten er schandelijk misbruik van hun macht,
door de slaven door mishandeling te dwingen voor hen te werken,
en zich de opbrengst van den oogst toe te eigenen. Als de beroofde
eigenaar zich durfde beklagen, werd hij in de gevangenis geworpen en
gedood, en wie het waagde op zijn bezitting te blijven, werd tot het
uiterste getergd en geplunderd. Deze struikroovers, die, onder den
schijn van recht te doen, de laagste misdrijven pleegden, boezemden de
cubaansche vrouwen zulk een haat en afkeer in, dat velen onder haar
zich in de gelederen harer broeders schaarden, en medestreden, niet
minder verwoed dan de mannen. In de omstreken van Santiago vereenigden
zij zich zelfs tot kleine troepen, die zich in de maniguas (savannas)
schuil hielden, en daar den vijand het hoofd wisten te bieden.
Eens gebeurde het, in den winter van het jaar '73, dat een twaalftal
dezer vrouwen, in een bosch, onverwachts een troep spaansche
vrijwilligers ontmoette. De bevelvoerende officier wenschte van haar
te vernemen, of zich daar in de buurt ook een kamp van opstandelingen
bevond. Op haar ontkennend antwoord liet hij ze twee aan twee boeien
en gevankelijk medevoeren.